Een grachtenpand

Een grachtenpand is smal, hoog en diep omdat het ophogen van de moerassige ondergrond een kostbare aangelegenheid was. Het zand werd vanuit de duinen of ’t Gooi per schip aangevoerd. De eerste eigenaren werden ook aangeslagen voor het aanleggen van de kademuur en het stuk straat voor hun huis. Dat heeft al snel veel problemen opgeleverd en rond 1630 is de controversiële belasting, genaamd de “Melioratie”, afgeschaft.

Aanvankelijk hadden bijna alle grachtenpanden een trapgevel; rond het midden van de 17e eeuw kwamen (verhoogde) halsgevels in de mode; niet lang daarna werden de klokgevels geïntroduceerd. Die hielden een eeuw lang stand, toen kamen de lijstgevels in zwang.

Als een eerste eigenaar van het kavel speculeerde en meerdere panden liet bouwen door eenzelfde huistimmerman (of aannemer), dan spreken we van twee- of drielingpanden. Er bestaan ook vier-, of vijflingen met een identiek uiterlijk. In de meeste gevallen zijn de panden dan smaller dan beoogd bij de uitgifte. De breedte van een grachtenpand kan sterk variëren. (Ter verduidelijking: de kavels in de 17e eeuw waren aanvankelijk 18 voet, al spoedig 20, 22, 24 of 26 voet breed. De lengte van een kavel was vaak 100 voet. Een Amsterdamse voet was 28,13 cm).

Als op twee kavels drie huizen gebouwd noemde men dat smaldelen. Dit was niet overal toegestaan. Ook het aanleggen van stegen werd daarom tegengehouden. Als een grachtenpand twee naast elkaar gelegen voordeuren heeft dan was het pand bestemd voor de verhuur. Er is dan sprake van een beneden- en een bovenwoning. Hoekpanden (zonder tuin) waren meestal in gebruik als winkel.

Grachtenpanden hadden meestal een kelder en een pakzolder, waar handelsvoorraad kon worden opgeslagen. Aanvankelijk viel men met de deur het huis binnen, maar vanwege (het gevaar van nieuwe) overstromingen is de toegang aan het begin van de 18e eeuw verplaatst naar boven verplaatst. Nu zit de voordeur op de bel-etage en zijn veel panden toegankelijk via een bordes.

Aan de achterzijde van een grachtenpand bevindt zich een tuin, die meestal doorloopt tot halverwege, maar soms ook helemaal tot aan het achterliggende huis. Er bestonden veel regels voor deze keurtuinen; vooral omtrent de bouwhoogte van een tuinhuisje. Het was niet de bedoeling met een tuinhuisje het zonlicht voor een buurman weg te nemen. In veel gevallen is in de tweede helft van de 17e eeuw in de tuin een achterhuis gebouwd rondom een kleine binnenplaats, met secreet en een beerput. Nieuw voor mij was de ontdekking dat de beerput in open verbinding stond met het grachtenwater door middel van een ondergrondse pijp of goot.

De meeste grachtenpanden zijn in de eerste helft van de 18e eeuw volledig uitgebroken om meer ruimte te creëren en de interieurs aan te passen aan de laatste mode. Veel grachtenpanden hebben een “sael” aan de tuinkant die werd gebruikt voor representatieve doelen.

In de tweede helft van de 18e eeuw zijn veel grachtenpanden verhoogd en van eigentijdse gevels voorzien. Aan het einde van de 19e eeuw zijn veel voordeuren verplaatst van de bel-etage naar de begane grond. Daardoor ontstond meer ruimte op de eerste verdieping als de hal was weggebroken.

Er zijn ook allerlei raamindelingen mogelijk. Schuiframen en een indeling in ruitjes zijn typisch 18e eeuws. Naarmate de tijd vordert verbeterd de techniek en worden de ramen groter.

Aan de Amsterdamse grachten staan ook dubbelbrede grachtenpanden, vooral aan de Herengracht. De eerste eigenaar kocht dan twee bouwkavels en liet daar één huis op bouwen. Als hij ook de achterliggende kavels kocht en daar een koetshuis liet bouwen, dan is het een stadspaleis geworden.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *