Dolle ondernemingen, schaarste aan geld en overvloed aan wisselbrieven

Over Frederik de Grote, L.P. de Neufville, J.E. Gotzkowsky en de kredietcrisis van augustus 1763

 

Leendert Pieter de Neufville jr (Amsterdam, 8 maart 1729 – Rotterdam, 28 juli 1811) 1 2 was een Amsterdamse koopman en wisselbankier,[De Jong-Keesing, p. 119] die tijdens de Zevenjarige oorlog schatten verdiende met zilver- en krediethandel. In die oorlog zouden vooral de geld- en wisselhandel tot grote bloei komen, doordat “de gelden door Engeland gezonden tot steun van Pruisen en voor het eigen leger in Hannover, grotendeels werden overgemaakt in wissels, betaalbaar in Holland of te Hamburg“,3 maar de zaak blijkt iets ingewikkelder te liggen. Engeland stuurde Pruisen tussen april 1758 en april 1762 geen geld, de export van munten was verboden tot 1819, 4 of wissels (?), maar baren goud en zilver, waarmee Frederik de Grote laagwaardig geld, het zogenaamde Kriegsgeld, heeft laten creeren.5 6 7 De heimelijke handel in zilver door de grote en bekende Amsterdamse bankhuizen, die hun Engelse collegas daarbij ondersteunden, hetzij door Engeland kapitaal te lenen, hetzij uit hun voorraad te putten, is vanwege het ontbreken van akten lastig te vatten. Het was niet toegestaan met de oorlogsvoerende partijen te handelen; de akten betreffende de zilvertransporten zijn niet te vinden of hebben nooit bestaan. De handel verliep via tussenpersonen (munthandelaren of schaduwbankiers). Ook Frederik de Grote liet bewijsmateriaal vernietigen in zijn functie als oppermuntmeester, die zelf de zilveraankopen redigeerde.[S. Stern, p. 241, 249] 

Eind juli 1763, vier maanden nadat de Vrede van Hubertusburg was gesloten tussen de oorlogvoerende partijen kwamen De Neufville en tientallen handelshuizen en in de problemen. Aanvankelijk werd uitgegaan van wisselruiterij.8 Volgens een Zuidafrikaans etymologische woordenboek was wisselruiterij een “skelmstreek met wissels om tydelik kapitaal te bekom waarby m.b.v. ‘n handlanger ‘n vervalle wissel telkens vervang word met ‘n nuwe, op langtermyn betaalbare wissel.” Er werd gebruik gemaakt van ijlbodes, die vaak van paard wisselden, vandaar de naam.  Skalweit en Mansvelt bestrijden dat het in 1763 om wisselruiterij ging, maar om een buitengewoon aanspraak doen op wisselbrieven.9 Ook een daling van de graanprijzen is van invloed geweest, en volgens De Neufville ook een verlies op Engelse fondsen (die eind 1761 een kwart van hun waarde hadden verloren).[De Jong-Keesing, p. 181] Van Dillen wijde de problemen aan het vergrote mogelijkheden tot acceptkrediet, een wissel getrokken op een bank en gebruikt voor import of export.[J.G. van Dillen, p. 460] Een meer eigentijdse verklaring is De Neufville als schaduwbankier te kwalificeren.10 Een schaduwbank (of mistbank), is een instelling die wel deel uitmaakt van het totale financiele systeem, maar die tegelijkertijd buiten het reguliere toezicht (van de Wisselbank) opereert. Het gaat om “een parallel banksysteem, dat wordt gevormd door instellingen die geen bank zijn, maar wel activiteiten ontwikkelen die … alleen door banken werden uitgevoerd. Het gaat vaak om financiering met korte kredieten van langetermijnverplichtingen. Dat kan zeer riskant zijn voor de financiele stabiliteit; op het moment van grote paniek – als iedereen ‘naar de uitgang’ rent – kan de geldmarkt snel volledig opdrogen en kunnen langetermijnverplichtingen niet meer gefinancierd worden.”11

De Neufville, die in de “fouragering” aan de Pruisische, Brunswijkse, Zweedse en Russische armee voorzag,[De Jong-Keesing, p. 113] 12 en zilver leverde aan de Pruisische munthuizen is nooit betaald met contant geld, maar met wisselbrieven omdat het transport van geld of edelmetaal te omvangrijk was.[Schrötter, Band II, p. 218] Vanaf 1758 zijn baren zilver vanuit Londen (en Amsterdam) opgestuurd via Hamburg naar Saksen en Pruisen. Het is gebruikt om 40 miljoen nieuwe munten te slaan, die in Saksen, Silezië, maar ook in Hongarije, Polen en Kurland in omloop werd gebracht.13 Vanwege  zijn verlies op de beurs in Londen en het grote tekort aan (wettige) betalingsmiddelen in Saksen is De Neufville vermoedelijk in 1761 begonnen te speculeren met wisselbrieven op Leipzig, terug te betalen na de oorlog met “goed geld”. Om zijn verlies nog verder te beperken liet hij in 1762 het vanuit Pruisen, Saksen, Hamburg of Bremen opgestuurde (niet-Saksisch, maar Mecklenburgs) Notgeld omsmelten om vervolgens het verkregen zilver met winst terug te kunnen leveren? Winstmaken op het omsmelten van Kriegsgeld bleek niet altijd het geval. 

De mercantilisten vonden dat de export moest worden gestimuleerd, de import moest worden ontmoedigd. Het monetair beleid was gericht op het standaardiseren van munten en het vermijden van uitstroom naar het buitenland. De vereenvoudiging en standaardisatie was een essentieel middel om de handel te bevorderen. Een van de principes was destijds “als er iemand lijden moet, is het beter dat de buitenlanders lijden als wij”..[De koopman, of Bydragen ten opbouw van Neêrlands koophandel en …, Volume 4, p. 399]

Gedurende de Zevenjarige Oorlog waren in Pruisen, Saksen, Silezië en Polen steeds de betere soorten geld aan het verkeer onttrokken en vervangen door minderwaardige soorten, waarin op het laatst van de oorlog tot 70% koper was verwerkt.14 Daarnaast zagen de exporterende kooplieden voordeel in het betalen met wisselbrieven, goedkoop te verkrijgen vanwege het koersverschil. De wisselkoers steeg, nadat het Kriegsgeld was geintroduceerd? Voor de zilver importerende Pruisische munthandelaren bleek het daarvoor weer een nadeel.15 16 De eigenaars van de wisselbrieven moesten al 1762, maar vooral vanaf 1 juni 1763 als gevolg van verordeningen door Frederik de Grote overal (met name belastingen, accijnzen, huur en betalingen van het leger aan het buitenland) met het wettige geld te betalen. De trekkers wilden dit keer geen nieuwe wissels, maar “cash” zien.17 18 Na een eerste, stapsgewijs herstel in juni 1763 van de oude tot 1756 geldende muntvoet in Pruisen ontstond er een groot tekort aan “goed” geld.19 De Neufville, die vele keren meer had geleend, dan hij aan eigen kapitaal had, kon al snel niet meer aan zijn verplichtingen voldoen. Hij moest waarschijnlijk 60% meer uitbetalen om oude bestaande rekeningen te vereffenen. In juli/augustus ontstond in Amsterdam en Hamburg, waar de geld- en zilverhandel gelokaliseerd was, een internationale bankencrisis. Tientallen andere banken met wie hij contact had en die ook slecht bij kas waren omdat ze zich te veel bezig hadden gehouden met wisselbrieven, ofwel risicovolle kredietverlening, brachten de beurzen “in verlegenheid“, met grote gevolgen voor Hamburg, Berlijn, en Leipzig, maar ook voor Dantzig, Stockholm, Breslau, en Londen.20 [Sieveking (1933) Die Hamburger Bank 1619-1875, p. 71]

De surséance van betalingen van de gebroeders De Neufville en de fabrikant Gotzkowsky waren kort na elkaar aangevraagd, op 3 augustus in Amsterdam en op 4 augustus 1763 in Berlijn.21 Mijns inziens ligt er een verband tussen de dreigende bankroeten van Johann Ernst Gotzkowsky, de Berlijnse “industrieel” en Leendert Pieter de Neufville die na de oorlog beide in het bezit waren van een grote hoeveelheid minderwaardig Kriegsgeld, een tekort aan kasgeld, voor miljoenen aan wisselbrieven, en voorraden die zeker de helft minder waard waren geworden.

De financiële crisis in het noodlottige jaar 1763 is toegeschreven aan de situatie in Duitsland (o.a. een afnemende vraag, dalende prijzen, 48 miljoen Reichsthaler aan contributies door Saksen aan Pruisen, voornamelijk betaald met wisselbrieven),22 23 het stoppen van de subsidie vanaf 1762 door Engeland aan Pruisen, aan beide, aan dubieuze wisselpraktijken of aan de verslechterde Pruisische munt.

De Neufville lijkt aanvankelijk meer betrokken te zijn geweest bij de goederenhandel dan bij de wisselhandel, maar tijdens de oorlog werd de goederenhandel lam gelegd, de prijzen daalden en zo bleef de geldhandel over.[De Jong-Keesing, p. 53, 63] De indruk wordt gewekt dat De Neufville de wisselbrieven, waarmee hij handelde, via een reeks van tussenpersonen (schaduwbankiers) in Hamburg probeerde te slijten. “Op zilverwissels, met een onvaste waarde, kon men een bod doen; en de meest biedende kreeg hem.”[De Jong-Keesing, p. 52] Het is waarschijnlijk dat hij daarnaast probeerde winst te maken door Kriegsgeld op te kopen, om te smelten in Heemstede en te wachten tot de koers van zilver meer gestegen was.24 Hoe het ook zij, dat laatste schijnt een mislukking te zijn geworden vanwege hoge stook- en arbeidskosten. De echte klap voor De Neufville kwam toen er zich in juni/juli een vertrouwenscrisis openbaarde en de handel in wisselbrieven instortte. De twee creatieve ondernemers, die vier maanden na het beëindigen van de Zevenjarige oorlog niet meer in staat waren cashgeld te lenen en hun crediteuren terug te betalen, speelden bankroet.

File:Philips, Jan Caspar (1700-1775), Afb 010097007400.jpg

Allegorie op de bankroeten op de Beurs te Amsterdam door de wissel-windhandel in het jaar 1763. De koophandel van Amsterdam (Mercurius) wordt verdreven door Hoogmoed en Weelde. Op de voorgrond een lege geldkist, een lias onbetaalde rekeningen en een aap die de boekhouding doet, op de achtergrond donkere wolken boven de beurs van Amsterdam. Ets door Jan Caspar Philips, naar Gerard van Nijmegen, 176325 26

Biografie De Neufville

Leendert Pieter de Neufville begon als koopman in textiel en graan, met een omvangrijke handel op het oosten van Duitsland en de Middellandse Zee. In 1750 volgens een advertentie27, in 1751 volgens de boeken van de Wisselbank nam hij samen met zijn broers het handels- en bankiershuis De Neufville van zijn vader over.28 De Neufville handelde in bijna alles: zilver (formeel voor 82.429 gulden), amandelen, suiker, porselein en gom waren de belangrijkste produkten.29 Op 24 november 1755 verkochten de broers na het overlijden van hun grootvader Balthazar op een veiling het ouderlijk huis, Singel 138, en een katoenglanzerij of saaiperserij in de Blauwlakensteeg achter de Warmoesstraat.30 Daar stond op nr 80 het stamhuis van de familie Neufville, afkomstig uit Haarlem. In het jaar daarop trouwde de 26-jarige De Neufville met de 18-jarige Margaretha Smid (1737-1774), een Lutherse. Leendert was gereformeerd, en woonachtig op de Keizersgracht (nr 15); de beide vaders waren niet present, maar hadden wel hun toestemming gegeven. Het echtpaar kreeg zes kinderen: Pieter (1756-na 1811), Elisabeth (1759-1793), Catharina (1761-1763), Catharina (1763-na 1811) en Gerrit (1765-1785).31 Bij de begrafenis van de tweejarige Catharina Margaretha, haar naam werd – heel ongewoon – uitdrukkelijk genoemd,32 vermeldt het begraafboek dat De Neufville toentertijd “op de Herengracht bij de Herenstraat” woonde. De eigenaar van het pand was raadpensionaris Pieter Steyn.[De Jong-Keesing, p. 99] Het Herengrachtboek vermeldt bij nummer 70-72, een opvallend pand uit 1641, wel de eigenaar en enkele huurders, waaronder de hoogleraar Petrus Camper,33 die in mei 1761 naar zijn buiten Klein Lankum vertrok,34 maar niet De Neufville, ongetwijfeld de nieuwe huurder. 

Volgens de Memorie over de gevolgen van het faillissement van het handelshuis De Neufville, verzorgde De Neufville als eerste de fouragering van het leger van de jongste broer van de koning, prins August Ferdinand van Pruisen, die in 1757 deelnam aan de veldtocht naar Bohemen, maar na kritiek van zijn broer over de aftocht is ontslagen. Skalweit vermeldde dat de leveringen plaats vonden aan een hertog van Braunschweig. Er namen drie hertogen uit dit huis deel aan de Zevenjarige oorlog.35

Kredietverlening

De Duitse historicus Wilhelm Treue (1909-1992) stelt dat de kredietverlening veranderde na de aardbeving in Lissabon op allerheiligen 1755;36 37 38 de schade daar was enorm.39 De nadruk kwam op wisselbrieven te liggen, een opdracht tot betaling aan de houder. 

De Neufville bood mogelijk betere voorwaarden aan om de concurrentie van Pels, Clifford, Schimmelmann, Gotzkowsky, Itzig en Ephraim als wisselbankiers uit te schakelen. De Neufville hield zich ook bezig met rederij, assurantiezaken en handel in schilderijen. In 1758 bleek De Neufville bovendien een maandelijkse afnemer van buskruit geworden te zijn. In april stonden 4.000 vaten van 100 pond voor hem klaar; in juni ging het om 5.000 vaten; in juli om 2.100 vaten.40 Op 30 december zegde hij toe binnen zes maanden 112.330 gulden te betalen; onderpand 4.110 vaten buskruit. Het is wel duidelijk van wie hij kocht, maar niet aan wie hij het buskruit leverde. Misschien was Philipp Anton Erberfeld, de Pruisische resident daarbij betrokken? De Pruisische schatkist was in 1758 evenwel uitgeput, de schaduwmunt werd in dat jaar twee keer gedevalueerd. Na een half jaar van onderhandelingen zegde Engeland op 11 april 1758 toe Pruisen een subsidie van £670.000 te verlenen, die jaarlijks zou kunnen worden verlengd (Anglo-Prussian Convention), alhoewel de aanvoer uit Portugal van goud stokte en er geen Spaanse schepen met zilver waren gekaapt.[J. Black (2004) Parliament and Foreign Policy in the Eighteenth Century, p. 96-97] Bovendien zou de Britse vloot Emden beschermen, de kust van Frankrijk aanvallen,[M. Peters (1998) The Elder Pitt, p. 92] 41 en Ferdinand, de hertog van Brunswijk steunen tegen Frankrijk. 

Vanaf 1759 leken de zaken voor De Neufville bijzonder goed te gaan. Zijn omzet bij de wisselbank ging tussen 1759 en 1762 ging met sprongen omhoog.[Van Dillen, p. 602] Na het overlijden van zijn moeder in 1760 erfden hij en zijn broers drie huizen, die volgens Keesing onmiddellijk werden verkocht,42 maar dat wordt hier niet bevestigd.43 In 1760 was hij betrokken bij leningen aan Saksen.44 Het is waarschijnlijk dat De Neufville (maar ook Gotzowsky, Schimmelmann, Von Stenglin, etc.) Saksen hielpen bij het betalen van de contributie aan Frederik.45 46  

Als der preußische König Friedrich II. im November 1760 von der Stadt 1,1 Millionen Taler Kontribution forderte, weigerte sich der Rat der Stadt, woraufhin Friedrich die prominentesten Ratsherren und reichsten Kaufleute ins Gefängnis werfen ließ. Der Berliner Kaufmann Johann Ernst Gotzkowsky mischte sich ein und erreichte eine Herabsetzung der Kontribution auf 800.000 Taler, die er dem eingeschüchterten Stadtrat vorschoß. Die Summe zahlte er in umgeschmolzenen Münzen mit verschlechtertem Edelmetallgehalt (die schon im Winter 1756/57 eine Inflation in Preußen und Sachsen ausgelöst hatten), ließ sich die Schuldverschreibung jedoch in alter, hochwertiger Münze geben und erzielte auf diese Weise bis zu 40 Prozent Gewinn.[Ingrid Mittenzwei (1980) Friedrich II. von Preußen, S.108, 123. Deutscher Verlag der Wissenschaften, Berlin.]


In 1760 organiseerde De Neufville een transport van slaven naar de Franse kolonien; in 1761 was hij betrokken bij het transport van soldaten naar Suriname.[De Jong-Keesing, p. 116] Op 14 juli 1761 werd via een advertentie in de Amsterdamse courant gewaarschuwd zijn wisselbrieven op Suriname niet te betalen of te accepteren.47 Hij plaatste zelf een advertentie toen hij zijn zakboekje verloren had?48

Op 6 februari 1762 schreef De Neufville Frederik de Grote in Breslau een briefje met de mededeling dat de Fransen hem hadden benaderd om vredesvoorstellen aan Frederik te doen. De Neufville hoopte op een aanstelling als onderhandelaar.49 Op 19 mei kocht hij Westermeer onder Heemstede en vestigde een zilverraffinaderij tegenover zijn buiten.50  (Op een nog onbekende dag voor 1762) vroeg hij aan het Amsterdamse stadsbestuur toestemming “als liefhebber van de draeybank” een stempel te mogen gebruiken.51) De Neufville heeft vermoedelijk via het handelshuis Gotzkowsky & Strekfuss in Leipzig muntmateriaal (met koper geallieerd zilver) voor de Pruisische en Saksische munthuizen geleverd. Ook Van Dillen ging er vanuit dat De Neufville zilver leverde.52 Redlich, in navolging van Justi, dacht dat De Neufville al vanaf 1759 betrokken was bij het omsmelten van munten,[Die Kunst das Silber zu affiniren oder das mit andern Metallen vermischte Silber wider fein zu machen. Ausgearbeitet von Johann Heinrich Gottlob Justi (1765)] maar zijn veronderstelling is mogelijk onjuist. De smelterij in Heemstede is pas na de aankoop in mei 1762 door hem opgezet, toen ook het Mecklenburgse Notgeld door Ephraim & Zonen werd aangeboden om omgesmolten te worden.[K. Schneider (1983) Zum Geldhandel in Hamburg während des Siebenjährigen Krieges, p. 79-80, 81-82. In: Zeitschrift des Vereins für Hamburgische Geschichte Hamburg: Verl. Verein für Hamburgische Geschichte , Vol. 69] (Er was maar één zilversmelterij binnen de stad aan de Lijnbaansgracht bij het Spiegelpleintje en één buiten de Utrechtse poort aan de Amstel, dat soms ook als Amstelveen wordt aangeduid in de literatuur?) Volgens de Schlesische Zeitung van 3 oktober 1763 zou hij in januari 1762 al 300 karren met Notgeld hebben ontvangen om om te smelten. Dat lijkt onwaarschijnlijk, misschien vanaf die maand? (Mecklenburg was diverse malen door Pruisische troepen omvergelopen. De hertog vluchtte naar Lübeck. In de zomer van 1761 werd het hertogdom bezet en is het Zweedse leger verdreven. Frederik II liet koper, ijzer, en machines afvoeren naar Brandenburg. Hij verbood het Mecklenburgse noodgeld om het met Augustd’or met nog maar een derde aan zilvergehalte en Saksisch kleingeld in te voeren.[Schrötter, p. 133] Het is  nog niet allemaal duidlijk want ook de Deense koning gaf Schimmelmann de opdracht het Mecklenburgse geld in Rethwisch na te maken. Al gauw accepteerde de bevolking het nieuwe Pruisische geld niet; ze konden er namelijk geen belasting mee betalen. Frederik wilde dat de contributies en belastingen in munten met een hoger zilvergehalte betaald werden. Vanwege capaciteitsgebrek in Pruisen, alle munthuizen waren betrokken bij de productie, is het geld bestemd voor omsmelting naar de Republiek afgevoerd. Het lijkt dat alle munthuizen in de Republiek daar bij betrokken waren. In Muiden, Weesp,  alle twee niet ver van Naarden, maar ook aan de Amstel en in Heemstede zijn speciale zilversmelterijen ingericht.

Het Mecklenburgse notgeld, waarmee niet langer betaald kon worden, maar dat wel als handelswaar diende, is via Hamburg en Bremen naar Hollandse munthuizen afgevoerd vanwege het nog betrekkelijk hoge zilvergehalte.[K. Schneider (1983) Zum Geldhandel in Hamburg während des Siebenjährigen Krieges, p. 77, 81-82. In: Zeitschrift des Vereins für Hamburgische Geschichte Hamburg: Verl. Verein für Hamburgische Geschichte , Vol. 69] Zappey constateerde reeds dat de postwagens van de firma Heshuysen & Co, die twee keer per week naar Osnabrück reden daarbij betrokken waren.[W.M.Zappey (1982) ‘Porselein en zilvergeld in Weesp’, p. 197. In: Hollandse Studien, XII. Historische Vereniging Holland]  Na de crash stond de firma uit Naarden te boek als een van de crediteuren van De Neufville.[De Jong-Keesing, p. 107]

Kernkamp beschrijft in een voetnoot een essentieel detail:

Ter toelichting van bovenstaande regels heb ik de hulp ingeroepen van 's Rijks Muntmeester, Dr. C. Hoitsema, te Utrecht, aan wiens welwillend verstrekte inlichtingen ik het volgende ontleen. In 1762 werd op groote schaal zilver hier te lande ingevoerd. Uit de notulen der vergadering van Raden en Generaalmeesteren der Munte van 19 Juni 1762 blijkt, dat toen op alle munten hier te lande zoowel goud als in 't bijzonder zilver werd gemunt; ook leest men daar: ‘gelijk den dagelijkschen aanvoer van groff zilver uyt Duytsland ook hope gaf, dat de muntslag aan guldens nog wel eenige tijd zoude aanhouden, hoezeer het fineeren van het zilver op de gulden aan de muntmeesteren veel moeyte, tijd en kosten verschafte’; ook op 19 November 1762 is in de genoemde vergadering nog sprake van ‘den continuerenden invoer van groff zilver’. Tevens blijkt de groote aanvoer en verwerking uit de oprichting in die dagen van verschillende affineerinrichtingen buiten Amsterdam en de muntplaatsen, b.v. te Weesp, Amstelveen, Heemstede; ook uit de busopeningen blijkt, dat er in dien tijd te Utrecht, Enkhuizen, Harderwijk, Dordrecht en Middelburg veel gemunt is, ook veel zilver.[Kernkamp, GW: Johan Beckmann"s dagboek van zijne reis door Nederland in 1762. Bijdr: in Meded. van het Hist. Genootsch. Utrecht 33 (1912), p. 320.] 

Het is nog onduidelijk waar en waarom Neufville daarmee al zo vroeg in het jaar 1762 mee begonnen is. Is het omdat het Engelse Parlement in januari 1762 dreigde de subsidie aan Pruisen stop te zetten en Frederik zijn plannen moest bijstellen?[F.A.J. Szabo (2008)  The Seven Years War in Europe, p. 386] Engeland had de grenzen bereikt aan wat het aan belasting kon opleggen of lenen op de kapitaalmarkt.[R. Middleton (1985) The Bells of Victory. The Pitt-Newcastle Ministry and the Conduct of the Seven Years’War 1757-1762, p. 201-213] Orienteerde Frederik zich op andere mogelijkheden om zilver te generen? De Neufville (en de Hollandse munthuizen) hebben waarschijnlijk nooit muntmateriaal voor Pruisen geproduceerd; dat strookt niet met de doelstellingen van Frederik. Dat gebeurde in Pruisen zelf. De Neufville liet uit Noord-Duitsland aangevoerd Kriegsgeld omsmelten in de verwachting het zilver tegen een hoge prijs aan Pruisen te kunnen verkopen. 

Een dolle onderneming in Berlijn

Op 14 januari 1763 werd in Berlijn een voorstel gedaan alle leveranciers aan het leger te betalen met Augustd’or.[Schrötter, p. 158] Het is nog onduidelijk hoe dat af is gelopen, maar de koning zag daarin een mogelijkheid hun gigantische winsten in de voorafgaande jaren af te romen.53 (Frederik had de kooplieden in het algemeen niet hoog; zij waren uit op eigen voordeel en niet op het welzijn van de staat.) In april 1763, kort na de intocht van Frederik II van Pruisen, die met Engeland als winnaar van de oorlog werd gezien, verbleef De Neufville in Berlijn, op uitnodiging van Gotzkowsky om een kantoor te openen.[Gotzkowsky, p. 146] De Neufville had minstens 5,5 dag nodig  om die afstand in zijn eigen koets te overbruggen. Op 12 april liet Jacob Mauricius, de resident in Hamburg, het Amsterdamse stadsbestuur weten dat het bezoek van De Neufville te maken had met het nieuw leven in blazen van de Pruisische Aziatische Compagnie. Frederik wilde vermoedelijk een deel van de taart. Ruwe zijde, porselein en thee waren geliefde importartikelen. Op het exporteren van, c.q. betalen met zilveren munten kon forse winst gemaakt worden in de Baltische landen, Rusland, Turkije, Perzië, Z.O. Azië, China en Japan. In China werd voor zilver  22% meer betaald dan in Europa het geval was.[Schrötter, Band II, p. 246] Mauricius meldde verder dat een plaatselijke (Hamburgse) bank had gesuggereerd dat Frederik “Hollandsche ingezetenen daarvoor gebruiken zal willen“. De geschiedenis leert dat zulke projecten – investeren in buitenlandse, met de VOC en WIC concurrerende  ondernemingen –  in Amsterdam op weinig goedkeuring konden rekenen.54 Hij had de namen van de betrokkenen, waaronder die van Heinrich Carl von Schimmelmann en Philip Hinrich Stenglin in geheimschrift genoteerd; op een afzonderlijk briefje stond de sleutel genoteerd.55

Schimmelmann was een textiel- en zijdehandelaar uit Demmin (een voormalige Hanzestad in Zweeds-Pommeren), die zich eerst in Stettin en rond 1746 in Dresden vestigde met een handel in suiker, koffie en tabak. In 1755 pachtte hij de belastingontvangsten maar is in september of november 1756 aangesteld als graan- en meelleverancier aan het Pruisische leger, een lucratieve post. Frederik benoemde hem als Geheimrat. Nadat Engeland Pruisen een jaarlijkse subsidie had toegezegd (de Engelse-Pruisische Conventie, dd. 11 april 1758) gaf Frederik hem opdracht de de muntmeesters in Leipzig te benaderen. Op 19 april 1758 bood Schimmelmann Ephraim en Itzig aan zilver uit Holland te leveren.[C. Degn (1974) Die Schimmelmanns im atlantische Dreieckshandel. Gewinn und Gewissen, p. 9] De handlangers van Schimmelmann – hij zelf hield zich op de achtergrond – waren betrokken bij het verspreiden van het Kriegsgeld in Saksen en Mecklenburg. In december 1757 kocht hij voor 120.000 Thaler in Leipzig, Dresden en Meissen een grote voorraad buitgemaakt porselein op van Frederik de Grote, die hij in 110 kisten over de Elbe naar Hamburg liet vervoeren en op 11 juli 1758 met succes liet veilen in Hamburg.[Matthias Claudius: Biographie eines Unzeitgemäßen von Martin Geck] 56 Aanvankelijk werd hem het burgerrecht in Hamburg geweigerd, maar hij wist zich – door gebruik te maken van de naam van zijn boekhouder Gottlieb David Lehmann – een stadspaleis te verschaffen. Schimmelmann pachtte het munthuis in Schwerin en liet Lehmann achter om zijn zijn belangen te beheren, want de nieuw geslagen zilveren munten moesten buiten Stralsund worden afgezet, en waren bestemd voor het Zweedse leger.[M. Kunzel (1994) Das Münzwesen Mecklenburgs von 1492 bis 1872, p. 162-163] Om buiten de jurisdictie van Hamburg te vallen kocht hij een fraai kasteel in Ahrensburg (augustus 1759), waarmee hij het Deense staatsburgerschap verkreeg.

Stadsarchief Amsterdam

De productie van munten uit Schwerin steeg ieder jaar; hij had meer dan honderd man in dienst .[M. Kunzel (1994) Das Münzwesen Mecklenburgs von 1492 bis 1872, p. 166] Om Ephraim en Itzig concurrentie aan te doen, hield hij zich bezig met het slaan van minderwaardig Mecklenburger en Zerbster geld. In 1760 werd Mecklenburg opnieuw bezet; de inventaris van het munthuis is overgebracht naar Rethwisch (Stormarn).[M. Kunzel (1994) Das Münzwesen Mecklenburgs von 1492 bis 1872, p. 169-172]  (Het personeel begon opnieuw in Eutin tot de zomer van 1762; het daar geproduceerde  Mecklenburgse kleingeld van uitzonderlijk slecht allooi op basis van een 50-Thaler muntvoet, is nagemaakt in Rethwisch, Stralsund, Berlijn en Aurich.)[M. Kunzel (1994) Das Münzwesen Mecklenburgs von 1492 bis 1872, p. 173] Ook Neustrelitz begon met het slaan van slechte munten; het goede geld zou toch maar uitgevoerd worden. In januari 1761 sloot Lehmann  voor Schimmelmann een verdrag  om elders het geld af te zetten.[M. Kunzel (1994) Das Münzwesen Mecklenburgs von 1492 bis 1872, p. 247-249] De productie van laagwaardige (Plöner) munten werd verhoogd en Schimmelmann leverde in mei werktuig. Ephraim bood aan zilver te kunnen leveren, maar daarop is niet ingegaan. In de zomer 1761 wist Gotzkowsky, vrijwel zeker bij de handlangers van Schimmelmann, maar hij noemt hun naam niet, 400.000 Thaler los te krijgen, die zouden worden betaald in Plöner of in Zerbster munten.[Gotzkowsky, p. 111] (Was het Frederik August van Anhalt-Zerbst die Schimmelmann de stempels verschafte van het vorstendom Anhalt-Zerbst?) De Deense koning Frederik V verbood Schimmelmann door te gaan met slaan van Zerbster munten omdat die daarvoor goede Holsteinse munten liet omschmelten. Schimmelmann trok zich terug uit het munthuis van Neustrelitz. In juli sloeg de pachter van dat munthuis op de vlucht;  zijn opvolger tekende een verdrag met Ephraim om Leipziger munten te slaan. Op 18 november 1761 werd dat slechte Plöner en Zerbster geld in Pruisen verboden, evenals de uitvoer van zilver.[Novum Corpus Constitutionum Prussico-Brandenburgensium Praecipue …, Band 3] Liet Ephraim dat slechte geld door De Neufville omsmelten in Heemstede? Meer voor de hand ligt dat Ephraim & Co dat lieten doen in Weesp bij de graaf van Gronsveld en dat De Neufville samenwerkte met Gotzkowsky.) 

In juli 1761 trad Schimmelmann als adviseur in dienst van de Deense koning omdat de Kopenhagen-bank zich in financiële moeilijkheden bevond. Samen met Philip Stenglin, zijn compagnon, hield hij de bank overeind; het krediet werd uitgebreid.[The Evolution of Nordic Finance von Steffen Elkiær Andersen] Daarnaast verzorgde hij het hele Deense leger dat zich in Sleeswijk bevond en in juni Hamburg had omsingeld. Schimmelmann wilde geld lenen in Hamburg, waar hij een filiaal van de Deense bank had geopend. (Hamburg weigerde evenwel een gedwongen lening van 1,4 miljoen Thaler te verstrekken.[Historisches Portefeuille: zur Kenntnis der …, Band 1, S. 477] [F.A.J. Szabo (2008)  The Seven Years War in Europe, p. 385]) De Deense bevolking werd een zware belasting opgelegd te betalen in … zilver. Ondertussen liet Schimmelmann Kriegsgeld omsmelten op de binnenplaats van het kasteel in Wandsbek,[K. Schneider (1985) Untersuchungen zur Edelmetallverhüttung und Probierkunst in Hamburg, p. 17-18 In: Zeitschrift des Vereins für Hamburgische Geschichte (ZVHG) 71] dat hij  van de Deense koning Frederik V kocht. Het smelten van minderwaardig Kriegsgeld met behulp van lood om het koper van het zilver te scheiden was onmogelijk zonder vaklieden in te huren. Daarvoor liet hij de geleerde arcanist J.H.G. Justi aanstellen, die het gebruik van steenkool introduceerde. (Dat procedé was ontwikkeld in Engeland en had de industriele revolutie tot gevolg.)

Begin april 1763 had De Neufville een ontmoeting met Gotzkowsky, een van de rijkste Berlijnse kooplieden. Gotzkowsky stelde De Neufville aan de – zeker als het om financiën ging – zich met alles bemoeiende koning voor. Er is in enkele dagen tijds twee keer en urenlang onderhandeld over te ondernemen transacties of projecten. Volgens Gotzkowsky was het Frederik de Grote die De Neufville vroeg plannen te ontwikkelen voor een herstel van de Aziatische compagnie. De Neufville bood Frederik aan een miljoen gulden te willen investeren.57 De Neufville was afhankelijk van krediet op de Amsterdamse beurs, maar zou – zoals te verwachten – geen andere investeerders vinden.[Schepkowksy, p. 305] 

Op 19/20 april 1763 kocht Gotzkowsky op eigen naam, want de Russische gezant in Berlijn, vorst Vladimir S. Dolgorukov wilde niet met nog meer geïnteresseerden onderhandelen, een grote voorraad graan op, overgebleven nadat Rusland zich teruggetrokken had uit de oorlog, voor de som van 1.170.448 Hollandse gulden.58 [H. Rachel & P. Wallich, p. 448] Het graan lag op 13 plekken verspreid opgeslagen aan de Pommerse kust; o.a. in Kolberg dat in 1761 door de Russen was bezet. In februari 1763 besloten de Russen het graan, voor een groot deel haver, in het buitenland aan te bieden. De Neufville zag volgens Gotzkowsky ook winst in de transactie, want er was nauwelijks graan beschikbaar. De Neufville stelde voor een partnerschap te sluiten, want hij wilde niet alleen verantwoordelijk zijn,59 60 en zou met Von Stein en Leveaux met 100.000 gulden, vooruit betaald met Hollandse wisselbrieven, willen investeren.61 Het volledige bedrag zou door Gotzkowsky in vier termijnen worden betaald. De Russische koopman Svešnikov haalde een streek uit. Hij was  voor 1/28 eigenaar, maar zou heimelijk voor een kwart deelnemen in de aankoop?62 De Neufville en zijn twee partners, die voor iets meer dan de helft (56%) betrokken waren bij de deal, zouden zich vervolgens terugtrekken.[Gotzkowsky, p. 148] De twijfelachtige overeenkomst met Svešnikov is door De Neufville en zijn partners niet ondertekend.[Johann Ernst Gotzkowsky. Kunstagent und Gemäldesammler im friderizianischen … von Nina Simone Schepkowski, p. 341] Het is niet onmogelijk dat ze daar in het geheim over eens waren geworden.

In het voorafgaande half jaar, tussen november 1762 en mei 1763, waren de graanprijzen in  Dantzig met 30% gedaald.[Ris, p. 49] Het was een riskante onderneming. Frederik de Grote had bovendien alle handelaren op 12 april van dat jaar bevolen op straffe van hardere maatregelen hun voedselvoorraden en levensmiddelen tegen schappelijk prijzen van de hand te doen want er heerste tekort en honger in Pruisen na de Zevenjarige oorlog.63 64 De verordening is maandenlang herhaald in de Schlesische Zeitung; voor het eerst op 16 april 1763.

Dem Publico wird hiemit bekannt gemacht daß aus den Königl. Magazinen zu Breßlau, Glogau, Brieg, Neisse und Schweidnitz, eine Quantität von Weitzen, Roggen, Gerste, Haver, Heu, Stroh, Buchweitzen, Erbsen, Graupe, Hierse, und Grütze, in billigen Preisen verkauft werden soll. Es können sich also die Käufer bey dem Proviantamt jedes Ortes förs dersamst melden und guten Accommodements gewärtigen, im maßen die Ansicht dahin gehet, durch diesen Verkauf der bisherigen Theurung, so durch gewinnsichtige Leute zum Nachtheil des Publici und der Armuth unterhalten worden, Schranken zusetzen. Es müssen also die Käufer sich bald angeben, weil sonst Entstehung der Abnehmer mit denen Magazinvorräthen andere Mesures werden genommen werden. Breßlau den 12 April 1763. Konigl. Preuß. Breßlauische Krieges- und Domaine Cammer.
Het graan bleek echter al in december 1762 verkocht te zijn aan zes Russische kooplieden.  Een van hen, de eerder genoemde Svešnikov, benaderde Dolgorukov, die op zijn beurt in april Gotzkowsky in vertrouwen nam.[Ris, p. 41-43] Svešnikov speelde een dubbelrol en gaf aan te handelen in opdracht van de keizerlijke raad of senaat (?), niet van zijn medecompagnons.[Ris, p. 61] Op 27 juni 1763 werd deze transactie een staatszaak.[Ris, p. 45-46] De vijf Russische kooplieden werden gedwongen de onrechtmatige overeenkomst met Gotzkowsky te accepteren en mee te werken. alhowel Svešnikov onder curatele is gesteld tot de verkoop een feit was.[Ris, p. 53] Juridische problemen omtrent de vraag in wiens opdracht Svešnikov handelde, verhinderde dat het graan werd uitgevoerd naar Pruisen; Gotzkowski weigerde te betalen, zolang dat het geval was.[Ris, p. 47] Dolgorukov eistte van de Moskouse kooplieden geen nat of stinkend graan te verkopen.[Ris, p. 50] Ondertussen werd duidelijk dat de helft van het graan bedorven was. Eind juni nam de senaat het heft over en informeerde Gotzokowsky over de nieuwe situatie. 
Wenn durch den oben erwähnten Befehl des russischen Senats vom 16. (27.) Juni 1763 der Vertrag von Svešnikov nicht in einen Staatsvertrag umgewandelt worden wäre, hätte Gotzkowsky vermutlich mehr Chancen gehabt, sein Recht zu bekommen.[Ris, p. 61]
Toen Gotzkowkys faillissement dreigde, probeerde hij de aankoopprijs met 1/3 te reduceren. Hij zou tevreden zijn als hij geen verlies zou lijden. De Russische staatsraad eiste op 18 juli prompte betaling van het volle bedrag, en zoals afgesproken in Hollandse gulden.65 [Ris, p. 59] Door “dumping” waren de graanprijzen in mei, juni en juli met nog eens 75% gedaald.66 [De Jong-Keesing, p. 88] Gotzkowsky moest eind juli nog een tegenslag verwerken; het staken van de betalingen door het handelshuis De Neufville,67 die op zijn beurt weer afhankelijk was van Aron Joseph en zijn wisselbrieven op Hamburg. In plaats van een vijfde van het bedrag, moest Gotzkowsky het hele bedrag ophoesten? Von Stein en Leveaux hadden samen met De Neufville 100.000 gulden aan wisselbrieven uitgeschreven, maar de eerste twee waren op een nog onbekende dag afgehaakt. De graankoopman Johann Gottlieb von Stein (ook wel Rabbi Simon, of Isaack ofJesajah Nathan genoemd) bezocht Dantzig en naar verluidt Londen, maar vestigde zich in Amsterdam.[H. Rachel & P. Wallich, p. 439-440] [Transportakten Stadsarchief Amsterdam] [Ris, p. 56-57] Eind juli bleek De Neufville niet in staat het nog ontbrekende geld te lenen, want de beurs in Amsterdam keerde zich tegen hem. Gotzkowsky schijnt op een nog onbekende dag voor 300.000 gulden aan wisselbrieven te hebben betaald.[Schepkowski, p. 343] Hij kwam daarmee nog zeven ton te kort, die De Neufville op 2 augustus bij de grote Amsterdamse bankhuizen probeerde los te krijgen.

Overvloed van wisselbrieven

Het gebruik van wisselbrieven, ter vermijding van de kosten en het gevaar van overzending van baar geld, was reeds in zwang in de Late Middeleeuwen in Brugge.68, maar ook in Florence. Op wisselbrieven kon winst worden gemaakt zonder rente te vragen.69 Aan het einde van de 16e eeuw waren wisselbrieven ook in de Noordelijke Nederlanden in gebruik. De Rotterdammer J. Phoonsen noemt keuren uit de jaren 1601, 1651, en 1663 voor Amsterdam.70 Het is bijna onmogelijk om in kort bestek uit te leggen hoe het gebruik van wisselbrieven, om in het buitenland, bijv. op de Messe van Frankfurt, Leipzig over Neurenberg, over contant geld te kunnen beschikken, was gereguleerd, maar bij een ideale transactie waren vier personen betrokken: de remittent (gever), de trassant (de trekker), de presentant en de acceptant. De presentant moest aanvankelijk binnen drie dagen reageren, en de acceptant moest binnen een dag duidelijk maken dat hij de wisselbrief accepteerde. Als dat niet het geval was liet de presentant bij de notaris een protest opmaken. Wisselbrieven waren op naam; het was verplicht het woord order, wissel of geaccepteerd te gebruiken om terug te kunnen vallen op het wisselrecht. Wisselbrieven waren aanvankelijk “op zicht”, later werd een vervaldatum (uso) toegevoegd, die ten tijde van deze crisis was gesteld op twee of drie maanden, zodat de handelaren op het buitenland winst konden maken op de koersverschillen. Als ondertussen de wisselkoers daalde, leed men verlies. Het was volgens De Jong-Keesing De Neufville die met deze faciliteiten begon en de andere wisselbankiers dwong mee te doen om te kunnen concurreren.[De Jong-Keesing, p. 63] Wisselbrieven waren verhandelbaar tot de vervaldag. Bij overdracht werd op de achterkant (of op een aanhangsel) een endossement toegevoegd. De laatste endossant had het recht een acceptant te kiezen en prompte betaling te eisen. De acceptant berekende vervolgens provisie. Er ontstonden niettemin meningsverschillen als de vervaldag verstreken was, handtekeningen ontbraken, het endossement geantedateerd was, als de trassant of acceptant stierf of ondertussen failleerde of als de endossant een andere acceptant koos. (Een geval van bedrog probeerde de presentant zich zowel door de remittent als de trassant te laten compenseren, resp. het verstrekte geld terug geven?) Wisselbrieven werden ook gebruikt door bevriende handelshuizen om zich wederzijds in te dekken tegen verlies op de goederenhandel; dat lijkt hier het geval te zijn geweest. De gever, de trekker en de presentant konden evenwel dezelfde persoon zijn en op die manier geld lenen. De handel in wisselbrieven lokte ook makelaars en kassiers aan, die zich toelegden op “arbitrage” en profiteerden van het door tijdelijke schaarste of overvloed veroorzaakte prijsverschil.[J.G. van Dillen, p. 452] Als aan de transactie was voldaan, waren kwitanties onnodig. De helderste uiteenzetting is waarschijnlijk te vinden in het “ Leerboek der Koopmankunst, opgedragen aan de Maatschappij tot het Nut van ‘t Algemeen ” of bij de Zweedse Riksbanken:

A trading house in Amsterdam wrote a bill for the amount for which it bought goods from a Swedish seller. The seller could then obtain money by selling the bill to someone who wanted to buy goods, in Amsterdam or elsewhere, and use the bill to pay for them. Importers and exporters both bought bills, in order to pay and in order to obtain money. Bills that were not cashed immediately earned interest. A bill that was transferred before it matured was sold at a discount. The interest due from the transfer date up to maturity was deducted from the bill’s nominal value. The higher the rate of interest, the larger the discount.[Age of Liberty]

When many importers were buying bills, the price rose, just as it fell when many exporters were selling bills.[Age of Liberty]

De Neufville gaf wisselbrieven uit van 2 of 2.500 gulden op Hamburg met meestal een looptijd van 65 dagen. De trekker zond zijn wisselbrief naar Hamburg om ze daar te laten presenteren en te verdisconteren tegen een lagere disconto dan in Amsterdam. De gepresenteerde benaderde de betrokken acceptant, een koopman of wisselbank. Met de in Hamburg gemaakte winst kond de acceptant De Neufville afbetalen? Dagelijks werden immense sommen verhandeld via de post op Hamburg. (De Neufville had in vier maanden 335.793 gulden beleend.[De Jong-Keesing, p. 93] “Het geld ontbrak evenwel in Hamburg en aan het trekken en hertrekken kwam geen einde” volgens de auteur van de Memorie, “zodat de wilde handel in speculatieve wisselbrieven nog enige tijd kon voortbestaan, alhoewel de vrees ontstond dat het geheel als een kaartenhuis uiteen zou vallen.” Na geconstateerd te hebben dat de handelshuizen een groot verlies op wisselbrieven zouden leiden, ontplofte de bom in de laatste week van juli 1763.

Jene Transaktionen hatten in Preußen und seinen Nachbarstaaten, überhaupt in nördlichen Europa einene außerordentlich lebhaften Wechselverkehr entstehen lassen ... De Kreditausweitung ging vielfach über das vernünftige Maß weit hinaus, die Geschäfte waren oft richtig als Wechselreiterei zu bezeichnen.71

Gotzkowsky, die op 18 juli 1763 gedwongen werd de Russen te betalen, zag zijn faillissement naderen.65 De voor 300.000 Thaler uitgeschreven wisselbrieven op zijn naam zijn nooit uitbetaald.73 Gotzkowsky kreeg zoveel wisselbrieven gepresenteerd, dat hij niet in staat zou zijn die te betalen.[Gotzkowsky, p. 150] Frederik bood aan zijn porseleinfabriek over te nemen, zodat Gotzkowsky de graanaankoop zou kunnen betalen. Hij vermeldt in zijn autobiografie bovendien dat de komst van De Neufville in april naar Berlijn door de Münzjuden niet werd gewaardeerd en dat ze hebben geprobeerd de met hen concurrerende De Neufville zwart te maken, hetgeen zijn val zou hebben veroorzaakt.[Gotzkowsky, p. 147, 149] 74 De crediteuren wilden “cash” zien en namen niet langer genoegen met nieuwe wisselbrieven.75 

Op 21 april had Frederik de Grote duidelijk gemaakt dat hij zich op het herstel van de oude muntvoet zou concentreren. In de daarop volgende weken liet hij de bevolking bekend maken de Pruisische munt per 1 juni 1763 tegen een nieuwe nominale waarde te gebruiken. Bij het omwisselen verloor men meer als 20%; voor de zoveelste keer een verlies aan muntwaarde.

Edict, wornach vom 1.sten Junii 1763 an, alle Zahlungen sowohl zu den Königl. Cassen als im gemeinen Handel und Wandel nach Verschiedenheit der Münzsorten mit dem bestimmten Agio geschehen sollen: nebst beygefügter Reductionstabelle; de dato Berlin, den 18 Mai 1763.

“Juni is dan vol van de berichten der dalende prijzen, onverkoopbare goederen, de algemeen slechte toestand en het gebrek aan geld.”[De Jong-Keesing, p. 88] Kooplieden verzochten hun handelspartners geen nieuwe kredieten aan te vragen, maar kontant te betalen. Iedereen probeerde beslag te leggen op de oude en goede munten. Als De Neufville ook met Kriegsgeld, de laagwaardige munten is betaald, dan moest hij dat zelf, en met verlies omwisselen.[Schrötter, Band II, p. 198]. Goede munten konden tegen betaling van “opgeld” of agio (4,5%?) worden gekocht bij de Münzjuden, die zich daardoor de woede van de bevolking op de hals haalden.76 Op 23 juli verkreeg Benjamin Ephraim in Berlijn toestemming zilver te smelten, zodat het niet langer tegen hoge kosten zou behoeven te worden uitgevoerd. Een paar dagen later stelde hij voor dat ook anderen het zilver zouden kunnen leveren.77 Er is een speciale ambtenaar aangesteld om woeker te gaan.[Schrötter, p. 158] Het Kriegsgeld werd opgekocht (door Gotzkowsky) om tegen een betere prijs te worden uitgevoerd en omgesmolten;78 Het is tamelijk waarschijnlijk dat De Neufville en de graaf van Gronsveld daarbij betrokken waren. De baren zilver werden beleend tot 7%.[De Jong-Keesing, p. 89] In juni 1763 beschreef de Utrechtse muntmeester, Johann Ernst Novisadi het verlies, dat hij ondanks het overvloedige en goedkope zilver moest lijden.[De Jong-Keesing, p. 51] 

Volgens Quinn en Roberds hebben de handelaren gereageerd “by funding short-term debts with new bills drawn on markets”. De rente steeg van 4 naar 12% en de handelshuizen in Hamburg verkochten hun solide effecten (en voorraden?) om de handel in wisselbrieven in stand te houden? en de koersen van de Pruisische munt daalden met 10% in de maand juni/juli.79 Er volgde een “abrupt dropoff in payments activity in wake of the de Neufville failure.” De Neufville verhandelde zijn wisselbrieven in de laatst maanden met iedereen en betaling na acht dagen (in Amsterdam) of 2 à 3 maanden in het buitenland.80 81 

Just as Quinn and Roberds (2012) explain, during the Seven Years’ War, Prussia conducted a series of debasements that influenced directly the value of the Reichsthaler. Thus, Prussian merchants that were holding these debased monetary units saw the value of their collateral cut in half; consequently, they responded by funding short-term debts with new bills drawn on markets such as Amsterdam, and sending demonetized coins to financial centers in the hopes of finding higher value as bullion.82 83

Voor het eerst had een crash op de beurs internationale uitwerking. De uitstaande vorderingen van De Neufville bedroegen tien miljoen gulden, de schulden kwamen neer op 9,5 miljoen84, waarvan 5,6 miljoen aan Hamburgse firma’s en een miljoen in Berlijn. De Neufville zou gebruikt hebben gemaakt van vervalste wisselbrieven.[H. Rachel & P. Wallich, p. 449] Omdat wissels op Berlijn en Hamburg niet werden geaccepteerd in Amsterdam en onder protest onbetaald retour kwamen, gingen uiteindelijk 95 bedrijven in Hamburg failliet. In totaal waren in het faillissement van De Neufville 361 crediteuren betrokken, meestal actief in Zweden en Pruisen.

Keesing schrijft dat de Nieuwe Nederlandsche Jaerboeken of couranten nauwelijks aandacht besteden aan de gebeurtenissen. John Brewer heeft een verklaring. Het was gevaarlijk voor drukkers om over binnenlandse politiek te publiceren; buitenlandse politiek was veiliger en toegankelijker.85 Maar een online krant uit Breslau, de “Schlesische Privilegirte Staats- Kriegs- und Friedens-Zeitung” bracht redding.

Crash

Volgens Van Nierop zouden de Gebroeders de Neufville in de laatste maanden bij de opname van f 313.743 in het totaal meer dan 538 baren zilver als onderpand gegeven aan 27 geldschieters bij 30 overeenkomsten.[Van Nierop, p. 230-231] (Het is nog de vraag of dat geld ooit aan hem is uitbetaald, vanwege zijn naderende faillissement?) Volgens Isabel Schnabel and Hyun Song Shin “De Neufville’s holding of bank money at the Bank of Amsterdam at the end of June 1763 had dwindled to about the same amount as it had in 1751.”86 Op 28 juni 1763 trok Carl Leveaux, een Berlijnse bankier, zeven wissels op De Neufville voor een bedrag van 12.900 gulden en 5160 Thaler, te betalen tegen baar geld. De Neufville schreef hem dat zijn zilverzendingen nog enige tijd moesten blijven liggen, eer ze aan de beurt kwamen.[De Jong-Keesing, p. 89] De Neufville had Leveaux, een van de crediteuren, voor 149.300 gulden aan zilver geleverd.[De Jong-Keesing, p. 103] Twee andere Berlijnse handelshuizen hadden wissels voor een bedrag van 100.000 gulden bij hem uitstaan.[H. Rachel & P. Wallich, p. 471] “Een deel der Amsterdamse bankiers wilden zijn wissels niet hebben en hij moest 1,5 à 2% boven het toch reeds hoge disconto van 4% geven.[De Jong-Keesing, p. 94]

Op maandag 25 juli deden zich de eerste tekenen van een crisis voor. Twee Amsterdamse handelshuizen, dat van de commissionair Aron of Arent Joseph, woonachtig op de Houtgracht en van Jacob Salomon de Jongh, woonachtig op de Zwanenburgwal, bleken niet in staat hun wisselbrieven in Hamburg te verdisconteren en sloten na drie respijtdagen op 28 juli als eerste hun deuren;87 [De Jong-Keesing, p. 139] een bedrag van ongeveer 13 miljoen zou niet meer te innen zijn volgens de Augsburgse krant.88 89 Arent Joseph & Co zouden in de voorafgaande 6,5 maand 487.000 gulden beleend hebben? Op 19 augustus 1763 stond in de Gazette de Cologne dat het om een schuld van 5 à 600.000 gulden zou gaan.

D'Amsterdam le 4 Aôut. Les freres de Neuville, fameux Négocians de cette ville, ont fait ces jours derniers une banqueroute d'environ neuf millions de livres, qu'on a lieu de croire frauduleuse: elle été précedée par celle d'un Juif qui s'est sauvé d'ici quelques jours auparavant en emportant cinq à six cents mille florins à ses créanciers. Il est à craindre que cette banqueroute n'en entraine d'autres: elle a répandu tant d'inquiétude & de méfiance parmi les Négocians que pendant les premiers jours il ne s'en fait à la Bourse aucune affaire de Banque; & le discrédit de papier étoit tel que les Maisons de commerce les plus solides de cette Ville se seroient vues dans la nécessité de susprendre leurs payemens faute de pouvoir négocier leurs lettres, si la Banque n'avoit pris le sage parti de les secourir en recevant en dépôt les lingots d'or & d'argent. Cette résolution, con­traire à l'établissement & aux usages de la Banque, a été arrêtée hier & exécutée aujourd'hui: il y a apparence qu' elle rétablira la confiance, & que la circulation reprendra son cours ordinaire. On attend des nouvelles de Hambourg & de Berlin pour apprendre l'effet qu'y aura produit le vuide occasionée par la faillite de ces Négocians.[Gazette de Cologne]

De gebroeders De Neufville waren voor 163.583 gulden betrokken bij het faillissement van Joseph.[De Jong-Keesing, p. 93, 121] Ook Marcus Ephraim, de broer van Veitel Ephraim, zou bij de bankroetiers behoren.[H. Rachel & P. Wallich, p. 450] [Schepkowski, p. 305] [De Jong-Keesing, p. 152] Volgens de destijds verschenen schotschriften en prenten is Arent Joseph op de vlucht geslagen naar Culemborg, een vrijplaats voor bankroetiers. (Zijn wisselbank stond onder leiding van Salomon van Minden.) Op vrijdag 29 juli staakte de firma De Neufville zijn betalingen.90 [Liquidity and Contagion: The Crisis of 1763 (2004), p. 17 by Isabel Schnabel & Hyun Song Shin] Het is niet onwaarschijnlijk dat de beurs vervolgens gesloten is voor uitbetalingen, niet voor inleg? Op zaterdag en zondag werden sowieso geen zaken gedaan op de beurs.

De mate waarin zijn drie jongere broers Pieter de Neufville, David de Wolff de Neufville en Balthasar de Wolff de Neufville in de zaken betrokken waren – er zijn geen individuele akten op hun naam bewaard gebleven in het Stadsarchief – is beperkt.91 Op zaterdag 30 juli zijn David en Balthasar de Neufville naar Zutphen gevlucht. Ze huurden een kamer in een herberg buiten de Hospitaalpoort.92 93 Op zondag 31 juli (?) werd duidelijk dat De Neufville het niet zou redden.[H. Sieveking (1933) Die Hamburger Bank 1619 – 1875, p. 71. In: Festschrift der Hamburgischen Universität ihrem Ehrenrektor Herrn Bürgermeister Werner von Melle]

Volgens de Jong-Keesing zou 1 augustus 1763 een zondag zijn geweest, maar het bleek een maandag.94 [De Jong-Keesing, p. 94] Het schijnt dat op die derde respijtdag niemand in Amsterdam meer zaken wilde doen op Hamburg. Op 2 augustus probeerde De Neufville van 700.000 gulden los te krijgen bij Georg Clifford, Nicolaes Warin, en Henric Muilman. De firma Hope & Co, geen wisselbankstemde toe om een fonds te vormen, maar het plan is afgestuit op de weigering van de firma Andries Pels & Soonen, de “Bank van Frankrijk”, dat destijds werd geleid door de broers Hendrick en Jan Bernd Bicker.95 Volgens De Jong-Keesing kwam men 3 ton tekort voor het vormen van een syndicaat, maar het zou ook 3,4 ton geweest kunnen zijn volgens de Augsburgse krant.96 De Pruisische resident Erberfeld schreef op 2 augustus een bericht aan Frederik, dat de Neufville failliet zou gaan.[H. Rachel & P. Wallich, p. 449] Het bericht kwam vermoedelijk eerst na vijf of zes dagen, op 7 of 8 augustus, aan. (De gemiddelde snelheid van een paard is 10 à 12 km per uur. Hamburg is mogelijk per ijlbode, die op 1 augustus vertrok, op de hoogte gesteld? Een snelle ruiter zou in 3,5 dag de afstand van 411 km kunnen afleggen en kwam ‘s ochtends op 4 augustus aan?) Op woensdag 3 augustus was het faillissement van De Neufville een feit; ook elf andere Amsterdamse firmas, zoals Anthony Grill en J.M. Ephraim, kondigden op die dag hun faillissement aan.[De Jong-Keesing, p. 94]

Op 3 augustus ondertekende de koning van Pruisen in Spandau een overeenkomst met  een aantal joden, waarin zij zich verplichten, tegen gemiddeld 5% belang, alle slechte gelden die de munt van Zijne Pruisische Majesteit heeft laten slaan in te zamelen en hem aan het einde van het jaar voor dertig miljoen munten in goed kaliber te voorzien. Bijgevolg heeft hij deze overeenkomst hun 1,6 miljoen mark zilverstaven doen toekomen, die hier voor zijn rekening uit Holland en Engeland zijn aangekomen.[Gazette de Vienne du 17 AOUT 1763]

Tegelijkertijd bevond zich ook de flamboyante Schimmelmann in Amsterdam die voor  Denemarken een lening sloot van 3,4 miljoen Thaler bij de firmas Pels en Clifford. (Schimmelmann werd als kredietwaardiger beschouwd dan de Deense koning.) Voor De Jong-Keesing was dat een teken dat er in Amsterdam nog steeds voldoende geld voorhanden was. Voor de Augsburgse krant had het tot gevolg dat de geldmarkt nog krapper werd,97 maar de Deense lening is eerst uitbetaald in 1765.

Een van de oorzaken lag in Engeland. De Nationale Schuld was in zeven jaar tijd sterk gestegen, van 75 miljoen naar ca 133 miljoen pond.98 Alleen al de interest bedroeg 4,4 miljoen pond per jaar. Bovendien bleek er in 1761/1762 een schaarste aan zilver te zijn ontstaan. Liet Spanje meer Mexicaanse zilver naar Manilla (Phillipijnen) vervoeren?[A. Soetbeer (1879) Edelmettalproduction und Wertverhältnis zwischen Gold und Silber seit der Entdeckung Amerikas bis zur Gegenwart, p. 110] Niettemin is op 3 augustus in Engeland onder een nieuwe premier, George Grenville, 30.000 oz. zilver (933,1 kg) en 1.000 oz. goud ingescheept, bestemd voor Holland; op de 6e nog eens 40.000 oz zilver en 1.500 oz goud, 99 maar ook op de 15e, de 19e en 20e augustus en 8 september. Dat was echter niet voor De Neufville c.s. bestemd.100 (Als deze beslissing te maken had met de kritieke situatie in Amsterdam, dan kunnen zij pas met de pakketboot die op woensdag de 27e of zaterdag 30 juli uit Hellevoetsluis vertrok, op de hoogte zijn gesteld. De gemiddelde duur van de overtocht was twee dagen).[Trading and Financial Market Efficiency in Eighteenth Century Holland (2011) Peter Arie Eliza Koudijs ] In Hamburg werd het plan gevat een miljoen uit te trekken om de bedreigde banken overeind te houden.[H. Sieveking, p. 69]

Door een gebrek aan contanten en vanwege de akelige omstandigheden 101 besloot de Wisselbank op 4 augustus tot 15 augustus ook ongemunt zilver en goud in belening te nemen om uit de crisis te komen.[De Jong-Keesing, p. 165, 176] 102 103 De minimale inleg bedroeg 10.000 gulden.

Volgt het reglement waar op het inneemen van silver baaren in de wisselbank is gereguleerd.

Dezelve in te neemen bij provisie en tot opleggen voor 6 maanden tot een zalf ... op het Amsterdams essaij tot 15 augustus 1763. Na die tijd zal al het silver dat ingebragt wert, moeten g'essaijeert zijn door den essaijeur van de wisselbank off deszelfs adsistent. Het geen op Amsterdams essaij zal ingebragt zijn, sullen commissarissen laaten essijeeren van den essaijeur van de wisselbank tot kosten van den inbrenger. Geen minder somma als tien duijsend guleden zal konnen ingebragt off uitgehaald werden. Bij ijder baar moet ook een dubbelde essaij briefje gegeeven worden. 

Ider Recipisse zal niet minder maar wel meerder houden als f. 10.000,- en op zijn selfs moeten blijven en wederom uitgehaald moeten werden.[Stadsarchief Amsterdam, Groot Memoriaal 12, f. 90-91]

De eerder genoemde banken Pels, Warin, Hope, Muilman en Clifford brachten een voorraad ongemerkt zilver en goud onder bij de Amsterdamse Wisselbank.104 Gotzkowsky beklaagde zich over de graanaankoop bij Frederik de Grote en sloot die dag zijn deuren.[Ris, p. 57]  Met de bedoeling dat de Wisselbank buitenlands muntsoorten in roulatie zou brengen en de schaarste aan kleingeld zou afnemen?

De Hamburgse senaat liet die dag een brief uitgaan aan haar Amsterdamse collegas.105 (Dat zij zo snel reageerden duidt erop dat de problemen minstens een week daarvoor zichtbaar waren? Ze zouden al na de betalingsproblemen van Aron Joseph op de hoogte kunnen zijn gesteld.) Bang dat het faillissement “heel Europa in een afgrond zou storten“, stelden de Hamburgers voor om drie extra honoraire of neutrale administrateurs te benoemen.106 (Dat advies is overgenomen. Het werden de gebroeders De Smeth, Jean Texier & Comp. en Verbrugge & Goll.[De Jong-Keesing, p. 123]) Twaalf Hamburgse bankiers melden dat ze niets zouden doen voordat ze wisten wat hun Amsterdamse collega’s van plan waren. Op 5 augustus waren de banken gesloten en zijn alle wissels op Amsterdam getrokken met protest van non-acceptatie geretourneerd. Op die dag ontstonden er ook problemen in Londen, waar het nieuws van het faillissement van twee Amsterdamse banken die dag bekend werd gemaakt.[Gazette de Vienne du 20 AOUT 1763] De onrust is toegeschreven aan het opeisen van kapitaal, belegd in buitenlandse fondsen. Op 6 augustus verzochten elf kooplieden in Berlijn bij Frederik een verzoek tot drie maanden uitstel, nadat de wissel onbetaald terugkwamen; het zou twee maanden worden. In Wenen is op diezelfde zaterdag een grote hoeveelheid papiergeld en coupons in het openbaar en in een speciaal gebouwde oven verbrand.

Seit 1762 gab das Wiener Stadt-Banco die so genannten Bancozettel aus. Das funktionierte, denn der Staat sorgte dafür, dass eine große Nachfrage bestand. Man konnte damit nämlich die Steuern zahlen, ja manche Abgaben mussten(!) mindestens zur Hälfte in Bancozetteln abgeliefert werden, was die Nachfrage natürlich noch erhöhte. Wer 200 Gulden in Bancozetteln besaß, konnte diese sogar in Obligationen umtauschen, die zu 5 % verzinst wurden. Das war derart beliebt, dass bereits 1763 die Zinsen auf 4 % gesenkt werden konnten. Bancozettel wurden mit bis zu 2,5 % Agio gehandelt! Und was an Bancozetteln zurück an den Stadt-Banco floss, ließ man öffentlich verbrennen.[Die Münzen Maria Theresias]

De depositos in de Wisselbank waren praktisch niet opvraagbaar, maar het stond ieder vrij het geld dat hij aan zijn kassier had toevertrouwd, terug te eisen. Op zaterdag 6 augustus volgde een run op de kassiers.[De Jong-Keesing, p. 94]  De Schlesische Zeitung in Breslau meldde dat de Amsterdamse banken die nacht tot twee uur open waren om goud en zilver aan te nemen, wat nog nooit eerder was gebeurd.

Haag, vom 5. Aug.
Aus Amsterdam läuft die betrübte Nachricht ein, daß daselbst sehr grosse Banquerotten gespielet worden. Man weiß 17 Häuser die darinnen intereßirt sind, und man stehet noch für andere in Sorgen. In vorgedachter so reich und wohlbegüterten Stadt, ist die Verwirrung und das Mißtrauen auf den höchsten Gipfel gestiegen. Die Banco und Lehnbanco blieben auf Ersuchen verschiedener Banquirer und Handelsleute, vom verwichenen Samstag auf den Sonntag, bis 2 Uhr Nachmitternacht offen, welches daselbst noch nie geschehen war.

Op zondag de 7e ging er een bericht uit van de burgemeesters over de vele (17!) faillissementen in Amsterdam.107 Op 22 augustus schreef de Schlesische Zeitung:

Auszug eines Schreibens aus Amsterdam, vom 7. August.
Es sind alhier einige ansehnliche Banquerots oder Rückstände in der Handlung ausgebrochen, welche Auswärtigen mit zu Lasten kommen müssen. Indessen wird von den angesehensten Häusern dafür gesorget, die Billance der algemeine Handlung in und außer Holland, wie auch im öffentlichen Credit aufs nachdrücklichste zu unterhalten, und nichts wird demselben in einem Handlunggstaate, zur Zeit eines Friedens schwächen können, wenn auch auf wenige Tage eine Pause erfolgen sollte, zumal, da es für den größten Kaufmann, wenn er auch Millionen hat, eine Unmöglichkeit ist, seins Sachen und Correspondance in einem Posttage oder Monate so richtig auch seine Sachen stehen, in Ordnung zu bringen.

Op maandag 8 augustus maakte De Neufville bekend zes paarden en minstens zeven koetsen te willen verkopen op 24 augustus, gestald in de Lindenstraat.108 Het Amsterdamse stadsbestuur liet de senaat in Hamburg weten dat de speculerende banken niet geholpen zouden worden.109 ‘s Avonds is vergaderd door de vertegenwoordigers van de vier voornaamste banken; hun voorstellen bleven geheim,110 maar de Gedenkzuil der noodlottige koopjaren, of Verzaameling van plannen … geeft een indruk welke voorstellen binnen kwamen.[Gedenkzuil der noodlottige koopjaaren] Cash was niet meer te krijgen.

Amsterdam, vom 9. August.
Die Fallite, und die Zahl derjenigen, welche haben Schaden leiden, haben sich allhier dergestalt vervielfältiget, daß man noch nicht wohl einsehen kan, wie hoch sich der Verlust für jetzt und künftig erstrecken möge. Denn es ist nicht zu zweifeln, daß die Nachwehen von andern Orten, wohin sich diese Schaden verbreiten möchten, zurück kommen werden. Indessen sind alle diejenigen Handelshäuser, welche bey so gewaltigen Erschütterungen stehen geblieben sind, auf alle Weise beslissen, ihren und den öffentlichen Credit aufrecht zu erhalten

Op 8 augustus kwam het nieuws uit Amsterdam en Hamburg vermoedelijk aan in Berlijn. Itzig en Ephraim richtten een verzoek tot de koning ter ondersteuning met een bedrag van drie miljoen Thaler om uit de problemen te komen.[H. Rachel & P. Wallich, p. 454; De Jong-Keesing, p. 210-211] Op 9 augustus vroegen elf bedrijven in Berlijn hun faillissement aan. Frederik zorgde ervoor dat de zaak geheim bleef.[H. Rachel & P. Wallich, p. 452] Gotzkowsky, die voor zichzelf ook verzocht had om uitstel en 1,5 miljoen Thaler ondersteuning, werd uitgenodigd aan het hof in Potsdam om bij Frederik een bewijs van goed gedrag te overleggen. Gotzkowsky, die sinds het begin van de oorlog geen balansen maakte, werd terecht gewezen en kreeg 6 weken uitstel en niet meer.[H. Rachel & P. Wallich, p. 451] [De Jong-Keesing, p. 76, 209, 210] (Hij had ondertussen zijn vorderingen op Leipzig (van 377.000 Thaler) op Itzig overgedaan.111) Itzig was een van de crediteuren van De Neufville voor een bedrag van 29.256 gulden.[De Jong-Keesing, p. 103] In Berlijn zouden uiteindelijk 33 handelshuizen failliet gaan, waaronder Moses Mendelsohn.[H. Rachel & P. Wallich, p. 451]

"Ce Gotskofski est un fol qui a follement administré ses affaires, c'est par ses comis qui vous parviendrez à éclaircir le vrai fond des chosses et des qu vor m'en aurez instruit il faudra recourir à l'expédiant le plus doux et le plus Intéressés à la banqueroute, tout cela est bien fächeux"112

Op 10 augustus organiseerde Frederik een kabinetzitting over de binnengekomen faillissementen. De Münzjuden in Pruisen en Saksen kregen drie maanden de tijd orde op zaken te stellen en nieuwe munten uit te geven, met een hoger percentage aan edelmetaal.113 Ze werden verplicht onder de absolute voorwaarde met een deel van de 2.460.000 Thaler, dat hen ter beschikking werd gesteld, Gotzkowsky te ondersteunen, die een met faillissement bedreigde zijdefabriek, een kunsthandel, een wisselbank en een porseleinfabriek dreef.[H. Rachel & P. Wallich, p. 454-455] Frederik zegde Gotzkowsky toe dat de Münzjuden 400.000 Thaler in zijn bedrijven zouden investeren. Dat was Gotzkowsky te weinig; hij wilde drie keer zoveel, namelijk in oude, hoogwaardige en niet in nieuwe laagwaardige munten.[Schepkowksi, p. 307] Itzig en Ephraim weigerden zoveel geld in Gotzkowskys bedrijven te steken.[De Jong-Keesing, p. 211] Op 12 augustus liet Frederik weten hen niet het hele bedrag, maar slechts 2 miljoen Thaler te lenen. De voorwaarde andere kooplieden te helpen bleef bestaan.[H. Rachel & P. Wallich (1967) Berliner Grosskaufleute und Kapitalisten: Bd II. Die Zeit des Merkantillismus 1648-1806, p. 456] Een aantal Berlijnse kooplieden gaf te kennen dat Gotzkowsky met een half miljoen Thaler overeind zou kunnen worden gehouden, zodat hij hen 50% zou kunnen uitbetalen.[H. Rachel & P. Wallich, p. 460] Hij had sinds het begin van de oorlog geen boeken bijgehouden of een balans opgemaakt,[Schepkowski, p. 306] Hij is gedwongen zijn boekhouding te laten controleren.

Op maandag 15 augustus werd in Amsterdam een van De Neufvilles schepen geveild. Tot die dag hebben de muntmeesters van de Amsterdamse Wisselbank ongemerkt zilver geaccepteerd.114 Op 16 augustus hebben de Münzjuden uit Berlijn voor drie miljoen Thaler baren zilver met postwagens naar Hamburg verstuurd 115 [H. Rachel & P. Wallich, p. 456] om daarmee een een aantal in de problemen geraakte handelshuizen te redden; of was het de bedoeling het betalen van brandschatting aan de Russen met wisselbrieven op te lossen? (Frederik was een mercantilist en niet geïnteresseerd in de uitvoer van zilver en het ondersteunen van “buitenlandse” kooplieden; de veronderstelling is mogelijk onjuist.) Vanuit Engeland was inmiddels nog meer zilver en goud opgestuurd. In Amsterdam ontstond een run op de kassiers (= wisselbankiers),[J.G. van Dillen, p. 451] waarvan een, De Harder, ervan door ging naar Ravesteijn. (Mogelijk namen ze alle vier de benen.[De Jong-Keesing, p. 153]) Op die dag schijnt er in Hamburg nog niet veel aan de hand te zijn geweest, slechts vier kleinere handelshuizen waren op 11 augustus failliet gegaan, op de 15e twee. Op 17augustus werden ook daar de problemen duidelijk;116 [De Jong-Keesing, p. 166] er gingen 13 (of 14?) en op de 19e 12, op de 22e 11, op de 24e vier, en op de 26 vier handelshuizen failliet op een dag,117 waaronder Stenglin. In Hamburg zouden 97 huizen in dat jaar failliet gaan, waarvan 12 alsnog aan hun verplichtingen konden voldoen.[Sieveking, p. 70] De kooplieden in Hamburg reageerden tamelijk overdreven, omdat achteraf heel wat huizen solvent bleken te zijn geweest volgens Skalweit.118

In heel Amsterdam was geen krediet meer te krijgen; wissels uit Frankrijk, Spanje, Zweden, Duitsland, Denemarken, etc. werden niet langer geaccepteerd vanwege de bijzondere omstandigheden. Er volgde een tweede golf van faillissementen op vrijdag 19, zaterdag 20, maandag 22 en woensdag 24 augustus , (waaronder Charles en Theophile Cazenove?). Er waren volgens Jacob Bicker Raye 25 kooplieden aan de grond geraakt. Jan Wagenaar vermoedde een aantal van 40 gedupeerden,119 maar De Jong-Keesing hield het op 38. Op de 22e werd in Amsterdam een oplossing geformuleerd. De in moeilijkheden geraakte bedrijven zouden binnen vier maanden 1/3 terugbetalen, 1/3 binnen zes maanden en 1/3 binnen tien maanden, steeds met 4% rente.120

File:Interieur, ingangspartij, met bovendeurstuk, van de Desolate Boedelkamer - Amsterdam - 20407932 - RCE.jpg
Toegangsdeur Desolate Boedelkamer in het Paleis op de Dam, met relief “De val van Icarus”
Auch der König war ratlos, wovon ein Schreiben vom 20. August an seinen Hamburger Gesandten zeugt: „Woher kommen denn alle diese Bankrotte?“ [Depuis je suis au monde, je n'ai rien entendu parler de rien de pareil] Als eine Art Rettungsschirm schuf er zwei Tage darauf die „Immediate Wechsel-Kommission“, ein Sondergericht für Wechselbankrotte, doch seinen Finanzhelfer und Hauptlieferanten des erst Monate zuvor beendeten Siebenjährigen Krieges, den Berliner Kaufmann und Unternehmer Johann Ernst Gotzkowsky, vermochte er damit nicht zu retten.121

Frederik de Grote schreef op zondag 21 augustus zowel het Amsterdamse stadsbestuur als de Staten-Generaal aan met het verzoek om de firma De Neufville overeind te houden,[H. Rachel & P. Wallich, p. 459] en de zilversmelterij van De Neufville uit te sluiten.[De Jong-Keesing, p. 127?] Hij stelde voor de Boedelkamer uit te sluiten en een bijzondere commissie bijeen te roepen. Op 22/23 augustus werd in Berlijn een bijzondere commissie samengesteld (Immediate Wechselkommission) om de zaken te regelen. Itzig en Ephraim lieten weten dat het faillissement van Gotzkowsky onvermijdelijk was. 

An welchen Tag genau spielt Gotthold Ephraim Lessings "Minna von Barnhelm"? Sie grübeln, müssen blättern, Freunde anrufen? Nun, es ist der 22. August 1763, gewissermaßen der Schwarze Freitag der preußischen Finanzkrise, der aber auf einen Montag fiel. An diesem Tag rief Friedrich die "Immediate Wechsel-Kommission" ins Leben, ein Sondergericht für die vertrackten Wechselbankrotte, deren Herkunft er sich einfach nicht zu erklären wusste.122

Om verder bedrog tegen te gaan nodigde de Amsterdamse magistraat op de 23e de betroffen kooplieden uit op het stadhuis om hun boekhouding te laten controleren.123 De Staten-Generaal is aangeschreven op deze eerste dag na de Groote Vacantie met de volgende woorden:

Geeven met allen Eerbied te kennen de Gebroeders den Neufville, Kooplieden en Bancquiers te Amsterdam;
Dat zoo wel ter gelegenheyd van de laast ontstaande onlusten in Duytschland, mitsgaders verminderinge in waarde van de aldaar Roulleerende Goude, en Silvere Muntspecien, dalinge der Engelsche Fondsen, als het onverwagte faillissement van eene der voornaamsten Joodschen Bancquiers, genaamd Arend Joseph & Compagnie en verdere Faillissementen van meer anderen Bancquiers, en Cassiers, ten Lasten van welken de Supplianten respectivelijk importante Sommens uyt hoofde van Geaccepteerde Wisselbrieven, als andersints te preetendeeren hebbende Sware Circulatie van Wissel Handel alhier in Holland gestabileert heeft beginnen te Stagneeren zodanig, dat de Supplianten hoezeer .... thans door het onverwagte vermis van betalinge buyten staat is geraakt van de respective Houders en Discontanten op de Respective Vervaltijden contant te kunnen voldoen.124

De Neufville machtigde Jean Conrad Sollicoffre, een Zwitserse bankier in Den Haag, om zijn boekhouding te “ordenen” voor 25 oktober. Hij zou naar eigen zeggen een handelskapitaal van 1,3 miljoen gulden in kas hebben als iedereen aan zijn verplichtingen zou voldoen.125

Um allem Betrüge vorzubeugen, wird der Magistrat zu Amsterdam den dasigen Kaufleuten den Antrag thun, ihre Bücher auf dem Rathhause vorzulegen, damit die Beschaffenheit ihrer Handlung genau geprüfte, und ihnen eine, ihrem Verlustegemäße Hilfe zu weiterer Fortsetzung ihres Commercii, geleistet werden könne.

Op 24 augustus besloot Frederik uit eigen kas Gotzkowsky de 235.000 te lenen voor zijn zijdefabriek en de porseleinfabriek van Gotzkowsky voor 225.000 Thaler over te nemen in de hoop dat die met een voorschot en enige maanden uitstel alsnog in staat zou zijn zijn bankroet te vermijden en de Russen te betalen.126 127 [H. Rachel & P. Wallich, p. 460] De Berlijnse muntpachter, bankier, handelaar in zilver, en collectioneur Johann Georg Eimbke, een voormalige technische medewerker van Graumann in Braunschweig, muntpachter in Stettin, Königsberg en Breslau werd op 25 augustus gearresteerd en is tot zes jaar gevangenis veroordeeld. Hij had zich schuldig gemaakt aan wisselruiterij, ook zijn boekhouding klopte niet.[Schrötter, Band II, p. 263-264] Bovendien had hij zijn vermogen door zijn vrouw in veiligheid laten brengen, en “last but not least” Sprögel in 1762 als solvent verklaard.[H. Rachel & P. Wallich, p. 467-469] 128 Op diezelfde dag, 25 augustus, beklaarde Gotzkowsky zich opnieuw bij de Pruisische koning,[Ris, p. 57] en protesteerde De Neufville tegen een herstelplan, waarbij hij was uitgesloten.129 De drie administrateurs Karsseboom, Grill en Hasselgren, die zelf ook in moeilijkheden verkeerden, Grill stond voor 229.445 gulden bij De Neufville in het krijt, konden hun post neerleggen zonder iets verricht te hebben.130 [De Jong-Keesing, pl. 109] Op 29 augustus werd het verzoek van De Neufville om surseance van betaling afgewezen.131 Frederik gaf opdracht de Berlijnse joden een hogere repartitie te laten betalen, omdat er na de laatste zilverlevering het aantal rijke joden aanzienlijk toegenomen was.[S. Stern, p. 57] Gotzkowsky c.s. verzochten op 30 augustus:

Bij het bekende Bancqueroet van de Gebroeders de Neufville tot Amsterdam zijn wij en zeer veele van zijnen Majesteyds Onderdanen ten minsten meer dan een millioen geïnteresseerd; Deze Sommen raken wij quyd, wanneer eene Regtspleeging in forma der zoogenaamde Desolaten Boedelkamer in Amsterdam de debiteuren uyt vreese van een personeel arrest gedwongen worden de vlugt te neemen en wanneer erster Oorzaake van den groote omslag van negotie der den Neufvilles twintig of veertig jaren verlopen kunnen eer er betaling geschied ...132

Op 3 september is in Amsterdam een lening uitgeschreven om drie bedreigde huizen overeind te houden,133 mogelijk op verzoek van Hamburg en Berlijn die al op 9 augustus hadden gemeld hetzelfde te zullen doen als de stad Amsterdam zou meewerken.134

Die zu Amsterdam angestellte Subscription, um die vormals benannten 3 Hauser aufrecht zu erhalten, hat einen guten Erfolg, und war vor wenig Tagen schon fur 2 Millionen und 600.000 Gulden unterschrieben. Ungeachtet dessen hat eines von den ältesten und angesehensten Hausern, nebst noch einigen geringern, aufgehört zu zahlen, und soll alles von dem Baron Stenglinschen Hause in Hamburg abhängen. Die Gebrüder Neufville sind nicht mehr zu retten, wie man dann wirklich mit Aufzeichnung ihrer Haabschaft beschäftiget ist.

De bedoeling was aanvankelijk een loterij te organiseren, maar de betrokken partijen werden het niet eens hoe de bedreigde handelshuizen te ondersteunen.[Gedenkzuil der noodlottige koopjaaren] Daaronder viel mogelijk niet het handelshuis De Neufville. Zijn crediteuren dwongen hem begin september de 500 baren zilver waarvoor hij het geld had geleend door makelaars te laten verkopen.135 Het is niet onmogelijk dat de Münzjuden uit Berlijn een deel opkochten.[De Jong-Keesing, p. 183] Vanaf 6 september waren er nauwelijks meer faillissementen meer in Amsterdam en Hamburg.[De Jong-Keesing, p. 201] Op 9 september meldden de burgemeesters aan Frederik de Grote, dat ze niet bevoegd waren den loop der justitie te verhinderen.136 Op 11 september besloten de Staten-Generaal op aandringen van Frederik de Grote de huizen die zich insolvent hadden verklaard te ondersteunen. In Amsterdam lag de goederenhandel stil137 met uitzondering van de handel tegen contante betaling? De Neufville stuurde twee vaten met Kriegsgeld ter waarde van 50.000 gulden terug naar Carl Leveaux.[De Jong-Keesing, p. 127] Op 12 september kocht Gotzkowsky zijn obligaties op Leipzig terug van Daniel Itzig. Op 15 september besloot Frederik dat de Berlijnse kooplieden geen voorkeursbehandeling behoefden om hun zaken in Hamburg te regelen. Op 18 september werd duidelijk dat de boekhouding van Gotzkowskys zijdefabriek al sinds 1756 niet deugdelijk bleek te zijn;138 er waren sindsdien geen balansen geproduceerd. Ook de boekhouding van De Neufville schijnt gebrekkig te zijn geweest. Dat zij daarin uitzonderingen zouden zijn is niet erg aannemelijk. Op 23 september besloot de Staten-Generaal geen aparte commissie inzake De Neufville in het leven te roepen.139 Sinds hij zijn koetsen had verkocht en verplaatste hij zich naar ieders leedvermaak te voet. Op 24 september schreef Frederik opnieuw een brief aan de Staten-Generaal, waarin hij De Neufville een “affineur” of keurmeester van zilver noemt.140 [De Jong-Keesing, p. 127?] Voor het faillissement van Hasselgren werd een oplossing gevonden.[De Jong-Keesing,p. 167]

Op 4 oktober kwam de Pruisische gezant Thulemeyer aan in Den Haag; hij produceerde “Causes de nombreuses faillites qui ont suivi celles de frères de Neufville en août 1763“? Op 5 oktober 1763 plaatste de Schlesische Zeitung een verrassende verklaring van de faillissementen, maar niet geheel bevredigend omdat er weinig bronnen zijn die een dergelijke gang van zaken staven. Enkel Johann Beckmann, [Kernkamp, GW: Johan Beckmann”s dagboek van zijne reis door Nederland in 1762. Bijdr: in Meded. van het Hist. Genootsch. Utrecht 33 (1912), p. 320.] , en W.M. Zappey (1982) Porselein en zilvergeld in Weesp schonken in de vorige eeuw aandacht aan het transport van zilver of aan de smelterijen. De toegepaste techniek is door J.H. Müntz, een 18e eeuwse schilder, graveur, architect en metallurg, die in Weesp in de zilversmelterij en de porseleinfabriek van de graaf van Gronsveld werkte, beschreven. Volgens hem werden bij De Neufville’s smelterij meermalen foutieve procédés toegepast.141

Alle diese Banquerotte sagt man, sind durch die Fallimente der Aaron Joseph und der Gebrüdere Neufville veranlasset worden. Diese beyde letzteren haben eine Unternehmung gewagt, deren Weitläufigkeit, und noch weniger das Ungemach, dem selbige blos gestellet war, sie nicht kenneten: Sie wollen alle schlechte Münzen, welche in vorigem Krieg in Teutschland überhand genommen, an sich ziehen. Sie setzten zum Grund, die zuerst angekommen, müsten den Schmelztiegel paßiren, der erste Theil würde den 2ten bezahlen, dieser den 3ten u.s.w. bis diese Münzen gänzlich erschöpfet wären: zu dem Ende legten sie zu Haarlem eine Gieserey an wo aber die allerbesten Operationen so unglücklich abliefen, daß sie durch den Bruch verschiedener Schmelztiegel schon in großen Verlust gesetztet wurden. Mittlerweile giengen die Ueberschickungen aus Teutschland immer fort; denn gegen Ende des vorigen Jennerß [Januar] hatten sie bereits über 300 Karren empfangen, deren jeder über 200 Thaler nur Kosten verursachet. Sie befanden sich dabey in der unumgänglichen Nothwendigkeit, allen ihr Credit aufzubieten, um aller Orten Ried und Antwort zu geben, und ihr Papier nach allen Europäischen Plätzen, insonderheit nach Hamburg zu verschicken, wo einige Häuser an dieser Unternehmung ebenfals Theil gehabt. Alles dieses aber war noch nicht zureichend; sie sahen sich genöthiget, alles einmal gelaüterte Geld zu verpfänden, unerachtet solches zweymal hätte geläutert werden sollen. Dieses konnte aber auch nicht zureichen, und sie verpfändeten endlich die schlechten Münzen selbst, so, wie sie selbige aus Teutschland emfangen hatten, um ein Interesse von 6 auf hundert. Bey einem solchen Unternehmen war es unmöglich zu bestehen, wie es dann diejenigen gar bald eingesehen, die nur in etwas das Commercium der Materien verstehen. Dieses Commercium hatte auch die Amsterdamer Börse an Münzen dergestalt entschöpfet, daß fast keine mehr zu haben waren. Auf beweldete Art, meinen ihrer viele, hätten die Gebrüdere Neufville selbst in ihr Unglück sich gestürzet. Wir wollen es denen Gelehrten in dem Commercie überlassen, das weitere hievon zu beurtheilen. Bis dahin hat sich weder in Rotterdam noch in denen Städten der Provinz Seeland kein schlimmer Zufall geäußert, und dieses möchte für eine Zeit das große Handelswesen nach dieser Seite ziehen.

Op vrijdag 7 oktober gaf De Neufville zichzelf aan en kwam onder curatele te staan. De Desolate Boedelkamer kreeg beschikking over zijn goederen. De Neufville had nog moeite gedaan uit haar handen te blijven. Er heerste destijds een groot wantrouwen tegen die stedelijke instelling omdat de afhandeling daar soms een generatie lang (of 33 jaar) kon duren. Op 10 oktober begon de schatster Catharina van Oyen met inventarisatie van zijn bezit. Op 24 oktober (24 VIIIber), en niet op 24 augustus zoals Van Nierop en De Jong-Keesing vermelden, is de boedel van De Neufville getaxeerd voor 6.390 of met een verhoging (een marge?) van 10% voor 7.022 gulden. De volgende dag is zijn zaak behandeld. Het vermoeden bestond dat De Neufville delen van zijn boekhouding had achtergehouden.142

In november 1763 was de crisis voorbij; de wisselkoersen in Berlijn daalden naar een normaal niveau zoals die voor 1759 hadden bestaan.[De Jong-Keesing, p. 172, 174] [Roberds &Quinn, p. ?] (Van Dillen stelt dat de voorraad edel metaal der Wisselbank nooit zo groot is geweest als in de jaren 1763-65, namelijk 31 miljoen gulden. Ook een groot deel van het in Engeland ingevoerde goud en zilver kwam uiteindelijk in Amsterdam terecht.[J.G. van Dillen, p. 447, 597, 606])

Voor meer details over het omsmelten van munten in Pruisen, Saksen en in de omgeving van Hamburg, zie Frederik de Grote en de muntchaos tijdens de Zevenjarige Oorlog (1756-1763)

Perceptie

De Neufville staat in de literatuur bekend als speculant en parvenu, maar de laatste kwalificatie is gezien de voorgeschiedenis van de familie Neufville ongeloofwaardig.143 Zijdehandelaren behoorden bijna altijd tot de rijkste Amsterdammers.

Herengracht 70-72.144
Het kantoor op Herengracht 72 bij de Herenstraat, dat drie kamers van het woonhuis vulde, bestond waarschijnlijk uit 23 personen d.w.z. er stonden 23 lessenaars opgesteld.145 De luxe in het huis, dat hij huurde van de echtgenote van raadspensionaris Pieter Steyn, voorheen de weduwe van de bankier Daniel Deutz de jonge, was tekenend. Het was ingericht met acht notenhouten kabinetten en commodes, een geelzijden salon, spiegels, schilderijen, linnengoed, Saksisch porselein, en vergulde speeltafeltjes tot in zijn slaapkamer.146 Meestal wordt ook vermeld dat in het hele huis geen boek was te vinden, maar de filosofisch ingestelde dichteres Christina Leonora de Neufville was een zus van zijn vader.147 Hij had de meubels, juwelen en boeken, afkomstig van zijn moeder in juli 1760 laten veilen.148

Schilderijencollectie

In augustus 1757 kocht hij zijn eerste schilderijen. Tussen 1759 en 1763 was hij op zeventien veilingen aanwezig.149 Op 18 mei 1763 kocht hij een aantal werken afkomstig uit de collectie van kardinaal Silvio Valenti Gonzaga. Op 4 juli 1763 kocht hij 15 schilderijen in Den Haag, o.a. een Gerard Dou, Frans Hals, Paulus Potter, Philips Wouwerman en Jan van Huysem, afkomstig uit de collectie van Willem Lornier, voor de prijs van 9.115 gulden. De aankoop is nooit betaald.[De Jong-Keesing, p. 94]

Orpheus en de dieren door Paulus Potter

Op 29 oktober maakten de commissarissen van de Boedelkamer bekend de schilderijencollectie van De Neufville te willen veilen op 14 december 1763. Die veiling heeft nooit plaatsgevonden omdat De Neufville opnieuw toestemming verkreeg zijn zaken op orde te brengen.150 Gotzkowsky, zegde (op 10 december 1763) toe 317 schilderijen ter waarde van 316.650 gulden te leveren aan de Russische kroon, hetzij om goodwill te kweken tussen Frederik en Catharina,151 hetzij om aan zijn eigen verplichtingen te kunnen voldoen. Op 30 januari 1764 vroeg Gotzkowsky opnieuw zijn faillissement aan. In april 1764 ging Gotzkowsky over zijn schuldeisers voor 50% schadeloos te stellen; in de zomer kwamen de schilderijen in St Petersburg aan. 

Het Melkmeisje door Johannes Vermeer, tot de veiling in juni 1765 in het bezit van Pieter en Leendert De Neufville.152

Op 5 januari 1764 trof De Neufville een schikking met een Engelse partner.153 Op 28 januari gaf Frederik de Grote Itzig en Ephraim het bevel dat ze het geweldige vermogen dat ze hadden verdiend te investeren in de Pruisische economie.[S. Stern, p. 199] Op 14 mei 1764 werd Gottlieb von Stein in Amsterdam gearresteerd en teruggestuurd naar Berlijn.[Ris, p. 57]

Dass die Kipperei in Preußen zur Regierungszeit Friedrichs des Großen nicht aus der Welt war, zeigt ein am 16. Januar 1764 von Friedrich II. erlassenes Edikt. Darin stellt der König fest, dass ungeachtet vielfältig ergangener heilsamer Edikte und Verordnungen das höchstschädliche Kippen und Wippen eingerissen sei. Er, der König, habe aufs Neue höchst missfällig wahrgenommen, "wie obgedachtes Kippen und Wippen seit einiger Zeit dergestalt überhand genommen, daß das Gewicht nicht nur von denen Sächsischen und anderen geringhaltigen reducirten Geldern, sondern auch sogar von denen unter Unserm höchsteigenen Stempel ausgeprägten alten und neuen Müntz Sorten so starck differiret, daß von denen Geld-Beuteln, welche bey Unsern Cassen einkommen, fast keiner mehr das gehörige Müntz Gewicht hat, und öfters einige Marck daran manquirten". Der König erkannte, dass in seinem Reich nicht nur geringwertige auswärtige Münzen umlaufen, sondern auch preußische Nominale den Vorschriften nicht entsprechen.["Schlagt tot das lose Pack"

Op 14 juli van dat jaar kreeg De Neufville rehabilitatie, volgens Keesing “na overlegging van een ongelooflijk slordige, onvolledige balans, waar in de crediteurenlijst niet alle bedragen zijn ingevuld en toch een totaalsom wordt gegeven.”154De Neufville beloofde [op 19 juli] 60% uit te zullen keeren en het veelszins verdachte maar om zijn groote operatiën ook veelbenijde handelshuis werd aldus gerehabiliteerd…”.

Christus toont zijn wonden aan de ongelovige Thomas door Rembrandt. De Neufville kocht het schilderij in 1759. Hij verkocht het werk nog in het zelfde jaar aan Gotzkowsky.

De Neufville bekommerde zich niet meer om de zaak, en leefde rustig. Op 3 april 1765 verkocht hij Herengracht 158 aan Jan Goll (van Frankenstein) (1722-1785), een Duitse bankier,  en aan Oostenrijk leningen verstrekte. Hij was (misschien) een van de toegevoegde drie honoraire curatoren, die volgens De Jong-Keesing mogelijk tot zijn voornaamste schuldeisers behoorde,155 en volgens Van Dillen een ongunstige reputatie had, wegens een verdenking van medeplichtigheid aan handel in goudgeld van slecht allooi.156

De Neufville kocht op 3 juli 1765 zijn buitenplaats Westermeer terug van de Desolate Boedelkamer.

https://www.de-zeventiende-eeuw.nl/articles/10.18352/dze.1553/figures/dze2012010_fig8.jpg/
Govert Flinck, De verstoting van Hagar en Ismaël, Berlijn, Gemäldegalerie. In de collectie De Neufville, door Gotzkowsky aan Frederik de Grote geleverd.
Op 19 juni 1765 is zijn schilderijencollectie, deels opgezet door zijn vader, geveild.157 Van de 55 (of 122? De aantallen zijn verwarrend; er worden maar 55 schilderij beschreven) schilderijen brachten de Rubens, Nicolaes Berchem, Jan van Huysum, Gabriel Metsu, David Teniers de Jonge, Paulus Potter, Gerard ter Borch, Adriaan van de Velde, Willem van de Velde de Oude en Philip Wouwerman het meeste op. De totale opbrengst was 43.200 gulden.158 (Volgens de Jong-Keesing was de opbrengst 14.000 gulden en baseert zich op Archief 5072-861, dat n.b. over het jaar 1754 gaat, een onjuiste referentie.) Het is niet onmogelijk dat De Neufville voor de veiling een aantal van zijn schilderijen onderhands aan Gotzskowsky had verkocht,159 160 maar ook aan Gerrit Braamkamp en Jan Gildemeester. Op 24 februari 1769 werd opnieuw een veiling van schilderijen, afkomstig van Lornier en zijn vader Pieter Leendert, in de Leidse courant aangekondigd.161
 
File:Veroverde Engelse schepen na de Vierdaagse Zeeslag Rijksmuseum SK-A-439.jpeg
Willem van de Velde (II) Veroverde Engelse schepen na de Vierdaagse Zeeslag (1666)
1764 wurde die Graumansche Münzreform, freilich ohne Grauman, der schon 1755 entmachtet worden war, wieder in Kraft gesetzt und bis zum Tode Friedrichs umfangreich und ordentlich gemünzt. Ab 1768 ist das preußische Kurantgeld fast vollständig in Berlin hergestellt worden. Dazu wurde eine zweite Münzfabrik, die „Neue Münze“, eingerichtet. Die Münzstätten Stettin, Kleve, Aurich und Magdeburg wurden als unrentabel geschlossen. Breslau und Königsberg beschränkten sich im Wesentlichen auf das für Schlesien bzw. Ostpreußen benötigte Kleingeld.

Op 29 maart 1764 is in Pruisen de waarde van het geld nog eens met 40% naar beneden bijgesteld. “Under the above mentioned edict of 1764 the Prusssian government exchanged against a heavy loss war coins for new standard coins and thereby came into the possession of great quantities of the former coins, the silver content of which was to be recovered.”[F. Redlich, p. 173] Frederik richtte 1765 een Koenigliche Hauptbank op. Hij stelde huurbescherming in, maar Pruisen, waar het nog steeds aan cash schortte, belandde in een recessie en in augustus 1766 volgde een nieuwe reeks van faillissementen, waaronder Gotskowsky.162 (Hij viel flauw of kreeg een hartaanval en lag een halve nacht in zijn tuin totdat hij werd gevonden.) Frederik kon de economische omstandigheden niet verklaren en weet de moeilijkheden aan de onhandigheid van zijn onderdanen en terughoudendheid van zijn beamten.[Ingrid Mittenzwei, p. 141]

In 1767 probeerden Hamburgse kooplieden de rehabilitatie van De Neufville ongedaan te krijgen. Op 20 februari 1770 viel het vonnis; De Neufville ging in beroep bij het Hof van Holland. De boedel van Arent Joseph kwam op 5 mei 1771 onder de Boedelkamer. Dat de boedels van de gefailleerden onder de Desolate Boedelkamer kwamen te vallen en er vertraging ontstond in de afhandeling heeft in 1773 nog veel discussie opgeleverd.163 Dat hield verband met de beslissing de Boedelkamer in te schakelen bij de lokale autoriteiten of bij het gewest of de Staten lag.

In 1774 stierf zijn vrouw; zij werd begraven vanuit een pand op de Keizersgracht “bij de Groenlandsche pakhuizen“, waar in 1763 zijn goederen voor het merendeel lagen opgeslagen. Leendert Pieter de Neufville heeft zijn buiten Westermeer op 30 augustus 1775 en zijn bezit aan de Camplaan op 23 januari 1777 in Het Wapen van Heemstede publiek verkocht aan Johannes der Kinderen, schoolmeester, koster en voorzanger in de Heerlijkheid.164 Op 28 augustus 1777 moest De Neufville opnieuw voor de Desolate Boedelkamer verschijnen. Wat er daarna gebeurde kon De Jong-Keesing niet achterhalen en suggereert dat de Neufville misschien het land was uitgevlucht.165

Wat bleek het geval. In 1778 had Leendert de Neufville zich als zeepzieder gevestigd in de Hoogstraat in Rotterdam.166 167 168 In 1785 overleed zijn zoon Gerrit die, aangevoerd in een jacht, in de Nieuwe Lutherse kerk aan het Singel in Amsterdam werd begraven. In 1793 werd ook zijn dochter Elisabeth Catharina daar begraven. Bij beide is vermeld dat ze uit Rotterdam afkomstig waren.169 In 1797 gaf hij opdracht tot de verkoop van een huis in Zutphen, bewoond door zijn twee broers, die in het voorafgaande jaar, resp. op 3 februari en 3 december, waren overleden.170 (De weduwe van) Ds Jan Floris Martinet bleek hun buur te zijn geweest.

De Neufville moet tamelijk actief zijn geweest in de Delft of omgeving; het aantal akten op zijn naam is verbazingwekkend.171 Op 25 juli 1804 liet hij 96 schilderijen in Amsterdam veilen; de opbrengst was 8.500 gulden. De Neufville was een liefhebber van het werk van de toen hooggeachte Christian Wilhelm Ernst Dietrich.

File:1742 Dietrich Gemaeldekabinett anagoria.JPG
Schilderijenkabinet door Christian Wilhelm Ernst Dietrich (1742)
In 1805 is 75-jarige Leendert Pieter De Neufville hertrouwd met de 38-jarige Cornelia van Merckestein (1767 – 1839), afkomstig uit Dordrecht. De Neufville is op 30 juli 1811 begraven. Hij liet een minderjarig kind (Leonora) en twee meerderjarige kinderen (Pieter en Catharina) na. De moeder van de buitenechtelijk geboren Leonora (Rotterdam 1794 – Haarlem 1870) was Cornelia van Merckestein.172 De erfgenamen van De Neufville verklaarden voor de rechtbank te Rotterdam de nalatenschap te aanvaarden op voorwaarde van inventarisatie.173

De finale afwikkeling van zijn faillissement vond plaats in februari 1811, nog voor zijn overlijden. De laatste crediteuren kregen nog eens 1% uitbetaald.174

Spotprenten

  1. Digitale Stamboom Rotterdam
  2. Jonathan Bikker (2012) The hidden collection of the spectacularly bankrupt banker Leendert Pieter de Neufville, p. 196
  3. De financieele crisis van 1763 te Amsterdam (1907) door P. Hans Sz.
  4. Competing Bimetallic Ratios: Amsterdam, London, and Bullion Arbitrage in Mid-Eighteenth Century by PILAR NOGUES-MARCO, p. 451
  5.  Annalen der Juden in den preußischen Staaten besonders in der Mark Brandenburg von Anton Balthasar König, p. 288
  6. Schrötter, p. 55
  7. I. Mittenzwei, p. 118, 112
  8. Wisselruiterij wordt omschreven als het met oneerlijke bedoelingen trekken en doen accepteren van wissels waaraan geen reële transactie ten grondslag ligt. D.w.z. op de vervaldatum werden de wissels niet uitbetaald, maar vervangen door nieuwe wissels.
  9. S. Skalweit, Die Berliner Wirtschaftkrise von 1763 und ihre Hintergründe, p. 42; W.P. Sautijn Kluit, p. 30); W.M.F. Mansvelt (1922) De crisis van 1763 en de economische achteruitgang van Amsterdam (een discussie), p. ? In: Tijdschrift voor geschiedenis, ISSN 0040-7518, vol. 37 (1922), pag. 400-408; ; De Jong-Keesing, p. 68
  10.  Responding to a Shadow Banking Crisis: The Lessons of 1763 by Stephen Quinn and William Roberds, p. 5
  11.  De Financiele Begrippenlijst
  12. S. Skalweit, p. 41
  13. Schrötter (1909) Das Preussische Münzwesen im 18. Jahrhundert, p. 9, 13, 16, 38
  14. F. Schrötter Das Preussische Münzwesen im 18. Jahrhundert. III. Band, p. 11
  15.  F. von Schrötter, Münzwesen, II. Band, p. 116-120
  16. S. Skalweit, p. 45, 106
  17.  Wirtschafts- und Technikgeschichte Preußens door Wilhelm Treue
  18. L. Beutin (1933) Die Wirkungen des Siebenjährigen Krieges auf die Volkswirtschaft in Preussen, p. 279
  19. Die Lebensgeschichte des grossen Königs Friedrich von Preussen … Door Johann David Erdmann Preuss
  20. Resolutien van Holland
  21.  Johann Ernst Gotzkowsky. Kunstagent und Gemäldesammler im friderizianischen Berlin. Door Nina Simone Schepkowski
  22. L. Beutin (1933), p. 255-256, 264.
  23. H. Sieveking (1933) Die Hamburger Bank 1619 – 1875, p. 70-71. In: Festschrift der Hamburgischen Universität ihrem Ehrenrektor Herrn Bürgermeister Werner von Melle
  24. S. Skalweit, p. 45
  25. Allegorie op de bankroeten te Amsterdam door de wissel-windhandel, 1763
  26. Allegorie op de bankroeten…
  27. “Advertentie”. “Amsterdamse courant“. Amsterdam, 18-07-1750. Geraadpleegd op Delpher op 14-01-2016, Delpher Kranten
  28. Jong-Keesing, E.E. de (1939) De economische crisis van 1763 te Amsterdam, p. 97
  29. Jong-Keesing, E.E. de (1939), p. 117
  30. Transportakten Stadsarchief
  31. Doopregister Stadsarchief Amsterdam
  32. Begraafregisters Stadsarchief Amsterdam
  33. Vier eeuwen Herengracht door Mr H.W. Wijnman
  34. Het rusteloze bestaan van dokter Petrus Camper (1722-1789), p. 66
  35. Friedrich Karl Ferdinand (Braunschweig-Wolfenbüttel-Bevern) ging in 1759 over in Engelse dienst om de Franse legers uit het noorden en westen van Duitsland te verdrijven; Ferdinand (Braunschweig-Wolfenbüttel)en Karl Wilhelm Ferdinand (Braunschweig-Wolfenbüttel), de in Maagdeburg gelegerde “Generalfeldmarschall in preußischen und kurhannoverschen bzw. britischen Diensten” en de zwager van Frederik de Grote, komt het meest in aanmerking.
  36. Wirtschafts- und Technikgeschichte Preußens door Wilhelm Treue
  37. S. Skalweit, p. 52
  38. H. Rachel & P. Wallich (1967) Berliner Grosskaufleute und Kapitalisten: Bd II. Die Zeit des Merkantillismus 1648-1806, p. 444
  39. The Opportunity of a Disaster: The Economic Impact of the 1755 Lisbon Earthquake ALVARO S. PEREIRA
  40. NA 10384/377, 27 april; 10284/489, 14 juni, not. B. Phaff
  41. R. Koser (1900) Die Preussischen Finanzen im Siebenjährigen Kriege, p. 179, 155
  42. Jong-Keesing, E.E. de (1939), p. 101
  43. Kwijtscheldingen Stadsarchief Amsterdam
  44. Johann Ernst Gotzkowsky. Kunstagent und Gemäldesammler im friderizianischen Berlin. Door Nina Simone Schepkowski
  45. L. Beutin, p. 264, 281
  46. In het stadsarchief bevinden zich op naam van L.P. de Neufville een tweetal notariële akten, die betrekking hebben op obligaties in Leipzig (looptijd tot 1764).
  47.  “Advertentie”. “Amsterdamse courant“. Amsterdam, 14-07-1761. Geraadpleegd op Delpher op 14-01-2016, Delpher Kranten
  48. “Advertentie”. “Amsterdamse courant“. Amsterdam, 29-07-1762. Geraadpleegd op Delpher op 14-01-2016, Delpher Kranten
  49. 13494. Au sieur de neufville, négociant à Amsterdam
  50. Overlaan
  51. Maandblad Amstelodamum (1935), p. 36
  52. J.G. van Dillen (1970) Van rijkdom en regenten, p. 602
  53. B. Kluge (2013) Für das Überleben des Staates. Die Münzverschlechterung durch Friedrich den Grossen im Siebenjährigen Krieg, p. 139
  54. Mauricius refereerde aan de soortgelijke affaires met vermomde Hollanders in Zweden in 1662, die met De Geer en Trip wilden concurreren; met Hendrik Carloff en de Zweedse (1657) en Deense Afrika Kompagnie (1659) en in 1682 over de Brandenburgisch-Afrikanische Compagnie, opgericht door de Vlissinger Benjamin Raule.
  55. Archief van de Burgemeesters: diplomatieke missiven van ambassadeurs, gezanten en residenten in het buitenland aan burgemeesters. 5027-8-100.11.8 Stadsarchief Amsterdam
  56. Hij schijnt een deel heimelijk teruggeleverd te hebben aan de Saksische koning. Zie Daniele Antonin (2014) Das weisse Gold, der Wittelsbacher – Zum Sammlungsbesitz des Meißener Porzellans der bayerischen Kurfürsten im 18. Jahrhundert, p. 157
  57. Johann Ernst Gotzkowsky. Kunstagent und Gemäldesammler im friderizianischen Berlin By Nina Simone Schepkowski
  58. Ris, p. 37-38, 54
  59. Geschichte eines patriotischen Kaufmanns, p. 146-147
  60. J.G. van Dillen (1922) De beurscrisis te Amsterdam in 1763. Tijdschrift voor geschiedenis, vol. 37, pag. 249
  61. Vaderlandsche historie
  62. E. Ris (2016) Eremitage aus Berlin. Die Gemäldesammlung von Johann Ernst Gotzkowsky als Grundstock der Bildergalerie der russischen Zarin Katharina II. in St. Petersburg, p. 38, 42, 48
  63. Studies in the Economic Policy of Frederick the Great by W.O. Henderson
  64. L. Beutin, p. 278
  65. Johann Ernst Gotzkowsky. Kunstagent und Gemäldesammler im friderizianischen Berlin By Nina Simone Schepkowski
  66. Lessons from the Seven Years War by Isabel Schnabel and Hyun Song Shin
  67. Ris, p. 54-56
  68. Aerts, Erik (1992) Wisselruiterij in de Lage Landen. De wisselbrief op de Brugse geldmarkt tijdens de late middeleeuwen
  69.  Kann Kredit Sünde sein? Erschienen am 15. Jun. 2015
  70. Vervolg van de Wissel-styl tot Amsterdam … vervattende … wat … Door J. Phoonsen (1755). (Er is een derde druk van de “Wissel-styl tot Amsterdamuit 1737.
  71. L. Beutin, p. 280
  72. Johann Ernst Gotzkowsky. Kunstagent und Gemäldesammler im friderizianischen Berlin By Nina Simone Schepkowski
  73. S. Skalweit, p. 95-96
  74.  Wirtschafts- und Technikgeschichte Preußens Door Wilhelm Treue
  75. Studies in the Economic Policy of Frederick the Great Door W.O. Henderson
  76. Geldwertbewußtsein und Münzpolitik Das sogenannte Gresham’sche Gesetz im … Door Ingeborg Meyer, p. 18
  77. Gerhard Steiner: Drei preußische Könige und ein Jude. Erkundungen über Benjamin Veitel Ephraim und seine Welt, p. 27. Edition Hentrich, 1994
  78. Geldwertbewußtsein und Münzpolitik Das sogenannte Gresham’sche Gesetz im … Door Ingeborg Meyer, p. 17
  79. S. Skalweit, p. 84
  80. S. Skalweit, p. 41
  81. Die Finanzkrise des Jahres 1763 von Gerald Braunberger, in: FAZ
  82. The Historical Role of the European Shadow Banking System in the Development and Evolution of Our Monetary Institutions by Israel Cedillo Lazcano
  83. Responding to a Shadow Banking Crisis: The Lessons of 1763 Stephen Quinn and William Roberds
  84. Nierop, L. van (1936) Het dagboek van Jacob Bicker Raye (1732-1772), p. 225. Jaarboek Amstelodamum
  85. Commercialization and Politics by John Brewer, p. 215. In: The Birth of a Consumer Society. The Commercialization of Eighteenth-century England. Part II, Chapter Five.
  86.  Lessons from the Seven Years War
  87.  Responding to a Shadow Banking Crisis: The Lessons of 1763 by Stephen Quinn William Roberds, TCU/FRBA, 19 April 2012
  88. Augspurgische Ordinari-Post-Zeitung ; 1763
  89. S. Skalweit, p. 46
  90. Jong-Keesing, E.E. de (1939), p. 94
  91. Jong-Keesing, E.E. de (1939), p. 97
  92. Herberg de Vredenberg Twee eeuwen vertier
  93. Gezicht op de Hospitaalpoort door J. Spies (1795-1841)
  94. Common year starting on Saturday
  95. De macht van het familiekapitaal
  96.  Augspurgische Ordinari-Post-Zeitung ; 1763
  97.  Augspurgische Ordinari-Post-Zeitung ; 1763
  98. Confronting the National Debt: The Aftermath of the French and Indian War
  99. Augspurgische Ordinari-Post-Zeitung ; 1763
  100. De koopman, of Bydragen ten opbouw van Neêrlands koophandel en …, Volume 4
  101. Groot Memoriaal 12, f. 90
  102. De Amsterdamsche Beurs in 1763 en 1773. Eene bijdrage tot de geschiedenis … door Willem Pieter Sautijn Kluit
  103. Geld in Amsterdam: Wisselbank en wisselkoersen, 1650-1725
  104.  Amsterdam, in zyne opkomst, aanwas, geschiedenissen, voorregten …, Volume 4 Door Jan Wagenaar
  105.  De koopman, of Bydragen ten opbouw van Neêrlands koophandel en …, Volume 4, p. 414
  106.  Beiträge und Materialien zur Beurtheilung von Geld- und Bank-Fragen: mit … von Adolf Soetbeer
  107. Schlesische Privilegirte Staats- Kriegs- und Friedens-Zeitungen 1763, 20. August
  108. De Amsterdamsche Beurs in 1763 en 1773. Eene bijdrage tot de geschiedenis … door Willem Pieter Sautijn Kluit
  109. Vaderlandsche historie. Deel 23
  110. Augspurgische Ordinari-Post-Zeitung ; 1763
  111. S. Skalweit, p. 51
  112. S. Skalweit, p. 60
  113. Winfried Baer, Ilse Baer, Suzanne Grosskopf-Knaack (Hrsg.): Von Gotzkowsky zur KPM. Aus der Frühzeit des friderizianischen Porzellans. Arenhövel, Berlin 1986, (Ausstellungskatalog, Berlin, Staatliche Porzellan-Manufaktur Berlin, 17. August – 2. November 1986).
  114. Groot Memoriaal 12, f. 90
  115. J.G. van Dillen (1922) De beurscrisis te Amsterdam in 1763. In: Tijdschrift voor geschiedenis, ISSN 0040-7518, vol. 37 (1922), pag. 247
  116. Het wissel en wondertoneel, van den jaare 1763. Of Verzameling der
  117. W.P. Sautijn Kluit, p. 19
  118. S. Skalweit, p. 47
  119. Vaderlandsche historie
  120. De koopman, of Bydragen ten opbouw van Neêrlands koophandel en …, Volume 4, p. 415
  121. Der Tagesspiegel: Bare Münze
  122. Königliche Porzellan Manufaktur: Der Lohn der edlen Tat: das Herz einer Sächsin 16.04.2001 00:00 Uhr Von Andreas Conrad. In: Der Tagesspiegel
  123. Schlesische Privilegirte Staats- Kriegs- und Friedens-Zeitungen 1763, September
  124. Stadsarchief Amsterdam, inv. 5061-647, f. 39
  125. De Jong-Keesing, p. 108, 122
  126. Johann Ernst Gotzkowsky. Kunstagent und Gemäldesammler im friderizianischen Berlin. Door Nina Simone Schepkowski
  127. S. Skalweit, p. 88
  128. De collectie schilderijen van Eimbke is in mei 1764 verkocht.
  129.  Species facti wegen ‘t gebeurde van ‘t faillissement den gebroeders den Neufville, van denen na ‘t gebeuren van den oorlog in Duytsland voorgevallen, met de copien van alle de documenten & stukken toe relatief. Stadsarchief Amsterdam, inv. 5061-649, f. 93-98
  130. De financieele crisis van 1763 te Amsterdam door P. Hans Sz.
  131. Groot placaet-boeck, vervattende de placaten, ordonnantien ende edicten van … door Cornelis Cau
  132. Stadsarchief Amsterdam Inv. 5061-647. Schout en Schepenen
  133.  Schlesische Privilegirte Staats- Kriegs- und Friedens-Zeitungen 1763, September
  134. Augspurgische Ordinari-Post-Zeitung ; 1763
  135. De Jong-Keesing, p. 124
  136.  De financieele crisis van 1763 te Amsterdamdoor P. Hans Sz.
  137. Beschrijving van Nederlandsche historie-penningen
  138. S. Skalweit, p. 62, 90-91
  139.  Jong-Keesing, E.E. de (1939), p. 122
  140. W.P. Sautijn Kluit, p. 32
  141. Ausführliche Beschreibung von dem Silber- und Kupfer Schmeltz-werk, von denen Ofen … aufgericht zu Muiden beij Amsterdam, Eigenthümer davon der Herr B.V. Ephraim, mit accuraten und vollständigen Rissen versehen durch Johann Heinrich Müntz, Archit. und Metallurg (1769-1770), p. ?; W.M. Zappey (1982) Porselein en zilvergeld in Weesp, p. 198
  142. W.P. Sautijn Kluit, p. 38.
  143. Jong-Keesing, E.E. de (1939), p. 76
  144. Amsterdamse grachtenhuizen
  145. Jong-Keesing, E.E. de (1939), p. 118
  146. Jong-Keesing, E.E. de (1939), p. 99
  147. Neufville, Christina Leonora de (1714-1781)
  148.  “Advertentie”. “Amsterdamse courant“. Amsterdam, 28-06-1760. Geraadpleegd op Delpher op 14-01-2016, Delpher Kranten
  149. J. Bikker (2012) The hidden collection of the spectacularly bankrupt banker Leendert Pieter de Neufville, p. 186
  150. Jonathan Bikker (2012) The hidden collection, p. 184
  151. Johann Ernst Gotzkowsky. Kunstagent und Gemäldesammler im friderizianischen Berlin By Nina Simone Schepkowski
  152. The Milkmaid by Johannes Vermeer by Walter A. Liedtke
  153. Reports of cases adjudged in the Court of Chancery of New-York: containing … Door New York (State). Court of Chancery. Court for the Trial of Impeachments and the Correction of Errors
  154. Jong-Keesing, E.E. de (1939), p. 125
  155. Jong-Keesing, E.E. de (1939), p. 123
  156. J.G. van Dillen, p. 607
  157. Catalogus van schilderyen van wylen de heer Pieter de Neufville
  158. J. Bikker (2012) The hidden collection of the spectacularly bankrupt banker Leendert Pieter de Neufville, p. 195
  159. Johann Ernst Gotzkowsky. Kunstagent und Gemäldesammler im friderizianischen Berlin By Nina Simone Schepkowski
  160. Johannes Vermeer
  161. “Advertentie”. “Leydse courant“. Te Leyden, 24-02-1769. Geraadpleegd op Delpher op 14-01-2016, Delpher Kranten
  162. Deutsche Digitale Bibliothek
  163. Nieuwe Nederlandsche jaerboeken of vervolg der …, Volume 8, Deel 1
  164. Overlaan
  165. Jong-Keesing, E.E. de (1939), p. 126
  166. Ingekomen brieven, familie Wesselman van Helmond. Regionaal Historisch Centrum Eindhoven 12002-109
  167. Staten van het Kwartier van Zutphen en hun Gedeputeerden. Resoluties van Gedeputeerden betreffende de collaterale successie Periode 1795-1797
  168.  Decreeten van de Provisioneele repræsentanten van het …, Volume 5, Part 1
  169.  Begraafregisters Stadsarchief Amsterdam
  170. Regionaal Archief Zutphen
  171. Archief Delft
  172. Digitale Stamboom Rotterdam
  173. Stadsarchief Rotterdam
  174. J.G. van Dillen (1922); (1970), p. 606

One thought on “Dolle ondernemingen, schaarste aan geld en overvloed aan wisselbrieven

  1. Ik ben grote dank verschuldigd aan W. Roberds (Atlanta) en J. Banneke (Heemstede) die zeer behulpzaam waren met hun kijk op de gang van zaken, en het aanreiken van literatuur.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *