Septembermoorden

The September Massacres at the Salpêtrière
De Septembermoorden vonden plaats in Parijs van 2 tot 6, c.q. 9 september 1792. Gedurende vier dagen (honderd uur) trok een groepjes van ca 12-300  van de ene naar de andere gevangenis om tegenstanders van de Franse Revolutie uit de weg te ruimen. De gevangenissen waren aan het einde van de gebeurtenissen half leeg. 
 

Op 2 september telde Parijs 2.800 gevangenen in negen verschillende gevangenissen, waarvan 1.000 waren opgesloten sinds de bestorming van de Tuileriën op 10 augustus.[1] Circa 1.368 of 1458 gevangenen werden op sadische wijze afgeslacht, onder wie 30 aristocraten, 250 priesters en drie bisschoppen; 440 man zijn spoorloos verdwenen. Hun lot is niet geregistreerd.[2][3]

Van de slachtoffers op 2 september of later zouden 70% geen contra-revolutionairen of “schurken” zijn geweest, maar gewone gedetineerden, vervalsers van assignaten, vrouwen, adolescenten, kinderen of geestelijk gestoorden, die op verzoek van de familie waren opgesloten. De overigen waren aristocraten en geestelijken. Honderd gevangenen behoorden tot de Zwitserse garde,[4] 43 waren nog geen achttien.[5] Veertig prostitués, die niets met de revolutie te maken hadden, werden mishandeld en vervolgens vermoord.[6]

De moorden in Parijs waren op 6 of 7 september afgelopen, maar gingen in Reims, Caens, Charleville, Orléans en Meaux door. Er vielen op 9 september nog ca 44 slachtoffers in de buurt van kasteel van Versailles, waaronder twee voormalige ministers en een bisschop, negen wisten te ontkomen.[7] Ook in Lyon werden op diezelfde dag elf mannen vermoord. Er waren in totaal 75 incidenten in 32 van de 83 départementen.[40]

Context

Tijdens de Eerste Coalitieoorlog was Frankrijk betrokken in een oorlog met Oostenrijk en Pruisen en de de buitenlandse legers bedreigden Parijs. Die dreiging werd zo groot geacht dat op 11 juli 1792 de mobilisatie van de Nationale Garde werd afgekondigd: La Patrie en danger! (Het land in gevaar!). Op 1 augustus werd het manifest van de hertog van Brunswijk, van plan om Lodewijk XVI al zijn macht terug te geven en alle tegenstanders van de absolute monarchie te executeren, bekend gemaakt in Parijs.

Op 10 augustus werd de koninklijke residentie, de Tuilerieën, aangevallen door Sansculotten, leden van de opstandige Parijse Commune, die de vorige dag het wettige stadsbestuur had afgezet. Op 13 augustus werd de koninklijke familie opgesloten in het fort Tour du Temple. Op 17 augustus werd een voorlopig Revolutionair Tribunaal opgericht door de pas benoemde minister van Justitie George Danton “om de vraag naar rechtvaarigheid onder het volk te bevredigen”.[8] Robespierre bedankte voor de post als president.[Oeuvres, Band 2 von Maximilien Robespierre, Albert Laponneraye, Armand Carrel, p. 9] Vanaf die tijd vond een groot aantal arrestaties plaats onder de royalisten en geestelijken die niet bereid waren een eed af te leggen op een wet waarin geestelijken gewone burgers waren geworden (“Constitution civile du clergé”)

Het Pruisische leger had op 20 augustus bij Rédange de grenzen overschreden: Longwy capituleerde op de 26e en Thionville werd omsingeld. Op 27 augustus verscheen er een brochure dat er een complot was ontdekt om alle goede burgers van de hoofdstad (patriotten) te vermoorden in de nacht van 2 op 3 september.[9][10][11] Op 27 augusten werden de burgersslachtoffers van 10 augustus onder groot vertoon begraven, “tout-Paris” liep uit. Op die dag werd om wraak geroepen. Op 28 augustus om tien uur ‘s avonds begonnen op bevel van Danton de huiszoekingen naar wapens. Volgens Danton zou iedereen die weigerde zijn wapen af te geven of deel te nemen aan de strijd met de dood bestraft moeten worden.[12] Op 29 augustus werd een uitgaansverbod ingesteld dat drie dagen van kracht was. Op 30 augustus verbood de Wetgevende Vergadering de opstandige Parijse Commune; leden van de Commune zouden hun boekje te buiten zijn gegaan bij de huiszoekingen.[13] In de ogen van de Commune leek het een poging om het oude gemeentebestuur te herstellen. De Sansculotten voelden zich zeer waarschijnlijk verraden.[14] Danton was de enige die de zaak kon redden.

De machtsverhoudingen waren verstoord volgens Jonathan Israel; Robespierre was niet langer bereid samen te werken met de Girondijnen. Hij beschuldigde Brissot en Roland als “vijanden van het volk.[The French Revolution: From Enlightenment to Tyranny door Ian Davidson][15] Roland dacht erover Parijs te verlaten.[16] Op 1 september besloot de Législative dat de verkiezingen voor de Conventie op 2 september door moesten gaan? (Ze zouden tot 19 september duren.)

Op zondagochtend 2 september hielden Robespierre en Billaud-Varenne, zetelend in het stadhuis, een toespraak voor de commissarissen van de secties. Toen Danton binnenkwam met het nieuws over de val van Longwy leidde het tot paniek. Het gerucht ging dat de hertog van Brunswijk zich had voorgenomen in Parijs te dineren. Robespierre beschuldigde Brissot publiekelijk van een complot met Pruisen.[17] Danton riep patriotten op zich ‘s middags bewapend te verzamelen op de Champ de Mars. Hij riep op om deel te nemen aan de verdediging van Parijs. “Marat ried de vrijwilligers aan de hoofdstad niet te verlaten zonder eerst de vijanden van het volk hun gerechte straf te hebben doen ondergaan.”[18] Ook Marat beschouwde Brissot en Roland als verraders en verkondigde dat er een “nieuwe aderlating” zou moeten plaatsvinden; groter dan die op 10 augustus.[19][20] Voor Danton zou op dat moment de buitenlandse vijand belangrijker zijn geweest, dan de binnenlandse vijand. 

Samen met Danton was Billaud-Varenne een van de aanstichters, die ook uitbreiding naar de rest van Frankrijk propageerde. Bovendien zijn de namen van Marat, Hébert, Étienne-Jean Panis, Sergent-Marceau, Fabre d’Églantine, Pierre-Louis Manuel,  Stanislas-Marie Maillard genoemd, die verraders bestraft wilden zien of de wil van het volk verdedigden.1 Zij waren allen op een of andere wijze met de Cordeliers geaffilieerd. 

La prison de l’Abbaye

Om twee uur ‘s middags begonnen de kanonnen te bulderen.  24  priesters die de vorige dag waren opgebracht werden van het stadhuis naar de gevangenis Abbay gebracht niet ver van de Église Saint-Germain-des-Prés. De zes koetsen werden begeleid door fédérés uit Marseille en Avignon; 19 man werden op straat geëxecuteerd door “gespuis”. De commune zond een tweetal commissarissen, Pierre-Louis Manuel en Billaud-Varenne. De laatste bedankte het volk dat zijn plicht had gedaan en beloofde een financiële tegemoetkoming.[21] 

Een van de omstanders schreeuwde dat ze er allemaal aan zouden gaan als het vijandelijke leger eenmaal de stad binnen was; genade was niet op zijn plaats. De deurwaarder Stanislas-Marie Maillard vond dat het volk niet geremd moest worden en riep op naar de Karmelieten te gaan. Er had zich ondertussen een enorme massa mensen verzameld. Volgens Mme de Staël waren de straten vol toen ze in haar koets van de Rue du Bac naar het Hôtel de Ville werd opgebracht. Tussen vijf en zes uur ‘s middags werden 116 priesters met bijlen, pieken, zwaarden en pistolen zijn afgeslacht door 20 of 30 man met een tongval uit Marseille in tuin van het voormalige Karmeliter klooster, tijdelijk dienst doend als “opvangcentrum”. Ze waren daar opgesloten met de bedoeling dat ze naar Guyana gedeporteerd zouden worden. Ze werden gedwongen de eed af te leggen, op weigering volgde de dood. De geestelijken verborgen zich in het koor achter het altaar, trachten te ontsnappen door in de bomen en over de muren te klimmen, maar dat hielp meestal niets. Veertien man is het gelukt te ontsnappen. Een onbekend aantal  is zelfs  tijdig weggehaald. Zij genoten bescherming. Het aantal slachtoffers kan ook 160 hebben bedragen; de indruk wordt gewekt dat de cijfers naar beneden lijken te zijn bijgesteld.

Tussen zeven en acht uur ‘s avonds was de groep terug bij bij de gevangenis naast de Abbaye. De bloedige werkzaamheden werden hervat. Vanaf dat moment werd iedereen toegelaten, maar niemand mocht naar buiten zonder ondervraagd te zijn. Een volksrechtbank van twaalf man onder leiding van Maillard deed haar werk aan de hand van gevangenenlijsten. De voorzitter schijnt kort van stof te zijn geweest bij het ondervragen van opgesloten lijfwachten en aristocraten, maar een gemiddelde duur van het verhoor van twintig minuten is niet onwaarschijnlijk. Hij vroeg de gevangene waarom hij gearresteerd was. Een leugen was fataal. Dat betekende dat ze naar “La Force” werden gestuurd en achter de deur meteen geëxecuteerd. De terechtstellingen zijn de volgende dag vanaf tien uur ‘s ochtends tot maandagavond doorgegaan. De commissarissen van politie Panis en Sergeant gaven opdracht het bloed weg te spoelen, stro uit te spreiden, de lijken te tellen en af te voeren op karren onder het genot van wijn en het zingen van liederen. Waarschijnlijk vielen er 318 slachtoffers in de Abbaye.

Aan het einde van de middag trok een kleine groep naar de Conciergerie aan de Seine, waar nog eens honderd slachtoffers vielen, veelal Zwitserse gardisten, maar ook gewone veroordeelden. De executies duurden tot de volgende ochtend. Om elf uur ‘s avond was een groep aanbeland bij de Châtelet aan de overkant van de rivier, waar 223 veroordeelden zijn vermoord. De lijken werden langs de brug opgestapeld. Op een van de daarop volgende dagen is de gevangenis “La Force” bezocht; Jacques-René Hébert had daar de leiding over hooguit een dozijn mannen, met 65 slachtoffers als gevolg. Vervolgens is in het huis van bewaring Sainte-Pélagie, het klooster Saint-Bernard en het seminarie Saint Firmin huisgehouden. In de laatste twee instellingen vielen resp. 73 en 76 slachtoffers. Henriot had de leiding over de Sans-culotten die de seminaristen vermoorden. 
Le massacre des Carmes door Marie-Marc-Antoine Bilcocq (1830) Musée de la Révolution française
 

Het Salpêtrière, gelegen buiten de stadsmuren, bestemd voor geestelijk gestoorde vrouwen, kinderen en prostituées, was op 3 en 4 september het doel. Op 6 september werd het gesticht Bicêtre, nog verder buiten de stad gelegen, bestemd voor zwervers, mannen en jongens, waar volgens geruchten 8.000 geweren lagen opgeslagen, bezocht. Resultaat: ca 172 doden op de binnenplaats.

In de Bicêtre, La Force en de Abbaye hielden de terechtstellingen langer aan dan elders. Maria Louise van Savoye-Carignano, prinses de Lamballe, opgesloten in de vrouwenafdeling van “La Force”, had haar leven kunnen redden door een eed van haat af te leggen tegen de koning, de koningin en de monarchie, maar weigerde.[22] De hofdame van Marie Antoinette van Oostenrijk werd in een steeg vermoord? Haar hoofd is op een piek gezet en dwars door de stad naar de Tour du Temple gevoerd, de plek waar de koninklijke familie zat opgesloten.[23]

Receptie

Gedurende 42 dagen trad de Uitvoerende Raad, een voorlopige regering, met Danton en Roland als ministers, in een machtsvacuum op. Volgens Albert Soboul is het de periode van het Eerste Schrikbewind. Tegelijkertijd vonden ook de Verkiezingen voor de Franse Nationale Conventie 1792 plaats. (De opkomst was maar 10%.) De kiesmannen – de stemming was niet geheim – lijken te zijn geïntimideerd op 3 (?) september; ze waren uitgenodigd in de club der Jacobijnen te komen stemmen in plaats van in het aartsbisschoppelijk paleis,[The French Revolution: From Enlightenment to Tyranny door Ian Davidson ] terwijl de lijken van de slachtoffers in rijen opgestapeld lagen op de Pont au Change.[24] De toekomstige Conventieleden zouden volgens Gautherot wel degelijk onder de indruk zijn geweest van de realiteit van de dreigementen.[25] De Montagnards zouden (in de 48 secties) 22 van de 24 beschikbare Parijse zetels behalen.[26]
De Pont au Change geschilderd in 1756 door Nicolas-Jean-Baptiste Raguenet
 

Robespierre hield zich vanaf 26 augustus bezig met de verkiezingen. Hij sprak tussen 30 augustus en 2 september iedere dag de Commune toe. Robespierre geassisteerd door Collot d’Herbois en Billaud-Varenne lieten Madame de Stael die de stad wilde ontvluchten, pas ‘s avonds laat gaan.[27] Robespierre en Desmoulins lieten ook een voormalige leraar van hun Lycée vrijuit gaan. Op 3 september stelde Robespierre voor om royalisten, Feuillants, etc. uit te sluiten als zijnde verkiesbaar. Het voorstel is door de kiescommissie aangenomen.[28] Op 25 september werden de raadsleden van Parijs aangewreven in de Conventie een dictatuur te willen installeren. Ze werden beschuldigd brandstichter, dieven en moordenaars te zijn. Het regiment uit Marseille, dat ook actief was op 10 augustus, gebruikte het klooster van de Cordeliers als onderdak. Ze zouden volgens Robespierre van hun ouders sabels, geweren, pistolen en  een assignat van 1000 of 500 livres hebben gekregen.[Oeuvres, Band 2 von Maximilien Robespierre, p. 118] Het is mij niet helemaal duidelijk waarom Robespierre een dergelijk dubieus en merkwaardig detail vermeld. 

Had het te maken met de radicalisering sinds 10 augustus? Een regiment van achthonderd Fédérés, afkomstig uit Marseille, had een groot aandeel in de bloedige gebeurtenissen op die dag. Volgens de hypocriete Robespierre hadden de Fédérés geweren, sabels en pistolen en geld van hun ouders gekregen.[Oeuvres, Band 2 von Maximilien Robespierre, p. 118] Volgens de Franse historicus Louis Blanc hadden zij die gekregen van de hoofden van de politie Panis en Sergent-Marceau.[L. Blanc () p. ?] Bij de bestorming van de Tuilerieën had de Zwitserse Garde opdracht gekregen te schieten op iedereen die zich op de binnenplaats bevond. Dat leverde vanzelfsprekend wilde taferelen en na afloop grote verontwaardiging op. Leden van de Zwitserse Garde, die aan het einde van de dag niet waren afgemaakt, werden opgesloten in de Abbeye. Dat moeten zo’n ca honderd man zijn geweest. De Fédérés, die de dag hadden overleefd, werden ondergebracht in het voormalige klooster van de Cordeliers volgens Robespierre in zijn nagelaten Oeuvres. Dat zou om een groep van 300 man gaan, die uit zou kunnen zijn geweest om de dood van hun vrienden te wreken op iedereen die betrokken was bij het ondersteunen van het Ancien Régiem. Sommige historici gaan wel degelijk uit van een gecoordineerde actie. De hoofd van de politie namen de veroordeelden hun geld af en zouden dat hebben overgedragen aan de Commune of de moordenaars daarmee betaald hebben. 

Roland schreef 3 september een circulaire aan de openbare aanklagers, om de rust in Frankrijk te herstellen.[29] Jean-Paul Marat opperde Roland van zijn post te ontheffen en Brissot te laten opsluiten, maar Danton gaf daartoe geen toestemming (hetgeen hem later, tijdens zijn proces, nog onder de neus zou worden gewreven).[30] Op 4 september zou in de club van de Jacobijnen de beslissing genomen zijn de monarchie af te schaffen. Getuigen meldden dat Panis, een van de leiders van de Septembermoorden, iedere ochtend bij Duplay, c.q. Robespierre binnenging om bij nieuwe orders op te halen?[31] Tallien stuurde op 3 of 5 september een circulaire naar de départementen met de aanbeveling tegen contra-revolutionairen “dezelfde middelen toe te passen, zo noodzakelijk voor het algemeen welzijn”.[32] Van 4 tot 18 september liet Robespierre zich nauwelijks zien.

De autoriteiten wisten dat er voor 1 september werd gespeeld met de gedachte de gevangenen te vermoorden. De Assemblée Legislative, burgemeester Pétion, de Commune, RobespierreDanton, de bierbrouwer Antoine Joseph Santerre, hoofd van de Nationale Garde en Roland, de minister van Binnenlandse Zaken) hadden het bloedbad kunnen stoppen. Ze hebben hun ogen te hebben gesloten, zagen het als noodzakelijk of wisten niet hoe ze moesten reageren op de lynchpartij. Danton vond volgens Madame Roland: “Zij moeten zichzelf maar redden.”[33] Op 10 september sprak Danton de karavaan uit Versailles toe, niet als minister van justitie, maar als minister van het volk. Olympe de Gouges en de krant van Jacques Pierre Brissot waren de enige die de Septembermoorden veroordeelden, maar ook de Girondijnse politici werden na hun val in juni 1793 beschuldigd niet genoeg ondernomen te hebben.

Een drietal gevangenen is tijdig vrijgelaten. Zij werden beschermd door Danton, Robespierre, Manuel of de Wetgevende Vergadering.[34] Ook Madame de Staël wist te ontkomen aan het bloedbad, beschermd door Manuel en Tallien. Ze had op 1 september nog een tweetal vrienden weten vrij te krijgen.[35]

Op 29 oktober 1792 hield de Conventie een “nabeschouwing”;Jean-Baptiste Louvet de Couvray nam de leiding en beschuldigde Robespierre.[36] Brissot beschuldigde de Commune van de gruwelijkheden. Robespierre was uit het veld geslagen en werd verdedigd door Danton. Robespierre kreeg acht dagen om zijn antwoord voor te bereiden. Op 5 november verklaarde hij dat Marat vanaf januari maar één keer bij hem langs was geweest. Hij probeerde de schuld in de schoenen van Brissot te schuiven.[The French Revolution: From Enlightenment to Tyranny door Ian Davidson ] Robespierre, Danton en Marat hielden vol dat de “nieuwe aderlating” een spontane volksbeweging was geweest.[37] Hun tegenstanders (de Girondijnen) spraken van een systematisch geplande samenzwering.[39] Marat, die in de Conventie meer vijanden dan vrienden had, stelde voor een andere locatie te zoeken voor de Conventie, zodat er 4.000 toeschouwers plaatsen konden nemen op de tribunes om hun voorkeur duidelijk te kunnen maken.[38] (In Versailles was plaats geweest voor 3000 toeschouwers.)

Er is geprobeerd tenminste Danton van alle blaam te zuiveren.[41][42] Ook de historicus Jules Michelet poogde de moorden te minimaliseren, of te vergoelijken. Hij vermeldde evenwel dat bijna alle de slachtoffers kwaad berokkend hadden aan Frankrijk en sprak van een vreselijke rechtspleging (terrible justice).[43] Winock vermoedde wel een doel en een zekere mate van coördinatie.[44] Robert Lindet, een gematigd lid van de Comité van algemene veiligheid, schreef in 1801 dat er geen sprake was van een volksbeweging, en dat alles vooraf beraamd was.[45] Op zondagmiddag stuurde de cipier van de Abbaye zijn vrouw en kinderen weg en de gevangenen kregen hun maal twee uur eerder dan gewoonlijk. Natuurlijk eisten ze een verklaring.[46]) Ook Madame de Staël schreef dat er al 31 augustus geruchten waren gevangenen te vermoorden.[47]

  1. J. Israel (2017) Revolutionaire ideeën, p. 362-363

23 total views, 2 views today