Dolle ondernemingen, schaarste aan geld en overvloed aan wisselbrieven

Over Frederik de Grote, L.P. de Neufville, J.E. Gotzkowsky en de kredietcrisis van augustus 1763

 

Leendert Pieter de Neufville jr (Amsterdam, 8 maart 1729 – Rotterdam, 28 juli 1811) 1 2 was een Amsterdamse koopman en wisselbankier,[De Jong-Keesing, p. 119] die tijdens de Zevenjarige oorlog schatten verdiende met zilver- en krediethandel. In die oorlog zouden vooral de geld- en wisselhandel tot grote bloei komen, doordat “de gelden door Engeland gezonden tot steun van Pruisen en voor het eigen leger in Hannover, grotendeels werden overgemaakt in wissels, betaalbaar in Holland of te Hamburg“,3 maar de zaak blijkt veel ingewikkelder te zijn. Engeland stuurde Pruisen tussen 1758 en 1762 geen geld, de export van munten was verboden tot 1819, [Competing Bimetallic Ratios: Amsterdam, London, and Bullion Arbitrage in Mid-Eighteenth Century by PILAR NOGUES-MARCO, p. 451] maar goud en zilver, waarmee Frederik de Grote laagwaardig geld, het zogenaamde Kriegsgeld, heeft laten creeren. De heimelijke handel in zilver door de grote en bekende Amsterdamse bankhuizen, die hun Engelse collegas daarbij ondersteunden, hetzij door Engeland kapitaal te lenen, hetzij uit hun voorraad te putten, is vanwege het ontbreken van akten lastig te vatten. Het was niet toegestaan met de oorlogsvoerende partijen te handelen; de akten betreffende de zilvertransporten zijn niet te vinden of hebben nooit bestaan. De handel verliep via tussenpersonen (schaduwbankiers). Ook Frederik de Grote liet bewijsmateriaal vernietigen in zijn functie als oppermuntmeester, die zelf de zilveraankopen redigeerde.

Eind juli 1763, vier maanden nadat de Vrede van Hubertusburg was gesloten tussen de oorlogvoerende partijen kwamen De Neufville en tientallen handelshuizen en in de problemen. Aanvankelijk werd uitgegaan van wisselruiterij.4 Volgens een Zuidafrikaans etymologische woordenboek was wisselruiterij een “skelmstreek met wissels om tydelik kapitaal te bekom waarby m.b.v. ‘n handlanger ‘n vervalle wissel telkens vervang word met ‘n nuwe, op langtermyn betaalbare wissel.” Er werd gebruik gemaakt van ijlbodes, die vaak van paard wisselden, vandaar de naam.  Skalweit en Mansvelt bestrijden dat het in 1763 om wisselruiterij ging, maar om een buitengewoon aanspraak doen op wisselbrieven,5 en een daling van de graanprijzen, maar volgens De Neufville zelf ook een verlies op Engelse fondsen. Van Dillen wijde de problemen aan het vergrote mogelijkheden tot acceptkrediet, een wissel getrokken op een bank en gebruikt voor import of export.[J.G. van Dillen, p. 460] Een meer eigentijdse verklaring is De Neufville als schaduwbankier te kwalificeren.[Responding to a Shadow Banking Crisis: The Lessons of 1763 by Stephen Quinn and William Roberds, p. 5] Een schaduwbank (of mistbank), is een instelling die wel deel uitmaakt van het totale financiele systeem, maar die tegelijkertijd buiten het reguliere toezicht (van de Wisselbank) opereert. Het gaat om “een parallel banksysteem, dat wordt gevormd door instellingen die geen bank zijn, maar wel activiteiten ontwikkelen die … alleen door banken werden uitgevoerd. Het gaat vaak om financiering met korte kredieten van langetermijnverplichtingen. Dat kan zeer riskant zijn voor de financiele stabiliteit; op het moment van grote paniek – als iedereen ‘naar de uitgang’ rent – kan de geldmarkt snel volledig opdrogen en kunnen langetermijnverplichtingen niet meer gefinancierd worden.”[De Financiele Begrippenlijst]

De Neufville, die in de “fouragering” aan de Pruisische, Brunswijkse, Zweedse en Russische armee voorzag,[De Jong-Keesing, p. 113] 6 en zilver leverde aan de Pruisische munthuizen zou kunnen zijn betaald met contant geld, maar veel waarschijnlijker is met wisselbrieven omdat het transport van geld of edelmetaal te omvangrijk was.[Schrötter, Band II, p. 218] Het goud was veelal afkomstig uit Brazilie, het zilver uit Mexico en Peru, en werd exporteerd naar Spanje en Portugal. Het is onduidelijk of de aanvoer terugliep rond 1755. Vanaf 1758 is het zilver vanuit Londen (en Amsterdam) opgestuurd via Hamburg naar Saksen en Pruisen. Het is gebruikt om 40 miljoen nieuwe munten te slaan, die in Saksen, Silezië, maar ook in Hongarije, Polen en Kurland in omloop werd gebracht.7 Vanwege het tekort aan goede (wettige) betalingsmiddelen is De Neufville vermoedelijk in 1761 begonnen te speculeren met wisselbrieven op Leipzig, terug te betalen na de oorlog met “goed geld”. Om zijn verlies nog verder te beperken liet hij in 1762 het vanuit Pruisen en Saksen opgestuurde (niet-Saksisch, maar Mecklenburgse) Kriegsgeld omsmelten om vervolgens het verkregen zilver met winst terug te leveren? Dat was niet het geval; op 3 juni 1763 beschreef de Utrechtse muntmeester, Johann Ernst Novisadi het verlies, dat hij ondanks het overvloedige en goedkope zilver moest lijden.[De Jong-Keesing, p. 51] (Zijn zoon Carel Christiaan was muntmeester in Harderwijk.)

Gedurende de Zevenjarige Oorlog waren in Pruisen, Saksen, Silezië en Polen steeds de betere soorten geld aan het verkeer onttrokken en vervangen door minderwaardige soorten, waarin op het laatst van de oorlog tot 70% koper was verwerkt.8 Daarnaast zagen de exporterende kooplieden voordeel in het betalen met wisselbrieven, goedkoop te verkrijgen vanwege het koersverschil. De wisselkoers steeg, nadat het Kriegsgeld was geintroduceerd? Voor de zilver importerende Pruisische munthandelaren bleek het daarvoor weer een nadeel.[F. von Schrötter, Münzwesen, II. Band, p. 116-120] 9 De eigenaars van de wisselbrieven moesten al 1762, maar vooral vanaf 1 juni 1763 als gevolg van verordeningen door Frederik de Grote overal (met name belastingen, accijnsen, huur en betalingen van het leger aan het buitenland) met het wettige geld te betalen. De trekkers wilden dit keer geen nieuwe wissels, maar “cash” zien.10 11 Na een eerste, stapsgewijs herstel in juni 1763 van de oude tot 1756 geldende muntvoet in Pruisen ontstond er een groot tekort aan “goed” geld.12 De Neufville, die vele keren meer had geleend, dan hij aan eigen kapitaal had, kon al snel niet meer aan zijn verplichtingen voldoen. Hij moest waarschijnlijk 60% meer uitbetalen om oude bestaande rekeningen te vereffenen. In juli/augustus ontstond in Amsterdam en Hamburg, waar de geld- en zilverhandel gelokaliseerd was, een internationale bankencrisis. Tientallen andere banken met wie hij contact had en die ook slecht bij kas waren omdat ze zich te veel bezig hadden gehouden met wisselbrieven, ofwel risicovolle kredietverlening, brachten de beurzen “in verlegenheid“, met grote gevolgen voor Hamburg, Berlijn, en Leipzig, maar ook voor Dantzig, Stockholm, Breslau, en Londen.13 [Sieveking (1933) Die Hamburger Bank 1619-1875, p. 71]

De surséance van betalingen van De gebroeders De Neufville en de textielfabrikant Gotzkowsky waren kort na elkaar aangevraagd, op 3 augustus in Amsterdam en op 4 augustus 1763 in Berlijn.14 Mijns inziens ligt er een verband tussen de dreigende bankroeten van Johann Ernst Gotzkowsky, de Berlijnse “industrieel” en Leendert Pieter de Neufville die na de oorlog beide in het bezit waren van een grote hoeveelheid minderwaardig Kriegsgeld, een tekort aan kasgeld, voor miljoenen aan wisselbrieven, en voorraden die zeker de helft minder waard waren geworden. (Als De Neufville ook met Kriegsgeld, de laagwaardige munten is betaald, dan moest hij dat zelf, en met verlies omwisselen.[Schrötter, Band II, p. 198]) 

De financiele crisis in 1763 is toegeschreven aan de situatie in Duitsland (o.a. een afnemende vraag, dalende prijzen, 48 miljoen Reichsthaler aan contributies door Saksen aan Pruisen, voornamelijk betaald met wisselbrieven),15 16 de wanbetalingen vanaf 1761 door Engeland aan Pruisen, aan beide, aan dubieuze wisselpraktijken of aan de verslechterde Pruisische munt.

De Neufville lijkt aanvankelijk meer betrokken te zijn geweest bij de goederenhandel dan bij de wisselhandel, maar tijdens de oorlog werd de goederenhandel lam gelegd, de prijzen daalden en bleef de geldhandel over.[De Jong-Keesing, p. 53, 63] De indruk wordt gewekt dat De Neufville de wisselbrieven, waarmee hij handelde, via een reeks van tussenpersonen (schaduwbankiers) in Hamburg probeerde te slijten. “Op zilverwissels, met een onvaste waarde, kon men een bod doen; en de meest biedende kreeg hem.”[De Jong-Keesing, p. 52] Het is waarschijnlijk dat hij daarnaast probeerde winst te maken door Kriegsgeld op te kopen, om te smelten in Heemstede en te wachten tot de koers van zilver meer gestegen was.17 Hoe het ook zij, dat laatste schijnt een mislukking te zijn geworden vanwege hoge stook- en arbeidskosten. De echte klap voor De Neufville kwam toen er zich in juni/juli een vertrouwenscrisis openbaarde en de handel in wisselbrieven instortte. De twee creatieve ondernemers, die vier maanden na het beëindigen van de Zevenjarige oorlog niet meer in staat waren cashgeld te lenen en hun crediteuren terug te betalen, speelden bankroet.

http://www.beursgeschiedenis.nl/sites/default/files/a-12-L-007-groot_0.jpg
Allegorie op de bankroeten op de Beurs te Amsterdam door de wissel-windhandel in het jaar 1763. De koophandel van Amsterdam (Mercurius) wordt verdreven door Hoogmoed en Weelde. Op de voorgrond een lege geldkist, een lias onbetaalde rekeningen en een aap die de boekhouding doet, op de achtergrond donkere wolken boven de beurs van Amsterdam. In het onderschrift een uitleg van de voorstelling.18 19

Biografie De Neufville

Leendert Pieter de Neufville begon als koopman in textiel en graan, met een omvangrijke handel op het oosten van Duitsland en de Middellandse Zee. In 1750 (volgens een advertentie20), in 1751 (volgens de boeken van de Wisselbank) nam hij samen met zijn broers het handels- en bankiershuis De Neufville van zijn vader over.21 De Neufville handelde in bijna alles: zilver (formeel voor 82.429 gulden), amandelen, suiker, porselein en gom waren de belangrijkste produkten.22 Op 24 november 1755 verkochten de broers na het overlijden van hun grootvader Balthazar op een veiling het ouderlijk huis, Singel 138, en een katoenglanzerij of saaiperserij in de Blauwlakensteeg achter de Warmoesstraat.23 Daar stond (op nr 80) het stamhuis van de familie Neufville, afkomstig uit Haarlem. In het jaar daarop trouwde de 26-jarige De Neufville met de 18-jarige Margaretha Smid (1737-1774), een Lutherse. Leendert was gereformeerd, en woonachtig op de Keizersgracht (nr 15); de beide vaders waren niet present, maar hadden wel hun toestemming gegeven. Het echtpaar kreeg zes kinderen: Pieter (1756-na 1811), Elisabeth (1759-1793), Catharina (1761-1763), Catharina (1763-na 1811) en Gerrit (1765-1785).24 Bij de begrafenis van de tweejarige Catharina Margaretha, haar naam werd – heel ongewoon – uitdrukkelijk genoemd,25 vermeldt het begraafboek dat De Neufville toentertijd “op de Herengracht bij de Herenstraat” woonde. De eigenaar van het pand was raadpensionaris Pieter Steyn.[De Jong-Keesing, p. 99] Het Herengrachtboek vermeldt bij nummer 70-72, een opvallend pand uit 1641, wel de eigenaar en enkele huurders, waaronder de hoogleraar Petrus Camper,26 die in mei 1761 naar zijn buiten Klein Lankum vertrok,27 maar niet De Neufville, ongetwijfeld de nieuwe huurder.

Volgens de Memorie over de gevolgen van het faillissement van het handelshuis De Neufville, verzorgde De Neufville als eerste de fouragering van het leger van de jongste broer van de koning, prins August Ferdinand van Pruisen, die in 1757 deelnam aan de veldtocht naar Bohemen, maar na kritiek van zijn broer over de aftocht is ontslagen. Skalweit vermeldde dat de leveringen plaats vonden aan een hertog van Braunschweig, maar het is niet duidelijk welke hij bedoelde. Er namen drie hertogen uit dit huis deel aan de Zevenjarige oorlog.28

Zevenjarige Oorlog (1756-1763)

In juni 1755 kwam Frederik de Grote incognito naar Amsterdam om schilderijen te kopen en zich mogelijk bij Isaac de Pinto over de monetaire hervorming en financiering te informeren. Het schijnt Frederik gelukt te zijn een oorlog te voeren zonder zich in de schulden te steken, of de belastingen in Pruisen te verhogen,29 maar zijn doel bereikte middels devaluatie.30

Een devaluatie van de munt middels het in omloop brengen van minderwaardig geld was een (beproefd) middel om een oorlog te financieren.[Von feinem Silber Der Versuch, mit gutem Geld schlechtes zu verdrängen] In 1750 had Frederik Johann Philipp Graumann aangesteld om nieuwe Pruisisch (courant)geld met een meer billijk en lager zilvergehalte te introduceren; er waren teveel verschillende soorten geld in omloop in Duitsland (Heilige Roomse Rijk). De introducering van de Reichsfuss in 1737 voldeed niet, schepte chaos en verwarring..[“Oordeelkundige verdeediging”, rapport van een [Duitser], waarin hij de in een “Grondige beproeving” tegen de voorstellen van Johan Philip Grauman geuite bezwaren weerlegt; met als aanhangsel een verhandeling over de oorzaken van de koerswisselingen van goud en zilver; afschriften [1752]]  Kooplieden gebruikten koerslijsten om de waarde van een bepaalde munt (en de vervalsingen) op een bepaalde plaats te bepalen; alles moest worden omgerekend in Bankotaler. De Leipziger muntvoet uit 1687 of 1690 was verouderd en onvoordelig; het zilver verdween naar het buitenland. Frederik wilde dat stoppen door het goudgehalte van de dubbele, de hele en de halve Friedrichd’or met 10% te verlagen. Er moest bovendien meer kleingeld, de hele, halve, zesde, kwart en twaalfde van de zilveren Reichstaler, in omloop komen om het verlies op grotere munten te beperken.

Volgens De Pinto ontstond er in 1747, tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog al een tekort aan “cash” in de Republiek,31 maar er heerste ook muntchaos, o.a. de Zeeuwse rijksdaalder is in 1747 verlaagd. Bovendien steeg de prijs van zilver ten opzichte van goud.[J.G. van Dillen, p. 592] In Braunschweig-Wolfenbüttel introduceerde Johann Philip Graumann in 1742 de Karld’or en in 1747 de zilveren Albertustaler. In de Republiek werd op 1 augustus 1749, c.q 1759 besloten de gouden dukaten, waarvoor drie verschillende prijzen werden gehanteerd, te vervangen door gerande gouden rijders. In 1750 haalde Frederik de Grote Graumann naar Berlijn, die de Friedrichd’or mocht slaan, weliswaar met het juiste gewicht, maar een slechter allooi. In 1752 ging Holstein over tot het gebruik van de Albertustaler; Kurhannover (en Lübeck) hadden bedenken gebruikten de Kuranttaler. Vanaf 1753 werd in samenwerking met Beieren de Maria-Theresiataler geslagen; de Oostenrijkse keizerin liet ook een Albertustaler introduceren en de Konventionsfuß. Frederik richtte in september 1753 een Giro- en Wisselbank op, die werd gedwarsboomd door Hamburgse kooplieden.[Nationaal Archief. 3.20.33-inv. 297 Octrooi van Frederik, koning van Pruissen, voor het oprichten van een Giro- en Wisselbank te Berlijn; drukwerk. 23 september 1753 ] Ze hadden bezwaren tegen zijn muntpolitiek. Het project verdween in een la? In 1755 was de chaos compleet in het Heilige Roomse rijk; geld wisselen was een kunst geworden.[Entdeckte Ursachen des verderbten Münzwesens in Teutschland : nach ihren ersten und wahren Quellen ; wobey zugleich neue und wirksame Mittel dagegen vorgeschlagen werden, die ein jeder Reichsstand vor sich, ohne Mitwirkung des Reichs, und ohne Recesse mit seinem Mitständen, in Ausübung bringen kann von Johann Heinrich Gottlob von Justi (1755) Leipzig, Breitkopf.]. Er waren verschillende muntvoeten in omloop: de oude Leipziger Fuß of  de Oostenrijkse 18-Gulden-Fuß (1690) en sinds 1738 de Reichsfuß; de Graumannscher Münzfuß of 21-Gulden-Fuß (1750); de Konventionsfuß of 20-Guldenfuß (1753) en de 24-Guldenfuß. 

Ook volgens de Resolutien der Heeren Staaten begonnen de problemen met het muntmateriaal in 1755.32 De stijging in de prijzen van muntmateriaal was het gevolg van een geringe aanvoer van zilver en de grote uitvoer.33 De VOC zette haar bankgeld om, iets dat nog nooit eerder was gebeurd. Ook de “schuldenlast was enorm gestegen door de Oostenrijkse successieoorlog, en dat was zelfs één van de redenen dat Nederland het zich niet kon veroorloven om partij te kiezen in de Zevenjarige oorlog, …”34 

Het gewicht en allooi van alle, sommige of enkel de twee kleinste munten (2 en 4 Groschen) werd niet vastgelegd en zou aanleiding geven tot bedrog. (Het kwam op de kwantiteit van de munten aan en niet de kwaliteit.[Schrötter, II. Band, p. 148]) Goed geld moest tot dan toe worden ingevoerd en tegen agio of opgeld worden aangeschaft. Gouden munten zoals de oude Louis d’or (1641-1709), Hollandse Dukaten, Zuid-Nederlandse Albertusthaler), waarmee het buitenland bij voorkeur betaalde, vanwege de winst op het koersverschil, zou buiten de grenzen moeten worden gehouden,[Schrötter, II. Band, p. 171, 188, 271] en meer orde scheppen. (Het gebruik van Hollands dukaten in Oost-Friesland, Tecklenburg en Lingen werd formeel toegestaan.[Schrötter, p. 200-201]) Frederik was bereid meer voor het zilver betalen, zodat er meer naar Pruisen kwam en alleen daar nog munten zouden worden geslagen.[Die Werke Friedrichs des Großen : in deutscher Übersetzung; 7 Das politische Testament von 1752, Domänenkasse] Frederik dwong Graumann daarbij op een lage wisselkoers aan te sturen, vanwege de import van zilver. Hij had diverse conflicten met Graumann over de te volgen politiek en de teleurstellende winstgevendheid van de Pruisische munthuizen. Omdat Graumann er niet slaagde in met de Hollandse munthuizen te concurreren, besloot Frederik hem in 1755 op non-actief te stellen, [Vom Anfang des Jahrs 1751 und folgenden Zeiten] en zelf de contracten betreffende zilverleveranties te sluiten.[Schrötter, II. Band, p. 123, 132, 143] []

So kam es vor, dass in seinen Prägeanstalten unter konspirativen Bedingungen fremdes Geld hergestellt wurde, um es im Ausland profitabel abzusetzen. Alle Beteiligten mussten sich zu absolutem Stillschweigen verpflichten, anderenfalls sie allerschwerste Strafen zu erwarten hatten. Auf keinen Fall sollten die „geheimen Ausmünzungen“ von russischen, österreichischen und holländischen Silber- und Goldmünzen publik werden, denn der König war sehr auf sein Renommee bedacht und tat alles, sich als ehrlicher Landesfürst darzustellen.[Wie Preußen bei Kasse gehalten wurde - Neuer Standardkatalog über die Münzen und Geldpolitik Friedrichs des Großen von Helmut Caspar

De muntmeesters Daniel Itzig (1723-1799) en Veitel Heine Ephraim (1703-1775) speelden vanaf 6 oktober 1755 daarbij een belangrijke rol. Vanaf 1756 pachtte Ephraim alle Pruisische en Saksische munthuizen, in Berlijn, Breslau, Kleve, Aurich, Königsberg, Magdeburg, Stettin, Dresden en Leipzig. Hij betaalde daarvoor sleischat (in 1755 5%, in 1762 13%, gemiddeld 6 miljoen taler per jaar) aan Frederik; een vaste afdracht per afgeleverde partij munten, gebaseerd op het verschil tussen de nominale waarde van de munt en de inhoud aan edelmetaal minus de kosten van slaan van de munten. Frederik had er dus belang bij dat de muntmeester een zo groot mogelijke productie bereikte. Hij zou zijn Zevenjarige oorlog nooit hebben kunnen winnen zonder de hulp van Itzig en Ephraim.35 [Rachel & Wallich, p. 319] De enorme winsten die op de uitgifte van munten werden gemaakt, vloeiden hoofdzakelijk naar de schatkist, maar ook voor de muntmeester was de muntslag van munten zeer lucratief. De auteurs lijken Engeland te vergeten, Pruisens enige bondgenoot, dat vanaf april 1758 vier keer subsidie in de vorm van goud- en zilverbaren verstrekte; 2x in 1758, en 1x in 1759 en 1760.[The Works of Thomas Carlyle, p. 342] Of Carlyle het bij het juiste eind had, is onduidelijk; andere bronnen houden het stopzetten van de subsidie op december 1761, na de val van Pitt.[Die schlesischen Kriege] Ook de val van Thomas Pelham-Holles, een half jaar later, had te maken met het Engelse parlament dat op 30 april 1762 weigerde nog langer subsidie te verstrekken aan Pruisen, dat op 5 mei sloot met Rusland.[The French Navy and the Seven Years’ War by Jonathan R. Dull, p. 230]

Er [Friedrich] verfügte beim Friedensschluss von 1763 immer noch über einen Kassenbestand von knapp 23 Millionen Reichstalern.[Wie Preußen bei Kasse gehalten wurde - Neuer Standardkatalog über die Münzen und Geldpolitik Friedrichs des Großen von Helmut Caspar
Im Siebenjährigen Krieg 1756-1763 setzte Friedrich seine neuen Münzgrundsätze außer Kraft. Alle Münzstätten in Preußen und im besetzten Sachsen wurden an jüdische Unternehmer (Münzentrepreneurs) verpachtet, die dem König einen hohen Schlagschatz zu zahlen, ansonsten aber praktisch freie Hand hatten. Bekanntester dieser Münzentrepreneurs ist der Berliner Bankier Veitel Ephraim, der es durch die massenhafte Produktion unterwertiger und rückdatierter Münzen mit dem Bildnis des sächsischen Kurfürsten und polnischen Königs Friedrich August, der sog. Ephraimiten, zu Reichtum und beim Berliner Volksmund zu dem Vierzeiler brachte: „Von außen schön / von innen schlimm / von außen Friedrich / von innen Ephraim“.[Für 8 Groschen ist’s genug. Friedrich der Große in seinen Münzen und Medaillen von Bernd Kluge]

Zitat, das Friedrich II. v. Preußen zugeschrieben wird: „Sachsen ist wie ein Mehlsack, egal wie oft man draufschlägt, es kommt immer noch etwas heraus.
File:Berlin, Mitte, Nikolaiviertel, Palais Ephraim.jpg
Das Palais Ephraim an der Ecke Poststraße/Mühlendamm im Nikolaiviertel in Berlin-Mitte. Das Gebäude war ein Rokoko-Palais, und wurde von Friedrich Wilhelm Diterichs 1762-1766 für den Bankier Veitel Ephraim gestaltet. Die den Balkon tragenden Monolithen hatte der König sein Günstling von dem gräflich Brülschen Schlosse geschenkt, das während des Siebenjährigen Krieges zerstört wurde.[Rachel & Wallich, S. 312]

De muntmeesters in Duitsland hebben gedurende de hele Zevenjarige oorlog waarschijnlijk meer dan 300 ton zilver geimporteerd (een klein vrachtschip vol) dat in Amsterdam voornamelijk werd betaald met wisselbrieven, en in Hamburg met Kriegsgeld.[Schrötter, II. Band, p. 218-219] Het zilver is gebruikt om 40 miljoen nieuwe munten te slaan, die in Saksen, en Silezië, maar ook in Hongarije, Polen, en Kurland in omloop werd gebracht.36 De “Münzjuden” Itzig en Ephraim, etc. waren contractueel verplicht zich aan de nieuwe muntvoet vast te houden en niet meer te produceren dan afgesproken was.[Schrötter, p. 239-246] In oktober 1756 werd het duidelijk, dat er bedrog werd gepleegd door Ephraim, die de munt in Leipzig hadden gepacht. Er waren munten in omloop die niet in Leipzig waren geslagen, maar toch dat stempel droegen (en het jaar 1753, 1754 of 1756).[Schrötter, p. 35, 249] (Leipzig is pas eind augustus 1756 veroverd door het Pruisische leger. Het was een actie met voorbedachte rade.) De uitvoer van deze munten naar Polen (over water) mocht niet worden gehinderd.[S. Stern, p. 294-295, 304] Frederik wist af van het bedrog, en stemde ermee in, want ze betaalden hem sleischat, maar het gaf ook Itzig en Ephraim een aantal maanden groot financieel voordeel. Toen Kleve, waar Ephraims zoon sinds augustus 1755 de leiding had, in 1757 werd bezet door het Franse leger, zijn die muntactiviteiten voortgezet in Maagdeburg en Berlijn. Zweden was niet bereid Pommeren aan Frederik af te staan en verklaarde Pruisen de oorlog in september. In Dresden is minderwaardig geld geslagen, toen Ephraim daar tot muntmeester werd benoemd. In Breslau en Koningsberg werden Poolse munten geslagen, waarvoor Saksische (en Bernburgische) stempels werden gebruikt.[Schrötter, p. 29] Zelfs het Oostenrijkse leger kocht Saksische munten op om de crediteuren of soldaten te kunnen betalen.[Rachel und Wallich, p. 300] In Pruisen zelf was het gebruik van Saksisch Kriegsgeld tot 1760 verboden.[Rachel & Wallich, p. 303] 

King Augustus III of Poland von Pietro Rotari – www.wga.hu (Gallery: Gemäldegalerie, Dresden), Gemeinfrei, Wikipedia Commons

Gouden en zilveren munten werden zeldzaam, niet alleen de Republiek, maar ook Engeland, Frankrijk, Zweden en Denemarken verstuurden de munten naar Azië, waar het nog meer opbracht. De prijs van zilver op de Amsterdamse beurs steeg; het omsmelten van Hollandse en Zeeuwse zilveren munten om het zilver uit te voeren, werd een lucratieve bezigheid. Ook het kleingeld was zo krap voor handen, dat de soldaten, die minder dan een gulden (8 Gute Groschen) per week verdienden, nauwelijks betaald konden worden. (Met behulp van soldijbewijzen, die na de oorlog uitbetaald zouden worden, schijnt het probleem tijdelijk zijn opgelost.37) In januari 1758 werden Saksen en Mecklenburg gedwongen contributies te betalen.[De Jong-Keesing, p. 38] In april 1758 gaf Frederik opdracht de Pruisische voorraad aan (tafel)zilver in Friedrich d’or om te zetten.[Schrötter, p. 21, 24, 25, 27, 42, 46] [De Jong-Keesing, p. 46] Hij liet in december ook heimelijk Hollandse dukaten namaken; de Republiek reageerde door meer dukaten te laten vervangen door gouden rijders? De dukaten werden gebruikt om betalingen aan het buitenland, en het transport en leveringen aan het leger te betalen. (Gotzkowsky vermeldt in zijn autobiografie dat hij na de inval in Saksen met de nieuwe Friedrich d’or (met een waarde van vijf Thaler) werd betaald.[Gotzkowsky, Geschichte eines patriotischen Kaufmanns, p. 15] Dat zou vanaf april 1758 het geval kunnen zijn geweest?[Rachel und Wallich, p. 300]) Het staat buiten kijf dat Frederik heeft geprobeerd in de veroverde gebieden, zijn achterland, of in Oost-en Midden Europa het nieuwe courantgeld, de Friedrichd’or en de Reichtaler, met een verlaagd zilvergehalte in te voeren.[“Oordeelkundige verdeediging”, rapport van een [Duitser], waarin hij de in een “Grondige beproeving” tegen de voorstellen van Johan Philip Grauman geuite bezwaren weerlegt; met als aanhangsel een verhandeling over de oorzaken van de koerswisselingen van goud en zilver; afschriften [1752] 1 katern] “Alleen als de legers in vijandelijke landen stonden mochten de entrepreneurs voor het muntverbruik aldaar het slechtere geld slaan.”[De Jong-Keesing, p. 46]

Er glaubte aber, daß es vorteilhafter sei, wenn er an die Stelle der vielen kleinen Lieferanten, die für die Judenschaften Preußens das Silber aufzubringen hatten, einige wenige reiche, angesehene und im Münzwesen erfahrenen Juden setzte, die den Edelmetallmarkt beherrschten und durch ihren Namen und ihre ausländischen Geschäftsbeziehungen für eine pünktliche Lieferung bürgten. Die übrigen Versprechungen aber, durch das neue Geld den holländischen Dukaten zu verdrängen, den preußischen Friedrichd’or zum Weltgeld zu machen, jährlich für 20 Millionen Taler Geld auszuprägen und dem König davon einen Schlagschatz von einer Million zu bezahlen, habe der Generalmünzdirektor [Graumann] nicht erfüllen können, weil Preußen weder wirtschaftlich noch finanziell imstande gewesen sei, mit den alten Geldländern zu konkurrieren und sich das für eine so große Ausmünzung nötige Edelmetall zu verschaffen.[S. Stern, p. 232-233]

Het Pruisische Kriegsgeld was van betere kwaliteit, het was in trek vanwege zijn hogere waarde. Ook omringende vorstendommen (inclusief Zweden) gingen over tot het slaan van Kriegsgeld om de uitvoer van het hoogwaardig geld te beperken. Vanaf december 1758 zou slecht geld (of zilver?) vanuit Holland naar Hamburg zijn getransporteerd en vandaar uit verspreid.[Schrötter, p. 279-281] Graumann waarschuwde voor de gevolgen.[De Jong-Keesing, p. 47] In 1758 werd een fictieve brief gepubliceerd “Der gerechtfertigte Ephraim. Oder, Historische und beurtheilende Nachrichten über den vergangenen, gegenwärtigen und künftigen Zustand des Sächsischen Finanz-Wesens : Nebst einer Vergleichung der Preußischen und Sächsischen Oeconomie … durch den Juden Ephraim zu Berlin an seinen Vetter Manasses in Amsterdam” door Jean-Henri Maubert de Gouvest. Daarin richtte hij zich tot een portugese jood, genaamd Andreas de Pinto, met een exposé over het tekort aan geld in Saksen, Pruisen, Frankrijk en de problematische financiele situatie in Engeland, dat steeds leende, alhoewel het grote schulden had.38 In februari 1959 stuurde Ephraim zijn zoon (Benjamin?) naar Hamburg om voor 9 miljoen daalder goud in te kopen.[De Jong-Keesing, p. 47] In augustus 1759 werd Dresden heroverd door de Oostenrijkers, en het plaatselijke munthuis, onder leiding van Ephraim, hield op te bestaan. In september volgde een arrestatiebevel tegen Ephraim in Hamburg, maar die wist dat te vermijden door zich te beroepen op Deense staatsburgerschap.[Schrötter, p. 151] De produktie in Leipzig van nieuw muntmateriaal werd verhoogd. (Frederik viel Polen binnen.) De Friedrich d’or en de August d’or, met op de voorkant hun beeltenis, moesten als betalingsmiddel worden aangenomen,[S. Stern, p. 309] en mochten niet omgesmolten worden. De Engelsen hebben in 1759-1761 steeds meer kapitaal (of zilver) in Amsterdam geleend.[De Jong-Keesing, p. 42-44] [Roberds & Quinn, p. ?] Vanwege de desastreuze financiele situatie in dat jaar heeft Frederik de door de munthuizen te betalen sleischat verhoogd. Op 2 januari 1760 verzochten Itzig en Ephraim & Zonen om een verbod op doorvoer van slecht muntgeld en de uitvoer van goede munten. Frederik liet weten dat buitenlands geld in Pruisen werd toegestaan, maar niet geaccepteerd zou worden door zijn koninklijke kas. Enkele weken later maakte hij bekend dat al het geld dat het land binnenkwam gecontroleerd moest worden en dat valsemunters zouden worden berecht. Moses Isaac zag af van samenwerking met Ephraim en zijn zwager Itzig,[S. Stern, p. 317-318] en vestigde zich in Bernburg. In maart was het voor de bevolking op het platteland nauwelijks mogelijk om de belasting, etc. in Pruisische munten te betalen; deze werd betaald met voornamelijk Saksische munten. Frederik liet verordonneren dat de Münzjuden goede munten mochten inzamelen, maar zich niet langer mochten bezig houden met omwisselen van muntmateriaal.[S. Stern, p. 319-321] In Quedlinburg ontstonden problemen toen kooplieden uit Maagdeburg daar een munthuis pachtten? Itzig en Ephraim verzochten de koning inkopers van muntmateriaal uit te sluiten van de nieuwe regels. (“Schwere Silbermünzen wurden durch Wiegen aussortiert und von der Waage (Wippe) gekippt, um sie einzuschmelzen und das Edelmetall mit Kupfer zu strecken.”[“Schlagt tot das lose Pack”]) In mei verzochten Ephraim en Itzig om een verbod op invoer en doorvoer van niet-Pruisische of niet-Saksische munten. Ze kregen echter een verbod op omsmelten opgelegd. Vanaf mei zijn handelaren aan de grens gekontroleerd op het bezit van muntmateriaal; verdacht geld werd opgeslagen, is verzegeld of teruggezonden. In juni hoopten Itzig en Ephraim dat het gebruik van Saksische munten bij de geallieerde legers in gebruik zou blijven. Een maand later verzochten de muntmeesters om extra maatregelen, zoals meer paarden bij de posthuizen, zodat het geldtransport sneller zou verlopen. Eind augustus volgde een verbod op de uitvoer van 8-Groschen munten.[S. Stern, p. 327, 329, 330] 

Acht Gute Groschen (ein Drittel) wurden zur klassischen Münzsorte des Siebenjährigen Krieges (1756–1763). Von 1756 bis 1763 wurden die Münzen schrittweise geringerwertig ausgebracht. Nach Beendigung des Krieges wurden die Kriegsprägungen in den Jahren bis 1770 wieder eingezogen.[Arthur Suhle: Die Münze. Von den Anfängen bis zur europäischen Neuzeit, Leipzig 1969, p. 180.] Afbeelding afkomstig van Von Classical Numismatic Group, Inc. 
In juli 1760 werd bijna dagelijks zilver en goed geld met een hoog zilverpercentage naar Hamburg getransporteerd, omgezet in (Zweeds?) Kriegsgeld, en van daaruit verspreid. De Neufville stuurde zilver naar Altona.[De Jong-Keesing, p. 116] (Ook de betalingen van Frankrijk aan Zweden en Denemarken en van Oostenrijk aan Rusland verliepen over Amsterdam en Hamburg.) Frederik dwong ettelijke concurerende munthuizen (in Saksen-Anhalt, Mecklenburg en Schwerin) hun deuren te sluiten, waarop zij hun produktie verlegden. De Habsburgse keizer stelde een maand later een verbod in op de zilverhandel, waardoor de prijs van zilver steeg.[Rachel & Wallich, p. 304] (Het had bovendien tot gevolg dat ook het Kriegsgeld ongerechtvaardigd in waarde vermeerderde.) De stad Hamburg, neutraal tijdens de Zevenjarige Oorlog, kreeg een verbod opgelegd hoogwaardig geld uit te voeren, alleen met toestemming; de doorvoer van laagwaardig geld bleef buiten schot. 
 

Voor het einde van het jaar waren in Saksen Zweedse munten in omloop, de Poolse koning waarschuwde zijn landgenoten. Vanaf oktober 1760 werd het slaan van munten in Berlijn tijdelijk onderbroken, vanwege de Russische bezetting op 8 oktober. Gotzkowsky vermeldt dat de Münzjuden hem begin oktober 1760 vrachten geld toestuurden, die hij liet opslaan in zijn kelder.[Gotzkowsky, p. 21] De Russen eisten 4 miljoen Reichsthaler contributie, te betalen in oude, hoogwaardige munten.[Gotzkowsky, p. 25] Generaal Von Totleben, in russische dienst, dreigde Pruisische fabrieken en magazijnen te verwoesten en Itzig en Ephraim in gijzeling te nemen.[Gotzkowsky, p. 36] Ephraim en zijn zoon Benjamin zijn afgereisd naar Maagdenburg om dat te vermijden. Op 11 oktober wist Gotzkowsky het bedrag naar 1,7 miljoen terug te brengen en beloofde de Russen te zullen betalen met een wisselbrief ter waarde van een miljoen Thaler, lopend tot februari 1761.[Gotzkowsky, p. 41, 46] [Schepkowski, p. 261] Op 12 oktober trokken de Russen zich terug. Begin november vond de slag bij Torgau plaats, waardoor de kansen voor Frederik keerden, alhoewel eind november bij Strehlen een aanslag op hem werd verijdeld. Eind oktober begon de produktie van geld om de Russen en de Oostenrijkers af te betalen.{Gotzkowsky, p. 29-30] Frederik bezette Meissen, waar de produktie van Saksisch porselein plaats vond en gaf Gotzkowsky het bevel in Pruisen een porseleinfabriek op te starten.[Gotzkowsky, p. 65] Gotzkowsky keerde terug naar Berlijn, maar wist nog steeds niet hoe hij de Russen zou kunnen betalen. Hij gaf de firma Stenglin de opdracht 150.000 Thaler paraat te houden.[Gotzkowsky, p. 71] Gotzkowsky zou 100.000 Thaler naar Hamburg opsturen. (De Russen kregen slechts 57.437 Thaler in de allerslechtste Saksische munten toegestuurd.[Schepkowski, p. 264]) Frederik verordoneerde dat de stad Leipzig 1,1 miljoen Thaler contributie zou moeten opbrengen en liet de raad gevangen zetten.[Gotzkowsky, p. 76] Gotzkowsky sloot met hen een wisselcontract, terug te betalen in Hollandse dukaten. Ook De Neufville schijnt toen ingeschakeld te zijn. (Het is onduidelijk of het om gouden dukaten ging ter waarde van vijf gulden, of zilveren dukaten ter waarde van een rijksdaalder). (In het voorjaar van 1761 weigerde de Dordtse muntmeester ducaten of staven te leveren, alleen tegen opgeld.) Leipzig bleek niet in staat dat bedrag op te brengen. Gotzkowsky probeerde de Russen tevreden te houden met het sturen van kostbare geschenken, zoals tabaksdozen. (Gotzkowsky reisde in die winter drie keer naar de Russische legerstaf in Pommeren.) In de zomer 1761 wist hij (vrijwel zeker bij Schimmelmann, maar Gotzkowsky noemt zijn naam niet) 400.000 Thaler los te peuteren in Hamburg, die zouden worden betaald in Plöner of Zerbster munten.[Gotzkowsky, p. 111] Daarmee zou Leipzig de contributie aan Frederik kunnen betalen.

 In 1761 dreigde de toelevering van zilver door Engeland op te drogen; de banken in Hamburg raakten afhankelijk van Amsterdam. Officieel kon het zilver niet worden verstrekt door de Wisselbank, die was verboden daarmee handel te drijfen.[Stadsarchief Amsterdam 1124: Archief van de Familie Schöne] Zij was verplicht een derde te laten vermunten. Het aantal makelaars en kassiers, dat voor zichzelf begon, nam toe.[J.G. van Dillen, p. 600]  De Hamburgse koopman Schimmelmann was begin 1761 een eigen zilversmelterij begonnen nabij Bad Oldesloe(Münze zu Rethwisch) om Itzig en Ephraim concurrentie aan te doen. HIj schakelde een aantal handlangers in, zodat iedere week vier karren met munten konden worden afgeleverd.39 Nadat zijn smelterij werd stilgelegd (door toedoen van Ephraim) zou hij in juni 1763 (?) het roemruchte Wandsbek, waar hij zijn buiten had, zijn begonnen.[K. Schneider (1985) Untersuchungen zur Edelmetallverhüttung und Probierkunst in Hamburg, p. 17-18 In: Zeitschrift des Vereins für Hamburgische Geschichte (ZVHG) 71] Justi is als deskundige ingeschakeld en het lukte hem met behulp van steenkool als brandstof drie keer zoveel zilver uit de oude munten te verkrijgen en met minder verlies aan lood en koper.[Die Kunst das Silber zu affiniren oder das mit andern Metallen vermischte Silber wider fein zu machen. Ausgearbeitet von Johann Heinrich Gottlob Justi (1765)] (In het Deens bestaat een uitdrukking waarin Wandsbek de plaats is waar uitzonderlijke regels golden.)
 
Das Gut Rethwischhof in Rethwischfeld (1972 von Bad Oldesloe eingemeindet) weist Bausubstanz des Vorwerks des Rethwischer Schlosses auf

In oktober kwamen vanuit Rethwisch nieuwe munten van laagwaardig allooi in omloop.40 [Gotzkowsky, p. 113,114] Ephraim en Itzig protesteerden tegen de invoer van dat geld.[Schepkowski, p. 267] Toen Leipzig die munten ook niet accepteerde, moest Gotzkowsky alles terugzenden. Het is waarschijnlijk dat die munten in beslag zijn genomen en omgesmolten. In Maagdeburg – de lokatie van de legermagazijnen – dat als het “financiele centrum” fungeerde, blijken laagwaardige buitenlandse munten te zijn omgesmolten.[S. Stern, p. 344] (Archiefmateriaal voor 1787 is ooit vernietigd.)

 Eind 1760 was een nieuw procedé uitgevonden koper te zuiveren van het gesteente.[S. Stern, p. 55] Het is onduidelijk waarop zij doelde, mogelijk op het gebruik van steenkool door Justi? Het percentage aan koper in nieuw geslagen munten is door Itzig en Ephraim heimelijk verhoogd. De nieuwe (nog slechtere) munten waren evenwel gemakkelijk herkenbaar o.a. aan hun kleur en dikte. Er ontstond zowel in binnen- als buitenland wantrouwen en tegenstand tegen allerhande munten. o.a. de twee miljoen nieuwe August d’or, die nog maar een derde van waarde hadden als voorheen. In september 1761 ontstonden problemen omtrent wissels getrokken op joden.[S. Stern, p. 349] Op 7 of 18 november 1761 verbood Frederik het gebruik van Kriegsgeld dat Schimmelmann had laten slaan in Rethwisch.41 Gotzkowsky probeerde vervolgens een deel van die laagwaardige munten bij de geallieerden in Minden af te zetten.[Gotzkowsky, p. 113] Hij werd aangehouden in Bielefeld met het geld uit Rethwisch, ter waarde van 50.000 Thaler, bestemd voor het geallieerde leger.[Schrötter, p. 95] [Rachel & Wallich, p. 447] Het gebruik van laagwaardig geld uit Rethwisch, dat van Hamburg via Leipzig naar Minden was vervoerd, moest worden tegengehouden. Frederik liet weten dat het niet als wettelijk betalingsmiddel zou worden geaccepteerd.[Schrötter, p. 63, 65] Op 23 november lieten Itzig en Ephraim vanuit Maagdeburg weten, dat ze geinteresseerd waren in de inbeslaggenomen munten uit Rethwisch. Ze zouden naar Berlijn moeten worden opgestuurd.[Gotzkowsky, p. 115] Op 2 december protesteerde de pruisische minister Von Gotter tegen de gang van zaken. Hij beschuldigde Gotzkowsky/c.q. de Münzjuden (?) van landverraad, omdat de muntoperatie zou worden verstoord en ondergraven.[Gotzkowsky, p. 120] Gotzkowsky voelde zich bedrogen (door Schimmelmann?); de zaak moest volgens hem beter onderzocht worden.[Gotzkowsky, p. 121] Frederik antwoordde vanuit Breslau dat de zucht naar winst niet verder aangewakkerd moest worden; ook de doorvoor van Mecklenburger en Stralsunder (Zweeds?) geld werd verboden.[Gotzkowsky, p. 123] Leipzig werd in januari 1762 gedwongen nog eens drie miljoen aan contributie op te brengen. Volgens Gotzkowsky waren ze zelfs niet in staat om 100 Thaler bijelkaar te brengen; het bedrag is bijgesteld naar 1,1 miljoen. Opnieuw schreef Gotzkowsky een wissel uit op de stad Leipzig, terug te betalen voor 1771 in gouden hoogwaardige munten. Hij zou daarbij 30 tot 50% winst kunnen maken. 
 

Na het overlijden van George II, de oom van Frederik, in october en de publicatie van het pamflet Considerations on the Present German War door Israel Mauduit in november ontstond protest in Engeland over de steun aan Pruisen. De Britse regering besloot in mei 1761 Frederik niet langer subsidie te verlenen.[A history of the Right Honorable William Pitt, Earl of Chatham: containing … by Francis Thackeray] [George III: King and politicians 1760-1770 by Peter D. G. Thomas] De indruk wordt gewekt dat Frederik zijn experiment in januari 1762 als mislukt beschouwde; de goede munten werden steeds vaker uitgevoerd. De oude muntvoet van 1750 zou moeten worden hersteld.[S. Stern, p. 350]

In maart 1762 schreef Mendelsohn aan zijn verloofde: "Unsere Münze wird noch besser als Banko, die ganze Welt wird Sicherheit in Berlin suchen, und unsere Börse wird berühmt sein vom Schloßplatz bis an unser Haus."[DIE HERAUSBILDUNG EINES PREUSSISCHEN JUDENTUMS 1671— 1815 von StefiJersch-Wenzel]

By 1762, [Swedish] money was worth so little that even small amounts were exported – the price of copper on the Hamburg metal market exceeded the coins’ nominal value in Sweden. Ephraim maakte plannen zich in Berlijn te vestigen. Hij stuurde zijn zoon Benjamin naar Weesp of Amsterdam om zijn oom Marcus Ephraim te assisteren. Benjamin legde kontakten met de bankiers Harman of Jan van de Poll (1721-1801) en Theodorus en Raymond de Smeth.42 43 De gebroeders De Smeth stonden voor 318.750 gulden bij De Neufville in het krijt.[De Jong-Keesing, p. 110] In mei verzochten Ephraim en Itzig dringend om toestemming om muntmateriaal te smelten. Er vond een proces plaats tegen joodse kooplieden over de uitbetaling van wissels in baar geld.[S. Stern, p. 370-371] In juni 1762 bedreigde Denemarken de stad Hamburg met een klein leger, alle toevoerwegen werden afgezet.[J.G. van Dillen, p. 603] Hamburg had geweigerd Denemarken een miljoen Thaler te lenen.[Die hamburgische Neutralität im Siebenjährigen Krieg, p,.107-109] Ephraim wist het “Deense” munthuis in Rethwisch in handen te krijgen.[K. Schneider, p. 69] In de zomer is vrede met Zweden en Rusland gesloten; de Tsar was bereid tot samenwerking en gaf Oost-Pruisen terug. Ephraim wilde afreizen naar Königsberg. De muntmeesters vroegen toestemming om in Voor- en Achterpommeren hoogwaardig geld in te kopen.[S. Stern, p. 377-378] Frederik gaf de munthuizen opdracht met grote spoed Russische en Danziger munten te slaan voor de aankoop van graan; de Russen zouden zich later nog wreken op het misbruik van Russisch stempels.[Schrötter, 61-62]

Op 25 augustus 1762 besloot Frederik dat het Saksische Kriegsgeld enkel in genade aangenomen kon worden. (De overige laagwaardige munten moesten zo spoedig mogelijk buiten de grenzen worden gezonden.[De Jong-Keesing, p. 50]. De Neufville was mogelijk al voor juni 1762 op de hoogte van dat besluit.) In september reisde Gotzkowsky naar Hamburg om zijn crediteuren te ontmoeten. Karl Adrian Sprögel (in Hamburg of Berlijn) dreigde als een van de eersten failliet te gaan vanwege riskante investeringen, maar is overeind gehouden. Gotzkowsky stond persoonlijk garant, zodat de onderhandelingen met de Hamburgse kooplieden konden doorgaan om geld voor het noodlijdende Berlijn te lenen.[Gotzkowsky, p. 130-132] [Rachel & Wallich, p. 448] In oktober reisde de hoogleraar Economie Johann Beckmann naar Amsterdam en Leiden; zijn postkoets werd gevolgd door drie wagens met 27 vaten, deels slechte Mecklenburgse munten, afkomstig uit Hamburg en Bremen, die in de Republiek geaffineerd zouden moeten worden.[Kernkamp, GW: Johan Beckmann”s dagboek van zijne reis door Nederland in 1762. Bijdr: in Meded. van het Hist. Genootsch. Utrecht 33 (1912), p. 320.] Leipzig kreeg nog eens een contributie van 350.000 (Hollandse) dukaten opgelegd. Het bedrag is ook dit keer naar beneden bijgesteld. Het goud/geld (en graan) is de bevolking met militair geweld afgedwongen.[Gotzkowsky, p. 135, 140-142] 
 
Eind 1762 is bij de vredesbesprekingen voorgesteld het slaan van vreemde muntsoorten te verbieden, maar het ging nog even door. Op 17 december tekenden de Münzjuden een nieuw contract met Frederik. Vanaf 1 maart 1763 werden in Pruisen nieuwe munten geslagen. Op 1 juni zou de omwisseling voltooid zou moeten zijn en was enkel Pruisisch geld nog toegestaan. Ephraim vroeg toestemming om het omgesmolten zilver, afkomstig uit het laagwaardige geld, aan de Pruisische munthuizen toe te wijzen.[S. Stern, p. 380]
 
Wie nog Kriegsgeld beschikte, dat niet mocht worden gebruikt voor het betalen van wissels, leed verlies, oplopend tot 140%.[Schrötter, p. 161] (De Reichsthaler bezat nog maar een kwart van de waarde als voorheen.) Handelaren stortten zich op wisselbrieven, met de bedoeling zoveel mogelijk Kriegsgeld kwijt te raken, zonder dat daarvoor waren werden geleverd.[K. Schneider, p. 81-82]

Kredietverlening

De Duitse historicus Wilhelm Treue (1909-1992) stelt dat de kredietverlening veranderde na de aardbeving in Lissabon (1755);44 45 [Rachel & Wallich, p. 444] de schade daar was enorm.46 De nadruk kwam op wisselbrieven te liggen, een opdracht tot betaling aan de houder. 

De Neufville bood mogelijk betere voorwaarden aan om de concurrentie van Pels en Clifford en Itzig en Ephraim, uit te schakelen. Volgens Frederik II zouden christelijke kooplieden voordeliger zijn dan de Münzjuden.[Schrötter, p. 64] Hij hield zich ook bezig met rederij, assurantiezaken en handel in schilderijen. In 1758 bleek De Neufville bovendien een maandelijkse afnemer van buskruit geworden te zijn. In april stonden 4.000 vaten van 100 pond voor hem klaar; in juni ging het om 5.000 vaten; in juli om 2.100 vaten.47 Op 30 december zegde hij toe binnen zes maanden 112.330 gulden te betalen; onderpand 4.110 vaten buskruit. Het is wel duidelijk van wie hij kocht, maar niet aan wie hij het buskruit leverde. Misschien August Ferdinand en was Philipp Anton Erberfeld, de Pruisische resident daarbij betrokken? De Pruisische schatkist was in 1758 evenwel uitgeput, de schaduwmunt werd in dat jaar twee keer gedevalueerd. Engeland zegde in april toe Pruisen jaarlijks een subsidie van £670.000 te verlenen. De Britse vloot zou Emden beschermen en de kust van Frankrijk aanvallen,[M. Peters (1998) The Elder Pitt, p. 92] 48 en Ferdinand, de hertog van Brunswijk te steunen tegen Frankrijk. De aanvoer van zilver uit Portugal stokte en er waren geen Spaanse schepen met zilver gekaapt.[J. Black (2004) Parliament and Foreign Policy in the Eighteenth Century, p. 96-97] Het vier jaar lang door de Engelse verstrekte goud en zilver is voornamelijk gebruikt om Kriegsgeld te slaan.49 [Schrötter, p. 55] [I. Mittenzwei, p. 118, 112]

Vanaf 1759 leken de zaken voor De Neufville bijzonder goed te gaan. Zijn omzet bij de wisselbank was inmiddels met het tienvoudige gestegen en ging tussen 1759 en 1762 ging met sprongen omhoog.[Van Dillen, p. 602] Na het overlijden van zijn moeder in 1760 erfden hij en zijn broers drie huizen, die volgens Keesing onmiddellijk werden verkocht,50 maar dat wordt hier niet bevestigd.51 In 1760 was hij betrokken bij leningen aan Saksen.52 Het zou heel goed kunnen dat De Neufville (en Gotzowsky, Schimmelmann en Von Stenglin) inmiddels dezelfde praktijken erop na hielden en Saksen hielpen aan zilver bij het betalen van de contributie aan Frederik. 

Als der preußische König Friedrich II. im November 1760 von der Stadt 1,1 Millionen Taler Kontribution forderte, weigerte sich der Rat der Stadt, woraufhin Friedrich die prominentesten Ratsherren und reichsten Kaufleute ins Gefängnis werfen ließ. Der Berliner Kaufmann Johann Ernst Gotzkowsky mischte sich ein und erreichte eine Herabsetzung der Kontribution auf 800.000 Taler, die er dem eingeschüchterten Stadtrat vorschoß. Die Summe zahlte er in umgeschmolzenen Münzen mit verschlechtertem Edelmetallgehalt (die schon im Winter 1756/57 eine Inflation in Preußen und Sachsen ausgelöst hatten), ließ sich die Schuldverschreibung jedoch in alter, hochwertiger Münze geben und erzielte auf diese Weise bis zu 40 Prozent Gewinn.[Ingrid Mittenzwei (1980) Friedrich II. von Preußen, S.108, 123. Deutscher Verlag der Wissenschaften, Berlin.]


De Neufville betrokken was bij de uitgifte van obligaties door Gotzkowsky zodat Saksen in staat was haar contributies te betalen.53 54 Op 14 juli 1761 werd via een advertentie in de Amsterdamse courant gewaarschuwd zijn wisselbrieven op Suriname niet te betalen of te accepteren.55 In 1760 organiseerde hij een transport van slaven naar de Franse kolonien; in 1761 was hij betrokken bij het transport van soldaten naar Suriname.[De Jong-Keesing, p. 116] Hij plaatste zelf een advertentie toen hij zijn zakboekje verloren had?56

Op 6 februari 1762 schreef De Neufville Frederik de Grote in Breslau een briefje met de mededeling dat de Fransen hem hadden benaderd om vredesvoorstellen aan Frederik te doen. De Neufville hoopte op een aanstelling als onderhandelaar.57 Op 19 mei kocht hij Westermeer onder Heemstede en vestigde een zilverraffinaderij tegenover zijn buiten.58  (Op een nog onbekende dag voor 1762) vroeg hij aan het Amsterdamse stadsbestuur toestemming “als liefhebber van de draeybank” een stempel te mogen gebruiken.59) De Neufville heeft vermoedelijk via het handelshuis Gotzkowsky & Strekfuss in Leipzig muntmateriaal (met koper geallieerd zilver) voor de Pruisische en Saksische munt geleverd. Ook Van Dillen ging er vanuit dat De Neufville zilver leverde.60 Redlich, in navolging van Justi, dacht dat De Neufville al vanaf 1759 betrokken was bij het omsmelten van munten,[Die Kunst das Silber zu affiniren oder das mit andern Metallen vermischte Silber wider fein zu machen. Ausgearbeitet von Johann Heinrich Gottlob Justi (1765)] maar zijn veronderstelling is mogelijk onjuist. De smelterij in Heemstede is pas in 1762 door hem aangekocht, toen het Kriegsgeld werd aangeboden om omgesmolten te worden. (Er was maar één zilversmelterij binnen de stad aan de Lijnbaansgracht bij het Spiegelpleintje en één buiten de Utrechtse poort aan de Amstel.) Volgens de Schlesische Zeitung van 3 oktober 1763 zou hij in januari 1762 al 300 karren met Kriegsgeld hebben ontvangen om om te smelten. Dat geld zou via Bremen en Hamburg kunnen zijn aangevoerd. Het is waarschijnlijk dat de postwagens van de firma Heshuysen uit Naarden, die twee keer per week naar Osnabrück reden daarbij betrokken waren.[Kernkamp, GW: Johan Beckmann”s dagboek van zijne reis door Nederland in 1762. Bijdr: in Meded. van het Hist. Genootsch. Utrecht 33 (1912), p. 320.] Heshuysen bleek een van de crediteuren van De Neufville.[De Jong-Keesing, p. 107] Het is nog onduidelijk waarom Neufville daarmee al zo vroeg in het jaar 1762 mee begonnen is, of zou de journalist het jaar 1763 hebben bedoeld? De Neufville heeft waarschijnlijk nooit muntmateriaal geproduceerd; hij liet Kriegsgeld omsmelten in de verwachting het zilver tegen een betere prijs te kunnen verkopen. Het affineren bleek tegen te vallen; het was een lastig en duur procedé. Volgens J.H. Müntz, een 18e eeuwse schilder, graveur, architect en metallurg, die in Weesp in de zilversmelterij en de porseleinfabriek van de graaf van Gronsveld werkte, werden bij De Neufville’s smelterij meermalen foutieve procédés toegepast.61

De volgende opmerkingen zijn uit: Selma Stern (1962) Der Preussische Staat Und Die Juden (3 Volumes): Dritter Teil / Die Zeit Friedrichs Des Grossen. Erste Abteilung: Darstellung. Kapitel Neun: Die Preussische Münzpolitik. Ze vond verbazingwekkende details, vooral in betrekking tot Ephraim:

Man bevorzugte bald dies, bald jene Münze, führte die eine im Lande ein und die andere aus dem Lande hinaus, schmolz die schwerere in die leichtere um, zahlte Aufgeld für das bessere und machte Wechselgeschäfte mit dem geringhaltiegeren Geld.[S. Stern, p. 228]

Da man in in die erste Hälfte des 18. Jahrhunderts das Geld nicht als Geld, sondern nur als Ware betrachtete und allein das Silber Geld- und Tauschwert besaß, war man beinahe genötigt, dieses schwer zu gewinnende Metall bei der Münzprägung durch Beimischung von Kupfer zu vermehren und mit diesem verschlechterten Geld das Silber entsprechend teurer zu bezahlen. Versuchte einmal ein Herrscher, gutes Geld zu münzen, so konnte er gewiß sein, daß es alsbald ins Ausland geführt oder in geringwertige Scheidemünze verwandelt wurde. Es war ein verhängnisvoller circulus vitiosus. Münzte man schlechtes Geld, so stieg der Silberpreis. Prägte man gutes Geld, so verschwand es nach wenigen Wochen von der Bildfläche. Versorgte man das Land mit ausländischem Geld, so verlor man den Schlagschatz und die übrigen Münzverdienste, ohne sicher zu sein, daß die ausländischen Münzen nicht gleichfalls mit minderwertigen Metallen vermischt wurden.[S. Stern, p. 230]

Trotz dieser Schwierigkeiten war Friedrich entschlossen, den Gordischen Knoten zu lösen, Berlin zum Wechselplatz der Welt zu machen und sich selbst durch eine vollendete Münztechnik und entsprechende Münzreformen einen möglichst hohen Schlagsatz zu sichern.
Zu diesem Zwech bestellte er den Münzmeister Graumann, einen projekten- und phantasiereich, stürmischen und genialen Man, einen der bekanntesten Geldtheoretiker seiner Zeit.[S. Stern, p. 231]

Volgens Schrötter was het Graumann, die alles had bedacht.[Das preussische Münzwesen im 18. Jahrhundert Münzgeschichtlicher Teil (1908), p. 75] In 1750 was hij aangesteld, en eind 1755 of later "kalt gestellt".[Vom Anfang des Jahrs 1751 und folgenden Zeiten] Toen had Friedrich de zilverleveranties overgenomen. De Münzjuden waren bereid meer sleischat (dan Graumann) te betalen en pachten in 1756 alle Pruisische munthuizen.

Den Pächtern selbst wurde die Bezahlung der Münzkosten übertragen, sie wurden verpflichtet, für jede ausgemünzte Million einen Schlagschatz von 40.000 Talern an den König und für jede in polnischem Geld ausgemünzte Million einen solchen von 200.000 Talern zu zahlen, während ihnen "die Spanne zwischen dem Preis der erworbenen Edelmetalls und den ausgeprägten Münzen verblieb".

Nach Graumanns Sturz wurde Anfang 1755 Moses Fränkel - sein Bruder Abraham war inzwischen gestorben- und seinem Schwager Ephraim die Pacht der Königsberger und Breslauer Münzstätten zu übertragen. Ihr Erfolg in Königsberg war so groß, daß man ihnen unter ähnlichen Bedingungen auch die Pacht der Münzstätten von Aurich und Kleve überließ, trotzdem ihre Konkurrenten bei der Silberlieferung, Moses Hertz Gumperts, Daniel Itzig und Moses Isaak, sich leidenschaflich bemühten, die Pacht für sich selbst zu gewinnen und die siegreiche Partei durch häßliche Intriguen um die Gunst des Königs und der Münzbeamten zu bringen.[S. Stern, p. 233-234]

Die dem König und Retzow unmittelbar unterstellten Unternehmer wurden verpflichtet, unter Einbehaltung des Graumann'schen Münzfußes Friedrich einen Schlagschatz von 5% zu zahlen, für die Gehälter der Beamten, die Münz- und Materialkosten und die Silberbeschaffung aufzukommen, während ihnen selbst Zoll- und Akzisefreiheit für das durchpassierende Material, Freipässe und Räume für die Ausprägung gewährt wurden.[S. Stern, p. 237] 

Um den vom König gewünschtgen außerordentlich hohen Schlagschatz von 340.000 Talern im Jahre bezahlen zu können, waren die Unternehemer genötigt, bei dem großem Risiko, das sie eingingen, eine sehr hohe Anzahl von Scheidemünzen auszuprägen und zwar nach einem schlechterne als dem bisher üblichen Münzfuß von 14 Talern auf die feine Mark.[S. Stern, p. 238-239] 

Nach dem Vertrag vom 21. November 1756 wurde den Unternehmern gestattet, gegen einen Schlagschatz von 200.000 Talern für eine Million Taler polnisches und sächsisches Geld zu prägen, die sogenannten Tympfe (polnische 6-Groschen-Stücke), und zwar zu einem erheblich leichteren Münzfuß als bis jetzt üblich gewesen war, so daß aus der Mark Silber statt 14 18 Taler, 14 Groschen, 3 1/2 Pfennige und später 19 Taler, 11 Groschen, 1 2/3 Pfennige geschlagen wurden. Da der König sich noch vor dem "schlechten und infamen Gelde" scheute, wurde auf den Rat des Generalintendanten Retzow, der seit dem Mai 1756 allen Münzstätten vorstand, beschlossen, daß das neue Geld in Preußen selbst nicht kursieren dürfte.[S. Stern, p. 239] 

Es war ein kluger Schachzug von Ephraim, daß er nach dem Tode des Gumperts sich mit Moses Isaak und Daniel Itzig aussöhnte und sich mit ihnen zu einer neuen Sozietät zusammentat, der anerkannter Führer er wurde. (König heeft een iets andere visie, zie zijn Annalen der Juden in den preußischen Staaten besonders in der Mark Brandenburg von Anton Balthasar König, p. 290) Dieser Sozietät wurden nun alle 6 preußischen und die beiden sächsischen Münzstätten verpachtet. 
Gleichzeitig wurde ihnen erlaubt, nicht nur in Sachsen, sondern auch in Preußen den 19 3/4 Talerfuß für alle preußischen, sächsischen und polnischen Sorten einzuführen, das heißt, auf die feine Mark Silber 5, 3/4 Taler mehr als bisher auszuprägen und den Gehalt der Goldmünze, des Friedrichsdor's, um 41% zu verringern, eine Verminderung, die nur durch eine entsprechende Vermischung mit Kupfer erreicht werden konnte.
Über die Ergebnisse der Münzpolitik des Jahres 1759 sind wir schlecht unterrichtet, da fast alle Akten, die sich auf sie beziehen, vernichtet worden sind, und zudem die Korrespondenz größtenteils in chiffrierter Schrift geführt worden ist. Wir hören nur, daß der Schlagschatz dieses Jahres die große Summe von 5.650.000 Taler betragen haben soll.[S. Stern, p. 241] [F. Schrötter, p. 48]

Wie ist es den Münzpächtern geglückt, für diese riesige Münzproduktion sich das Rohmaterial zu verschaffen? In der Hauptsache nützten sie ihre umfangreichen geschäftlichen und verwandtschaftlichen Auslandsbeziehungen aus, um in Holland, besonders auf dem Amsterdamer Markt, in England und in Hamburg mittelst Hamburger und holländischer Wechsel das nötige Gold und Silber zu erwerben. Sichere Einkaufsgebiete waren auch die Oststaaten Polen, Rußland und Ungarn, wo die sogenannten Aufkäufer der Unternehmer die dort kursierende besseren Münzen einhandelten und sie ihren Auftraggebern zuführten. Bis zum Jahre 1761 sollen de Münzpächter auf diese Weise, wie sie selbst erklärten, 50 Millionen an Gold aus den Oststaaten gezogen und es der königlichen Münze nutzbar gemacht haben. Eine andere Art der Geldbeschaffung bestand darin, die von England erhaltenen Goldsubsidien umzuschmelzen und sie durch Vermischung mit anderen Metallen zu verdoppeln und zu verdreifachen.
[S. Stern, p. 243]

Man klagte über die Unmöglichkeit, Zahlungen an das Ausland zu leisten, und über das Hamstern des guten Geldes durch die Reichen, über die Kündigung der Hypotheken, die man mit schlechtem Gelde zurückzahlte, über den Ankauf von städtischen und ländlichen Besitzungen und über das hohe
Aufgeld, das man für das bessere Geld verlangte.
Denn es seien fast keine anderen Silbermünzen als sächsische, Bernburgische und Mecklenburgische 1/3 und 1/6 Stücke zu bekommen.[S. Stern, p. 244] 

Im Ausland weigere man sich, das preußische Geld überhaupt anzunehemen.[S. Stern, p. 245]

Ihre Not [Ephraim & Söhne] wurde so groß, ihr "auf so mühsame, gefährlich, dennoch ehrliche und Seiner Majestät nütliche Art erworbenes Vermögen" dünkte sie so "maßig", daß sie Friedrich 200.000 Taler anboten, wenn er sie von der "Münzentreprise" dispensiere.[S. Stern, p. 247]

Obwohl der größte Teil der Archivalien, die sich auf die Münzpolitik des Königsbezogen, vernichtet wurden, geht aus den noch erhaltenen Aktenstücken hervor, daß die Münzverschlechterung während des 7jährigen Krieges durch Friedrich selbst veranlaßt worden ist, den nur seine Minister Retzow und Schlabrendorff, der General Tauentzien, der Rendant der Generalkriegskasse Köppen und der Geheime Sekretär Eichel beraten haben. Friedrich hat sich nie gescheut, sich selbst als den Urheber der preußischen Inflation, die die nachlebenden Historiker als staatliche Falschmünzerei bezeichnet haben, zu bekennen, weil er sie als die einzige Möglichkeit ansah, das für die Kriegführung nötige Bargeld sich zu verschaffen und seine Untertanen vor allzu schwerer steuerlicher Belastung zu bewahren.[S. Stern, p. 249]

Einen weiteren Vorteil erreichten sie [Ephraim & Söhne] durch die Lieferung des Silbers, das sie infolge ihrer vielen ausländische Beziehungen billiger einkaufen konnten als in den Verträgen vorgesehen war.[S. Stern, p. 250]

Gotzkowsky selbst erwarb seine Millionen hauptsächlich durch die Ausnützung der schwankenden Valutaverhältnisse während des Krieges, indem er sächsischen Städten und Korporationen zur Bezahlung ihrer hohen Kriegskontributionen Kredite in minderwertigem Gelde gewährte, die er sich dann in guten Münzsorten zurückgeben ließ. Es heißt, er habe allein im Jahre 1761/62 500.000 Taler auf diese Weise eingeheimst und sei nach Beendigung des Krieges im Besitz der stattlichen Summe von 2 Millionen guten Geldes gewesen.[S. Stern, p. 251]

 Een dolle onderneming in Berlijn

Op 14 januari 1763 werd in Berlijn een voorstel gedaan alle leveranciers aan het leger te betalen met Kriegsgeld.[Schrötter, p. 158] Het is nog onduidelijk hoe dat af is gelopen. (Frederik had de kooplieden in het algemeen niet hoog; zij waren uit op eigen voordeel en niet op het welzijn van de staat.) In april 1763, kort na de intocht van Frederik II van Pruisen, die als grote winnaar van de oorlog werd gezien, verbleef De Neufville in Berlijn, op uitnodiging van Gotzkowsky om een kantoor te openen.[Gotzkowsky, p. 146] De Engelsen hadden veel veroveringen terug moeten geven aan Frankrijk. Frederik stemde in met de verkiezing van Joseph II als Habsburgse koning en een jaar later als keizer. Vermoedelijk had De Neufville een week nodig gehad om die afstand in zijn eigen koets te overbruggen. Op 12 april liet Jacob Mauricius, de resident in Hamburg, het Amsterdamse stadsbestuur weten dat het bezoek van De Neufville te maken had met het nieuw leven in blazen van de Pruisische Aziatische Compagnie. De Engelse, de Franse en de “Nederlandse” Oostindische Compagnie waren toentertijd in India slaags geraakt en Frederik wilde munt slaan uit deze handelsoorlog. Belangrijk is ook dat in Azië de prijs voor zilver veel hoger lag. Daar werd 22% meer voor zilver betaald dan in Europa.[Schrötter, Band II, p. 246] Mauricius meldde dat een plaatselijke bank had gesuggereerd “Hollandsche ingezetenen daarvoor gebruiken zal willen“.62 Hij had de namen van de betrokkenen, waaronder die van Heinrich Carl von Schimmelmann en Philip Hinrich Stenglin in geheimschrift genoteerd; op een afzonderlijk briefje stond de sleutel genoteerd.63 64 Schimmelmann was ook betrokken bij de “uitbetaling” van de Engelse subsidie aan Pruisen,65 en ontwikkelde zich tot een van de belangrijkste bankiers in Hamburg.[Rachel & Wallich, p. 434] In 1761 trad hij in dienst van de Deense koning als adviseur omdat Denemarken zich in financiele moeilijkheden bevond. Begin 1761 hield hij zich bezig met het slaan van minderwaardig geld in Rethwisch, onder protectie van het hertogdom Schleswig-Holstein, toen Deens. Hij liet zilver omsmelten toen het Kriegsgeld onbruikbaar werd verklaard.[K. Schneider (1985) Untersuchungen zur Edelmetallverhüttung und Probierkunst in Hamburg, p. 17-18 In: Zeitschrift des Vereins für Hamburgische Geschichte (ZVHG) 71] Het smelten van minderwaardig Kriegsgeld met behulp van lood om het koper van het zilver te scheiden was een lastig en duur proces, en onmogelijk zonder vaklieden in te huren. 

Stadsarchief Amsterdam

De Neufville had een ontmoeting met Gotzkowsky, een van de rijkste Berlijnse kooplieden. Gotzkowsky stelde De Neufville aan de – zeker als het om financien ging – zich met alles bemoeiende koning voor. Er is in enkele dagen tijds twee keer en urenlang onderhandeld over te ondernemen transacties of projecten. Volgens Gotzkowsky was het Frederik de Grote die De Neufville vroeg plannen te ontwikkelen voor een herstel van de Aziatische compagnie. (De Neufville was afhankelijk van krediet op de Amsterdamse beurs, maar vond geen andere investeerders.[Schepkowksy, p. 305]) De Neufville bood Frederik aan een miljoen gulden te willen investeren.66 Op 19 april 1763 kocht Gotzkowsky, op eigen naam, want de Russen wilden niet met nog meer geïnteresseerden onderhandelen, een grote voorraad graan op, overgebleven nadat Rusland zich teruggetrokken had uit de oorlog, voor de som van 1.170.448 Hollandse gulden.67 [Rachel & Wallich, p. 448] Het graan lag opgeslagen aan de Pommerse kust, o.a. in Kolberg. Die stad was bezet door de Russen en het graan was in beslag genomen. De Neufville zag volgens Gotzkowsky ook winst in de transactie, want er was nauwelijks graan beschikbaar. De Neufville stelde voor een partnerschap te sluiten, want hij wilde niet alleen verantwoordelijk zijn,68 69 en financierde met Stein en Leveaux de deal met 100.000 gulden70 [Schepkowski, p. 341] (ofwel voor 8,5%) te betalen met Hollandse wisselbrieven. De Neufville en zijn partners zouden zich vervolgens terugtrekken.[Gotzkowsky, p. 148] De frauduleuse graankoopman Johann Gottlieb (ook Isaack ofJesajah Nathan) Stein reisde met hem terug, m.i. niet naar Londen, maar naar Amsterdam.[Rachel & Wallich, p. 439-440] [Transportakten Stadsarchief Amsterdam] De Neufville bleek niet in staat het geld te lenen; de beurs in Amsterdam schijnt zich tegen hem gekeerd te hebben.

De graanprijzen waren in het voorafgaande half jaar, tussen november 1762 en mei 1763, met 30% gedaald. Het was een riskante onderneming. Frederik de Grote had bovendien alle handelaren op 12 april van dat jaar bevolen op straffe van hardere maatregelen hun voedselvoorraden en levensmiddelen tegen schappelijk prijzen van de hand te doen want er heerste tekort en honger na de Zevenjarige oorlog.71 72 De verordening is maandenlang herhaald in de Schlesische Zeitung; voor het eerst op 16 april 1763.

Dem Publico wird hiemit bekannt gemacht daß aus den Königl. Magazinen zu Breßlau, Glogau, Brieg, Neisse und Schweidnitz, eine Quantität von Weitzen, Roggen, Gerste, Haver, Heu, Stroh, Buchweitzen, Erbsen, Graupe, Hierse, und Grütze, in billigen Preisen verkauft werden soll. Es können sich also die Käufer bey dem Proviantamt jedes Ortes förs dersamst melden und guten Accommodements gewärtigen, im maßen die Ansicht dahin gehet, durch diesen Verkauf der bisherigen Theurung, so durch gewinnsichtige Leute zum Nachtheil des Publici und der Armuth unterhalten worden, Schranken zusetzen. Es müssen also die Käufer sich bald angeben, weil sonst Entstehung der Abnehmer mit denen Magazinvorräthen andere Mesures werden genommen werden. Breßlau den 12 April 1763. Konigl. Preuß. Breßlauische Krieges- und Domaine Cammer.
De plaatselijke bevolking verhinderde dat het aangekochte graan werd uitgevoerd naar Pruisen; Gotzkowski weigerde te betalen, zolang dat het geval was.[Schepkowski, p. 341] Volgens Schnabel en Shin zijn door “dumping” vanaf mei tot augustus de graanprijzen met nog eens 75% gedaald.73 [De Jong-Keesing, p. 88] De graanhandelaren in Berlijn die het bevel van Frederik de Grote hadden genegeerd leden grote verliezen.71 De Russen, in de persoon van generaal Vasily Dolgorukov-Krymsky, eisten in juli prompte betaling, en niet in Kriegsgeld, maar met Hollandse gulden (dukaten?). Toen Gotzkowkys faillissement dreigde, probeerde hij onder het contract uit te komen.75

Overvloed van wisselbrieven

Het gebruik van wisselbrieven, ter vermijding van de kosten en het gevaar van overzending van baar geld, was reeds in zwang in de Late Middeleeuwen in Brugge.76, maar ook in Florence. Op wisselbrieven kon winst worden gemaakt zonder rente te vragen.77 Aan het einde van de 16e eeuw waren wisselbrieven ook in de Noordelijke Nederlanden in gebruik. De Rotterdammer J. Phoonsen noemt keuren uit de jaren 1601, 1651, en 1663 voor Amsterdam.78 Het is bijna onmogelijk om in kort bestek uit te leggen hoe het gebruik van wisselbrieven, om in het buitenland, bijv. op de Messe van Frankfurt, Leipzig over Neurenberg, over contant geld te kunnen beschikken, was gereguleerd, maar bij een ideale transactie waren vier personen betrokken: de remittent (gever), de trassant (de trekker), de presentant en de acceptant. De presentant moest aanvankelijk binnen drie dagen reageren, en de acceptant moest binnen een dag duidelijk maken dat hij de wisselbrief accepteerde. Als dat niet het geval was liet de presentant bij de notaris een protest opmaken. Wisselbrieven waren op naam; het was verplicht het woord order, wissel of geaccepteerd te gebruiken om terug te kunnen vallen op het wisselrecht. Wisselbrieven waren aanvankelijk “op zicht”, later werd een vervaldatum (uso) toegevoegd, die ten tijde van deze crisis was gesteld op twee of drie maanden (voorheen op acht dagen), zodat de handelaren winst konden maken op de koersverschillen. Als ondertussen de wisselkoers daalde, leed men verlies. Het was De Neufville die met deze faciliteiten was begonnen en de andere wisselbankiers dwong mee te doen om te kunnen concureren.[De Jong-Keesing, p. 63] Wisselbrieven waren verhandelbaar tot de vervaldag. Bij overdracht werd op de achterkant (of op een aanhangsel) een endossement toegevoegd. De laatste endossant had het recht een acceptant te kiezen en prompte betaling te eisen. De acceptant berekende vervolgens provisie. Er ontstonden niettemin meningsverschillen als de vervaldag verstreken was, handtekeningen ontbraken, het endossement geantedateerd was, als de trassant of acceptant stierf of ondertussen failleerde of als de endossant een andere acceptant koos. Als er iets misliep moest de presentant zowel de remittent als de trassant compenseren, resp. het verstrekte geld terug geven. Wisselbrieven werden ook gebruikt door bevriende handelshuizen om zich wederzijds in te dekken tegen verlies op de goederenhandel; dat lijkt hier het geval te zijn geweest. De gever, de trekker en de presentant konden evenwel dezelfde persoon zijn en op die manier geld lenen. De handel in wisselbrieven lokte ook makelaars en kassiers aan, die zich toelegden op “arbitrage” en profiteerden van het door tijdelijke schaarste of overvloed veroorzaakte prijsverschil.[J.G. van Dillen, p. 452] Als aan de transactie was voldaan, waren kwitanties onnodig. De helderste uiteenzetting is waarschijnlijk te vinden in het “ Leerboek der Koopmankunst, opgedragen aan de Maatschappij tot het Nut van ‘t Algemeen ” of bij de Zweedse Riksbanken:

A trading house in Amsterdam wrote a bill for the amount for which it bought goods from a Swedish seller. The seller could then obtain money by selling the bill to someone who wanted to buy goods, in Amsterdam or elsewhere, and use the bill to pay for them. Importers and exporters both bought bills, in order to pay and in order to obtain money. Bills that were not cashed immediately earned interest. A bill that was transferred before it matured was sold at a discount. The interest due from the transfer date up to maturity was deducted from the bill’s nominal value. The higher the rate of interest, the larger the discount.[Age of Liberty]

When many importers were buying bills, the price rose, just as it fell when many exporters were selling bills.[Age of Liberty]

De Neufville gaf wisselbrieven uit van 2 of 2.500 gulden op Hamburg met meestal een looptijd van 65 dagen. De trekker zond zijn wisselbrief naar Hamburg om ze daar te laten presenteren en te verdisconteren tegen een lagere disconto dan in Amsterdam. De gepresenteerde benaderde de betrokken acceptant, een koopman of wisselbank. Met de in Hamburg gemaakte winst kond de acceptant De Neufville afbetalen? Dagelijks werden immense sommen verhandeld via de post op Hamburg. (De Neufville had in vier maanden 335.793 gulden beleend.[De Jong-Keesing, p. 93] “Het geld ontbrak evenwel in Hamburg en aan het trekken en hertrekken kwam geen einde” volgens de auteur van de Memorie, “zodat de wilde handel in speculatieve wisselbrieven nog enige tijd kon voortbestaan, alhoewel de vrees ontstond dat het geheel als een kaartenhuis uiteen zou vallen.Toen de rente steeg van 4 naar 12% verkochten de handelshuizen in Amsterdam en Hamburg hun solide effecten (en voorraden?) om de handel in wisselbrieven in stand te houden? Na geconstateerd te hebben dat de handelshuizen een groot verlies op wisselbrieven te hadden geleden ontplofte de bom in de laatste week van juli 1763.

Jene Transaktionen hatten in Preußen und seinen Nachbarstaaten, überhaupt in nördlichen Europa einene außerordentlich lebhaften Wechselverkehr entstehen lassen ... De Kreditausweitung ging vielfach über das vernünftige Maß weit hinaus, die Geschäfte waren oft richtig als Wechselreiterei zu bezeichnen.79

Gotzkowsky, die op 18 juli 1763 gedwongen werd de Russen te betalen, zag zijn faillissement naderen.80 De voor 300.000 Thaler uitgeschreven wisselbrieven op zijn naam zijn niet uitbetaald.81 Gotzkowsky kreeg zoveel wisselbrieven gepresenteerd, dat hij nooit in staat zou zijn die te betalen.[Gotzkowsky, p. 150] Frederik bood aan de porseleinfabriek over te nemen, zodat Gotzkowsky de graanaankoop zou kunnen betalen. Hij vermeldt in zijn autobiografie bovendien dat de komst van De Neufville in april naar Berlijn door de Münzjuden niet werd gewaardeerd en dat ze hebben geprobeerd de met hen concurrerende De Neufville zwart te maken, hetgeen zijn val zou hebben veroorzaakt.[Gotzkowsky, p. 147, 149] 82 De crediteuren wilden “cash” zien en namen niet langer genoegen met nieuwe wisselbrieven.83 Op 21 april maakte Frederik de Grote duidelijk dat hij zich op het herstel van de oude muntvoet zou concentreren. In de daarop volgende weken liet hij de bevolking bekend maken de Pruisische munt per 1 juni 1763 tegen een nieuwe nominale waarde te gebruiken. Bij het omwisselen verloor men meer als 20%; voor de zoveelste keer een verlies aan muntwaarde.

Edict, wornach vom 1.sten Junii 1763 an, alle Zahlungen sowohl zu den Königl. Cassen als im gemeinen Handel und Wandel nach Verschiedenheit der Münzsorten mit dem bestimmten Agio geschehen sollen: nebst beygefügter Reductionstabelle; de dato Berlin, den 18 Mai 1763.

“Juni is dan vol van de berichten der dalende prijzen, onverkoopbare goederen, de algemeen slechte toestand en het gebrek aan geld.”[De Jong-Keesing, p. 88] Kooplieden verzochten hun handelspartners geen nieuwe kredieten aan te vragen, maar kontant te betalen. Iedereen probeerde beslag te leggen op de oude en goede munten. Goede munten konden tegen betaling van “opgeld” of agio (4,5%?) worden gekocht bij de Münzjuden, die zich daardoor de woede van de bevolking op de hals haalden.84 Op 23 juli verkreeg Benjamin Ephraim in Berlijn toestemming zilver te smelten, zodat het niet langer tegen hoge kosten zou behoeven te worden uitgevoerd. Een paar dagen later stelde hij voor dat ook anderen het zilver zouden kunnen leveren.85 Er is een speciale ambtenaar aangesteld om woeker te gaan.[Schrötter, p. 158] De indruk wordt gewekt dat het Kriegsgeld werd opgekocht (door Gotzkowsky) om tegen een betere prijs te worden uitgevoerd en omgesmolten;86 Het is tamelijk waarschijnlijk dat De Neufville en de graaf van Gronsveld daarbij betrokken waren. De baren zilver werden beleend tot 7%.[De Jong-Keesing, p. 89] (In het Saksische Freiberg is tussen 1763 en 1766 bijna 25.000 kg aan oude munten omgesmolten.87

Volgens Quinn en Roberds hebben de handelaren gereageerd “by funding short-term debts with new bills drawn on markets”. De rente steeg en de koersen van de Pruisische munt daalden met 10% in de maand juni/juli.88 Er volgde een “abrupt dropoff in payments activity in wake of the de Neufville failure.” De Neufville verhandelde zijn wisselbrieven in de laatst maanden met iedereen en betaling na acht dagen.89 90 

Just as Quinn and Roberds (2012) explain, during the Seven Years’ War, Prussia conducted a series of debasements that influenced directly the value of the Reichsthaler. Thus, Prussian merchants that were holding these debased monetary units saw the value of their collateral cut in half; consequently, they responded by funding short-term debts with new bills drawn on markets such as Amsterdam, and sending demonetized coins to financial centers in the hopes of finding higher value as bullion.91 92

Voor het eerst had een crash op de beurs internationale uitwerking. De uitstaande vorderingen van De Neufville bedroegen tien miljoen gulden, de schulden kwamen neer op 9,5 miljoen93, waarvan 5,6 miljoen aan Hamburgse firma’s en een miljoen in Berlijn. De Neufville zou gebruikt hebben gemaakt van vervalste wisselbrieven.[Rachel & Wallich, p. 449] Omdat wissels op Berlijn en Hamburg niet werden geaccepteerd in Amsterdam en onder protest onbetaald retour kwamen, gingen uiteindelijk 95 bedrijven in Hamburg failliet. In totaal waren in het faillissement van De Neufville 361 crediteuren betrokken.

Keesing schrijft dat de Nieuwe Nederlandsche Jaerboeken of couranten nauwelijks aandacht besteden aan de gebeurtenissen. John Brewer heeft een verklaring. Het was gevaarlijk voor drukkers om over binnenlandse politiek te publiceren; buitenlandse politiek was veiliger en toegankelijker.94 Maar een online krant uit Breslau, de “Schlesische Privilegirte Staats- Kriegs- und Friedens-Zeitung” bracht redding.

Crash

Volgens Van Nierop zouden de Gebroeders de Neufville in de laatste maanden bij de opname van f 313.743 in het totaal meer dan 538 baren zilver als onderpand gegeven aan 27 geldschieters bij 30 overeenkomsten.[Van Nierop, p. 230-231] (Het is nog de vraag of dat geld ooit aan hem is uitbetaald, vanwege zijn naderende faillissement) Volgens Isabel Schnabel and Hyun Song Shin “De Neufville’s holding of bank money at the Bank of Amsterdam at the end of June 1763 had dwindled to about the same amount as it had in 1751.”95 Op 28 juni 1763 trok Carl Leveaux, een Berlijnse bankier, zeven wissels op De Neufville voor een bedrag van 12.900 gulden en 5160 Thaler, te betalen tegen baar geld. De Neufville schreef hem dat zijn zilverzendingen nog enige tijd moesten blijven liggen, eer ze aan de beurt kwamen.[De Jong-Keesing, p. 89] De Neufville had Leveaux, een van de crediteuren, voor 149.300 gulden aan zilver geleverd.[De Jong-Keesing, p. 103] Twee andere Berlijnse handelshuizen hadden wissels voor een bedrag van 100.000 gulden bij hem uitstaan.[Rachel & Wallich, p. 471] “Een deel der Amsterdamse bankiers wilden zijn wissels niet hebben en hij moest 1,5 à 2% boven het toch reeds hoge disconto van 4% geven.[De Jong-Keesing, p. 94]

Op maandag 25 juli deden zich de eerste tekenen van een crisis voor; het handelshuis van de gebroeders De Neufville dreigde failliet te gaan. Twee Amsterdamse handelshuizen, dat van Aron of Arent Joseph, woonachtig op de Houtgracht en van Jacob Salomon de Jongh, woonachtig op de Zwanenburgwal, bleken niet in staat hun wisselbrieven in Hamburg te verdisconteren en sloten op 28 juli als eerste hun deuren;96 [De Jong-Keesing, p. 139] een bedrag van ongeveer 13 miljoen zou niet meer te innen zijn volgens de Augsburgse krant.97 98 Arent Joseph & Co zouden in de voorafgaande 6,5 maand 487.000 gulden beleend hebben?  De gebroeders De Neufville waren voor 163.583 gulden betrokken bij het faillissement.[De Jong-Keesing, p. 93, 121] Ook Marcus Ephraim, de broer van Veitel Ephraim, zou bij de bankroetiers behoren.[Rachel & Wallich, p. 450] [Schepkowski, p. 305] Volgens de destijds verschenen schotschriften en prenten is Arent Joseph op de vlucht geslagen naar Culemborg, een vrijplaats voor bankroetiers. (Zijn wisselbank stond onder leiding van Salomon van Minden) Op vrijdag 29 of zaterdag 30 juli staakte de firma De Neufville zijn betalingen,99 maar volgens Sautijn Kluit en Van Dillen was dat reeds op 25 juli het geval. De mate waarin zijn drie jongere broers Pieter de Neufville, David de Wolff de Neufville en Balthasar de Wolff de Neufville in de zaken betrokken waren – er zijn geen individuele akten op hun naam in het Stadsarchief – is beperkt.100 Op 30 juli zijn David en Balthasar de Neufville naar Zutphen gevlucht. Ze huurden een kamer in een herberg buiten de Hospitaalpoort.101 102 Op zondag 31 juli (?) werd duidelijk dat De Neufville het niet zou redden.[H. Sieveking (1933) Die Hamburger Bank 1619 – 1875, p. 71. In: Festschrift der Hamburgischen Universität ihrem Ehrenrektor Herrn Bürgermeister Werner von Melle]

Volgens de Jong-Keesing zou 1 augustus 1763 een zondag zijn geweest, maar het bleek een maandag.103 [De Jong-Keesing, p. 94] Het schijnt dat op die derde respijtdag niemand in Amsterdam meer zaken wilde doen op Hamburg. Op 2 augustus probeerde De Neufville van 700.000 gulden los te krijgen bij Georg Clifford, Nicolaes Warin, en Henric Muilman. De firma Hope & Co, geen wisselbankstemde toe om een fonds te vormen, maar het plan is afgestuit op de weigering van de firma Andries Pels & Soonen, de “Bank van Frankrijk”, dat destijds werd geleid door de broers Hendrick en Jan Bernd Bicker.104 Volgens De Jong-Keesing kwam men 3 ton tekort voor het vormen van een syndicaat, maar het zou ook 3,4 ton geweest kunnen zijn volgens de Augsburgse krant.105 De Pruisische resident Erberfeld schreef al op 2 augustus een bericht aan Frederik, dat de Neufville failliet zou gaan.[Rachel & Wallich, p. 449] Ook in Hamburg was men op die dag op de hoogte.[Sieveking, die Hamburger Banke, p. 62] Op woensdag 3 augustus was het faillissement van De Neufville een feit; ook elf andere Amsterdamse firmas, zoals Anthony Grill en J.M. Ephraim, kondigden op die dag hun faillissement aan.[De Jong-Keesing, p. 94]

Tegelijkertijd bevond zich ook de flamboyante Schimmelmann in Amsterdam die voor de Deense koning een lening sloot van 2,5 of 3 miljoen gulden bij de firmas Pels en Clifford. Voor De Jong-Keesing was dat een teken dat er in Amsterdam nog steeds voldoende geld voorhanden was, maar voor de Augsburgse krant had het tot gevolg dat de geldmarkt nog krapper werd.106 Een van de oorzaken lag in Engeland. De Nationale Schuld was in zeven jaar tijd sterk gestegen, van 75 miljoen naar ca 133 miljoen pond.107 Alleen al de interest bedroeg 4,4 miljoen pond per jaar. Bovendien bleek er in 1761/1762 een schaarste aan zilver te zijn ontstaan. Niettemin is op 3 augustus in Engeland onder een nieuwe premier, George Grenville, 30.000 oz. zilver en 1.000 oz. goud ingescheept, bestemd voor Holland; op de 6e nog eens 40.000 oz zilver en 1.500 oz goud, 108 maar ook op de 15e, de 19e en 20e augustus en 8 september. Dat was echter niet voor De Neufville c.s. bestemd.109 Als deze beslissing te maken had met de kritieke situatie in Amsterdam, dan kunnen zij pas met de pakketboot die op woensdag de 27e of zaterdag 30 juli uit Hellevoetsluis vertrok, op de hoogte zijn gesteld. (De gemiddelde duur van de overtocht was twee dagen).[Trading and Financial Market Efficiency in Eighteenth Century Holland (2011) Peter Arie Eliza Koudijs ] In Hamburg werd het plan gevat een miljoen uit te trekken om de bedreigde banken overeind te houden.[H. Sieveking, p. 69]

Door een gebrek aan contanten en vanwege de akelige omstandigheden 110 besloot de Wisselbank op 4 augustus tot 15 augustus ook ongemunt zilver en goud in belening te nemen om uit de crisis te komen. De minimale uitbetaling bedroeg 10.000 gulden111 112 De eerder genoemde banken Pels, Warin, Muilman en Clifford brachten een voorraad ongemerkt zilver en goud onder bij de Amsterdamse Wisselbank.113 Gotzkowsky sloot die dag zijn deuren. (Van Dillen stelt dat de voorraad edel metaal der Wisselbank nooit zo groot is geweest als in de jaren 1763-65, namelijk 31 miljoen gulden. Ook een groot deel van het in Engeland ingevoerde goud en zilver kwam uiteindelijk in Amsterdam terecht.[J.G. van Dillen, p. 447, 597, 606]) Met de bedoeling dat de Wisselbank buitenlands muntsoorten in roulatie zou brengen en de schaarste aan kleingeld zou afnemen?

De Hamburgse senaat liet die dag een brief uitgaan aan haar Amsterdamse collegas.114 Dat zij zo snel reageerden duidt erop dat de problemen minstens een week daarvoor zichtbaar waren. Bang dat het faillissement “heel Europa in een afgrond zou storten“, stelden de Hamburgers voor om drie extra honoraire of neutrale administrateurs te benoemen.115 (Dat advies is overgenomen. Het werden de gebroeders De Smeth, Jean Texier & Comp. en Verbrugge & Goll.[De Jong-Keesing, p. 123]) Twaalf Hamburgse bankiers melden dat ze niets zouden doen voordat ze wisten wat hun Amsterdamse collega’s van plan waren. Op 5 augustus waren de banken gesloten en zijn alle wissels op Amsterdam getrokken met protest van non-acceptatie geretourneerd; inmiddels waren er ook problemen in Londen, toegeschreven aan het opeisen van kapitaal, belegd in buitenlandse fondsen. Op 6 augustus verzochten elf kooplieden in Berlijn bij Frederik een verzoek tot drie maanden uitstel, nadat de wissel onbetaald terugkwamen; het zou twee maanden worden. In Wenen is op diezelfde zaterdag een grote hoeveelheid papiergeld en coupons in het openbaar en in een speciaal gebouwde oven verbrand.

Seit 1762 gab das Wiener Stadt-Banco die so genannten Bancozettel aus. Das funktionierte, denn der Staat sorgte dafür, dass eine große Nachfrage bestand. Man konnte damit nämlich die Steuern zahlen, ja manche Abgaben mussten(!) mindestens zur Hälfte in Bancozetteln abgeliefert werden, was die Nachfrage natürlich noch erhöhte. Wer 200 Gulden in Bancozetteln besaß, konnte diese sogar in Obligationen umtauschen, die zu 5 % verzinst wurden. Das war derart beliebt, dass bereits 1763 die Zinsen auf 4 % gesenkt werden konnten. Bancozettel wurden mit bis zu 2,5 % Agio gehandelt! Und was an Bancozetteln zurück an den Stadt-Banco floss, ließ man öffentlich verbrennen.[Die Münzen Maria Theresias]

Marston vermeldt dat Oostenrijkse officieren in Silezië tijdens de oorlog betaald werden met papiergeld, die betaalbaar waren na de oorlog.116) De depositos in de Wisselbank waren praktisch niet opvraagbaar, maar het stond ieder vrij het geld dat hij aan zijn kassier had toevertrouwd, terug te eisen. Op zaterdag 6 augustus volgde een run op de kassiers.[De Jong-Keesing, p. 94]  De Schlesische Zeitung in Breslau meldde dat de Amsterdamse banken die nacht tot twee uur open waren om goud en zilver aan te nemen, wat nog nooit eerder was gebeurd.

Haag, vom 5. Aug.
Aus Amsterdam läuft die betrübte Nachricht ein, daß daselbst sehr grosse Banquerotten gespielet worden. Man weiß 17 Häuser die darinnen intereßirt sind, und man stehet noch für andere in Sorgen. In vorgedachter so reich und wohlbegüterten Stadt, ist die Verwirrung und das Mißtrauen auf den höchsten Gipfel gestiegen. Die Banco und Lehnbanco blieben auf Ersuchen verschiedener Banquirer und Handelsleute, vom verwichenen Samstag auf den Sonntag, bis 2 Uhr Nachmitternacht offen, welches daselbst noch nie geschehen war.

Op zondag de 7e ging er een bericht uit van de burgemeesters over de vele (17!) faillissementen in Amsterdam, dat op 20 augustus in Breslau is gepubliceerd.117 Op 22 augustus schreef de Schlesische Zeitung:

Auszug eines Schreibens aus Amsterdam, vom 7. August.
Es sind alhier einige ansehnliche Banquerots oder Rückstände in der Handlung ausgebrochen, welche Auswärtigen mit zu Lasten kommen müssen. Indessen wird von den angesehensten Häusern dafür gesorget, die Billance der algemeine Handlung in und außer Holland, wie auch im öffentlichen Credit aufs nachdrücklichste zu unterhalten, und nichts wird demselben in einem Handlunggstaate, zur Zeit eines Friedens schwächen können, wenn auch auf wenige Tage eine Pause erfolgen sollte, zumal, da es für den größten Kaufmann, wenn er auch Millionen hat, eine Unmöglichkeit ist, seins Sachen und Correspondance in einem Posttage oder Monate so richtig auch seine Sachen stehen, in Ordnung zu bringen.

Op maandag 8 augustus maakte De Neufville bekend zes paarden en minstens zeven koetsen te willen verkopen op 24 augustus, gestald in de Lindenstraat.118 Het Amsterdamse stadsbestuur liet de senaat in Hamburg weten dat de speculerende banken niet geholpen zouden worden.119 ‘s Avonds is vergaderd door de vertegenwoordigers van de vier voornaamste banken; hun voorstellen bleven geheim.120 Itzig en Ephraim richtten een verzoek tot de koning ter ondersteuning met een bedrag van drie miljoen Thaler om uit de problemen te komen.[Rachel & Wallich, p. 454] Cash geld (?) was niet meer te krijgen.

Amsterdam, vom 9. August.
Die Fallite, und die Zahl derjenigen, welche haben Schaden leiden, haben sich allhier dergestalt vervielfältiget, daß man noch nicht wohl einsehen kan, wie hoch sich der Verlust für jetzt und künftig erstrecken möge. Denn es ist nicht zu zweifeln, daß die Nachwehen von andern Orten, wohin sich diese Schaden verbreiten möchten, zurück kommen werden. Indessen sind alle diejenigen Handelshäuser, welche bey so gewaltigen Erschütterungen stehen geblieben sind, auf alle Weise beslissen, ihren und den öffentlichen Credit aufrecht zu erhalten

Op 9 augustus vroegen elf bedrijven in Berlijn hun faillissement aan. Frederik zorgde ervoor dat de zaak geheim bleef.[Rachel & Wallich, p. 452] Gotzkowsky, die ook verzocht had om uitstel en 1,5 miljoen Thaler ondersteuning, werd uitgenodigd aan het hof in Potsdam om bij Frederik een bewijs van goed gedrag te overleggen. Gotzkowsky, die sinds het begin van de oorlog geen boekhouding voerde, werd terecht gewezen en kreeg 6 weken uitstel en niet meer.[Rachel & Wallich, p. 451] [De Jong-Keesing, p. 76] (Hij had ondertussen zijn vorderingen op Leipzig (van 377.000 Thaler) op Itzig overgedaan.121) Itzig was een van de crediteuren van De Neufville voor een bedrag van 29.256 gulden.[De Jong-Keesing, p. 103] In Berlijn zouden uiteindelijk 33 handelshuizen failliet gaan, waaronder Moses Mendelsohn.[Rachel & Wallich, p. 451]

"Ce Gotskofski est un fol qui a follement administré ses affaires, c'est par ses comis qui vous parviendrez à éclaircir le vrai fond des chosses et des qu vor m'en aurez instruit il faudra recourir à l'expédiant le plus doux et le plus Intéressés à la banqueroute, tout cela est bien fächeux"122

Op 10 augustus organiseerde Frederik een kabinetzitting over de binnengekomen faillissementen. De Münzjuden in Pruisen en Saksen kregen drie maanden de tijd orde op zaken te stellen en nieuwe munten uit te geven, met een hoger percentage aan edelmetaal.123 Ze werden verplicht onder de absolute voorwaarde met een deel van de 2.460.000 Thaler, dat hen ter beschikking werd gesteld, Gotzkowsky te ondersteunen, die een met faillissement bedreigde zijdefabriek, een kunsthandel, een wisselbank en een porseleinfabriek dreef.[Rachel & Wallich, p. 454-455] Frederik zegde Gotzkowsky toe dat de Münzjuden 400.000 Thaler in zijn bedrijven zouden investeren. Dat was Gotzkowsky te weinig; hij wilde drie keer zoveel, namelijk in oude, hoogwaardige en niet in nieuwe laagwaardige munten.[Schepkowksi, p. 307] Itzig en Ephraim weigerden zoveel geld in Gotzkowskys bedrijven te steken. Op 12 augustus liet Frederik weten hen niet het hele bedrag, maar slechts 2 miljoen Thaler te lenen. De voorwaarde andere kooplieden te helpen bleef bestaan.[Rachel and Wallich, Berliner Grosskaufleute und Kapitalisten: Bd II. Die Zeit des Merkantillismus 1648-1806, p. 456] Een aantal Berlijnse kooplieden gaf te kennen dat Gotzkowsky met een half miljoenThaler overeind zou kunnen worden gehouden, zodat hij hen 50% zou kunnen uitbetalen.[Rachel & Wallich, p. 460] Hij had sinds het begin van de oorlog geen boeken bijgehouden of een balans opgemaakt.[Schepkowski, p. 306]

Op maandag 15 augustus werd in Amsterdam een van De Neufvilles schepen geveild. Tot die dag hebben de muntmeesters van de Amsterdamse Wisselbank ongemerkt zilver geaccepteerd.124 Op 16 augustus hebben de Münzjuden uit Berlijn voor drie miljoen Thaler baren zilver met postwagens naar Hamburg verstuurd 125 [Rachel & Wallich 1967, p. 456] om daarmee een deel van de problemen, het betalen van brandschatting aan de Russen met wisselbrieven, op te lossen(Frederik was een mercantilist en niet geïnteresseerd in de uitvoer van zilver en het ondersteunen van “buitenlandse” kooplieden; de veronderstelling is mogelijk onjuist.) Vanuit Engeland was inmiddels nog meer zilver en goud opgestuurd. In Amsterdam ontstond een run op de kassiers (= wisselbankiers),[J.G. van Dillen, p. 451] waarvan een, De Harder, ervan door ging naar Ravesteijn. Op die dag schijnt er in Hamburg nog niet veel aan de hand te zijn geweest, slechts vier kleinere handelshuizen waren op 11 augustus failliet gegaan, op de 15e twee. Op 17augustus werden ook daar de problemen duidelijk;126 er gingen 13 (of 14?) en op de 19e 12, op de 22e 11, op de 24e vier, en op de 26 vier handelshuizen failliet op een dag,127 waaronder Stenglin. In Hamburg zouden 97 huizen in dat jaar failliet gaan, waarvan 12 alsnog aan hun verplichtingen konden voldoen.[Sieveking, p. 70] De kooplieden in Hamburg reageerden tamelijk overdreven, omdat achteraf heel wat huizen solvent bleken te zijn geweest volgens Skalweit.128

In heel Amsterdam was geen krediet meer te krijgen; wissels uit Frankrijk, Spanje, Zweden, Duitsland, Denemarken, etc. werden niet langer geaccepteerd vanwege de bijzondere omstandigheden. Er volgde een tweede golf van faillissementen op vrijdag 19, zaterdag 20, maandag 22 en woensdag 24 augustus , (waaronder Charles en Theophile Cazenove?). Er waren volgens Jacob Bicker Raye 25 kooplieden aan de grond geraakt. Jan Wagenaar vermoedde een aantal van 40 gedupeerden,129 maar De Jong-Keesing hield het op 38. Op de 22e werd in Amsterdam een oplossing geformuleerd. De in moeilijkheden geraakte bedrijven zouden binnen vier maanden 1/3 terugbetalen, 1/3 binnen zes maanden en 1/3 binnen tien maanden, steeds met 4% rente.130

File:Interieur, ingangspartij, met bovendeurstuk, van de Desolate Boedelkamer - Amsterdam - 20407932 - RCE.jpg
Toegangsdeur Desolate Boedelkamer in het Paleis op de Dam, met relief “De val van Icarus”
Auch der König war ratlos, wovon ein Schreiben vom 20. August an seinen Hamburger Gesandten zeugt: „Woher kommen denn alle diese Bankrotte?“ [Depuis je suis au monde, je n'ai rien entendu parler de rien de pareil] Als eine Art Rettungsschirm schuf er zwei Tage darauf die „Immediate Wechsel-Kommission“, ein Sondergericht für Wechselbankrotte, doch seinen Finanzhelfer und Hauptlieferanten des erst Monate zuvor beendeten Siebenjährigen Krieges, den Berliner Kaufmann und Unternehmer Johann Ernst Gotzkowsky, vermochte er damit nicht zu retten.131

Frederik de Grote schreef op zondag 21 augustus zowel het Amsterdamse stadsbestuur als de Staten-Generaal aan met het verzoek om de firma De Neufville overeind te houden,[Rachel & Wallich, p. 459] en de zilversmelterij van De Neufville uit te sluiten.[De Jong-Keesing, p. 127?] Op 22 augustus werd in Berlijn een bijzondere commissie samengesteld om de zaken te regelen. Itzig en Ephraim lieten weten dat het faillissement van Gotzkowsky onvermijdelijk was. 

An welchen Tag genau spielt Gotthold Ephraim Lessings "Minna von Barnhelm"? Sie grübeln, müssen blättern, Freunde anrufen? Nun, es ist der 22. August 1763, gewissermaßen der Schwarze Freitag der preußischen Finanzkrise, der aber auf einen Montag fiel. An diesem Tag rief Friedrich die "Immediate Wechsel-Kommission" ins Leben, ein Sondergericht für die vertrackten Wechselbankrotte, deren Herkunft er sich einfach nicht zu erklären wusste.132

Om verder bedrog tegen te gaan nodigde de Amsterdamse magistraat op de 23e de betroffen kooplieden uit op het stadhuis om hun boekhouding te laten controleren.133 De Staten-Generaal is aangeschreven op deze eerste dag na de Groote Vacantie met de volgende woorden:

Geeven met allen Eerbied te kennen de Gebroeders den Neufville, Kooplieden en Bancquiers te Amsterdam;
Dat zoo wel ter gelegenheyd van de laast ontstaande onlusten in Duytschland, mitsgaders verminderinge in waarde van de aldaar Roulleerende Goude, en Silvere Muntspecien, dalinge der Engelsche Fondsen, als het onverwagte faillissement van eene der voornaamsten Joodschen Bancquiers, genaamd Arend Joseph & Compagnie en verdere Faillissementen van meer anderen Bancquiers, en Cassiers, ten Lasten van welken de Supplianten respectivelijk importante Sommens uyt hoofde van Geaccepteerde Wisselbrieven, als andersints te preetendeeren hebbende Sware Circulatie van Wissel Handel alhier in Holland gestabileert heeft beginnen te Stagneeren zodanig, dat de Supplianten hoezeer .... thans door het onverwagte vermis van betalinge buyten staat is geraakt van de respective Houders en Discontanten op de Respective Vervaltijden contant te kunnen voldoen.134

De Neufville machtigde Jean Conrad Sollicoffre, een Zwitserse bankier in Den Haag, om zijn boekhouding te “ordenen” voor 25 oktober. Hij zou naar eigen zeggen een handelskapitaal van 1,3 miljoen gulden in kas hebben als iedereen aan zijn verplichtingen zou voldoen.135

Um allem Betrüge vorzubeugen, wird der Magistrat zu Amsterdam den dasigen Kaufleuten den Antrag thun, ihre Bücher auf dem Rathhause vorzulegen, damit die Beschaffenheit ihrer Handlung genau geprüfte, und ihnen eine, ihrem Verlustegemäße Hilfe zu weiterer Fortsetzung ihres Commercii, geleistet werden könne.

Op 24 augustus besloot Frederik uit eigen kas Gotzkowsky de 235.000 te lenen voor zijn zijdefabriek en de porseleinfabriek van Gotzkowsky voor 225.000 Thaler over te nemen in de hoop dat die met een voorschot en enige maanden uitstel alsnog in staat zou zijn zijn bankroet te vermijden en de Russen te betalen.136 137 [Rachel & Wallich, p. 460] Gotzkowski moest constateren dat de eerste partij graan bedorven bleek bij aankomst. De Berlijnse muntpachter, bankier, handelaar in zilver, en collectioneur Johann Georg Eimbke, een voormalige technische medewerker van Graumann in Braunschweig, muntpachter in Stettin, Königsberg en Breslau werd op 25 augustus gearresteerd en is tot zes jaar gevangenis veroordeeld. Hij had zich schuldig gemaakt aan wisselruiterij, ook zijn boekhouding klopte niet.[Schrötter, Band II, p. 263-264] Bovendien had hij zijn vermogen door zijn vrouw in veiligheid laten brengen, en “last but not least” Sprögel in 1762 als solvent verklaard.[Rachel & Wallich, p. 467-469] Zijn collectie schilderijen is in mei 1764 verkocht. Op diezelfde dag, 25 augustus, protesteerde De Neufville tegen een herstelplan, waarbij hij was uitgesloten.138 De drie administrateurs Karsseboom, Grill en Hasselgren, die zelf ook in moeilijkheden verkeerden, Grill stond voor 229.445 gulden bij De Neufville in het krijt, konden hun post neerleggen zonder iets verricht te hebben.139 [De Jong-Keesing, pl. 109] Op 29 augustus werd het verzoek van De Neufville om surseance van betaling afgewezen.140 Frederik gaf opdracht de Berlijnse joden een hogere repartitie te laten betalen, omdat er na de laatste zilverlevering het aantal rijke joden aanzienlijk toegenomen was.[S. Stern, p. 57] Gotzkowsky c.s. verzochten op 30 augustus:

Bij het bekende Bancqueroet van de Gebroeders de Neufville tot Amsterdam zijn wij en zeer veele van zijnen Majesteyds Onderdanen ten minsten meer dan een millioen geïnteresseerd; Deze Sommen raken wij quyd, wanneer eene Regtspleeging in forma der zoogenaamde Desolaten Boedelkamer in Amsterdam de debiteuren uyt vreese van een personeel arrest gedwongen worden de vlugt te neemen en wanneer erster Oorzaake van den groote omslag van negotie der den Neufvilles twintig of veertig jaren verlopen kunnen eer er betaling geschied ...141

Op 3 september is in Amsterdam een lening uitgeschreven om drie bedreigde huizen overeind te houden,142 mogelijk op verzoek van Hamburg en Berlijn die al op 9 augustus hadden gemeld hetzelfde te zullen doen als de stad Amsterdam zou meewerken.143

Die zu Amsterdam angestellte Subscription, um die vormals benannten 3 Hauser aufrecht zu erhalten, hat einen guten Erfolg, und war vor wenig Tagen schon fur 2 Millionen und 600.000 Gulden unterschrieben. Ungeachtet dessen hat eines von den ältesten und angesehensten Hausern, nebst noch einigen geringern, aufgehört zu zahlen, und soll alles von dem Baron Stenglinschen Hause in Hamburg abhängen. Die Gebrüder Neufville sind nicht mehr zu retten, wie man dann wirklich mit Aufzeichnung ihrer Haabschaft beschäftiget ist.

De bedoeling was aanvankelijk een loterij te organiseren, maar de betrokken partijen werden het niet eens, hoe de bedreigde handelshuizen te ondersteunen. Daaronder viel mogelijk niet het handelshuis De Neufville. Zijn crediteuren dwongen hem begin september de 500 baren zilver waarvoor hij het geld had geleend door makelaars te laten verkopen.144 Op 9 september meldden de burgemeesters aan Frederik de Grote, dat ze niet bevoegd waren den loop der justitie te verhinderen.145 Op 11 september besloten de Staten-Generaal op aandringen van Frederik de Grote de huizen die zich insolvent hadden verklaard te ondersteunen. In Amsterdam lag de goederenhandel de hele maand september stil146 met uitzondering van de handel tegen contante betaling? De Neufville stuurde twee vaten met Kriegsgeld ter waarde van 50.000 gulden terug naar Carl Leveaux.[De Jong-Keesing, p. 127] Op 12 september kocht Gotzkowsky zijn obligaties op Leipzig terug van Daniel Itzig. Op 15 september besloot Frederik dat de Berlijnse kooplieden geen voorkeursbehandeling behoefden om hun zaken in Hamburg te regelen. Op 18 september werd duidelijk dat de boekhouding van Gotzkowskys zijdefabriek al sinds 1756 niet deugdelijk bleek te zijn;147 er waren sindsdien geen balansen geproduceerd. Ook de boekhouding van De Neufville schijnt gebrekkig te zijn geweest. Dat zij daarin uitzonderingen zouden zijn is niet erg aannemelijk. Op 23 september besloot de Staten-Generaal geen aparte commissie inzake De Neufville in het leven te roepen.148 Sinds hij zijn koetsen had verkocht en verplaatste hij zich naar ieders leedvermaak te voet. Op 24 september schreef Frederik opnieuw een brief aan de Staten-Generaal, waarin hij De Neufville een “affineur” of keurmeester van zilver noemt.149 [De Jong-Keesing, p. 127?] Op 4 oktober kwam de Pruisische gezant Thulemeyer aan in Den Haag; hij produceerde “Causes de nombreuses faillites qui ont suivi celles de frères de Neufville en août 1763“? Op 5 oktober 1763 plaatste de Schlesische Zeitung een verrassende verklaring van de faillissementen, maar niet geheel bevredigend omdat er nauwelijks bronnen zijn die een dergelijke gang van zaken staven; enkel Johann Beckmann.[Kernkamp, GW: Johan Beckmann”s dagboek van zijne reis door Nederland in 1762. Bijdr: in Meded. van het Hist. Genootsch. Utrecht 33 (1912), p. 320.]

Alle diese Banquerotte sagt man, sind durch die Fallimente der Aaron Joseph und der Gebrüdere Neufville veranlasset worden. Diese beyde letzteren haben eine Unternehmung gewagt, deren Weitläufigkeit, und noch weniger das Ungemach, dem selbige blos gestellet war, sie nicht kenneten: Sie wollen alle schlechte Münzen, welche in vorigem Krieg in Teutschland überhand genommen, an sich ziehen. Sie setzten zum Grund, die zuerst angekommen, müsten den Schmelztiegel paßiren, der erste Theil würde den 2ten bezahlen, dieser den 3ten u.s.w. bis diese Münzen gänzlich erschöpfet wären: zu dem Ende legten sie zu Haarlem eine Gieserey an wo aber die allerbesten Operationen so unglücklich abliefen, daß sie durch den Bruch verschiedener Schmelztiegel schon in großen Verlust gesetztet wurden. Mittlerweile giengen die Ueberschickungen aus Teutschland immer fort; denn gegen Ende des vorigen Jennerß [Januar] hatten sie bereits über 300 Karren empfangen, deren jeder über 200 Thaler nur Kosten verursachet. Sie befanden sich dabey in der unumgänglichen Nothwendigkeit, allen ihr Credit aufzubieten, um aller Orten Ried und Antwort zu geben, und ihr Papier nach allen Europäischen Plätzen, insonderheit nach Hamburg zu verschicken, wo einige Häuser an dieser Unternehmung ebenfals Theil gehabt. Alles dieses aber war noch nicht zureichend; sie sahen sich genöthiget, alles einmal gelaüterte Geld zu verpfänden, unerachtet solches zweymal hätte geläutert werden sollen. Dieses konnte aber auch nicht zureichen, und sie verpfändeten endlich die schlechten Münzen selbst, so, wie sie selbige aus Teutschland emfangen hatten, um ein Interesse von 6 auf hundert. Bey einem solchen Unternehmen war es unmöglich zu bestehen, wie es dann diejenigen gar bald eingesehen, die nur in etwas das Commercium der Materien verstehen. Dieses Commercium hatte auch die Amsterdamer Börse an Münzen dergestalt entschöpfet, daß fast keine mehr zu haben waren. Auf beweldete Art, meinen ihrer viele, hätten die Gebrüdere Neufville selbst in ihr Unglück sich gestürzet. Wir wollen es denen Gelehrten in dem Commercie überlassen, das weitere hievon zu beurtheilen. Bis dahin hat sich weder in Rotterdamm noch in denen Städten der Provinz Seeland kein schlimmer Zufall geäußert, und dieses möchte für eine Zeit das große Handelswesen nach dieser Seite ziehen.

Op vrijdag 7 oktober gaf De Neufville zichzelf aan en kwam onder curatele te staan. De Desolate Boedelkamer kreeg beschikking over zijn goederen. De Neufville had nog moeite gedaan uit haar handen te blijven. Er heerste destijds een groot wantrouwen tegen die stedelijke instelling omdat de afhandeling daar soms een generatie lang (of 33 jaar) kon duren. Op 10 oktober begon de schatster Catharina van Oyen met inventarisatie van zijn bezit. Op 24 oktober (24 VIIIber), en niet op 24 augustus zoals Van Nierop en De Jong-Keesing vermelden, is de boedel van De Neufville getaxeerd voor 6.390 of met een verhoging (een marge?) van 10% voor 7.022 gulden. De volgende dag is zijn zaak behandeld. Het vermoeden bestond dat De Neufville delen van zijn boekhouding had achtergehouden.150

In november 1763 was de crisis voorbij; de wisselkoersen in Berlijn daalden naar een normaal niveau zoals die voor 1759 hadden bestaan.[Roberds &Quinn, p. ?] 

Perceptie

De Neufville staat in de literatuur bekend als speculant en parvenu, maar de laatste kwalificatie is gezien de voorgeschiedenis van de familie Neufville ongeloofwaardig.151 Zijdehandelaren behoorden bijna altijd tot de rijkste Amsterdammers.

Herengracht 70-72.152
Het kantoor op Herengracht 72 bij de Herenstraat, dat drie kamers van het woonhuis vulde, bestond waarschijnlijk uit 23 personen d.w.z. er stonden 23 lessenaars opgesteld.153 De luxe in het huis, dat hij huurde van de echtgenote van raadspensionaris Pieter Steyn, voorheen de weduwe van de bankier Daniel Deutz de jonge, was tekenend. Het was ingericht met acht notenhouten kabinetten en commodes, een geelzijden salon, spiegels, schilderijen, linnengoed, Saksisch porselein, en vergulde speeltafeltjes tot in zijn slaapkamer.154 Meestal wordt ook vermeld dat in het hele huis geen boek was te vinden, maar de filosofisch ingestelde dichteres Christina Leonora de Neufville was een zus van zijn vader.155 Hij had de meubels, juwelen en boeken, afkomstig van zijn moeder in juli 1760 laten veilen.156

Schilderijencollectie

In augustus 1757 kocht hij zijn eerste schilderijen. Tussen 1759 en 1763 was hij op zeventien veilingen aanwezig.157 Op 18 mei 1763 kocht hij een aantal werken afkomstig uit de collectie van kardinaal Silvio Valenti Gonzaga. Op 4 juli 1763 kocht hij 15 schilderijen in Den Haag, o.a. een Gerard Dou, Frans Hals, Paulus Potter, Philips Wouwerman en Jan van Huysem, afkomstig uit de collectie van Willem Lornier, voor de prijs van 9.115 gulden. De aankoop is nooit betaald.[De Jong-Keesing, p. 94]

Orpheus en de dieren door Paulus Potter

Op 29 oktober maakten de commissarissen van de Boedelkamer bekend de schilderijencollectie van De Neufville te willen veilen op 14 december 1763. Die veiling heeft nooit plaatsgevonden omdat De Neufville opnieuw toestemming verkreeg zijn zaken op orde te brengen.158 Gotzkowsky, zegde (op 10 december 1763) toe 317 schilderijen ter waarde van 316.650 gulden te leveren aan de Russische kroon, hetzij om goodwill te kweken tussen Frederik en Catharina,159 hetzij om aan zijn eigen verplichtingen te kunnen voldoen. Op 30 januari 1764 vroeg Gotzkowsky opnieuw zijn faillissement aan. In april 1764 ging Gotzkowsky over zijn schuldeisers voor 50% schadeloos te stellen; in de zomer kwamen de schilderijen in St Petersburg aan. 

Het Melkmeisje door Johannes Vermeer, tot de veiling in juni 1765 in het bezit van Pieter en Leendert De Neufville.160

Op 5 januari 1764 trof De Neufville een schikking met een Engelse partner.161 Op 28 januari gaf Frederik de Grote Itzig en Ephraim het bevel dat ze het geweldige vermogen dat ze hadden verdiend te investeren in de Pruisische economie.[S. Stern, p. 199]

Dass die Kipperei in Preußen zur Regierungszeit Friedrichs des Großen nicht aus der Welt war, zeigt ein am 16. Januar 1764 von Friedrich II. erlassenes Edikt. Darin stellt der König fest, dass ungeachtet vielfältig ergangener heilsamer Edikte und Verordnungen das höchstschädliche Kippen und Wippen eingerissen sei. Er, der König, habe aufs Neue höchst missfällig wahrgenommen, "wie obgedachtes Kippen und Wippen seit einiger Zeit dergestalt überhand genommen, daß das Gewicht nicht nur von denen Sächsischen und anderen geringhaltigen reducirten Geldern, sondern auch sogar von denen unter Unserm höchsteigenen Stempel ausgeprägten alten und neuen Müntz Sorten so starck differiret, daß von denen Geld-Beuteln, welche bey Unsern Cassen einkommen, fast keiner mehr das gehörige Müntz Gewicht hat, und öfters einige Marck daran manquirten". Der König erkannte, dass in seinem Reich nicht nur geringwertige auswärtige Münzen umlaufen, sondern auch preußische Nominale den Vorschriften nicht entsprechen.["Schlagt tot das lose Pack"

Op 14 juli van dat jaar kreeg De Neufville rehabilitatie, volgens Keesing “na overlegging van een ongelooflijk slordige, onvolledige balans, waar in de crediteurenlijst niet alle bedragen zijn ingevuld en toch een totaalsom wordt gegeven.”162De Neufville beloofde [op 19 juli] 60% uit te zullen keeren en het veelszins verdachte maar om zijn groote operatiën ook veelbenijde handelshuis werd aldus gerehabiliteerd…”.

Christus toont zijn wonden aan de ongelovige Thomas door Rembrandt. De Neufville kocht het schilderij in 1759. Hij verkocht het werk nog in het zelfde jaar aan Gotzkowsky.

De Neufville bekommerde zich niet meer om de zaak, en leefde rustig. Op 3 april 1765 verkocht hij Herengracht 158 aan Jan Goll (van Frankenstein) (1722-1785), een Duitse bankier,  en aan Oostenrijk leningen verstrekte. Hij was (misschien) een van de toegevoegde drie honoraire curatoren, die volgens De Jong-Keesing mogelijk tot zijn voornaamste schuldeisers behoorde,163 en volgens Van Dillen een ongunstige reputatie had, wegens een verdenking van medeplichtigheid aan handel in goudgeld van slecht allooi.164

De Neufville kocht op 3 juli 1765 zijn buitenplaats Westermeer terug van de Desolate Boedelkamer.

https://www.de-zeventiende-eeuw.nl/articles/10.18352/dze.1553/figures/dze2012010_fig8.jpg/
Govert Flinck, De verstoting van Hagar en Ismaël, Berlijn, Gemäldegalerie. In de collectie De Neufville, door Gotzkowsky aan Frederik de Grote geleverd.
Op 19 juni 1765 is zijn schilderijencollectie, deels opgezet door zijn vader, geveild.165 Van de 55 (of 122? De aantallen zijn verwarrend; er worden maar 55 schilderij beschreven) schilderijen brachten de Rubens, Nicolaes Berchem, Jan van Huysum, Gabriel Metsu, David Teniers de Jonge, Paulus Potter, Gerard ter Borch, Adriaan van de Velde, Willem van de Velde de Oude en Philip Wouwerman het meeste op. De totale opbrengst was 43.200 gulden.166 (Volgens de Jong-Keesing was de opbrengst 14.000 gulden en baseert zich op Archief 5072-861, dat n.b. over het jaar 1754 gaat, een onjuiste referentie.) Het is niet onmogelijk dat De Neufville voor de veiling een aantal van zijn schilderijen onderhands aan Gotzskowsky had verkocht,167 168 maar ook aan Gerrit Braamkamp en Jan Gildemeester. Op 24 februari 1769 werd opnieuw een veiling van schilderijen, afkomstig van Lornier en zijn vader Pieter Leendert, in de Leidse courant aangekondigd.169
 
File:Veroverde Engelse schepen na de Vierdaagse Zeeslag Rijksmuseum SK-A-439.jpeg
Willem van de Velde (II) Veroverde Engelse schepen na de Vierdaagse Zeeslag (1666)
Frederik begon begin februari of april een staatsloterij met behulp van Giovanni Antonio Calzabigi (de eerste trekking was op 31 augustus 1763) Calzabigi stelde ook voor een staatsbank, een zilversmelterij en een verzekeringsmaatschappij te beginnen.[Ingrid Mittenzwei, Friedrich II. von Preussen, p. 135-137]
1764 wurde die Graumansche Münzreform, freilich ohne Grauman, der schon 1755 entmachtet worden war, wieder in Kraft gesetzt und bis zum Tode Friedrichs umfangreich und ordentlich gemünzt. Ab 1768 ist das preußische Kurantgeld fast vollständig in Berlin hergestellt worden. Dazu wurde eine zweite Münzfabrik, die „Neue Münze“, eingerichtet. Die Münzstätten Stettin, Kleve, Aurich und Magdeburg wurden als unrentabel geschlossen. Breslau und Königsberg beschränkten sich im Wesentlichen auf das für Schlesien bzw. Ostpreußen benötigte Kleingeld.

Op 29 maart 1764 is in Pruisen de waarde van het geld nog eens met 40% naar beneden bijgesteld. “Under the above mentioned edict of 1764 the Prusssian government exchanged against a heavy loss war coins for new standard coins and thereby came into the possession of great quantities of the former coins, the silver content of which was to be recovered.”[F. Redlich, p. 173] Frederik richtte 1765 een Koenigliche Hauptbank op. Hij stelde huurbescherming in, maar Pruisen, waar het nog steeds aan cash schortte, belandde in een recessie en in augustus 1766 volgde een nieuwe reeks van faillissementen, waaronder Gotskowsky.170 (Hij viel flauw of kreeg een hartaanval en lag een halve nacht in zijn tuin totdat hij werd gevonden.) Frederik kon de economische omstandigheden niet verklaren en weet de moeilijkheden aan de onhandigheid van zijn onderdanen en terughoudendheid van zijn beamten.[Ingrid Mittenzwei, p. 141]

In 1767 probeerden Hamburgse kooplieden de rehabilitatie van De Neufville ongedaan te krijgen. Op 20 februari 1770 viel het vonnis; De Neufville ging in beroep bij het Hof van Holland. De boedel van Arent Joseph kwam op 5 mei 1771 onder de Boedelkamer. Dat de boedels van de gefailleerden onder de Desolate Boedelkamer kwamen te vallen en er vertraging ontstond in de afhandeling heeft in 1773 nog veel discussie opgeleverd.171 Dat hield verband met de beslissing de Boedelkamer in te schakelen bij de lokale autoriteiten of bij het gewest of de Staten lag.

In 1774 stierf zijn vrouw; zij werd begraven vanuit een pand op de Keizersgracht “bij de Groenlandsche pakhuizen“, waar in 1763 zijn goederen voor het merendeel lagen opgeslagen. Leendert Pieter de Neufville heeft zijn buiten Westermeer op 30 augustus 1775 en zijn bezit aan de Camplaan op 23 januari 1777 in Het Wapen van Heemstede publiek verkocht aan Johannes der Kinderen, schoolmeester, koster en voorzanger in de Heerlijkheid.172 Op 28 augustus 1777 moest De Neufville opnieuw voor de Desolate Boedelkamer verschijnen. Wat er daarna gebeurde kon De Jong-Keesing niet achterhalen en suggereert dat de Neufville misschien het land was uitgevlucht.173

Wat bleek het geval. In 1778 had Leendert de Neufville zich als zeepzieder gevestigd in de Hoogstraat in Rotterdam.174 175 176 In 1785 overleed zijn zoon Gerrit die, aangevoerd in een jacht, in de Nieuwe Lutherse kerk aan het Singel in Amsterdam werd begraven. In 1793 werd ook zijn dochter Elisabeth Catharina daar begraven. Bij beide is vermeld dat ze uit Rotterdam afkomstig waren.177 In 1797 gaf hij opdracht tot de verkoop van een huis in Zutphen, bewoond door zijn twee broers, die in het voorafgaande jaar, resp. op 3 februari en 3 december, waren overleden.178 (De weduwe van) Ds Jan Floris Martinet bleek hun buur te zijn geweest.

De Neufville moet tamelijk actief zijn geweest in de Delft of omgeving; het aantal akten op zijn naam is verbazingwekkend.179 Op 25 juli 1804 liet hij 96 schilderijen in Amsterdam veilen; de opbrengst was 8.500 gulden. De Neufville was een liefhebber van het werk van de toen hooggeachte Christian Wilhelm Ernst Dietrich.

File:1742 Dietrich Gemaeldekabinett anagoria.JPG
Schilderijenkabinet door Christian Wilhelm Ernst Dietrich (1742)
In 1805 is 75-jarige Leendert Pieter De Neufville hertrouwd met de 38-jarige Cornelia van Merckestein (1767 – 1839), afkomstig uit Dordrecht. De Neufville is op 30 juli 1811 begraven. Hij liet een minderjarig kind (Leonora) en twee meerderjarige kinderen (Pieter en Catharina) na. De moeder van de buitenechtelijk geboren Leonora (Rotterdam 1794 – Haarlem 1870) was Cornelia van Merckestein.180 De erfgenamen van De Neufville verklaarden voor de rechtbank te Rotterdam de nalatenschap te aanvaarden op voorwaarde van inventarisatie.181

De finale afwikkeling van zijn faillissement vond plaats in februari 1811, nog voor zijn overlijden. De laatste crediteuren kregen nog eens 1% uitbetaald.182

Spotprenten

  1. Digitale Stamboom Rotterdam
  2. Jonathan Bikker (2012) The hidden collection of the spectacularly bankrupt banker Leendert Pieter de Neufville, p. 196
  3. De financieele crisis van 1763 te Amsterdam (1907) door P. Hans Sz.
  4. Wisselruiterij wordt omschreven als het met oneerlijke bedoelingen trekken en doen accepteren van wissels waaraan geen reële transactie ten grondslag ligt. D.w.z. op de vervaldatum werden de wissels niet uitbetaald, maar vervangen door nieuwe wissels.
  5. S. Skalweit, Die Berliner Wirtschaftkrise von 1763 und ihre Hintergründe, p. 42; W.P. Sautijn Kluit, p. 30); W.M.F. Mansvelt (1922) De crisis van 1763 en de economische achteruitgang van Amsterdam (een discussie), p. ? In: Tijdschrift voor geschiedenis, ISSN 0040-7518, vol. 37 (1922), pag. 400-408; ; De Jong-Keesing, p. 68
  6. S. Skalweit, p. 41
  7. Schrötter (1909) Das Preussische Münzwesen im 18. Jahrhundert, p. 9, 13, 16, 38
  8. F. Schrötter Das Preussische Münzwesen im 18. Jahrhundert. III. Band, p. 11
  9. S. Skalweit, p. 45, 106
  10.  Wirtschafts- und Technikgeschichte Preußens door Wilhelm Treue
  11. L. Beutin (1933) Die Wirkungen des Siebenjährigen Krieges auf die Volkswirtschaft in Preussen, p. 279
  12. Die Lebensgeschichte des grossen Königs Friedrich von Preussen … Door Johann David Erdmann Preuss
  13. Resolutien van Holland
  14.  Johann Ernst Gotzkowsky. Kunstagent und Gemäldesammler im friderizianischen Berlin. Door Nina Simone Schepkowski
  15. L. Beutin (1933), p. 255-256, 264.
  16. H. Sieveking (1933) Die Hamburger Bank 1619 – 1875, p. 70-71. In: Festschrift der Hamburgischen Universität ihrem Ehrenrektor Herrn Bürgermeister Werner von Melle
  17. S. Skalweit, p. 45
  18. Allegorie op de bankroeten te Amsterdam door de wissel-windhandel, 1763
  19. Allegorie op de bankroeten…
  20. “Advertentie”. “Amsterdamse courant“. Amsterdam, 18-07-1750. Geraadpleegd op Delpher op 14-01-2016, Delpher Kranten
  21. Jong-Keesing, E.E. de (1939) De economische crisis van 1763 te Amsterdam, p. 97
  22. Jong-Keesing, E.E. de (1939), p. 117
  23. Transportakten Stadsarchief
  24. Doopregister Stadsarchief Amsterdam
  25. Begraafregisters Stadsarchief Amsterdam
  26. Vier eeuwen Herengracht door Mr H.W. Wijnman
  27. Het rusteloze bestaan van dokter Petrus Camper (1722-1789), p. 66
  28. Friedrich Karl Ferdinand (Braunschweig-Wolfenbüttel-Bevern) ging in 1759 over in Engelse dienst om de Franse legers uit het noorden en westen van Duitsland te verdrijven; Ferdinand (Braunschweig-Wolfenbüttel)en Karl Wilhelm Ferdinand (Braunschweig-Wolfenbüttel), de in Maagdeburg gelegerde “Generalfeldmarschall in preußischen und kurhannoverschen bzw. britischen Diensten” en de zwager van Frederik de Grote, komt het meest in aanmerking.
  29. L. Beutin (1933) Die Wirkungen des Siebenjährigen Krieges auf die Volkswirtschaft in Preussen, p. 255-256.
  30. Geldwertbewußtsein und Münzpolitik Das sogenannte Gresham’sche Gesetz im … door Ingeborg Meyer, p. 8
  31.  An essay on circulation and credit: in four parts; and a letter on the jealousy of commerce. From the French of Monsieur de Pinto, p. 119
  32. Extract uit het register der resolutien van de heeren Staaten Generaal, p. 13
  33. Extract uit het register der resolutien van de heeren Staaten Generaal, p. 11
  34. W. Prins (2011) Hume, genoemd. Een inventarisatie van Nederlandstalige reacties op David Hume, 1739-1800, p. 106.
  35. G. Steiner (1994) Drei preussische Könige und ein Jude. Erkundungen über Benjamin Veitel Ephraim und seine Welt, p. 35
  36. Schrötter (1909) Das Preussische Münzwesen im 18. Jahrhundert, p. 9, 13, 16
  37.  Geschichte des Brandenburgisch-Preussischen Staats von August Zimmermann (1846), p. 551
  38.  Der gerechtfertigte Ephraim, oder, Historische und beurtheilende Nachrichten …
  39.  K. Schneider, Zum Geldhandel in Hamburg während des siebenjährigen Krieges, p. 66-69
  40.  Fortgesetzter Codex Augusteus oder neuvermehrtes corpus juris Saxonici …
  41.  Friedrich der Grosse: Eine lebensgeschichte, Band 2 von Johann David Erdmann Preuss, p. 391
  42.  Über meine Verhaftung und einige andere Vorfälle meines Lebens von Benjamin V. Ephraim
  43.  Die Macht und das Imaginäre: eine kulturelle Verwandtschaft in der Literatur, p. 127. Editor(s): Rudolf Behrens, Jörn Steigerwald
  44. Wirtschafts- und Technikgeschichte Preußens door Wilhelm Treue
  45. S. Skalweit, p. 52
  46. The Opportunity of a Disaster: The Economic Impact of the 1755 Lisbon Earthquake ALVARO S. PEREIRA
  47. NA 10384/377, 27 april; 10284/489, 14 juni, not. B. Phaff
  48. R. Koser (1900) Die Preussischen Finanzen im Siebenjährigen Kriege, p. 179, 155
  49.  Annalen der Juden in den preußischen Staaten besonders in der Mark Brandenburg von Anton Balthasar König, p. 288
  50. Jong-Keesing, E.E. de (1939), p. 101
  51. Kwijtscheldingen Stadsarchief Amsterdam
  52. Johann Ernst Gotzkowsky. Kunstagent und Gemäldesammler im friderizianischen Berlin. Door Nina Simone Schepkowski
  53. L. Beutin, p. 264, 281
  54. In het stadsarchief bevinden zich op naam van L.P. de Neufville een tweetal notariële akten, die betrekking hebben op obligaties in Leipzig (looptijd tot 1764).
  55.  “Advertentie”. “Amsterdamse courant“. Amsterdam, 14-07-1761. Geraadpleegd op Delpher op 14-01-2016, Delpher Kranten
  56. “Advertentie”. “Amsterdamse courant“. Amsterdam, 29-07-1762. Geraadpleegd op Delpher op 14-01-2016, Delpher Kranten
  57. 13494. Au sieur de neufville, négociant à Amsterdam
  58. Overlaan
  59. Maandblad Amstelodamum (1935), p. 36
  60. J.G. van Dillen (1970) Van rijkdom en regenten, p. 602
  61. Ausführliche Beschreibung von dem Silber- und Kupfer Schmeltz-werk, von denen Ofen … aufgericht zu Muiden beij Amsterdam, Eigenthümer davon der Herr B.V. Ephraim, mit accuraten und vollständigen Rissen versehen durch Johann Heinrich Müntz, Archit. und Metallurg (1769-1770), p. ?; W.M. Zappey, Porselein en zilvergeld in Weesp, p. 198
  62. Mauricius refereerde aan de soortgelijke affaires met vermomde Hollanders in Zweden in 1662, die met De Geer en Trip wilden concureren; met Hendrik Carloff en de Zweedse (1657) en Deense Afrika Kompagnie (1659) en in 1682 over de Brandenburgisch-Afrikanische Compagnie, opgericht door de Vlissinger Benjamin Raule.
  63. Archief van de Burgemeesters: diplomatieke missiven van ambassadeurs, gezanten en residenten in het buitenland aan burgemeesters. 5027-8-100.11.8 Stadsarchief Amsterdam
  64. Schimmelmann was een textiel- en zijdehandelaar uit Demmin (een voormalige Hansestad in Zweeds-Pommeren), die zich eerst in Stettin en rond 1746 in Dresden vestigde. In 1755 pachtte hij de belastingontvangsten en in september 1756 wierp hij zich op als graanleverancier aan het leger, een lucratieve post. Frederik benoemde hem bovendien als Geheimrat. Na de Pruisische bezetting van Saksen kocht hij in december in Leipzig, Dresden en Meissen een grote voorraad buitgemaakt porselein op van Frederik de Grote, die hij het jaar daarop met succes liet veilen in Hamburg; hij schijnt een deel heimelijk teruggeleverd te hebben aan de Saksische koning.[202. Daniele Antonin (2014) Das weisse Gold, der Wittelsbacher – Zum Sammlungsbesitz des Meißener Porzellans der bayerischen Kurfürsten im 18. Jahrhundert, p. 157
  65.  Friedrich der Grosse: Eine lebensgeschichte, Band 2 von Johann David Erdmann Preuss, p. 445
  66. Johann Ernst Gotzkowsky. Kunstagent und Gemäldesammler im friderizianischen Berlin By Nina Simone Schepkowski
  67. Johann Ernst Gotzkowsky. Kunstagent und Gemäldesammler im friderizianischen Berlin By Nina Simone Schepkowski
  68. Geschichte eines patriotischen Kaufmanns, p. 146-147
  69. J.G. van Dillen (1922) De beurscrisis te Amsterdam in 1763. Tijdschrift voor geschiedenis, vol. 37, pag. 249
  70. Vaderlandsche historie
  71. Studies in the Economic Policy of Frederick the Great by W.O. Henderson
  72. L. Beutin, p. 278
  73. Lessons from the Seven Years War by Isabel Schnabel and Hyun Song Shin
  74. Studies in the Economic Policy of Frederick the Great by W.O. Henderson
  75. Johann Ernst Gotzkowsky. Kunstagent und Gemäldesammler im friderizianischen Berlin By Nina Simone Schepkowski
  76. Aerts, Erik (1992) Wisselruiterij in de Lage Landen. De wisselbrief op de Brugse geldmarkt tijdens de late middeleeuwen
  77.  Kann Kredit Sünde sein? Erschienen am 15. Jun. 2015
  78. Vervolg van de Wissel-styl tot Amsterdam … vervattende … wat … Door J. Phoonsen (1755). (Er is een derde druk van de “Wissel-styl tot Amsterdamuit 1737.
  79. L. Beutin, p. 280
  80. Johann Ernst Gotzkowsky. Kunstagent und Gemäldesammler im friderizianischen Berlin By Nina Simone Schepkowski
  81. S. Skalweit, p. 95-96
  82.  Wirtschafts- und Technikgeschichte Preußens Door Wilhelm Treue
  83. Studies in the Economic Policy of Frederick the Great Door W.O. Henderson
  84. Geldwertbewußtsein und Münzpolitik Das sogenannte Gresham’sche Gesetz im … Door Ingeborg Meyer, p. 18
  85. Gerhard Steiner: Drei preußische Könige und ein Jude. Erkundungen über Benjamin Veitel Ephraim und seine Welt, p. 27. Edition Hentrich, 1994
  86. Geldwertbewußtsein und Münzpolitik Das sogenannte Gresham’sche Gesetz im … Door Ingeborg Meyer, p. 17
  87.  Friedrich der Grosse: Eine lebensgeschichte, Band 2 von Johann David Erdmann Preuss, p. 437
  88. S. Skalweit, p. 84
  89. S. Skalweit, p. 41
  90. Die Finanzkrise des Jahres 1763 von Gerald Braunberger, in: FAZ
  91. The Historical Role of the European Shadow Banking System in the Development and Evolution of Our Monetary Institutions by Israel Cedillo Lazcano
  92. Responding to a Shadow Banking Crisis: The Lessons of 1763 Stephen Quinn and William Roberds
  93. Nierop, L. van (1936) Het dagboek van Jacob Bicker Raye (1732-1772), p. 225. Jaarboek Amstelodamum
  94. Commercialization and Politics by John Brewer, p. 215. In: The Birth of a Consumer Society. The Commercialization of Eighteenth-century England. Part II, Chapter Five.
  95.  Lessons from the Seven Years War
  96.  Responding to a Shadow Banking Crisis: The Lessons of 1763 by Stephen Quinn William Roberds, TCU/FRBA, 19 April 2012
  97. Augspurgische Ordinari-Post-Zeitung ; 1763
  98. S. Skalweit, p. 46
  99. Jong-Keesing, E.E. de (1939), p. 94
  100. Jong-Keesing, E.E. de (1939), p. 97
  101. Herberg de Vredenberg Twee eeuwen vertier
  102. Gezicht op de Hospitaalpoort door J. Spies (1795-1841)
  103. Common year starting on Saturday
  104. De macht van het familiekapitaal
  105.  Augspurgische Ordinari-Post-Zeitung ; 1763
  106.  Augspurgische Ordinari-Post-Zeitung ; 1763
  107. Confronting the National Debt: The Aftermath of the French and Indian War
  108. Augspurgische Ordinari-Post-Zeitung ; 1763
  109. De koopman, of Bydragen ten opbouw van Neêrlands koophandel en …, Volume 4
  110. Groot Memoriaal 12, f. 90
  111.  Stadsarchief Amsterdam, Groot Memoriaal 12, f. 90De Amsterdamsche Beurs in 1763 en 1773. Eene bijdrage tot de geschiedenis … door Willem Pieter Sautijn Kluit
  112. Geld in Amsterdam: Wisselbank en wisselkoersen, 1650-1725
  113.  Amsterdam, in zyne opkomst, aanwas, geschiedenissen, voorregten …, Volume 4 Door Jan Wagenaar
  114.  De koopman, of Bydragen ten opbouw van Neêrlands koophandel en …, Volume 4, p. 414
  115.  Beiträge und Materialien zur Beurtheilung von Geld- und Bank-Fragen: mit … von Adolf Soetbeer
  116. The Seven Years War by Daniel Marston.
  117. Schlesische Privilegirte Staats- Kriegs- und Friedens-Zeitungen 1763, August
  118. De Amsterdamsche Beurs in 1763 en 1773. Eene bijdrage tot de geschiedenis … door Willem Pieter Sautijn Kluit
  119. Vaderlandsche historie. Deel 23
  120. Augspurgische Ordinari-Post-Zeitung ; 1763
  121. S. Skalweit, p. 51
  122. S. Skalweit, p. 60
  123. Winfried Baer, Ilse Baer, Suzanne Grosskopf-Knaack (Hrsg.): Von Gotzkowsky zur KPM. Aus der Frühzeit des friderizianischen Porzellans. Arenhövel, Berlin 1986, (Ausstellungskatalog, Berlin, Staatliche Porzellan-Manufaktur Berlin, 17. August – 2. November 1986).
  124. Groot Memoriaal 12, f. 90
  125. J.G. van Dillen (1922) De beurscrisis te Amsterdam in 1763. In: Tijdschrift voor geschiedenis, ISSN 0040-7518, vol. 37 (1922), pag. 247
  126. Het wissel en wondertoneel, van den jaare 1763. Of Verzameling der
  127. W.P. Sautijn Kluit, p. 19
  128. S. Skalweit, p. 47
  129. Vaderlandsche historie
  130. De koopman, of Bydragen ten opbouw van Neêrlands koophandel en …, Volume 4, p. 415
  131. Der Tagesspiegel: Bare Münze
  132. Königliche Porzellan Manufaktur: Der Lohn der edlen Tat: das Herz einer Sächsin 16.04.2001 00:00 Uhr Von Andreas Conrad. In: Der Tagesspiegel
  133. Schlesische Privilegirte Staats- Kriegs- und Friedens-Zeitungen 1763, September
  134. Stadsarchief Amsterdam, inv. 5061-647, f. 39
  135. De Jong-Keesing, p. 108, 122
  136. Johann Ernst Gotzkowsky. Kunstagent und Gemäldesammler im friderizianischen Berlin. Door Nina Simone Schepkowski
  137. S. Skalweit, p. 88
  138.  Species facti wegen ‘t gebeurde van ‘t faillissement den gebroeders den Neufville, van denen na ‘t gebeuren van den oorlog in Duytsland voorgevallen, met de copien van alle de documenten & stukken toe relatief. Stadsarchief Amsterdam, inv. 5061-649, f. 93-98
  139. De financieele crisis van 1763 te Amsterdam door P. Hans Sz.
  140. Groot placaet-boeck, vervattende de placaten, ordonnantien ende edicten van … door Cornelis Cau
  141. Stadsarchief Amsterdam Inv. 5061-647. Schout en Schepenen
  142.  Schlesische Privilegirte Staats- Kriegs- und Friedens-Zeitungen 1763, September
  143. Augspurgische Ordinari-Post-Zeitung ; 1763
  144. De Jong-Keesing, p. 124
  145.  De financieele crisis van 1763 te Amsterdamdoor P. Hans Sz.
  146. Beschrijving van Nederlandsche historie-penningen
  147. S. Skalweit, p. 62, 90-91
  148.  Jong-Keesing, E.E. de (1939), p. 122
  149. W.P. Sautijn Kluit, p. 32
  150. W.P. Sautijn Kluit, p. 38.
  151. Jong-Keesing, E.E. de (1939), p. 76
  152. Amsterdamse grachtenhuizen
  153. Jong-Keesing, E.E. de (1939), p. 118
  154. Jong-Keesing, E.E. de (1939), p. 99
  155. Neufville, Christina Leonora de (1714-1781)
  156.  “Advertentie”. “Amsterdamse courant“. Amsterdam, 28-06-1760. Geraadpleegd op Delpher op 14-01-2016, Delpher Kranten
  157. J. Bikker (2012) The hidden collection of the spectacularly bankrupt banker Leendert Pieter de Neufville, p. 186
  158. Jonathan Bikker (2012) The hidden collection, p. 184
  159. Johann Ernst Gotzkowsky. Kunstagent und Gemäldesammler im friderizianischen Berlin By Nina Simone Schepkowski
  160. The Milkmaid by Johannes Vermeer by Walter A. Liedtke
  161. Reports of cases adjudged in the Court of Chancery of New-York: containing … Door New York (State). Court of Chancery. Court for the Trial of Impeachments and the Correction of Errors
  162. Jong-Keesing, E.E. de (1939), p. 125
  163. Jong-Keesing, E.E. de (1939), p. 123
  164. J.G. van Dillen, p. 607
  165. Catalogus van schilderyen van wylen de heer Pieter de Neufville
  166. J. Bikker (2012) The hidden collection of the spectacularly bankrupt banker Leendert Pieter de Neufville, p. 195
  167. Johann Ernst Gotzkowsky. Kunstagent und Gemäldesammler im friderizianischen Berlin By Nina Simone Schepkowski
  168. Johannes Vermeer
  169. “Advertentie”. “Leydse courant“. Te Leyden, 24-02-1769. Geraadpleegd op Delpher op 14-01-2016, Delpher Kranten
  170. Deutsche Digitale Bibliothek
  171. Nieuwe Nederlandsche jaerboeken of vervolg der …, Volume 8, Deel 1
  172. Overlaan
  173. Jong-Keesing, E.E. de (1939), p. 126
  174. Ingekomen brieven, familie Wesselman van Helmond. Regionaal Historisch Centrum Eindhoven 12002-109
  175. Staten van het Kwartier van Zutphen en hun Gedeputeerden. Resoluties van Gedeputeerden betreffende de collaterale successie Periode 1795-1797
  176.  Decreeten van de Provisioneele repræsentanten van het …, Volume 5, Part 1
  177.  Begraafregisters Stadsarchief Amsterdam
  178. Regionaal Archief Zutphen
  179. Archief Delft
  180. Digitale Stamboom Rotterdam
  181. Stadsarchief Rotterdam
  182. J.G. van Dillen (1922); (1970), p. 606

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *