Bloemgracht 65a-71

Een huisonderzoek

Detail van de de kopergravure van Balthasar Florisz. van Berckenrode 1625. De vier huizen in het midden betreffen waarschijnlijk Bloemgracht 65a-71

De Bloemgracht is mogelijk de oudste gracht van de Jordaan die al in of voor 1615 verkaveld werd. In 1615 was er weinig bebouwing, in 1625 deels, maar rond 1640 was er duidelijk meer activiteit op de gracht. Vooral lakenververs hadden zich er gevestigd, want op 10 oktober 1623 namen de burgemeesters het besluit om de bestaande ververijen aan de oostkant van de Kloveniersburgwal te verplaatsen naar de Bloemgracht en omgeving. De zuidzijde van de Bloemgracht werd toegewezen aan de Blaeuverwersen de noordzijde aan de Couleurverwers.

Gillis Thonisz.

De lakenkoper Gillis Thonisz. was een van de eerste eigenaren van de betreffende kavels of percelen, maar hij had niet lang plezier van zijn bezit. Hij was al om op 7 januari 1615 genoodzaakt op een executieveiling twee erven met de nummers 4 & 5, gelegen op de Bloemgracht te verkopen. De erven waren 110 voet (30,83 m) lang en 19 voet (5,33m) breed. Ze liepen van voor van de “Bloemburgwal” tot achter aan de Bloemstraat.

Marten Codde

IMG_0014-1
De verpondingskohieren, een 17e eeuws belastingregister op onroerend goed, geven aan dat Codde in 1647-1650 een pakhuis op de Bloemgracht in zijn bezit had met zeven achterhuisjes.

De lakenkoper Marten Codde kocht de twee erven van zijn collega, de hierboven genoemde Gillis Thonisz. Codde (1581-1650) was afkomstig uit een voornaam Amsterdams en katholiek geslacht. Hij woonde in de Kalverstraat op de hoek van de Papenbroeksteeg, in het huis genaamd de Twee groene Coddes (= Knotsen) (Dudok van Heel, S.A.C. (2008), p. 15.). Codde trouwde in 1628 met de weduwe Nicoletta Doudenssen.

Het Amersfoortse Pispoortje, niet ver van de Koppelpoort, werd in 1645 gebouwd in opdracht van de Marten Codde, aan wie in 1640 het Sint Agathaklooster (waar het poortje achter lag) verkocht was. Codde begon in het klooster een lakenmanufactuur samen met zijn broer Rudolf en Willem de Leeuw. Codde was bepaald niet armlastig en  bezat hoeve’s bij Soest en Zeist en bij Hilversum tussen de Hollandse Rading en de Gravelandse vaart.

Het valt niet mee om uitspraken te doen over de panden Bloemgracht 65a-71 in de de 17e eeuw, want er zijn relatief betrekkelijk weinig belastingregisters bewaard gebleven. Niettemin is er veel informatie over de familie Calkoen bewaard gebleven, die een eeuw lang een aantal naast elkaar gelegen panden op de Bloemgracht in handen had.

Arent Calkoen

Arent Calkoen werd geboren in 1602. Hij was de oudste  zoon van Jan Willemsz, afkomstig uit de Kring van Dorth. De doopsgezinde Jan Willemsz. trok met zijn vrouw, Annetje Temminck en haar zoon Hendrick de Graef uit een eerder huwelijk, naar Amsterdam. Jan Willemsz. begon een lakenververij in de Sint Barberenstraat, in een voormalig klooster, dat mogelijk door de stad gratis ter beschikking was gesteld om de werkgelegenheid te verbeteren. Arent Calkoen groeide op langs de Oudezijds Voorburgwal, hoek Sint Barberenstraat waar de lakenververij “de Blauwe Calkoen” was gevestigd. In 1629 sloot Calkoen een contract met twee kooplieden uit Culemborg om vijf jaar lang allerlei soorten blauwsel te leveren.

De familie “Calkoen” verhuisde tussen 1625 en 1631 naar een pand in de Niezel, toen een voorname straat, waar ook de familie Bickers, Boelens en de Graeff woonden. Op 23 juli 1628 was Arent Calkoen een van de vele ondertekenaars van de petitie voor wettelijke erkenning en vrije godsdienstuitoefening voor de remonstranten. De familie Calkoen behoorde nog niet tot de officiële kerk en werd daardoor beperkt in haar bestuurlijke en politieke invloed.

hans-tul3
Detail uit het belastingregister van 1631, folio 130v. Arent Jansz. Calchoen en zijn moeder Aeltije Temmincx worden aangeslagen voor 10 en 15 gulden. N.B. Vijf gulden was de ondergrens.

De lakenhandelaar of –verver Arent Calkoen (1602-1660) trouwde in 1626 met Ida Harweijer of Herweijer (1600-1645),  een dochter van de goudsmid en juwelier Thomas Harweijer (†1609), die lidmaat was van de doopsgezinde gemeente der Oude Vlamingen. Zijn nalatenschap bestond voornamelijk uit edelgesteente, ringen en juwelen.

Het echtpaar Calkoen-Harweijer kreeg de volgende kinderen: Johannes (1626-1683), Lysbeth (1630), Sara (1633), Assuerus (1636-1705), Thomas (1640-Batavia 1666) en Aaltje (1644/5) .

In 1645 stierf Arends vrouw, die vlak voor haar dood bij testament had bepaald dat hij, als weduwnaar kon blijven wonen in het pand op de Bloemgracht (71) tot zijn hertrouwen.  In 1649 liet Arent Calkoen zich samen met zijn jongere broer Claes als poorter of ingezetene registreren.

Op 6 juli 1651 kocht Arend Calkoen voor 11.900 gulden de lakenbereiderij de Twee groene Kodden van de erfgenamen van de eerder genoemde Marten Codde. (Arent Calkoen verhuisde toen van Bloemgracht 71 naar 69). Pas op 8 augustus 1651 liet Calkoen zich remonstrants dopen in de “kerkekamer”. De meest waarschijnlijke reden is zijn hertrouwen in 1652 met de weduwe Johanna Margaretha de Bosch (Goch, 1613-). De kinderen uit zijn eerste huwelijk zouden elk 2.500 gulden erven van hun moeder. In 1653 werd hun halfbroer Petrus gedoopt in de Remonstrantse schuilkerk op de Keizersgracht, nu de Rode Hoed, een debatcentrum.

Arent Calkoen liet op 19 augustus 1660 de notaris langs komen toen hij ziek op bed lag in zijn huis aan Bloemgracht (69). Hij stierf drie dagen later; zijn broers Willem, goudsmit in de Sint Antoniesbreestraat en Claes, lakenkoper op de Herengracht waren een paar uur eerder tot voogden over de onmondige kinderen benoemd. Arent was  doodziek en ondertekende met slechts een krabbel. Het ligt voor de hand dat elk van de kinderen eenvijfde part van de lakenververij op de Bloemgracht erfde.

Aswerus Calkoen

Niet de oudste zoon, maar Aswerus werd de opvolger van zijn vader. Aswerus Calkoen liet zich op 25-jarige leeftijd dopen in de Nieuwe Kerk. Dit betekent dat hij zich niet langer verbonden voelde met de Remonstranten. Vervolgens trouwde hij een week later in Leiden met Jannetje of Johanna Adams (1633-1704). Haar ouders waren overleden en haar oom en voogd was Herman Claesz. van Streijen, de buurman op de Bloemgracht. Het is niet echt duidelijk of Strijen was, lakenverver was, maar in 1656 fungeerde hij als zaakwaarnemer van Rijklof van Goens, de admiraal die Ceylon zou veroveren op de Portugezen.

In 1666 werd Arent Calkoen gekozen tot één van de zes hoofdman van het lakenverversgilde, dat in 1665 was opgericht. In 1670 werd bepaald dat de lakens eerst behoorlijk geblauwd moest worden, alvorens over te gaan tot het zwartverven. De lakens werden twee keer gekeurd door de staalmeesters, zowel voor- als na het zwartverven.

Normaal ontstaat de zwarte kleur door de wol eerst blauw te kleuren en daarna een rood bad te geven. Maar hetzelfde resultaat was ook mogelijk door de lakens direct met galnoot, berendruif of boomschors te verven, wat veel goedkoper was. Blauwverven was veel moeilijker en arbeidsintensiever dan roodverven. Dat was duidelijk merkbaar in de kostprijs. Zwarte stoffen waren zelfs duurder vanwege de combinatie van blauw- en roodverven. Zwart was de kleur bij uitstek waarmee de verver kon frauderen. De stedelijke overheid probeerde zoveel mogelijk toezicht te houden door de lakens te keuren en een lakenlood toe te kennen. Zonder dit keurmerk mocht het laken niet verhandeld worden.

Op 1 januari 1667 kocht Aswerus 1/5 part van een erf met woonhuis (Bloemgracht 69) en vijf achterwoningen van zijn zwager Willem Schagen, een goudsmid, die in betalingsmoeilijkheden verkeerde. De 24-jarige Willem Schagen was in 1665 getrouwd met de 20-jarige Aeltje Calkoen.

Op 5 oktober 1679 kocht Aswerus voor 3.400 gulden van Johannes Streijen, de enige zoon en erfgenaam van Harmen Claesz Streijen een huis, genaamd Haarlem en erf, gelegen aan de zuidzijde van de Bloemgracht (no. 67?) Johannes Strijen was een neef van zijn moeder.

Op 16 mei 1685 liet Aswerus een testament opmaken (Notaris Jacobus Hellerus). Zijn oudste zoon Arent is daarin niet bedacht, want hij had al meer dan de legitieme portie gekregen voor zijn reis als onderkoopman naar Indië, die hij in 1684 ondernam.

Bij zijn terugkeer uit Oost-Indië in september 1688 verbleef de 26-jarige Arent Calkoen drie weken in een bordeel op de Zeedijk. Zijn ouders verzochten bij het gerecht hem in een speciale afdeling van het tuchthuis op de Heiligeweg op te nemen, bestemd voor kinderen van eerlijke en fatsoenlijke lieden, die zich ook verantwoordelijk stelden voor de kosten van verpleging.

Aan de Edelachtbare heren van het Gerecht van de stad Amsterdam

Vertonen met verschuldigde eerbied, Assuerus Calkoen en Johanna Adams, dat de verzoekers van dit request in het jaar 1684 hun zoon Arent Calkoen in dienst van Hunne Hoogmogende heren bewindhebbers van de Oost-Indische Compagnie als onderkoopman naar Oost-Indië hebben geholpen en hebben voorzien van al het noodzakelijke en bruikbare voor de reis, maar dat hun zoon met een van de retourschepen op gezag van Johannes Camphuis  om zijn kwalijke gedrag of houding is teruggezonden en berooid is thuisgekomen, zijnde voor de compagnie meer lastig dan nuttig.

De ouders verklaarden dat hun zoon al drie weken niet meer thuis is geweest, en tot hun leedwezen hebben ondervonden dat hij zich 16 of 18 dagen ophoudt in een kamer op de Zeedijk, waar zich een bordeel bevind. De ouders hebben geen behoefte hem in hun huis te ontvangen of onder ogen te krijgen, maar vrezen nog ergere gevolgen voor hun zoon.  De schepenen gaven op 28 september 1688 toestemming aan het verzoek. In februari 1690 werd hij op transport gesteld naar Guinea.

Op 14 en 19 mei 1694 kocht Asweris Calkoen voor 800 gulden 1/5 in de ververij (van de erfgenamen) van zijn oom Nicolaes Calkoen en voor 1600 gulden 1/5 part van de kinderen van zijn broer Johannes Calkoen, die van Engelbert Calkoen hadden geërfd (12 okt. 1669 Not. Archief 2970-921 notaris J. de Vos).

Arent Calkoen werd ook administrateur over de minderjarige kinderen van zijn zus Aeltje Calkoen, die in 1694 werd was overleden. Op 8 december 1696 kocht Aswerus voor 800 gulden 1/5 in de ververij van de erfgenamen: Ida en Johannes Schagen, een tweeling. Hun vader Willem Schagen verbleef in 1684 in Indië en is nooit teruggekeerd.

Op 17 juni 1705 werd Arent Calkoen bij avond begraven in de Westerkerk. Zijn 24-jarige zoon Jan Calkoen volgde hem op als hoofdman van het lakenverversgilde. Jan Calkoen stierf in 1711. De vier ongetrouwde zusters bewoonden Bloemgracht 71, maar hadden ook Bloemgracht 69 en de achterhuisjes, het zogenaamde Vredehofje, in hun bezit. In 1742 bewoonden Maria en Elisabeth Calkoen het pand met twee dienstboden en een (meer dan gemiddeld) inkomen van 2.000 gulden per jaar.

Op 6 februari 1742 lieten de zieke Maria en Elisabeth Calkoen een testament opmaken. (De dames beschikten inmiddels over een eigen graf in de Noorderkerk). Het huis zou naar de familie Strijen gaan en verder zijn er allerlei legaten op naam van neven en nichten. Elisabeth werd op woensdagavond 5 juni 1743 om 9 uur begraven in de Noorderkerk. Maria werd op 14 juli 1744 begraven. Bij testament had Maria bepaald dat de opgerolde portretten van haar ouders, grootouders en haar zusters met haar begraven moesten worden. Zij liet 62.000 gulden na. De twee panden op de Bloem- en Leliegracht (noordzijde tussen Prinsen- en Keizersgracht) werden verkocht, nadat er een boedelbeschrijving was opgemaakt. Het huis met een vliering, een zolder, een bovenvoor- en bovenachterkamer, een zaal, een zijkamer, een eetkamer, een kelder, een keuken en een portaal bevatte ongelooflijke hoeveelheid textiel: 80 slopen, kussens, kleden, gordijnen. De rest van inventaris is niet echt opvallend: kasten met kleren, waaronder twee hoepelrokken, damast-, zijde-, katoen- of linnengoed, juwelen, en porseleinen kopjes of kommen.

P1010140

Reynier Weulken

Al op 16 november 1735 hadden Maria en Elisabeth Calkoen voor 20.000 gulden een huis, waar de kalkoen in het zwart laken uithangt, (Bloemgracht 69) een pakhuis, vanouds de ververij en vier achterhuizen en erven verkocht aan Reynier Weulken. Weulken (?-1775), een suikerbakker afkomstig uit Stenderen, was de buurman aan de oostzijde. Hij was getrouwd met Maria Schonenburg (1686-1752). Het Lutherse echtpaar had vier kinderen, aan huis gedoopt. Al in 1725 had Weulken een raffinaderij gekocht, en noemde die naar zijn vrouw Schonenburg. (Die raffinaderij bij de eerste brug brandde in 1847 af.)

Petrus Prent

Op 10 december 1744 verkochten de erfgenamen van Aswerus Calkoen een huis en erf aan Petrus Prent voor 10.022 gulden. Prent was goudsmid in de Tuinstraat. Hij was de zoon van een makelaar, zijn broer was zilversmid. Prent trouwde in 1725 met Catharina Mol (-1739) en in 1740  met Anna van der Swet (-1791).  De vijf kinderen uit zijn tweede huwelijk werden binnen enkele weken na hun geboorte begraven in de Noorder- en de Westerkerk. Prent werd op 30 november 1778 begraven in de Oude Kerk.

Magdalena Bagge

Rond 1780 lijkt de woning aan de Bloemgracht te zijn gesplitst. (De gegevens uit de belastingregisters zijn te summier om duidelijke uitspraken te kunnen doen.) Eigenaar werd Magdalena Bagge (-1798), de weduwe van de koopman David Wendorp (1700-1780 of 1791?). Haar man was afkomstig uit Bad Colberg-Heldburg. Het Lutherse echtpaar woonde voorheen op de Droogbak bij het Singel en had vijf kinderen. Hij was suikerraffinadeur en bezat veel huizen aan diverse grachten, o.a. een woonhuis, de suikerraffinaderij genaamd Schonenburg, gelegen op Bloemgracht 57. Mogelijk was hij ook reder gezien het copie-request van David Wendorp en verschillende andere Amsterdamse kooplieden aan de Staten-Generaal betreffende de middelen tot opbeuring van de handel op de West-Indische koloniën en de Kust van Guinea.

Everhard Coenraad Krusemann

Detail uit de kadastrale kaart van 1876 van de Bloemgracht. De panden Bloemgracht 65a – 71 zijn lichtgroen. De achterhuisjes waarvan diverse malen sprake is in dit artikel, zijn donkergroen gekleurd.
Detail uit de kadastrale kaart van 1876 van de Bloemgracht. De panden Bloemgracht 65a – 71 zijn lichtgroen. De achterhuisjes waarvan diverse malen sprake is in dit artikel, zijn donkergroen gekleurd.

Op 1 juli 1788 verkochten de erfgenamen van Pieter Prent aan Everhard Coenraad Krusemann (?-1810) voor 10.050 gulden een huis met vijf achterhuizen, het Vredenhofje, waarvan twee met kamers en met nog een boven de ingang.

Dr Kruseman was afkomstig uit Hamm en getrouwd met Margaretha Yda Veemer (?-1794), afkomstig uit een familie van raffinadeurs. Het echtpaar had vijf kinderen. Hij werd later eigenaar van de suikerraffinaderij Rozengracht 213-215.

Everard Jürgen David Barkmeijer

De laatste eigenaar in de 18e eeuw was Everard Jürgen David Barkmeijer. Hij was getrouwd met Catharina Kerkhoff. Het Lutherse echtpaar kreeg 13 kinderen. Twee van zijn zonen, waaronder Johannes Barkmeijer zijn uiteindelijk naar Ned. Indië vertrokken.

In 1795 waren er ca twaalf of veertien suikerraffinaderijen gevestigd. Tien stonden aan de zuidzijde van de Bloemgracht. In de loop der jaren zijn die allemaal verdwenen. In dat jaar zouden er nog slechts twee lakenververijen, een looierij, een hoedenmakerij en meerdere lakenweverijen zijn overgebleven.

Bloengracht
Foto uit 1914 van J. Bickhoff. Afgebeeld is het gebouw van de katholieke vereniging genaamd Liefdewerk, oud papier, waar papier werd ingezameld voor goede doelen.

In de 20e eeuw stond er op het betreffende stuk gracht een manufactuurmagazijn (lingerie en nouveautés) en de Amsterdamse Fijnhouthandel op nr 65a. De Nederlandse zondagsschool vereniging was gevestigd op nr. 65. Bloemgracht 67 huisvestte een biertapinstallatiebedrijf, de Vereniging Liefdewerk, oud Papier, een stoffeerderij in het achterhuis en het kantoor van Presto schrijfmachines. Op Bloemgracht 69 stond een pakhuis met als gebruikers de Amsterdamse Fijnhouthandel en de Amstel cartonagefabriek van F.K. Nebbeling. Bloemgracht 71 was een woonhuis, maar gaf onderdak aan Hofmans Grafische Fabrieken in 1938. Na de Tweede Wereldoorlog werd de Bloemgracht meer op bewoning gericht, de meeste fabriekjes waren inmiddels vertrokken. De houthandel is in 1985 verhuisd naar het westelijk havengebied.

Literatuur

Butler-Greenfield, A (2005) Het volmaakte rood. Macht, spionage en de zoektocht naar de kleur van passie.

Calkoen, L. (1923) ”Het geslacht Calkoen”

Dudok van Heel, S.A.C. (2008) Van Amsterdamse burgers tot Europese aristocraten.

De suikerhandel van Amsterdam van het begin der 17de eeuw tot 1813: een bijdrage tot de handelsgeschiedenis des vaderlands, hoofdzakelijk uit de archieven verzameld en samengesteld door J.J. Reesse (1908)

Externe links

http://www.fijnhout.nl/over-ons/de-geschiedenis-van-de-amsterdamsche-fijnhouthandel/

http://www.tussentaalenbeeld.nl/A60fc.htm

Dit huis- en bewonersonderzoek is uitgevoerd door Taco Tichelaar,  freelance-onderzoeker. Er is gebruik gemaakt van informatie aangeleverd door twee andere vaste bezoekers van het stadsarchief, te weten Ruud Koopman en Ruud Lambour. Beide zijn kenners van het Notarieel Archief inzake boedelinventarissen uit de 17e eeuw.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *