Baruch de Spinoza, filosoof

Baruch Spinoza, ofwel Benedictus de Spinoza in het Latijn en Bento de Espinosa of d’Espinosa in het Portugees, (Amsterdam, 24 november 1632Den Haag, 21 februari 1677) was een Nederlands filosoof, wiskundige, politiek denker maar ook lenzenslijper uit de vroege Verlichting.

Onder de natuurfilosofen is hij een radicaal die de wonderen van Christus ontkende en geen andere verklaring accepteerde dan die gebaseerd op de rede. Hij stelde dat de Bijbelse profeten gewone mensen waren met een uitzonderlijke verbeeldingskracht die niet namens God spraken.

Spinoza ontwikkelde een filosofie waarin theologie geen rol speelde en ongeacht welke religie toepasbaar is. Hij stelde dat God en natuur hetzelfde zijn en dat inzicht in de natuur ook de kennis van het goddelijke verhoogt.[1]

Vanwege zijn grondige kennis van het Hebreeuwse idioom is Spinoza van belang geweest voor de Bijbelwetenschap. Zijn boeken waren tweehonderd jaar lang verboden in Europa, omdat zijn historische Bijbelkritiek zou leiden tot atheïsme en fatalisme.

Spinoza was een volgeling en criticus van René Descartes en een tijdgenoot van Nicolas Malebranche en Gottfried Leibniz, eveneens rationalisten van de vroege moderne filosofie. Als politiek denker vond hij dat de macht van de staat nooit aan een enkeling toevertrouwd mocht worden, omdat daar misbruik van gemaakt zou worden.[2]

Inhoud

Biografie

“Veel van wat over Spinoza’s privéleven geschreven is, lijkt verzonnen te zijn om hiaten op te vullen. Desondanks zijn de verhalen vaak verworden tot legendes”.[5]

Familie
De Sefardische familie Spinoza (d’Espinosa in het Portugees) kwam volgens sommige historici uit de plaats Espinosa de los Monteros, bij Burgos in Spanje. Toen de joden die zich niet tot het christendom hadden bekeerd, uit Spanje werden verdreven, begon een van Spinoza’s voorouders een handel over de Spaans-Portugese grens in Vidigere. Enige jaren nadat Portugal (in 1580) was ingelijfd bij het Spaanse rijk, trokken de familie Spinoza naar het tolerantere Frankrijk.

Isaac, een van Spinoza’s grootvaders, begon rond 1592 een handelsonderneming in het protestantse Nantes.[7] Na de moord op Hendrik IV  werden de Joden in 1615 Frankrijk uitgezet, maar het schijnt dat hij eerst na 1620 naar Rotterdam trok. Om zijn bedrijf voort te zetten en het embargo van Spanje te omzeilen, handelde hij via zijn contacten in Nantes.

De Breestraat (nu Jodenbreestraat) in Amsterdam in 1625. De grijze rechthoek geeft de lokatie aan van de huidige Mozes en Aaronkerk. De Vloonburch Steech heet nu Houtkopersdwarsstraat. Het Noorden ligt rechts-onder
Zijn zoon Michael d’Espinosa – rond 1588/89 geboren in Vidigere – trouwde rond 1622/23 met zijn volle nicht Rachel, wonend op de Houtgracht, die evenwel in februari 1627 overleed. Zij was de dochter van Abraham Spinoza de Nantes.
In 1631 behoorde Abraham Spinosa, alias Manuel Rodrigues,  tot de rijkere Amsterdammers. (Sefardische handelaren in hadden vaak twee identiteiten, een joodse en een christelijke, die werd ingezet al naar gelang de omstandigheden.) Zijn “buurman” was destijds Jasper Balthusz, de knecht van de regenten van het Oudezijds Huiszittenhuis 1, die op 21 juni 1632 vanuit die instelling, nu de Academie van Bouwkunst, werd begraven.
P1000135.JPG, nieuw
Frederiks, J.G. (1890) Kohier van den 200-sten penning voor Amsterdam en onderhoorige plaatsen over 1631. Op folio 154v wordt de grootvader van Spinoza (aan moeders kant) genoemd.

Niet lang daarna hertrouwde Michael Spinoza met Hanna Deborah uit Lissabon.[10] Op 24 november 1632 schonk zij het leven aan Baruch Spinoza. Zijn geboortehuis zou volgens Theun de Vries en Jan Romein op het eiland Vlooienburg hebben gestaan, maar daarvoor zijn nauwelijks aanwijzingen. Veel aannemelijker is de toenmalige Houtgracht, waar Michaels oom, maar tegelijkertijd ook schoonvader woonde; niet op nummer 41 volgens de mythe 2[12][13][14]

P1000141
Historische gids van Amsterdam (1974), opnieuw bewerkt door Mr H.F. Wijnman, p. 205.
P1000160
Die Lebensgeschichte Spinoza, p. 98.

In 1636 werd Michael Spinoza ingeschreven als onafhankelijk handelaar, bovendien als een van de parnassim (kerkvoogd) benoemd. Baruchs moeder stierf in november 1638. De familie d’Espinosa bestond toen waarschijnlijk uit vijf kinderen[15] want uit het derde huwelijk van Michael Spinoza met de 40-jarige Esther de Solis in april 1641 [16] zijn geen kinderen bekend. Volgens de ondertrouwakte woonde de bruidegom toen op Vlooienburg, maar de kans is groot dat de ambtenaar zich heeft vergist of te summier en dat de bruidegom er tegenover woonde, zoals in 1650.

P1000140
Kohier van de 8e penning uit de jaren 1650-1653. Willem Kick, inmiddels overleden, en Michael Spinoza staan beide als eigenaar vermeld. Zij betaalden een achtste van de huurwaarde aan belasting
In 1650 was David Torres een van de eigenaren van het naastgelegen pand op de Houtgracht (zijn compagnon of medebewoners was Mattheus Lopes). Op 23 juni 1682 verkochten de erfgenamen David en Judica Torres het pand aan Annetje Hendriksz, de weduwe van Gerrit Kalkhoven, die als strovrouw fungeerde en het op haar beurt op 13 januari 1690  verkocht aan Johannes Vroom, een medicus uit Breda, en de broer van de priester in de Mozes en Aäronschuilkerk. (Ondertussen was men begonnen met de uitbreiding van de schuilkerk, nog voor de koop rond was en de toestemming was verkregen van het stadsbestuur.3 De schuilkerk was de grootste in Amsterdam en tussen 1680 en 1690 werden er 5.607 kinderen gedoopt.4
Johannes Vroom had op 23 februari 1682 het voormalige woonhuis van de Spinoza’s van de erfgenamen van Agnieta van Ayta, gekocht.5 Omdat het pand belast was met een “fideï-commis” mocht het niet uit de familie Bambeeck verdwijnen zonder toestemming van de overige familieleden. De erfgenamen, Anna en Marten gaven echter in november 1680 opdracht aan hun stiefvader Nicolaes Uyttenbosch het pand de Aäron en het achterliggende pand te verkopen aan Johannes de Vroom, nadat zij waren verarmd in het Rampjaar 1672. Ze procedeerden bij het Hof van Holland om de verkoop toch door te zetten. Hun moeder, Agnieta van Ayta de weduwe van Jan Ackersloot, woonachtig in Hillegom, was een erfgenaam de weduwe Van Bambeeck, die het pand 15 oktober 1648 had gekocht van de erfgenamen van Willem Kick. Kick was eigenaar sinds 1620 of 1623 van het pand aan de Houtgracht met een voorhuis aan de Jodenbreestraat.
Aan de andere kant van de familie Spinoza woonde in 1650 Gonçalves Dias Pato. Naar het zich laat aanzien was hij huurder en geen eigenaar, net als Manuel Mendes, zijn voorganger, want er zijn geen koopakten op hun naam. (Dit lijkt op een onzinnig detail, maar koopakten bevatten meestal ook de namen van de buren, zodat duidelijk wie naast wie woonde in die tijd maar de situatie is vooralsnog niet eenduidig.)

In 1650 trouwde Miriam, een zus van Baruch, met Samuel de Casseres, een rabbijn-in-opleiding.[21] Zij stierf het jaar daarop. Zijn schoonzus Rebecca Spinoza sprong in om de verzorging van zijn pasgeboren kind op zich te nemen.[22] In oktober 1652 kwam zijn stiefmoeder Ester de Solis te overlijden. In maart 1654 stierf zijn vader Michael Spinoza.[23]

Baruch nam samen met zijn jongere broer Gabriël de handel in wijn, olijfolie, vijgen en amandelen van zijn vader over. De firma had zwaar te lijden gehad onder de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog en was in 1654 bijna failliet. De schuldeisers lieten hen niet met rust. Op 7 mei 1655 had Baruch een handgemeen met de Antonio Alvares, waarbij Spinoza’s hoed op de grond viel en werd platgetrapt.[24]

Isaac, Antonio en Gabriel Alvares

In 1644 trouwde Isaac Alvares met Sara Vaz; zijn broer Gabriel was getuige.  Zij waren afkomstig uit Parijs; hun vader Henrique was in 1612 failliet gegaan in Antwerpen. Die had zich vervolgens op de Rue Saint-Lazare in Parijs gevestigd. Zijn zoon Isaac Alvares begon een diamantslijperij op Uilenburg in het pand genaamd De gecroonde diamant. In 1655 kregen zijn broers Antonio en Gabriel Alvares ruzie met Baruch de Spinoza over een onbetaalde rekening. Zij sloegen hem in een tapperij in de Nes in zijn gezicht, toen Spinoza, die zich in betalingsmoeilijkheden bevond, prompte betaling eiste. Antonio woonde op de Raamgracht, tegenover de Zuiderkerk; Gabriel op de Snoekjesgracht, achter de St Antoniesbreestraat.

Zoekend

Vanaf het midden van de zeventiende eeuw hield intellectueel Europa zich bezig met de zuivere waarheid en vroeg zich af wat waar is in de Bijbel. In 1655 publiceerde Isaac La Peyrère in Amsterdam zijn ideeën over de geschiedenis en trok daarbij de juistheid van de Bijbel in twijfel.[25] Athanasius Kirchner vroeg zich af of er ook vooraf aan de zondvloed regenbogen waren geweest. Spinoza hield zich op natuurkundige wijze bezig met het verschijnsel regenboog, dat eerst na het ontdekken van de brekingswetten van Snellius goed verklaard kon worden. In 1657 correspondeerde Spinoza met Christiaan Huygens over het verschijnsel, evenals over waarschijnlijkheid en kansberekening.

Spinoza had zich ondertussen bekwaamd in het Latijn en hield zich bezig met filosofie, moraal en overpeinzingen over de theorie van de onsterfelijkheid van de ziel.[26] Hij was sterk beïnvloed door het werk van René Descartes, die uitgebreid over lichaam en ziel had geschreven. Spinoza bestudeerde ook het werk van Gersonides over onsterfelijkheid en Maimonides,[27] een arts en filosoof die in Marokko en Egypte werkte, en een van de belangrijkste joodse geleerden, omdat hij probeerde de Bijbel met de filosofie te verzoenen. Spinoza vond de opvattingen van Maimonides schadelijk, nutteloos, en absurd geëxplodeerd.[28][29] Filosofie verbinden met een openbaringsgodsdienst is een lastige opgave en volgens sommigen onmogelijk. Spinoza loste dit op door de theologie ondergeschikt aan de filosofie te verklaren.[30]

Spinoza verzette zich al in een vroeg stadium tegen het beeld dat God een menselijke gedaante zou zijn, tegen het idee van de uitverkiezing van het joodse volk door God en de goddelijke oorsprong van de Bijbel.[31] Spinoza twijfelde eveneens aan de oorsprong van de tien geboden van Mozes en legde veel nadruk op het belang van een deugdzaam leven. De rabbijnen zouden hem volgens sommige schrijvers een pensioen hebben aangeboden als hij afzag van verspreiding van zijn ideeën, maar het is ook mogelijk dat zijn contacten met andersdenkenden een rol speelden,[32] en dat de rabbijnen een terugkeer naar de synagoge van Spinoza verwachtten.[33] Op 27 juli 1656 werd Spinoza uit de Sefardische gemeenschap verstoten.[34] De op schrift gestelde banvloek is bewaard gebleven en daarin wordt hem verweten dat hij er ‘vreselijke ketterijen’ en ‘monsterlijke daden’ (homosexualiteit?) op nahield. Vandaag de dag is niet bekend wat de redenen waren die tot die omschrijving aanleiding gaven. Wel is bekend dat getuigen een en ander bevestigd hebben. De verstoting hield mede in dat zijn familieleden geen contact met hem mochten hebben, noch hem op een of andere wijze mochten ondersteunen.[35][36]

Leerling Van den Enden

Spinoza wilde Latijn leren en schreef zich in bij de Latijnse school in Amsterdam van de ex-jezuïet Franciscus van den Enden die door zijn eerste biografen als Spinoza’s filosofische en politieke leermeester wordt genoemd. Door de leerlingen van de school werden klassieke toneelstukken opgevoerd, waarin Spinoza volgens sommige historici mogelijk heeft meegespeeld. Die mening baseren zij op passages uit de Eunuchus van Terentius die door Spinoza bijzonder vaak worden aangehaald in zijn Ethica.[37][38] Of Spinoza ook de inhoud van het Philedonius kende is onduidelijk. Het allegorische toneelstuk werd geschreven door Van den Enden en is op 13 en 27 januari 1657 in de schouwburg van Van Campen opgevoerd.[39]

Tussen 1652 en 1657 heerste de pest in Amsterdam; degenen die het zich konden veroorloven, trokken de stad uit.[40] Maar er zijn ook andere verklaringen mogelijk. Feit is dat volgens zijn eerste biograaf Johann Köhler (gelatiniseerd: Colerus) het hem raadzaam leek om tijdelijk Amsterdam te verlaten. Hij vond onderdak in of bij Ouderkerk aan de Amstel.[41][42]

Optica

Spinoza leerde het ambacht van lenzen slijpen, maar het is niet bekend van wie en wanneer. Spinoza had contact met twee broers Alvarez, diamantslijper en -handelaar; misschien dat het in die hoek gezocht moet worden. Het meest waarschijnlijk is dat hij dit deed uit wetenschappelijke interesse. Met Johannes Hudde correspondeerde Spinoza over de brandpuntsafstand. Theodor Kerckring die over een microscoop van de hand van Spinoza beschikte, Leibniz en Christiaan Huygens roemden de kwaliteit van Spinoza’s lenzen.[43]

Rijnsburg en Voorburg

Het is niet duidelijk in welk jaar Spinoza precies vanuit Ouderkerk (of Amsterdam) afreisde naar Rijnsburg. Hij trok in bij de chirurgijn Herman Hooman. Die woning staat nu bekend als het Spinozahuisje.[44]

De Amsterdamse vriendenkring rondom Spinoza was klein, maar trouw. In besloten gezelschap werden zijn teksten becommentarieerd. De kring bestond uit de koopman/filosoof Pieter Balling, die werk van Spinoza vertaalde naar het Nederlands; Jarig Jelles, een koopman op de Herengracht, die hij al sinds 1654 kende; Adriaen Koerbagh; Johannes Koerbagh; Jan Rieuwertsz, de uitgever van Spinoza’s werken, die in zijn winkel in de Dirk van Hasseltsteeg onderdak bood aan vrijdenkers; de koopman Simon Joosten de Vries, die hem toegenegen was en een jaargeld verstrekte; de arts en latinist Johannes Bouwmeester, de arts en schrijver Lodewijk Meyer, de hoogleraar Burchard de Volder en de diplomaat Coenraad van Beuningen.

De jaren dat hij in Rijnsburg verbleef, behoorden tot zijn meest vruchtbare. In 1663 kwam het eerste deel van de Ethica als manuscript in de handen van zijn Amsterdamse vrienden. Datzelfde jaar verhuisde hij naar Voorburg, waar hij introk bij de schilder Daniël Tydeman aan de Kerkstraat. Daar werkte hij verder aan zijn Ethica. Spinoza bestreed ondertussen de opvatting dat hij een atheïst zou zijn, maar slaagde daar niet goed in.[45] Henry Oldenburg, met wie Spinoza correspondeerde over Robert Boyle en Pierre Gassendi, werd in 1667 twee maanden opgesloten in de Tower of London. Verondersteld wordt dat de opsluiting te maken had met zijn contact met Spinoza.[46] Adriaen Koerbagh bracht in 1669 het boek ‘Een Ligt schijnende in duystere Plaatsen’ uit, dat de geest ademt van Spinoza’s filosofie. Koerbagh werd voor godslastering veroordeeld tot tien jaar rasphuis en stierf enkele maanden later.

Den Haag

Tussen 1669 en 1671 verhuisde Spinoza naar Den Haag. Hij kreeg kost en inwoning bij een weduwe op de Stille Veerkade, maar toen dat te duur voor hem werd, verhuisde hij naar de Paviljoensgracht. Hier huurde hij een kamer bij een Lutherse ouderling.[47] Hij zou in dit “Spinozahuis“, dat voorheen eigendom was van de schilderJan van Goyen, tot aan zijn dood blijven wonen.

Spinoza deed in Den Haag een poging om kennis te maken met Cosimo III de’ Medici. De behoudende prins weigerde hem te ontmoeten als hij op bezoek is bij prins Willem III. Spinoza had ondertussen het Godgeleerd-staatkundig Vertoog, ofwel de Tractatus theologico-politicus geschreven, dat in 1670 anoniem werd gepubliceerd. Het zou het oudste pleidooi [bron?] zijn voor de vrijheid van meningsuiting.[48]

In het rampjaar 1672 greep de lynchpartij op Johan de Witt en zijn broer Cornelis hem zeer aan. Spinoza was dermate geschokt, dat hij ‘s nachts een pamflet schreef met de titel Ultimi Barbarorum (jullie zijn de ergste barbaren) om het bij de Gevangenpoort op te hangen.[49] Zijn huisbaas, Hendrik van der Spyck, wist hem tegen te houden door de voordeur op slot te draaien.

In het voorjaar van 1673 werd hem een professoraat wijsbegeerte aangeboden aan de Universiteit van Heidelberg, waar zijn medestander Samuel von Pufendorf had gedoceerd,[50] maar Spinoza bedankte voor de eer “… aangezien ik nooit lust heb gevoeld in het openbaar te doceren, kan ik er niet toe komen deze prachtige gelegenheid aan te grijpen, hoewel ik de zaak lange tijd bij mijzelf overwogen heb”.[51] Het is mogelijk dat men hem op diplomatieke wijze te verstaan had gegeven niet de beginselen van de Nederduits Gereformeerde Kerk aan te vallen.[52][53][54]

In datzelfde jaar reisde hij naar de stad Utrecht, die de Fransen al een jaar bezet hielden. Spinoza wilde met de Franse legeraanvoerder Lodewijk II van Bourbon-Condé van gedachten wisselen over de vredeskansen en werd ontvangen door maarschalk de Luxembourg.[55] De gesprekken gingen niet door omdat de zieke Condé terugreisde naar Frankrijk.[56] Bij zijn terugkeer zou Spinoza zijn verdacht van spionage of landverraad en zich volgens Romein maandenlang schuilhouden.[57]

Bezoek

De Utrechtse arts Lambert van Velthuysen had kritiek op het godsbeeld van Spinoza. Hij beschuldigde Spinoza van blinde overgave aan het noodlot.[58] De God die Spinoza schetste had geen goddelijke wil. Daardoor was volgens Van Velthuysen niet langer aan God af te meten wat ‘goed’ en wat ‘kwaad’ was. Moraal en deugdzaamheid werden zo in de waagschaal gesteld, en dat had allerlei onzekerheden ten gevolg. Ook werd volgens Van Velthuysen de waarde van de Bijbel aangetast. Want als God geen moreel oordeel gaf, dan was de Bijbel weinig meer dan retoriek. Spinoza was niet onder de indruk en stuurde Van Velthuysen een gepeperde brief.[59] Desalniettemin hielden Spinoza en Van Velthuysen contact. Vanaf 1673 bezochten ze elkaar regelmatig en hielpen elkaar bij het uitbrengen van teksten.

In 1674 is het Tractatus theologico-politicus (Theologisch-politiek traktaat) in Nederland verboden. Spinoza begon een correspondentie met de Duitse natuurkundige en wiskundige Ehrenfried W. von Tschirnhaus, die voorheen in Leiden studeerde. Jonathan Israel stelt dat de discussies tussen beiden over de vrije wil, de motivatie van de mens, Descartes’ wetten van de beweging en andere vraagstukken duidelijk de meest stimulerende waren in de laatste fase van Spinoza’s leven.[61]

Albert Burgh (1650-1708), franciscaan in Rome, schreef Spinoza op 11 september 1675 een beroemd geworden brief om Spinoza op zijn rationalistische dwalingen en ongeloof in Christus te wijzen.6

In 1676 kwam Leibniz op bezoek. De twee filosofen voerden lange gesprekken, onder andere over het begrip zielsverhuizing bij Pythagoras.[62]

Overlijden

In zijn laatste levensjaren kreeg Spinoza regelmatig bezoek van de arts en alchemist George Hermann Schuller. Deze jonge Amsterdamse geneesheer stelde in februari 1677 dat Spinoza niet lang meer te leven had. Kort daarna, op 21 februari, stierf Spinoza aan een longziekte, naar verluidt tuberculose. Door zijn vrienden werd hij begraven op het kerkhof van de Nieuwe Kerk in Den Haag. Voor zijn laatste reis werden zes koetsen ingehuurd.

Boekenkast

Spinoza bezat bij zijn overlijden honderdzestig boeken: zesennegentig in het Latijn, zeventien meertalig, zestien in het Spaans, dertien in het Nederlands en tien in het Hebreeuws. De belangrijkste onderwerpen waren taalwetenschap, klassieke en eigentijdse gedichten, theologie, politieke theorie, wiskunde, natuurwetenschap en filosofie.

Spinoza bezat naast alle werken van Descartes, het meetkundig en rekenkundig verzamelwerk Elementen van Euclides, ook een reisverslag naar Spanje van de hand van Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck, de epigrammen van Marcus Valerius Martialis, astronomische werken van Philippus Lansbergen en een medisch boek van Nicolaes Tulp.

Postume werken

Zijn lessenaar, met daarin zijn voltooide en onvoltooide manuscripten, werd naar de uitgever Jan Riewertsz gebracht. Nog in zijn overlijdensjaar verscheen Opera Posthuma (‘Postume werken’). Deze werd vertaald door Jan Hendriksz Glazemaker en in 1677 gepubliceerd als De nagelaten geschriften van B.d.S. Een verbod op publicatie door de Staten van Holland heeft de verspreiding niet kunnen stoppen.

Spinoza’s correspondenten

Spinoza heeft gecorrespondeerd met diverse personen. Hij bewaarde de binnengekomen brieven en de kladversies van de verstuurde brieven. Akkerman e.a.: Briefwisseling, vertaald uit het Latijn en uitgegeven naar de bronnen bevat 88 brieven van en aan Spinoza, met de volgende correspondenten.

Pieter Balling Willem van Blijenbergh Johannes Bouwmeester Hugo Boxel[63]
Robert Boyle Albert Burgh Johann Ludwig Fabritius Johann Georg Graevius
Jarig Jelles Johannes Hudde Gottfried Leibniz Johan van der Meer
Lodewijk Meyer Henry Oldenburg Jacob Ostens George Hermann Schuller
Nicolaus Steno Ehrenfried Walther von Tschirnhaus Lambert van Velthuysen Simon de Vries

Liefdesleven

Spinoza is zijn gehele leven ongetrouwd gebleven. De overlevering vermeldt slechts één geval van zijn interesse in het andere geslacht, voor Clara Maria van den Enden, de manke dochter van zijn leermeester. Deze zou Spinoza hebben afgewezen en in 1671 trouwen met Theodoor Kerckrinck. Het verhaal wordt echter in twijfel getrokken vanwege de leeftijd van het meisje, dat werd geboren in 1644.[64]

In een smaadgedicht uit 1683 lijkt Joachim Oudaen te impliceren dat Spinoza homoseksueel was; dat is niet onmogelijk, maar hiervoor bestaan geen andere aanwijzingen dan het contact met de Leidse student.

Werk

Spinoza’s denken combineert cartesiaanse metafysische en epistemologische principes met elementen uit het oude stoïcisme en het middeleeuwse, joodse rationalisme tot een zeer origineel systeem. Zijn zeer naturalistische opvattingen over God, de wereld, de mens en de kennis dienen om een ​​morele filosofie te funderen, gericht op de controle van de hartstochten, wat leidt tot deugd en geluk.[65] Hij beschouwde de mens als een extern aangestuurde machine, terwijl de mens zelf zich vrij waant.

Spinozisme versus atheïsme en theïsme

Er bestaan verschillende interpretaties over de religieuze opvattingen van Spinoza. Voor sommigen is Spinoza een boegbeeld van het atheïsme, volgens anderen eerder van het pantheïsme. De basis van zijn stelsel is zijn neutraal monistische Godsopvatting. Spinoza had een heel ander godsbegrip dan de drie monotheïstische religies.

Volgens Spinoza was God niet de schepper van de wereld, maar de wereld een onderdeel van het goddelijke.[67] Wonderen zijn volgens Spinoza niet het bewijs van goddelijke macht, maar van menselijke onwetendheid. Spinoza vond dat de aanwezigheid van God niet bewezen wordt door wonderen, maar door de orde in de natuur. Als we de oorzaken van ons handelen niet kennen, spreken we over de vrije wil, maar voor Spinoza was dit een gevolg van onwetendheid. Volgens Spinoza is onwetendheid het voornaamste obstakel bij het nastreven van een deugdzaam leven, niet egoïsme.[68] Goed en kwaad moeten volgens hem beschouwd worden als gelijkwaardig aan gezond en ongezond. Overgaan van passiviteit naar activiteit is volgens Spinoza altijd overweldigend, bevrijdend en vreugdevol.

Invloed spinozisme

Het genootschap Nil Volentibus Arduum (Latijn voor ‘niets is moeilijk voor hen die willen’) was het motto van een roemrucht gezelschap van intellectuelen, opgericht in Amsterdam in 1669, naar het voorbeeld van de Académie Française. Het was mede opgericht om onder de dekmantel van een cultureel gezelschap vrijelijk te kunnen discussiëren over de spinozistische filosofie, die zij wilde verspreiden.

Door wat bekend is geworden als de Pantheïsme Controverse, kwam de filosofie van Spinoza eind achttiende eeuw binnen Europa opnieuw in de belangstelling. De dichter Lessing gaf in 1780 de Duitse filosoof Jacobi die Spinoza wilde bestrijden te kennen dat er geen andere filosofie was dan die van Spinoza en niet zo gauw een andere naam zou weten.7 Spinoza had invloed op  het Duitse idealisme en de vroeg-romantiek. Filosofen als Hegel, Fichte, Schlegel en de schrijver Goethe knoopten bij hem aan.8 Rond 1800 was de belangstelling voor Spinoza’s werk dusdanig groot, dat er in 1802 in Jena voor het eerst een (Duitse?) uitgave van zijn verzameld werk gepubliceerd werd.[69]

Ook Albert Einstein bewonderde hem en vond aansluiting bij zijn abstracte godsbeeld. “Ik geloof in de God van Spinoza, die zichzelf openbaart in de wetmatige harmonie van het heelal, en niet in een God die zich bemoeit met het lot en de handelingen van mensen”, schreef Einstein. In 1920 schreef hij een gedicht getiteld “Zu Spinozas Ethik”.

In de twintigste eeuw zijn twee bloeiperioden van het spinozisme aan te wijzen. De eerste was een Spinoza-cultus in de Weimarrepubliek, in de jaren twintig. Deze dient gezien te worden in de context van het toenemende antisemitisme. Bij het begin van de Tweede Wereldoorlog werd het eerste bloeimoment de kop ingedrukt. De tweede periode trad op na die oorlog, toen Spinoza een populair studieobject werd voor de Franse marxisten, waaronder Louis Althusser, Pierre Macherey en de Italiaan Antonio Negri. De populariteit van het neoliberalisme en de ondergang van het marxisme zorgde ervoor dat ook toen, het spinozisme geen vaste plek kreeg binnen de hedendaagse politieke filosofie.[bron?]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Nadler, S. (2008) De ketterij van Spinoza, p. 178.
  2. Klever, W. (1995) Een nieuwe Spinoza in veertig facetten, p. 110.
  3. Steenbakkers, Piet (1999/2000) Benedictus de Spinoza, een overzicht (1632-1677) In: Filosofie: tweemaandelijks tijdschrift van de Stichting Informatie Filosofie, jaargang 9 nr. 6, p. 4–14
  4. Steenbakkers, Piet (1999/2000)
  5. Akkerman, F. et al. (1977) Spinoza. Briefwisseling, p. 31.
  6. Brackman, Eli (2009) Why was Spinoza excommunicated?
  7. Bruyn-Kops, Henriette de (2007) A Spirited Exchange: The Wine and Brandy Trade Between France and the Dutch p. 282
  8. Isaac overleed in april 1627 in Rotterdam en werd evenals de twee schoondochters en twee kleinkinderen op begraafplaats Beth Haim in Ouderkerk aan de Amstel begraven.
  9. Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek
  10. Frederiks, J.G. (1890) Kohier van den 200-sten penning voor Amsterdam en onderhoorige plaatsen over 1631
  11. Zij was de dochter van koopman Henrique Garces, alias Baruch senior en naar wie Baruch Spinoza vernoemd werd. In: Nadler, Steven (1999), p. 36
  12. Deze kinderen waren: Miriam (1629-1651), Isaac (1630/1632-1649), Baruch, Rebecca en Gabriel.
  13. Over de naam van de grootvader bestaat verdeeldheid. Joodse kooplieden maakten veelvuldig gebruik van aliassen om hun familie en handelsrelaties te beschermen en de autoriteiten op een dwaalspoor te brengen. De immigranten noemden zich Portugees omdat de Noordelijke Nederlanden in oorlog waren met Spanje.
  14. Nadler, Steven (1999) Spinoza, a life Cambridge University Press, Cambridge, p. 63
  15. Hij werd bij een bezoek aan de notaris door zijn dochter geholpen.
  16. Nadler, Steven (1999), p. 86.
  17. Die Lebensgeschichte Spinozas, Band 2, Erläuterungen. S. 98, 119.
  18. De vader van Baruch betaalde jaarlijks 130 gulden aan huur voor een huis achter de Jodenbreestraat, eigendom van de goudleermaker Willem Kick. In: Stadsarchief Amsterdam transportakten
  19. De Sefardische gemeenschap bestond in de kinderjaren van Spinoza uit drie “kampen” rond “huissynagogen” op of rond Vlooienburg. In 1638 kwam een verzoening tot stand, waarbij één synagoge werd verkocht, één bleef bestaan en de derde bleef ingericht als schoollokaal. In: stadsarchief.amsterdam.nl
  20. In: Historische gids van Amsterdam, p. 205. De familie Spinoza woonde nooit op Waterlooplein 41, het zogenaamde Tapythuis, zoals soms wordt aangegeven.
  21. Eskens, Erno (2011) Baruch Spinoza: God is een oneindige verzameling filosofiemagazine.nl
  22. Vloemans, A. (1931) Spinoza, de mensch het leven en werk, Leopold’s Uitgevers-Maatschappij
  23. Akevoth website dutchjewry.net; Michael Espinosa (25212), Ester de Soliz (25142), Mirjan (4583), Isaac (25170), Hana (25157), Rachel (25222), Isaak (25168), kind (25055)
  24. Klever, W.N.A. (1994) Zicht op Spinoza: twintig tijdschetsen, p. 30-31.
  25. De zonen van Adam kenden de landbouw en de veeteelt; er moesten dus volgens hem voorgangers zijn geweest. Het Chinese rijk moest al hebben bestaan voor de zondvloed.
  26. Spinoza stond misschien in contact met Adam Boreel en met een aantal van zijn medestanders of collegianten, een vrijzinnige stroming, die sinds 1648 op regelmatige basis bijeenkwam. Boreel had een diepgaande studie van het Jodendom gemaakt, met als ultiem doel het bekeren van joden tot het Protestantisme. Daarbij werkte hij samen met Menasseh ben Israel en Juda Leon Templo in de Korte Houtstraat. In: J. T. Young (1998), Faith, Alchemy and Natural Philosophy: Johann Moriaen, Reformed Intelligencer, and the Hartlib Circle, p.47.
  27. Nadler, Steven (1999) p. 138.
  28. Spinoza, Baruch; TTP, hoofdstuk 7)
  29. Klever, W. (1995) Een nieuwe Spinoza in veertig facetten, p. 65-68.
  30. Er was in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden een relatief grote vrijheid van meningsuiting. Dat leidde tot kritiek in orthodox-gereformeerde kringen. Daarop verordonneerde in 1656 de Staten van Holland dat de Leidse professoren filosofie en theologie de ‘filosofische vrijheid’ niet mochten misbruiken en theologie niet mochten vermengen met filosofie. Enkele stellingen van het gedachtegoed van Descartes werden verboden, maar niet alle. In: amsterdamsespinozakring.nl
  31. Volgens Spinoza zou de profeet Ezra een belangrijke rol hebben gespeeld bij de samenstelling van het boek Genesis.
  32. Brackman, Eli (2009)
  33. Seeligmann, S. (1933) Spinoza Amstelodamensis. In: Maandblad Amstelodamum, p. 20
  34. Dat overkwam onder andere ook Uriel da Costa in 1618 in Hamburg en Spinoza’s vriend Juan de Prado in 1657 in Amsterdam.
  35. Geopperd is door historici dat niet Spinoza’s “duivelse opvattingen” de aanleiding waren voor zijn verbanning, maar dat hij zich beroepen had op de Hollandse wetgeving om onder de erfenis van zijn vader uit te komen die vooral uit schulden bestond. Volgens het Hollandse recht was hij als 23-jarige minderjarig en hoefde hij om die reden de erfenis niet te accepteren. Volgens het joodse recht was hij al vanaf zijn dertiende levensjaar volwassen. In: Nadler, Steven (2008) De ketterij van Spinoza, p. 50-51. Anderen menen dat zijn verstoting te maken kan hebben gehad met het onder meer niet navolgen van de spijswet.
  36. Gabriël zou in 1664 de firma van de hand doen en via Barbados terechtkomen in Jamaica. Rebecca vertrok naar Curaçao.
  37. Akkerman, F. (1977) Spinoza’s tekort aan woorden. Humanistische aspecten van zijn schrijverschap, p. 9. Mededelingen van het Spinozahuis, Leiden.
  38. Miert, D. van (2005) Illuster onderwijs. Het Amsterdamse Athenaeum in de Gouden Eeuw, 1632-1704, p. 166.
  39. Enden, Franciscus van den (1992) Vrije Politieke Stellingen (inleiding Wim Klever), Wereldbibliotheek, Amsterdam, blz. 21
  40. Jaarlijks stierven in Amsterdam meer dan 10.000 mensen aan die ziekte, die vooral heerste in arme buurten.
  41. Meestal wordt in dit verband de naam van Herman Aelbertsz. genoemd, die hem onderdak verleende. Deze Herman was geen zoon van Albert Burgh. Dirck Tulp, een schoonzoon, was via zijn vrouw eigenaar geworden van een hofstede aan de Amstel, net voorbij de banpaal, die werd omgedoopt in Tulpenburgh. Dat Tulp, de zoon van Nicolaes Tulp, en een uitgesproken, rechtzinnige calvinist, Spinoza onderdak zou hebben verleend, is twijfelachtig. Ook Coenraad van Beuningen, Coenraad Burg en Albert Burg waren familie en worden met deze mythe in verband gebracht.
  42. Nadler, Steven (1999), p. 158
  43. Huygens, Christiaan (1895) Oeuvres complètes VI, M. Nijhoff, ‘s-Gravenhage, p. 155
  44. Spinozahuis
  45. Hij bracht een bezoek aan Johan Frederik Schweitzer, die beweerde goud te hebben gemaakt met behulp van lood.
  46. Akkerman, F. et al. (1977) Spinoza. Briefwisseling, p. 41.
  47. Bayle, Pierre (2006) Over Spinoza, p. 89. Bezorgd onder redactie van Henri Krop en Jacob van Sluis.
  48. In 1670 kwamen vijf bezwaren binnen bij de Synode tegen zijn Godgeleerd-Staatkundig Vertoog. In: Romein, Jan en Annie Romein-Verschoor (1977) p. 440
  49. Die Lebensgeschickte Spinoza, Band 1, Dok. 107,
  50. Een zekere Chevreaux had Spinoza bij Karel Lodewijk van de Palts, de keurvorst, voorgesteld als opvolger van Von Pufendorf
  51. Spinoza, Baruch (1977) Briefwisseling (onder redactie van F. Akkerman, H.G. Hubbeling en A.G. Westerbrink) Wereldbibliotheek, Amsterdam, p. 301.
  52. Bayle, Pierre (2006) Over Spinoza, p. 88. (redactie Henri Krop en Jacob van Sluis).
  53. Die Lebensgeschichte Spinoza, Band 1, Dok. 109,
  54. Israel, J. (2001) Radicale Verlichting, p. 612 en 694.
  55. Veenbaas, Jacib Spinoza: een leven volgens de rede p. 289-291
  56. Israel, J.I. (2001) Radicale Verlichting: hoe radicale Nederlandse denkers het gezicht van onze cultuur voorgoed veranderden, p. 81
  57. Romein, Jan en Annie Romein-Verschoor (1977) p. 443
  58. Etienne L.G.E. Kuypers (1993) Sporen Van Spinoza, p. 138 Google Boeken
  59. Coppens, Gunther; Theo Verbeek, Han van Ruler e.a. (2004) books.google.nl Spinoza en het Nederlands cartesianisme] (redactie Gunther Coppens), Acco, Leuven, p. 61
  60. Krop, Henri; Spinoza en het calvinistisch cartesianisme van Lambertus Van Velthuysen (1622-1685) In: Coppens, Gunther; Theo Verbeek, Han van Ruler e.a. (2004), p. 61-78
  61. Von Tschirnhaus kwam bij Spinoza op bezoek en kreeg via Spinoza contact met Henry Oldenburg, de secretaris van de Kon. Academie van wetenschappen in Londen.
  62. Leibniz hield zijn bezoek geheim. Hij publiceerde in 1714 een gematigde visie waarin geloof en wetenschap niet met elkaar strijdig zijn.
  63. Coppens, Gunther (2004) Spinoza et Boxel: Revue de métaphysique et de morale (n° 41), p. 59-72.
  64. Scruton, p. 26.
  65. Stanford encyclopedia of Philosophy
  66. Despinoza, Benedictus (1677) Ethica ordine geometrico demonstrata. Wereldbibliotheek, Amsterdam (Vertaling uit 1915 door Nico van Suchtelen).
  67. Carlisle, Clare Spinoza, part 1: Philosophy as a way of life The Guardian, 7 februari 2011
  68. Carlisle, Clare Spinoza, part 7: On the ethics of the self The Guardian, 21 maart 2011
  69. Steenbakkers, Piet (1999/2000)
  70. Toespraken bij onthulling beeld van Nicolas Dings, en analyse symboliek monument (2008) Stichting Spinoza Monument
  71. Israel, J., “Admiration of China and Classical Chinese Thought in the Radical Enlightenment (1685-1740)“, Taiwan Journal of East Asian Studies, Vol 4, No. 1 (Iss. 7), juni 2007, pp. 1-25.
  72. Democratic Enlightenment:Philosophy, Revolution, and Human Rights 1750-1790, p. 558-574. Door Jonathan Israel [1]
  73. Israel, J. (2001) Radicale Verlichting, p. 524, 534.
  74. Vet, J. de (1983) ‘Was Spinoza de auteur van Stelkonstige reeckening van den regenboog en van Reeckening van kanssen?’ In: Tijdschrift voor filosofie, jaargang 45, p. 602-39).

 

  1. Stadsarchief Amsterdam
  2. Kon. Bibliotheek, maar op 59 of 61, de plek waar sinds 1837 de Mozes en Aäronkerk staat [11
  3. Zie I.H. van Eeghen,  De eigendom van de katholieke kerken in Amsterdam ten tijde van de Republiek. Bijdragen Bisdom Haarlem, 64, 1957, p. 217-277.
  4. Stadsarchief Amsterdam
  5. Stadsarchief Amsterdam
  6. http://www.skepticfiles.org/atheist/spinozad.htm
  7. Wil and Ariel Durant (1967) Rousseau and Revolution. The Story of Civilization: part X, p. 516
  8. Geist, Eros und Agape: Untersuchungen zu Liebesdarstellungen in Philosophie … geredigeerd door Edith Düsing, Hans-Dieter Klein

One thought on “Baruch de Spinoza, filosoof

  1. Dit artikel is in bewerking. Verschillende oude versies uit Wikipedia zijn hier verenigd, maar de referenties corresponderen niet meer. Als ik heb ontdekt hoe ik voetnoten kan maken in WordPress, zal het er anders gaan uitzien.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *