Maximilien de Robespierre en het Schrikbewind

Maximilien-Marie-Isidore de Robespierre (Arras, 6 mei 1758Parijs, 28 juli 1794 of de 10e Thermidor van het jaar II) was een Frans advocaat, lid van de Nationale Conventie en lid van het Comité Salut public tijdens de Franse Revolutie. Hij trad op de voorgrond tijdens het Schrikbewind, en was gedurende 13 maanden verantwoordelijk voor een groot aantal arrestaties en slachtoffers van de guillotine. 

Portret van Robespierre uit 1786: olieverfschilderij op canvas door Pierre Roch Vigneron (1789-1872) naar een pasteltekening door Adélaïde Labille-Guiard, 1786, Versailles, Musée national du Château de Versailles

De legalistische Robespierre stond bekend vanwege zijn koele of kille ontvangsten en zijn sobere levenswijze in een achterhuis in de Rue Saint-Honoré 398. In tegenstelling tot Marat en Danton was Robespierre steeds onberispelijk gekleed en gekapt.1 Robespierre was een strakke denker, logisch en consequent, met een groot gevoel van eigenwaarde. Het achterhuis dat hij tot zijn dood bewoonde, hing vol met portretten van hem, naar alle waarschijnlijkheid het werk van zijn huishoudster en minnares Éléonore Duplay en haar moeder.2 Mirabeau, een der revolutionaire leiders van het eerste uur, had al in 1789 over Robespierre gezegd: “Deze man is gevaarlijk, want hij gelooft in alles wat hij zegt”.

Nadat Frankrijk in de zomer van 1793 tijdens de opstand in de Vendée uiteen dreigde te vallen, werd de republiek aan het einde van dat jaar op straffe wijze sterk gecentraliseerd. Robespierre duwde de federalistische girondijnen tegen de muur en stuurde de proto-communisten (de Hébertisten) naar het schavot.3 Robespierre was deïst – een gelovige zonder kerk – en pleitte na een golf van atheïsme in Frankrijk eind 1793 voor godsdienstvrijheid. Ook zijn standpunt inzake algemeen kiesrecht (voor mannen en vrouwen ongeacht hun inkomen), een progressief belastingstelsel en afschaffing van slavernij waren gebaseerd beginselen van volmaakte gerechtigheid en gelijkheid. 

Levensloop

Robespierre werd geboren als de oudste zoon in een vooraanstaande familie van Arras. Hij kwam ter wereld vier maanden nadat zijn ouders waren getrouwd. Zijn vader behoorde tot de ambtsadel en Maximilien is altijd het adellijke predicaat “de” blijven gebruiken. Hij had twee zusters en een broer Augustin. Nadat zijn moeder in 1764 was gestorven in het kraambed, raakte zijn vader in een depressie, waarna de zonen werden opgevoed door hun grootvader. Zijn twee zussen kwamen bij twee tantes en in een nonnenkostschool terecht. Maximilien blonk uit op school en kreeg op zijn elfde een beurs voor het prestigieuze Lycée Louis-le-Grand te Parijs. De stotterende Camille Desmoulins en de gefortuneerde Louis Marie Stanislas Fréron waren zijn schoolkameraden. In 1775 werd Maximilien gekozen om een gedicht te declameren toen de koning langs kwam, maar die achtte de jongen geen blik waardig en bleef in zijn koets zitten. 

Al jong werd Robespierre beïnvloed door de ideeën van de 18e-eeuwse denkers van de Verlichting, zoals Charles de Montesquieu en in het bijzonder Jean-Jacques Rousseau. Deze filosoof die in 1762 het Maatschappelijk Verdrag opstelde zou zijn ideologische leidsman blijven. Met Rousseau beschouwde Robespierre de volonté générale of de algemene wil van het volk als de grondslag van politieke legitimiteit. Na zijn juridische vorming (1781) keerde hij terug naar Arras om zich daar te vestigen als advocaat, zoals zijn vader en grootvader. Hij nam ontslag als rechter toen hij de doodstraf had moeten toepassen. Robespierre was lid van het plaatselijk dichtgenootschap en leerde daar Joseph Fouché en mogelijk ook Gracchus Babeuf kennen. Hij voerde het beginsel van gelijkheid van mannen en vrouwen en het recht van vrouwen om een deel van de academies van wetenschappen in. In 1783 verdedigde hij met succes een aanhanger van de Verlichting die een bliksemafleider op zijn huis had geinstalleerd en moest afbreken. In 1784 won hij een literaire prijs in Metz, samen met Pierre Louis de Lacretelle. In 1788 werd hij uitgesloten door zijn collega’s in Arras; hij werd beschuldigd van hebzucht en jaloezie.4

Begin 1789 publiceerde Robespierre zijn Oproep aan de natie van Artois, waarin het hele politieke, economische en sociale systeem werd geanalyseerd, bekritiseerd en opnieuw opgebouwd.5 De bestaande wetten konden een eerlijke vertegenwoordiging van de burgers niet garanderen. Op 5 mei 1789 ging hij als een van de elf afgevaardigden van Pas de Calais voor de derde stand in de Franse Staten-Generaal naar Versailles.[8] [Du 2 au 10 septembre 1792 : élection des députés à la Convention nationale] De Staten-Generaal werden voor het eerst weer sinds 1614 bijeen geroepen, om een uitweg te vinden uit de financiële crisis en de bestuurlijke onmacht van het land. Op 17 juni riep de Derde stand zich uit als de Assemblée constituante, dat zich als taak had gesteld een nieuwe grondwet op te stellen. 

De eerste jaren tijdens de Franse Revolutie

Op 9 juli 1789 werd Robespierre lid van de “Constituante”. Hij zou in dat jaar 25 speeches afleveren. Robespierre verklaarde noch monarchist, noch republikein te zijn.[9] Hij nam deel aan de opstelling van de “Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen”. Robespierre kwam op voor de rechten van protestanten, joden, negers en toneelspelers. Op 22 oktober 1789 verklaarde hij: Alle burgers zonder onderscheid hebben toegang tot alle niveaus van vertegenwoordigende functies.[10] In maart 1790 werd hij president van de Club der Jakobijnen in de Rue Saint-Honoré. Op 27 april 1791 protesteerde Robespierre tegen het privilege van de bourgeoisie wapens te dragen. … Gewapend zijn voor het vaderland is het recht van iedere burger ongeacht hun status of rijkdom.[11] (Een van de ideeen die van Rousseau heeft overgenomen.) Hij zette zich in voor de totstandkoming van de Franse grondwet van 1791 en verdedigde de belangen van het volk.[12] Robespierre was voor de afschaffing van marteling, de gelijkheid van de burgers voor de wet en de afschaffing van de zogenaamde “denkbeeldige misdaden” zoals homoseksualiteit of ketterij. Hij pleitte te vergeefs voor afschaffing van het celibaat zodat priesters konden trouwen.[13] Op 16 mei 1791 sprak hij zich uit tegen herbenoeming van de afgevaardigden in de nog te vormen Wetgevende Vergadering. Hij kreeg toen mogelijk de bijnaam “l’Incorruptible” (= “de Onomkoopbare”) vanwege zijn onwankelbare beginselen. 

Toen Lodewijk XVI in juni 1791 naar de vesting van Montmédy probeerde te ontvluchten, maar bij Varennes werd aangehouden, rezen de anti-monarchistische gevoelens in Parijs de pan uit. Robespierre was tegen het vetorecht van de koning die wetten kon tegenhouden, maar daarvan nog nooit gebruik had gemaakt. Hij werd benoemd als openbaar aanklager. De koning werd geschorst en kreeg huisarrest. Op 17 juli 1791 trok Robespierre in het achterhuis van de familie Duplay in de Rue Saint-Honoré. (Hij oefende een zekere fascinatie uit op de vrouwen.) Op 27 augustus 1791 augustus werd de Verklaring van Pillnitz door Pruisen en Oostenrijk aangenomen om Lodewijk XVI te steunen als hij nog meer bedreigd zou worden; een oorlog scheen onvermijdelijk. Nadat de koning in september de nieuwe grondwet had aanvaard werd Robespierre overladen met eerbewijzen. Zijn prestige en macht namen toe. Op 30 september 1791 werd de Constituante opgeheven. Aangezien Marat, Danton en Robespierre geen afgevaardigden konden zijn in de Wetgevende vergadering, zou de politiek zich vaker afspelen buiten de vergaderzaal. 

In april 1792 keerde Robespierre zich in de club der Jacobijnen fel tegen de oorlog met de andere Europese mogendheden, die zich tegen het revolutionaire Frankrijk hadden aaneengesloten; een oorlog waarop de gematigder en federalistisch gezinde fractie van de girondijnen en de koning en zijn vrouw met enthousiasme hadden aangestuurd. Robespierre nam stelling tegen Brissot, die oorlog propageerde om de aandacht van de bevolking af te leiden van de interne problemen. Robespierre werd beschuldigd heimelijk lid te zijn van het vermeende Oostenrijks comité. De markies de LaFayette, die zich graag opstelde als opperscheidsrechter, liet vanuit zijn legerpost weten dat de radicalen in Parijs gestopt moesten worden. De staat van beleg werd invoerd op 11 juli 1792. Robespierre liet steeds scherpere verklaringen opstellen om de afzetting van de koning te eisen. Op 7 augustus werd in de ministerraad geopperd Danton, Marat en Robespierre te arresteren als zij zich in de Club der Jacobijnen zouden bevinden.6 Op 9 augustus nam Robespierre deel aan de opstand van het gemeentebestuur, de “Parijse Commune van 1792“, dat zich tegen de Wetgevende vergadering keerde en de monarchie omver wilde werpen. Na de Bestorming van de Tuilerieën – een tweede revolutie na de Bestorming van de Bastille – is besloten tot nieuwe verkiezingen voor een Nationale Conventie. Danton werd minister van Justitie benoemd in de voorlopige regering. Robespierre is op 11 augustus als vertegenwoordiger gekozen van de commune.  Hij wilde geen post in de nieuwe regering. Op 13 augustus werd de koninklijke familie opgesloten in de Tour du Temple. Op 17 augustus is een buitengewoon tribunaal ingesteld om verraders van de revolutie te veroordelen. Op verzoek van Tallien zouden ambtenaren van de commune, die geen rechten hadden gestudeerd, als rechter kunnen worden benoemd. Op 19 augustus begon de invasie van het Pruisische leger en bedreigde de hoofdstad. Volgens Danton en Robespierre moesten de royalisten die over steun aan de vijand of capitulatie hadden gesproken, worden opgesloten. Op 27 augustus verscheen er een brochure dat er een complot was ontdekt om alle goede burgers van de hoofdstad (patriotten) te vermoorden in de nacht van 2 op 3 september.[Grande trahison de Louis Capet complot découvert, pour assassiner, dans la nuit du 2 au 3 de ce mois, tous les bons citoyens de la capitale, par les aristocrates et les prêtres réfractaires, aidé des brignads et des scélérats, détenus dans les prisons de Paris] 7 Op 28 augustus begonnen huiszoekingen bij de “vijanden van het volk”. Duizend verdachten werden opgesloten in de gevangenissen. De Assemblée ontbond de commune van Parijs en de secties op 30 augustus die zich te buiten waren gegaan.8 De machtsverhoudingen werden verstoord; Robespierre was niet langer bereid samen te werken met de Girondijnen. Op 1 september werd besloten dat de verkiezingen op de voor de Conventie door moesten gaan; op 26 augustus waren de kiesmannen gekozen om  tussen 2 en 10 september hun afgevaardigden te kiezen. (Alhoewel veel archiefmateriaal is verdwenen, lijkt de opkomst gemiddeld 15% en nergens meer dan 50% te zijn geweest.) Op zondagavond 2 september werden een groep priesters afgeslacht door de woedende bevolking. (Weerspannige priesters, die geen eed hadden willen afleggen op de ondergeschiktheid van de kerk aan de staat, hadden een termijn van twee weken gekregen om Frankrijk te verlaten.[19]) Bendes trokken vervolgens “spontaan” naar de gevangenissen om alle contra-revolutionairen uit te schakelen. Op 5 september waren de gevangenissen half leeg. Het is onduidelijk welk aandeel de leidende politici hadden in de Septembermoorden. Billaud-Varennes was een van de aanstichters, maar ook de namen van Robespierre en Marat worden genoemd, die de wil van het volk en uitbreiding naar de rest van Frankrijk hadden verdedigd.9 

Op de avond van 20 september werden de afgevaardigden in de Tuilerieën (Salle des Cent-Suisses) ontvangen. De wetgevende vergadering is de volgende dag opgeheven en vervangen door de Nationale Conventie en verplaatse zich naar “Salle de Manège”. (De Conventie bestond voor de helft uit juristen. Slechts twee handwerkers hadden een zetel kunnen bemachtigen?) De volgende dag is de Eerste Franse Republiek uitgeroepen; voor de revolutionairen tevens de eerste dag van de “gelijkheid”. Robespierre fungeerde in de Conventie als woordvoerder van de radicale fractie van de “Montagnards” die zich verbonden hadden met de Sansculotten.[14] Op 25 september werd de Republiek als “één en ondeelbaar” verklaard. Op 30 september verkondigde Robespierre: De monarchie is vernietigd, adel en geestelijkheid zijn verdwenen, het tijdperk van de gelijkheid vangt aan.[15] De registratie van huwelijken, geboorten en begravenissen werd aan de kerk onttrokken; de eerste echtscheidingswet werd ingevoerd. Op 25 oktober 1792 werd Robespierre voor het eerst beschuldigd van eerzucht en dictatoriale neigingen. Robespierre stelde in het debat: Men kan geen revolutie nastreven zonder revolutie.[16] Olympe de Gouges, die de Verklaring van de rechten van de vrouw en burgeres had geschreven, bekritiseerde hem.

Eind november verklaarde Robespierre dat een veroordeling van de koning “tot de dood” het enige middel was om de rust in Frankrijk te herstellen.[17] Op 11 december 1792 begon het proces tegen de koning, die ook over een zetel in de Conventie beschikte. Op 3 december nam Robespierre het standpunt van Saint-Just over. Victurnien Vergniaud stelde een volksraadpleging voor. Robespierre wees op het gevaar: de Republiek zou onnodig in opschudding worden gebracht. Bij de hoofdelijke stemming over het lot van de koning op 17 januari 1793, een zitting die 24 uur duurde, stemde Robespierre voor de doodstraf, echter als uitzonderlijke maatregel.[18]

Het schrikbewind

Robespierre met kniebroek en kousenbanden
In het machtsvacuüm begonnen de girondijnen een aanval op Georges Danton, een tegenstander van de Eerste Coalitieoorlog, die begon op 1 februari. Ook Robespierre en Marat waren tegen de oorlog en bekritiseerden de generaals en de girondijnen. Georges Danton en Jean-Paul Marat waren Robespierre’s belangrijkste medestanders, maar ze werden beschuldigd van het aangaan van een driemanschap. Het antwoord van de revolutionaire regering op de chaos was dat de staat moest worden verdedigd tegen de contrarevolutionaire krachten. (Frankrijk dreigde uiteen te vallen en half Europa keerde zich tegen het land.) Op 11 maart werd een Revolutionair Tribunaal ingesteld op initiatief van Danton, die een herhaling van de sadistische Septembermoorden wilde voorkomen. Generaal Dumouriez, die op 18 maart een nederlaag in de Tweede Slag bij Neerwinden had geleden, trok op naar Parijs om een staatsgreep te plegen. Dumouriez bracht de voorstanders van de oorlog in diskrediet toen hij overliep naar de tegenstander. Op 3 april zette Robespierre de aanval in op Jacques Pierre Brissot, de woordvoerder van de Girondijnen. Op 6 april is het “Comité van algemeen welzijn” in het leven geroepen, dat de oorlogvoering, de proviandering, de controle over het leger, de diplomatie en de naleving van de wetten op zich nam. Op 7 april werd Philippe Égalité, verdacht vanwege zijn connecties met Dumouriez, gearresteerd. Op 10 mei 1793 nam de Nationale Conventie haar intrek in de Tuilerien, dat omgedoopt werd tot Palais national en voorzien is van republikeinse symbolen. Op het platteland werd gerebelleerd door ultra-katholieken en koningsgezinden, die leidden tot de opstand in de Vendée. 31 mei lijkt voor sommige auteurs het begin van de Terreur. Op 2 juni werden 31 Girondijnen (met steun van de Parijse Commune) uit de Conventie gezet. Charlotte Corday, die op 13 juli erin geslaagd was Marat te vermoorden in zijn bad, gaf tijdens de ondervraging te kennen dat zij Robespierre als verdediger wenste. Op 8 juli werd Saint-Just lid van het Comité de Salut Public. 
 

Op de 9e Thermidor van het jaar I (= 27 juli 1793) werd Robespierre in plaats van Danton lid van het comité. Hij wist alle ogen op zijn persoon te vestigen en verwierf zoveel vertrouwen, dat hij overwicht kreeg. Robespierre werd na zijn intrede in het “Comité de Salut public” de belangrijkste figuur in heel Frankrijk.10 11 Op 1 augustus liet de “wezel met de scherpe tanden” Marie-Antoinette opsluiten in de Conciergerie. Van 22 augustus 1793 tot 5 september 1793 was Robespierre voorzitter van de Conventie. Op 24 augustus 1793 verbood het Comité van Openbare Veiligheid, dat verantwoordelijk was alles wat personen betrof, voor politie en justitie, alle aandelenvennootschappen en legde specifiek beslag op de activa en papieren van de Oost-Indische Compagnie.[5] Op 28 augustus werden de naamloze vennootschappen afgeschaft, op 8 september de banken en wisselkantoren gesloten. Tegelijkertijd werd een aanmeldingsplicht afgekondigd voor gouden sieraden en edelstenen, en alle private vorderingen in goud op het buitenland werden door de staat overgenomen tegen assignaten volgens de nominale koers.12 Op 4 en 5 september 1793 vielen de sansculotten de Conventie binnen. Ze eisten van de Conventie dat deze hardere maatregelen nam tegen de stijgende prijzen en de instelling van de Terreur ter bestrijding van de contrarevolutie. Het Revolutionair Tribunaal werd opgedeeld in vier secties waarvan steeds twee tegelijkertijd werkzaam waren. Op 17 september werd door het Comité van algemene veiligheid verklikken tot een plicht verklaard en werden er beloningen uitgeloofd. (Dat was ook al gebeurd op 14 februari en 4 mei 1793.13)

Robespierre, gesteund door Saint-Just en Couthon, voerde een schrikbewind (la Terreur) dat gebaseerd was op de “deugd“. Omdat hij bij de politici zelfverrijking, corruptie en verraad zag (of meende te zien), liep zijn ijver voor de “deugd” uit op terreur tegen allen die in zijn ogen onvoldoende ijver voor de revolutionaire beginselen aan de dag legden.[20] Ook buitenlanders (zoals Paine en Cloots) werden uitgesloten van een zetel in de Conventie. Het kwam aan op de zuivering van geheel Frankrijk, opdat het een echte republikeinse gemeenschap kon worden.14 De Terreur was voor hem niets anders dan de parate, strenge, onbuigzame gerechtigheid. 

However, the ‘Reign of Terror’, the infamous period of bloodletting with which Robespierre is associated, wasn’t unleashed until Year II (beginning September 1793) when the Convention passed a series of coercive laws that enabled the revolutionaries to “rule by iron those who cannot be ruled by justice”.15

Op 10 oktober 1793 werd de invoering van een Franse grondwet van 1793, die te mooi was om te worden toegepast, opgesteld door o.a. Hérault de Seychelles, Couthon en Saint Just, opgeschort tot na de vrede. In diezelfde maand begon het proces tegen Marie-Antoinette. Op 25 november 1793 werden de overblijfselen van Mirabeau op initiatief van Robespierre uit het Pantheon verwijderd toen bekend werd dat hij in zijn laatste maanden in het geheim had samengespannen met het hof van Lodewijk XVI. Paul Barras, die bij de bijziende Robespierre op bezoek ging en geen stoel kreeg aangeboden, schilderde hem af als een tijgerkat.[22] 

Op 5 oktober werd de revolutionaire kalender ingesteld; jaar I, dat was begonnen bij het uitroepen van de Franse Republiek, was al achter de rug. Burgerlijke feesten op de tiende dag moesten de zondag vervangen. Op 6 november verklaarde de Conventie dat iedere gemeente het recht had de katholieke godsdienst af te schaffen. ‘s Avonds werd in de Club der Jakobijnen fel van leer getrokken tegen de priesters. De aartsbisschop van Parijs, Jean-Baptiste Gobel, kreeg 300.000 pond aangeboden als hij zijn priesterbrevet de daaropvolgende dag in de Nationale Vergadering zou verscheuren.[23] Op 7 november 1793 deed Gobel, op initiatief van Anacharsis Cloots, samen met 14 van zijn priesters, en misschien de hele Parijse clerus, afstand van zijn ambt.[24] Zij trokken in het openbaar hun roomse gewaad uit. Dat werd beschouwd als het (gedwongen) afzweren van het christendom. De Notre-Dame werd de tempel van de rede. In de kathedraal werd niet meer een christelijke God, maar de Cultus van de Rede aanbeden. Op 10 november kwam het tot een orgie in de zijbeuken; Robespierre keurde de uitspattingen af.[25] In zijn redevoering op 21 november verkondigde hij dat als God niet bestond, deze uitgevonden zou moeten worden. Eind november waren alle kerken in de hoofdstad aan de Cultus van de Rede gewijd.[26] De Commune van Parijs bekrachtigde de sluiting van alle kerken. Op 7 december vaardigde Robespierre een besluit uit dat de vrijheid van godsdienst veilig stelde.[27] 

Eind oktober werden verschillende leden van het Comité van algemene veiligheid de provincie in gezonden om actief verzet tegen de Jacobijnen de kop in te drukken. Barras en Fréron gingen naar Marseille en Toulon, Tallien naar Bordeaux, Saint-Just en Lebas naar het Rijnleger, Augustin de Robespierre naar Italië, Carrier naar Nantes en Fouché en Collot-d’Herbois naar Lyon. (Napoleon Bonaparte werd bevorderd nadat hij Toulon op de Engelsen had heroverd.) Op 4 december kwam er een einde aan de zelfstandigheid van de departementen, een diep ingrijpende beslissing tegen de zelfstandigheid van de municipaliteiten en het federalisme. Vanaf die dag was de Nationale Conventie alleen het centrum van de regeringsmacht. Op 25 december 1793 hield hij een theoretische verhandeling in de Conventie gericht aan het Franse volk, waarin hij zich beklaagde. Hij kon hij niet te raadde gaan bij de 18e eeuwse politieke auteurs, want zij hadden een dergelijke gang van zaken niet voorzien. Hij verkondigde de anarchie en chaos tegen te gaan, zodat de vrijheid niet verloren ging. De buitenlandse vijand moest vernietigd worden; de binnenlandse vijand kon rekenen op haat.16 Vanwege de royalistische opstanden op het platteland nam het aantal executies in de maanden december ’93 en januari ’94 onder de boeren aanzienlijk toe. Saint-Just zei: “Alles wat er gebeurt, is verschrikkelijk, maar noodzakelijk.” Voor Robespierre waren er maar twee partijen: het volk en zijn vijanden. Robespierre nam een middenpositie in. Hij moest naar eigen zeggen twee klippen uit de weg gaan: het te weinig en het te veel. Van het radicale atheïsme (van Hébert) aan de linkerzijde moest hij weinig hebben. Atheisme was voor Robespierre een decadent, aristocratisch verschijnsel, onverenigbaar met de ware aard van het het door hem zo hoog geschatte volk. 

1794

Zelfportret van Éléonore Duplay, de dochter van zijn huurbaas in de Rue Saint-Honoré, huishoudster en vriendin van Robespierre,[28] pastel in het Musée Carnavalet

In januari 1794 raakte Robespierre in aanvaring met zijn vriend Camille Desmoulins, die het had opgenomen voor weerloze burgers die in de gevangenissen waren opgesloten als zijnde verdacht. Volgens Desmoulins moest er een comité van gratie worden ingesteld. (Zwarte handel en gebrek woedden vooral in de onzalige winter van 1793-1794. De gevangenissen zaten vol winkeliers.) De aanval van de extreem linkse Jacques-René Hébert op Desmoulins paste in het straatje van Robespierre.[29] Ook Robespierre vond dat het blad van Desmoulins verbrand moest worden. (Desmoulins had in december 1793 in zijn blad een aanval op de corruptie van de populist en demagoog Hébert geopend.) Op 4 februari van dat jaar bekrachtigde de Conventie het voorstel van Léger-Félicité Sonthonax om de slavernij af te schaffen. Een dag later verklaarde Robespierre een soort Nieuw Jeruzalem te willen stichten in Frankrijk. Voor F. Sieburg had zijn initiatief veel weg heeft van “democratische mystiek”.17[30] In februari 1794 was er geen enkele kerk in het gehele land meer beschikbaar voor de gebruikelijke religieuze erediensten. Op 26 februari werd besloten dat de goederen van personen die tot vijanden van de republiek waren verklaard, in beslag zouden worden genomen. 

Hébert, die na de dood van Jean-Paul Marat steeds radicaler was geworden en enkele van zijn buitenlandse vrienden, onder wie Johannes Conradus de Kock, raakten in ongenade. Zij kwamen op 24 maart aan hun einde onder de guillotine; ze werden beschuldigd van zelfverrijking, monarchisme of landverraad. Er waren mogelijk 400.000 mensen getuige van deze terechtstelling.

Robespierre raakte bovendien vervreemd van zijn vroegere strijdgenoot Georges Danton, die de terreur wilde afzwakken en de revolutie wilde een menselijker aanzien geven.[E.M. Janssen Perio, p. 228] Danton had evenals Desmoulins vrijlating geeist van alle verdachten die niet fanatiek genoeg waren geweest. Op 31 maart werden de toegeeflijken Danton en Desmoulin plotseling gearresteerd. Danton, in opspraak geraakt  vanwege de affaire bij de Franse Oost-Indische Compagnie, was een aristocraat en de personificatie van de ondeugd. 

Vervolgens kwamen de Cordeliers Desmoulins en Danton, die aan de Jacobijnen en de beslissingen van het Comité de Salut public twijfelden, aan de beurt. (Danton was 34, Desmoulins 33 jaar oud.) Danton werd beschuldigd van corruptie omdat hij niet alle uitgaven en inkomsten had kunnen verantwoorden. Tijdens de rechtzitting kreeg Danton brede steun vanuit het volk op de tribunes; de rechters werden bang. De gedaagden eisten het oproepen van getuigen en verzochten een commisie uit de Conventie samen te stellen om het proces te volgen. De aanklager Fouquier-Tinville vroeg het tribunaal de beklaagden die “de zitting in de war stuurden” tot de guillotine veroordelen.[33] De zitting werd verdaagd om meer bewijzen te zoeken tegen Danton. Volgens Saint-Just en Robespierre mocht Danton zijn proces nooit winnen om de republiek niet in gevaar te brengen. De vrouw van Desmoulins werd beschuldigd van een poging geld in te zamelen om haar man en Danton te bevrijden. Dat was voor Saint-Just genoeg bewijs om hen naar het schavot te sturen. Robespierre hield zijn mond. (Robespierre was niet alleen hun oudste vriend, maar ook de peetvader van de zoon van de Desmoulins. Haar zuster had bovendien een korte verhouding gehad met Robespierre, die niet geinteresseerd bleek. Hij bewaarde een afstandelijke gereserveerdheid [tegenover iedereen].18 ) Lucie Desmoulins werd opgesloten. Op de vierde dag werd de zitting gesloten; er zouden genoeg bewijzen zijn voor een monarchistische samenzwering. De veroordeelden kregen geen kans zich te verdedigen. De aangeklaagden werden uit de zaal verwijderd nog voor het vonnis was uitgesproken. Het tribunaal gebruikte niet alleen landverraad maar ook het gevangeniscomplot om de Terreur te versnellen.19 Bewust van zijn lot stelde Danton zijn benen ter beschikking aan Couthon, en zijn ballen aan Robespierre.20 (De viriele Danton had Robespierre in het verleden voor een eunuch uitgemaakt.) Op het moment dat de stoet veroordeelden het huis van Robespierre passeerde, zou Danton geroepen hebben: “Schurk, het schavot eist je op! Je zult mij spoedig volgen!”.[34] [35] De beul verbood Danton Hérault de Seychelles te omarmen, (dat kon wel in de mand). Desmoulin had grote moeite zijn lot te aanvaardden en verwenste Robespierre, het Comite van algemene veiligheid en het revolutionair tribunaal. Op 13 april 1794 werden de bisschop Gobel, twee generaals en de weduwen van Desmoulins en Hébert, n.b. op beschuldiging hun echtgenoten te hebben gesteund, geëxecuteerd. Iedereen was onder de indruk van het lot van de twee jonge vrouwen, 23 jaar oud. Nadat bijna ieder kopstuk was opgepakt, verwachtte men dat de revolutie zou zijn afgelopen. In het voorjaar van 1794 zat Robespierre steviger in het zadel dan ooit. Het gevaar bestond dat Robespierre zich nog meer zou isoleren en zich tot een Nero zou ontwikkelen.

Fête de l’Etre suprême op de Champs de Mars

Op 6 mei 1794 hield Robespierre volgens zeggen een van zijn beste redevoeringen over het Opperwezen en de onsterfelijkheid van de ziel.[36] “Het heelal is hier verenigd. O Natuur, hoe verheven en verrukkelijk is je macht! Hoe moeten de tirannen niet verbleken bij het idee van dit feest!” Omdat hij het christendom beschouwde als hopeloos aangetast door het oude bestel, propageerde hij een “rationele godsdienst”: een Eredienst van het Opperwezen, een ‘verlichte’ en deïstische staatsreligie. Op resp. 22 en de daarop volgende nacht werden aanslagen op Robespierre en Collot-Herbois verijdeld. Johan Frederik Rudolph van Hooff , lid van het Bataafs revolutionair comité, werd gevangengenomen, maar wist aan de dood te ontsnappen door een schrijffout in zijn naam. Robespierre liet zich ondertussen omringen door “body-guards”.21 Op 4 juni werd Robespierre tot voorzitter van de Conventie gekozen.

Op 8 juni 1794 ging hij voor in het grootse Feest van het Opperwezen op het Champ-de-Mars. Robespierre trad op als een soort hogepriester (c.q. paus) van de Cultus van het Opperwezen, de vervanger van de Cultus van de Rede. Hij had zich buitengewoon gekleed, met veren op zijn hoed, fruit en bloemen in zijn handen. Hij probeerde Onze-Lieve-Heer te spelen.22 In het amphitheater zaten de leden van de Conventie en 800 zangers en musici tot Robespierre op het laatste moment verscheen.23 De volgende dag werd Robespierre aangevallen door zijn collega’s over de te prominente rol die hij had gespeeld. 

Twee dagen later, op de 22e Prairial van het jaar II (= 10 juni 1794), werd een beruchte wet aangenomen in de Nationale Conventie bekend als La loi de la grande terreur, voorbereid door Robespierre samen met Georges Auguste Couthon. Verhoren van getuigen en verdediging door advocaten werden afgeschaft. (Het advies van het comité van algemeen welzijn, dat een jury van twintig leden had voorgesteld, is niet overgenomen; het begin van de moeilijkheden?) Deze wet vereenvoudigde de gerechtelijke procedures aanmerkelijk.[40] Wekelijks zouden 200 mensen worden geguillotineerd. Om het werk te bespoedigen zou een guillotine in de hal van de Conciergerie worden geplaatst, maar dat initiatief is teruggedraaid. 

Al of niet opzettelijk, vond de politiecommissaris bij Cathérine Théot, een 70-jarige krankzinnige vrouw, die zich de moeder van god noemde, een brief met de bewering dat Robespierre de zoon van het Opperwezen en de beloofde Messias was.[37] Barère stelde een samenvatting op schrift die veel hilariteit in de Conventie verwekte. Robespierre voelde zich belachelijk gemaakt en eiste dat het onderzoek naar Théot zou worden gestaakt. Al snel werd hij zich bewust van de vijandige stemming,[38] trok zich terug uit het comité en liet zich vanaf 13 juni nauwelijks meer zien.[39] Hij vond onderdak in Maisons-Alfort, 12 km buiten Parijs bij hem goedgezinde familie en wandelde meestal door de velden of langs de Marne met zijn Newfoundlander. Robespierre voelde zich miskend en onbegrepen. 

Fête de l’Etre suprême in de tuin van Tuileriën

De gerechtszaal werd verbouwd zodat er zestig personen tegelijk konden worden veroordeeld. (Binnen drie dagen werden 160 mensen veroordeeld.) Op 17 juni werden 54 personen ter dood veroordeeld, beschuldigd van het beraden van een aanslag op Collot d’Herbois en Robespierre.[41] In negen weken werden er 1285 personen tot de guillotine veroordeeld, veel meer als in de voorafgaande 14 maanden toen er 577 personen werden geexecuteerd. De guillotine werd verplaatst van Place de la Concorde naar Place de la Nation, want de aanwoners konden de voortdurende aanblik van de dood niet langer verdragen.24 (De winkeliers in de Rue Saint Honoré hielden hun luiken gesloten.) Bij de leden van de Conventie, maar vooral bij het comité van algemene veiligheid nam de onzekerheid toe. Zowel Robespierre en Saint-Just hadden in de laatste weken afstand genomen van de beide comités. Samen met Couthon en Saint-Just vormde Robespierre een soort triumviraat, onafhankelijk van de twee comité’s. 

Robespierre did not cease to be a democrat. But he thought that other things were more important – chief of which was the survival of the republic. Everything must be subordinated to that.15

Neergang en val

De val van Robespierre in de Conventie op 27 Juli 1794

Na de Slag bij Fleurus op 26 juni 1794 begon het tij zich nog meer tegen Robespierre en Saint-Just te keren. Saint-Just werd gesommeerd terug te keren naar Parijs. De Franse legers waren onder leiding van Jourdan in de omgeving van Brussel aan de winnende hand, zodat de noodzaak van een regime gebaseerd op terreur minder voor de hand lag. Het feit dat Robespierre c.s. op onvoorspelbare wijze, ter linker- en ter rechterzijde, echte en vermeende vijanden had uitgeschakeld, deed vrijwel alle leden van de Comité van algemene veiligheid vrezen dat zij bij de volgende rond slachtoffer zouden kunnen worden. Iedereen die de voortgang van de revolutie belemmerde kon worden opgesloten. Er waren afgevaardigden, zoals Joseph Fouché, Tallien en Barras, die elke nacht ergens anders sliepen. (Fouché was de belangrijkste tegenstander van Robespierre en bereidde een complot voor om Robespierre te onttronen. Fouché is uitgenodigd in de Club der Jacobijnen om uitleg te geven als het hoofd van de politie.) Zowel personen die aanvankelijk vurige voorstanders van de terreur waren geweest, als minder vurige revolutionairen van het midden sloegen de handen ineen.

Op 22 en 23 juli vergaderden de beide comités in een plenaire vergadering. Saint-Just stelde een rapport op en concludeerde dat de revolutie was vastgelopen. Hij verklaarde zich in onderhandeling met Bertrand Barère bereid om concessies te doen over de ondergeschikte positie van het comité van algemene veiligheid.[Albert Soboul, p. 345, 347] Ook Couthon was bereid tot meer samenwerking tussen de beide comités. Op 25 juli verscheen Robespierre plotseling in de Conventie. Robespierre hield op die snikhete dag een twee of drie uur durende toespraak waarin hij de Conventie beschuldigde van gematigdheid. Hij schoof de schuld van de uitwassen van de Terreur in de schoenen van de twee comité’s?26 Hij bestempelde zichzelf als slachtoffer.27 De leden van het Comité van openbare veiligheid waren betrokken in intrige hem tot val te brengen en het moest ondergeschikt blijven aan het Comité van algemeen welzijn. Robespierre stelde voor beide comités voor het licht te houden, daarmee een nieuwe zuiveringsgolf aan van de “monsters, schurken, verraders en samenzweerders” aankondigend. Het bleef opvallend stil in de zaal, niemand reageerde op op de oproep van Robespierre.[R. Cobb, p. 232] Vervolgens namen steeds meer afgevaardigden het woord, Robespierre en Couthon zouden hun motieven moeten uiteenzetten. Robespierre verontschuldigde zich en zei dat hij alleen was gekomen om misbruik aan de kaak te stellen, maar toen riep iemand: “Toon ons de deugd van de waarheid” en honderd stemmen riepen vanuit de Conventie “Namen noemen”. Robespierre verschoot van kleur en zakte ineen op een bank, bang dit keer niet te zullen winnen.28 Hij kon nog ter nauwernood worden weggeleid uit de zaal. Om vijf uur werd de zitting gesloten. 

De Conventie besloot de tekst niet te laten drukken alleen al om geen golf van verzet te ontketenen in de départementen. De rede van Robespierre moest eerst aan de twee comités worden voorgelegd. Robespierre herhaalde zijn rede ‘s avonds in de Club der Jakobijnen, waar hij nog steeds populair was en eindigde in een staand applaus.[Simon Schama (1989) Citizens, p. 842] Hij viel Collot d’Herbois aan, de voorzitter van de Conventie, die er min of meer voor gezorgd had dat besloten werd zijn rede niet zou worden gedrukt.29 Het was na middernacht toen hij zijn rede had uitgesproken. 

Collot d’Herbois dwong Saint-Just, die de vorige avond in de club had zitten schrijven, zijn rapport voor te lezen, maar die zei dat hij het weggegeven om het te laten corrigeren en aan te vullen.30 Saint-Just moest zijn zakken leegmaken en zijn notities laten zien.31 Collot d’Herbois werd bang dat Saint-Just enkel de namen van de beoogde vijf of zes tegenstanders behoefde toe te voegen. Hij besloot hem de volgende dag niet aan het woord te laten of zo te reageren dat hij niet te verstaan zou zijn.32

Robespierre overthrown during a Session of the Convention nationale (Max Adamo, 1870)

De volgende dag om elf uur ‘s ochtends begon de vergadering van de Conventie. De twee comité’s hadden die nacht gezamenlijk overlegd; het was alles of niets. Robespierre moest de volgende dag weggestemd worden. Toen Saint-Just aan zijn rede begon duwde Tallien hem van de verhoging. Hij werd beschuldigd de Conventie om zeep te helpen. Robespierre eistte de voortzetting, maar stikte bijna van woede en razernij in zijn eigen zinnen. Het spreekgestoelte werd voortdurend bezet, zodat ze niet opnieuw aan het woord kon komen. Robespierre en Saint-Just werd onder de neus gewreven dat ze niet in naam van de twee comités, maar nu enkel voor zich zelf spraken. Iedereen schreeuwde: “Weg met de tyran”. Tallien haalde zijn dolk te voorschijn. Ook het verhaal over Theot kwam op tafel? Plotseling kwam er een decreet om Robespierre, Saint-Just en Couthon te arresteren en in hechtenis te nemen dat unaniem is aangenomen.[43] Robespierre schreeuwde door de zaal dat de revolutie was verloren.33 Zijn tegenstanders hadden genoeg van de Terreur, maar belangrijk lijkt dat zij, die zelf geen schone handen hadden, hun eigen leven wilden redden.[44] 

Barras, Tallien en Fouché besloten om eerst de brigade-generaal (?) Boulanger, de commandant van de Nationale Garde François Hanriot, een sansculotte en de president van het Tribunal révolutionnaire René-François Dumas (en Lucien Bonaparte?), te arresteren.34 Om twee of vijf uur ‘s middags is alarm geslagen en is de Parijse Commune op de hoogte gebracht door toeschouwers van de gebeurtenissen. De opstandelingen werden naar vijf verschillende gevangenissen gebracht, maar de cipiers hadden ondertussen (van Hanriot?) opdracht gekregen niemand op te nemen.35 Dat Robespierre c.s. in de avond met steun van de Parijse commune van de gevangenis naar het stadhuis zijn gebracht, is het meest waarschijnlijk, maar de literatuur is uiterst onduidelijk. Toen de Conventie – in permanente zitting bijeen – had vernomen had de “opstandelingen” waren bevrijd, nam zij het besluit om Robespierre, Saint-Just, Le Bas en Couthon vogelvrij te verklaren. De motie werd snel aangenomen, zodat ook zij binnen 24 uur konden worden berecht. 

De arrestatie van Robespierre, die een pistool voor zijn mond houdt.

Wat volgde staat bekend als de machtsgreep van de 9e Thermidor van het jaar II (= 27 juli 1794), een jaar na zijn aantreden. Robespierre en zijn aanhangers hadden zich verschanst in het stadhuis om zich daar zo lang mogelijk te handhaven.[45] Het begon te stortregenen. (Robespierre wilde zich aanvankelijk in het huis van de burgemeester Fleuriot-Lescot verschuilen, sinds 10 mei voorzitter van de Parijse commune, maar die hem dwong naar het stadhuis te gaan.36 37) De sansculotten verwachten dat het einde van de Jacobijnse regering de vrijlating van de lonen zou bevoordelen en hielden hun steun achterwege.

De nacht van de 9e op de 10e Thermidor van het jaar II. Een soldaat lost een schot op Robespierre.

De conventie benoemde Barras als aanvoerder van een klein legertje man om Robespierre en zijn aanhangers in het stadhuis te arresteren.38 De orders van Hanriot behoefden niet langer te worden opgevolgd. Bij aankomst om twee uur ‘s ochtends kwam het tot een treffen op de tweede verdieping. Robespierre, die juist een handtekening op het papier wilde zetten, schoot zich een kogel door de mond – of werd getroffen door een kogel afkomstig van een gendarme – met als gevolg een gebroken onderkaak en een groot gat in zijn mond.39 Zijn broer Augustin sprong uit het raam en brak zijn beide benen op een berg afval. De kreupele Couthon trachtte te vluchten via een grote stenen trap, maar viel (uit zijn rolstoel?) met als gevolg een hoofdwond. Hanriot verborg zich in een schacht, die uitkwam op het riool en werd pas de volgende middag in een nabijgelegen binnenplaats gevonden? Le Bas pleegde zelfmoord. Alleen Saint Just kon ‘gaaf’ worden gegrepen, terwijl hij naar het schijnt onverstoorbaar met zijn pistool speelde. Om drie uur ‘s nachts werd de groep overgebracht naar de Conventie, dat vergaderde in het voormalige theater van de Tuileriën. Robespierre bracht de nacht door liggend op een tafel – met zijn hoofd op een broodtrommel – nadat hij was verbonden door een chirurgijn. (Het is onduidelijk waar de tafel stond opgesteld; iedere auteur lijkt een andere visie te hebben. Mogelijk in de hal van het comité van algemeen welzijn, dat vergaderde op de 2e verdieping van het Pavillon de Flore, een onderdeel van het Louvre.) Alle gevangen zijn uiteindelijk overgebracht naar de Conciergerie.

De executie van Couthon, Robespierre zit nog in de kar met een zakdoek voor zijn hoofd.

Op de 10e Thermidor om elf uur ‘s ochtends werden Robespierre, en 21 van zijn volgelingen, waaronder burgemeester Fleuriot-Lescot en de schoenlapper Simon, die op brute wijze de opvoeding van de jonge Lodewijk XVII op zich had genomen, voor het Revolutionair Tribunaal geleid.[46] Robespierre was niet meer in staat om te spreken. De gevangenen werden als groep veroordeeld volgens de door hun zelf opgestelde regels van de Wet van de 22ste Prairial. De aanklacht was in een wip gereed; de openbare aanklager behoefde enkel hun identiteit vast te stellen. Aan het eind van de middag werden de veroordeelden in drie karren geladen om een afstand van 2,5 km af te leggen.[48] De tocht duurde anderhalf uur. Om half zeven ‘s avonds bereikten ze de guillotine, die voor de gelegenheid naar de oude plek was verplaatst. De beul Samson scheurde zijn verband met een ruk af; Robespierre gilde van pijn. Nadat de bijl was gevallen en zijn hoofd aan de menigte was getoond, brak een luid gejuich uit.

Thermidoriaanse reactie

Een Franse spotprent: Robespierre onthoofdt de beul na heel Frankrijk te hebben laten guillotineren

De volgende dagen kwamen 81 of 83 aanhangers van Robespierre uit de commune en het stadhuis aan de beurt, de grootste van de Revolutie.[44] Toen werden de gevangenissen opengezet en royalisten, hébertisten, girondijnen en dantonisten bevrijd.[49]

De executie van Robespierre markeerde het eindpunt van de radicale fase van de Franse Revolutie. Vanaf 5 september 1793 tot de val van Robespierre kwamen in Parijs ruim 2.600[21] mensen onder het “nationale scheermes” terecht. De Conventie verloor in dertien maanden tijd 144 afgevaardigden; 67 werden geëxecuteerd, pleegden zelfmoord of stierven in de gevangenis. In heel Frankrijk waren naar schatting 17.000 personen onthoofd, in de meeste gevallen beschuldigd van federalisme, of royalisme, maar ook een dienstverband, vriendschap of familiebanden bleken voldoende om te worden onthoofd. (Sommige wetenschapers schatten het aantal arrestaties, alleen op verdenking van contrarevolutionaire activiteiten, op 300.000.) De mannen die op de 9e Thermidor de macht grepen, zouden – door de omstandigheden gedwongen – een veel behoudender koers gaan varen. Het stadhuis zou moeten worden afgebroken omdat het onderdak had geboden aan Robespierre.40 Het stoffelijk overschot van Rousseau werd op 15 oktober in een rode kist op een open wagen naar het Pantheon in Parijs vervoerd. De Club der Jakobijnen werd op 12 november gesloten. Er ontstond een Witte Terreur, zodat er nog honderden slachtoffers vielen, maar er kwam ook een veel liberaler beleid voor in de plaats. De schrijver en afgevaardige in de Conventie Sébastien Mercier, die tot de uitgave van het volledige oeuvre van Rousseau had meegewerkt en Thomas Paine, die beide eind 1793 werden opgesloten op beschuldiging van girondijnse sympathien, zijn vrijgelaten. Veel economische maatregelen die het volk moesten bevoordelen werden teruggedraaid. De maximumprijs op de levensmiddelen werd afgeschaft na een uitzonderlijk strenge winter. In april 1795 zijn de radicale Barère, Billaud-Varenne, Collot d’Herbois en Vadier opgezonden naar Guyana. De Nationale Conventie werd in oktober 1795 ontbonden. Na een tweetal oproeren begon op 1 november 1795 de periode van het Directoire, waarbij de burgerij het heft in handen nam.

Varia

  • Robespierre heeft met zijn schrikbewind weliswaar te veel persoonlijke vijanden gemaakt, maar zijn bewind heeft wel enig effect gehad. De republiek zat stevig in het zadel, nadat de koning en de koningin ter dood waren veroordeeld en het royalistisch of federalistisch verzet in de provincie was bedwongen.
  • Volgens Albert Soboul zou Robespierre zich te veel vereenzelvigd hebben met de sansculotten.[47]
  • Marie Tussaud, de oprichter van de beroemde wassenbeeldenmuseum, maakte na zijn dood een wasmodel van het hoofd van Robespierre. 
  • Het testament van Marie-Antoinette, dat bestemd was voor haar schoonzusje Madame Elizabeth, heeft nooit de geadresseerde bereikt en werd jaren later in de paperassen van Robespierre teruggevonden. In dit document vroeg zij haar kinderen de dood van hun vader en moeder niet te wreken.
  • Van de Sovjet-revolutionairen Trotski en Lenin staat vast dat zij de Franse Revolutie goed hebben bestudeerd, en dat ze beducht waren voor hun eigen ‘Thermidor’.
  • Romain Rolland schreef een toneelstuk getiteld Robespierre.
  • Bij de verkiezing van de grootste Fransman aller tijden eindigde Robespierre op de 72e plaats.
  • As Robespierre’s most recent biographer, Peter McPhee, argues, rather than thinking of Robespierre as the man who ruined the revolution, we should see him as a man that the revolution ruined.15

Bibliografie

  • Cobb, Richard & C. Jones (1988) The French Revolution. Voices from a momentous epoch 1789-1795
  • Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, 1789-1799
  • Janssen Perio, E.M. (1989) Vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kaïn en Abel
  • Madelin, L. (1932) De Franse Revolutie
  • Schama, S. (1989) Citizens
  • Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie
  • Sieburg, Friedrich (1961) Robespierre, terreur en ondergang. Utrecht/Antwerpen: Prisma-Boeken 665.
  • M.J.L. Adolphe Thiers (1823 – 1827) The history of the French revolution]
Bronnen, noten en/of referenties

  1. Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, 1789-1799, p. 147.
  2. Het tuinhuisje hing vol met portretten van Robespierre, misschien het werk van zijn huishoudster en minnares Éléonore Duplay en haar moeder. Zie Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, 1789-1799, p. 148.
  3. Vanwege die royalistische opstand nam het aantal executies in de maanden december ’93 en januari ’94 onder de boeren aanzienlijk toe.
  4. Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, 1789-1799, p. 113.
  5. Met Rousseau beschouwde Robespierre de volonté générale of de algemene wil van het volk als de grondslag van politieke legitimiteit.
  6. Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, 1789-1799, p. 42.
  7. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 99.
  8. De “Derde stand” omvatte destijds 25 miljoen Fransen, naast 130.000 leden van de clerus en 110.000 leden van de adel. De Staten-Generaal werden door koning Lodewijk XVI voor het eerst weer sinds 1614 bijeen geroepen, om een uitweg te vinden uit de financiële crisis en de bestuurlijke onmacht van het land.
  9. Redevoering in de Constituante in 1791: “DISCOURS SUR LA PEINE DE MORT” de Maximilien de Robespierre prononcé le 30 mai 1791 devant l’Assemblée constituante
  10. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 147.
  11. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 139.
  12. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 133.
  13. Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, 1789-1799, p. 71.
  14. Robespierre had ontbinding van de Assemblée Nationale geëist en werd initiatiefnemer tot de Conventie, een nieuwe volksvergadering die door mannen van 25 jaar en ouder werd verkozen.
  15. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 224.
  16. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 222.
  17. Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, 1789-1799, p. 118.
  18. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 229.
  19. Janssen Perio, E.M. (1989) Vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kaïn en Abel. Getuigenissen en documenten over de Franse Revolutie, p. 229, 164.
  20. Volgens Robespierre en zijn fanatieke geestverwanten had het woord “Terreur” overigens een positieve bijklank. Men verklaarde de Terreur “tot de orde van de dag”, noodzakelijk om de revolutie te doen slagen.
  21. Janssen Perio, E.M. (1989) Vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kaïn en Abel, p. 245 en 253
  22. Janssen Perio, E.M. (1989) Vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kaïn en Abel, p. 221.
  23. Janssen Perio, E.M. (1989) Vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kaïn en Abel, p. 237-238.
  24. http://www.gettyimages.nl/detail/113627014/Hulton-Archive
  25. Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, 1789-1799, p. 151.
  26. Janssen Perio, E.M. (1989) Vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kaïn en Abel, p. 217.
  27. Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, p. 148, 151.
  28. Hippolyte Buffenoir, Les Portraits de Robespierre, Ernest Leroux, 1910, p. 121
  29. Janssen Perio, E.M. (1989) Vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kaïn en Abel, p. 201.
  30. Janssen Perio, E.M. (1989) Vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kaïn en Abel, p. 228.
  31. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 207.
  32. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie II, p. 321.
  33. L. Madelin (1932) De Franse Revolutie II, p. 461.
  34. L. Madelin (1932) De Franse Revolutie II, p. 462.
  35. Janssen Perio, E.M. (1989) Vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kaïn en Abel, p. 236; Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, p. 167.
  36. Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, p. 170.
  37. Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, 1789-1799, p. 172
  38. L. Madelin (1932) De Franse Revolutie II, p. 480.
  39. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie II, p. 347.
  40. Janssen Perio, E.M. (1989) Vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kaïn en Abel, p. 245.
  41. Soboul, Albert (1979) De Franse Revolutie II, p. 327; L. Madelin (1932) De Franse Revolutie II, p. 483
  42. Janssen Perio, E.M. (1989) Vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kaïn en Abel, p. 255-256.
  43. Janssen Perio, E.M. (1989) Vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kaïn en Abel, p. 248-249.
  44. http://www.angelfire.com/ca6/frenchrevolution89/thermidor.html
  45. Robespierre en zijn volgelingen zijn van de Conventie naar het stadhuis gevlucht en daar ‘s nachts weggehaald.
  46. Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, 1789-1799, p. 176
  47. Soboul, Albert (1979) De Franse Revolutie II, p. 349-350
  48. Janssen Perio, E.M. (1989) Vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kaïn en Abel, p. 224
  49. Dowd, D.L. (1966) De Franse Revolutie, p. 143.
  1.  Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, 1789-1799, p. 147.
  2. Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, 1789-1799, p. 148.
  3.  Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, 1789-1799, p. 113.
  4. Marisa Linton (2013) Robespierre and Revolutionary Authenticity. In: Annales historiques de la Révolution française 2013/1 (No. 371)
  5.  Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie, deel I, p. 99.
  6. R. Cobb, p. 150
  7. L. Madelin, p. 336
  8. J. Israel (2017) Revolutionaire ideeën, p. 356
  9. J. Israel (2017) Revolutionaire ideeën, p. 362-363
  10. F. Sieburg, p. 64,65
  11. D.L. Dowd, p. 119
  12. F. Sieburg (1935), p. 71
  13. F. Sieburg (1935), p. 85, 87
  14. F. Sieburg, p. 107
  15. http://www.historyextra.com
  16.  Über Grundsätze und Mittel der Politik (25.12.1793)
  17. Friedrich Sieburg (1935/1961) Robespierre, terreur en ondergang, p. 25
  18. Albert Soboul, p. 347
  19. Albert Soboul, p. 345
  20. R. Cobb, p. 218
  21. Marisa Linton (2013) Robespierre and Revolutionary Authenticity. In: Annales historiques de la Révolution française 2013/1 (No. 371)
  22. F. Sieburg, p. 186?
  23. De koren waren van Étienne-Nicolas Méhul en François-Joseph Gossec, met teksten van de obscure Théodore Désorgues.
  24. F. Sieburg, p. 72
  25. http://www.historyextra.com
  26. Albert Soboul, p. 348
  27.  The history of the French revolution, by Marie Joseph L. Adolphe Thiers, p. 463 (1823 – 1827)
  28. F. Sieburg, p. 199-201
  29.  Madelin (1916), p. 422.
  30. R. Cobb, p. 230
  31.  The history of the French revolution, by Marie Joseph L. Adolphe Thiers, p. 468 (1823 – 1827)
  32. R. Cobb, p. 230
  33. Albert Soboul, p. 348
  34. Albert Soboul, p. 348
  35. L. Madelin, p. 492
  36. L. Madelin, p. 493
  37. D.L. Dowd, p. 135
  38. L. Madelin, p. 493, 495
  39. L. Madelin, p. 495
  40. R. Cobb, p. 234
  41. http://www.historyextra.com

8 total views, 1 views today