Jean Hoeufft en de 48 erfgenamen

 

Jean, Jehan of Johan Hoeufft (Luik,  ca 1578 – Parijs, 5 september 1651) was een koopman, reder, die zich in juni 1601 liet  naturaliseren in Rouen. Hij woonde niet in het oude centrum, maar in het Quartier Saint-Sever aan de andere kant van de Seine in een kleine kolonie van Vlamingen en Hollanders.1 Hij lijkt te zijn begonnen met het bevrachten en uitreden van schepen samen met zijn broer Dirck, maar werd ook wapenhandelaar. Hoeufft is in 1637 benoemd tot commissaris van de Republiek met betrekking tot geldzaken en financien. Rond 1640 schijnt hij te zijn benoemd tot secretaris van de koning van Frankrijk, Lodewijk XIII; of kocht hij dat ambt? Vervolgens richtte hij zich meer op de inpoldering van moerassen en het in cultuur brengen van de droogmakerijen en polders in Poitou. De Marais Poitevin was een uitgestrekt moerassig gebied van 75.000 ha, dat met de Hollandse polders als voorbeeld, rond het midden van de 17de eeuw in cultuur werd gebracht door investeerders als Jean Hoeufft, David de la Croix en Octavio de Strada. 

Jean Hoeufft was nooit getrouwd en had geen kinderen.  In zijn testament worden zes staken omschreven, zijn twee broers en vier zusters. Bovendien is er sprake van 48 parten. In de Minutes et répertoires du notaire Nicolas LE FRANC, 5 février 1652 – 3 mai 1688 (étude CVI) worden er evenwel 49 opgesomd; Jean Robethon, een met de zaak belaste advocaat is in een onbekend jaar toegevoegd als erfgenaam. Evenmin tot de familie Hoeufft behorend was Gaspard van Gangelt (- 1684), een van de vijf executeuren van zijn testament.2 In januari 1658 liep de verdeling van de omvangrijke erfenis volledig uit de hand. Twee erfgenamen werden vermoord doorJean Beck, een woeste neef, in een Parijse herberg. 

File:Rouen - Hôtel de Miromesnil - Porte 01.jpg
Zomaar een deur in Rouen

Biografie

Jean Hoeufft woonde in Rouen, de tweede grootste stad in Frankrijk en in feite de haven van Parijs. Hij woonde aan de andere kant van de rivier, in een pand genaamd Pavillon-Jardin.3 (In Quévilly hadden de protestanten een eigen kerk.) Tussen 1609 en 1616 waren Jean Hoeufft en zijn broer Dirck betrokken in de zouthandel  op Hiers-Brouage in Frankrijk. Dat wordt duidelijk uit de ca. 100 akten in het Stadsarchief van Amsterdam. Het zout werd meestal naar Rouen, maar ook naar Amsterdam of Dantzig vervoerd. Ze waren samen betrokken bij de koper- en wapenhandel op Zweden. In 1620 gaven zij opdracht tot de bouw van een oorlogsschip in Amsterdam, bestemd voor Charles, de hertog van Guise,4 5 of Charles Gonzaga, de hertog van Nevers.[Archives Nationales] In 1621 maakte Jean een tochtje naar de Nederlanden,6 mogelijk om het galjoenschip te inspecteren, dat tussentijds was vergroot. Hij is vervolgens benoemd als kamerheer van Lodewijk XIII. In 1624 leverde hij munitie.[Archives Nationales] In 1626 werd hij als niet bijzonder kredietwaardig omschreven, mogelijk omdat zijn broer voor drie jaar alle salpeter had opgekocht bij Karel V, de hertog van Lotharingen.7 In 1628 verhandeldeJean wapens aan Charles Gonzaga, de hertog van Nevers, bestemd voor de strijd tegen het Ottomaanse Rijk.8 Hoeufft zou een belangrijke leverancier worden aan de Franse marine en het leger. Morera vermeldt de bestelling van 20 gietijzeren kanonnen, 4.000 musketten, 100.000 lonten en vijf schepen.[R. Morera, p. 13]  Omdat de betaling moeilijkheden opleverde, kreeg Jean Hoeuff toestemming belasting te innen.

In 1634 stierf zijn broer Dirck. Jean betrok twee neven bij zijn handel: Mattheus en Jan jr. Hoeufft. Samen met Mattheus (soms ook Matthias) nam hij in dat jaar voor 3% deel aan een consortium dat de hele Zweedse kopervoorraad opkocht voor een periode van vier jaar.9 10 Het gezelschap boekte een aantal maanden snelle winst, maar Elias Trip stierf in 1636 en Jean Hoeufft stapte er waarschijnlijk uit.11  Het consortium hield in 1639 op te bestaan. 

In augustus 1634 verloor Zweden haar positie in Zuid-Duitsland in de slag bij het Schwäbische Nördlingen; de Habsburse troepen onder Ferdinand van Oostenrijk rukten op naar het noorden. De Kardinaal-Infante is aan het einde van het jaar feestelijk binnengehaald in Brussel. Frankrijk zocht bondgenoten tegen de Habsburgers en besloot Zweden en de Republiek te steunen. Hoeufft is uitgenodigd deel te nemen aan de geheime besprekingen tussen de Republiek en Frankrijk, die begonnen in april 1634. Op 8 februari 1635 kwam het verdrag van Parijs tot stand voor een periode van zeven jaar. Vrede met Spanje was onmogelijk zonder wederzijdse toestemming. De beide landen besloten min of meer na een jaar de Spaanse Nederlanden aanvallen en het onder elkaar verdelen.12 De belastinginkomsten konden worden gebruikt om achterstallige soldij uit te betalen.13 Op 30 april 1635 sloot Axel Oxenstierna het verdrag  van Compiègne met Richelieu om de macht van de Habsburgers in te dammen, en een bedreiging voor de Baltische handel weg te nemen. Frankrijk zegde jaarlijks een miljoen livres toe ter ondersteuning.14 Ook Zweden mocht geen afzonderlijke vrede met de Habsburgers sluiten, alleen gezamelijk en gelijkelijk. Frankrijk behield het recht Spanje de oorlog te verklaren. 

Hoeufft is ingeschakeld door Richelieu om de  betaling van het Zweedse leger gedurende de laatste fase van de Dertigjarige oorlog te regelen. Het geld zou moeten worden overgemaakt via de Amsterdamse Wisselbank. Samen met zijn neef Mattheus verzorgde hij de overmaking van tenminste 14 miljoen gulden.15

In het alliantieverdrag tussen Frankrijk en de Republiek Holland was door de Staten van Holland een voorwaarde gesteld, de terugbetaling (vergoeding) voor de schepen die gezonken waren tijdens de belegering van Rochelle in 1628. In februari 1635 kreeg de bankier Hoeufft de opdracht zich bezig te houden met het ontvangen van de vergoedingen voor de schepen gezonken voor La Rochelle.

Aan het begin van 1636 stuurde Frankrijk Hoeufft naar Amsterdam, belast met de overdracht van 150.000 livres tournois aan de landgraaf van Hessen om met zijn troepen  assistentie te verlenen. Bovendien moest Hoeufft proberen geld los te krijgen om Danzig te betalen voor de training in Polen van 6000 man infanterie en 4000 man cavalerie die het Franse leger in Nederland zouden versterken?

Op 19 mei 1635 verklaarde Frankrijk de oorlog aan de koning van Spanje. Het Franse leger trok via Luxemburg de Spaanse Nederlanden binnen in de richting van de verzamelplaats Maastricht. Hier voegde het Franse leger zich bij de Staatse troepen. Beide legers stonden onder leiding van stadhouder Frederik Hendrik.  De Kardinaal-infante reageerde onmiddellijk vanuit Brussel en veroverde eind juli bij verrassing de Schenkenschans. Op 30 mei was de Vrede van Praag tot stand gekomen. Bernhard von Sachsen-Weimar en Wilhem V von Hessen-Kassel deden als enige niet mee. In september verklaarde Ferdinand II, de Oostenrijkse keizer, de oorlog aan Frankrijk, daarmee begon de derde en wreedste fase in de Dertigjarige oorlog. Ziekten en ongemak teisterden de legers. De kardinaal-infante, Don Fernando, bedreigde Parijs vanuit het noorden, toen hij in augustus Corbie in de buurt van Amiens veroverde. Lodewijk XIII verbond zich in oktober 1635 in Saint-Germain-en-Laye met Bernard van Saksen-Weimar, een generaal aan het hoofd van de protestantse troepen. Richelieu zegde vier miljoen livres toe voor de duur van de oorlog en een pensioen. Bernard werd daarmee afhankelijk van Frankrijk. In 1638 behaalde hij een overwinning bij Breisach aan de Rijn, zodat de Franse grens meer beschermd zou zijn. 

Aber während Richelieu die Absicht hatte, den äußerst wichtigen Platz für Frankreich zu gewinnen, war Bernhard willens, Breisach für sich zu behalten und zum Mittel- und Stützpunkt einer selbständigen Herrschaft zu machen, weshalb er auch die Kapitulation nur auf seinen eigenen Namen abgeschlossen hatte. Umsonst erinnerte Richelieu daran, dass Breisach mit französischem Geld und Blut erobert worden sei und nicht zum Elsass gehöre, umsonst trug er dem Herzog die Hand seiner Nichte an: Bernhard schob seine Feldherrnpflichten vor und lehnte die Heirat als eine nicht ebenbürtige ab. Selbst das Versprechen, Breisach nach seinem Tod Frankreich zu überlassen, wollte er nicht leisten, sondern bestimmte Breisach zum Sitz einer Fürstlich Sächsischen Regierung. 16

Jean Hoeufft was (sinds 1638?) met Barthélemy Herwart en zijn neef Mattheus bankier van Bernard van Saksen-Weimar. Daarbij was Johann Ludwig von Erlach betrokken, een Zwitserse aanvoerder van een huurleger, die fungeerde als intermediair. Hoeufft was ook de kassier van Peter Spierinck in Stockholm.17

Begin februari 1637 kwam er een plotseling eind aan de tulpenmanie die ergens in 1634 schijnt te zijn begonnen. Die gekte zou wel eens te maken kunnen hebben gehad met de cruciale  gebeurtenissen en beslissingen in de Europese politiek. De bedreiging vanuit het zuiden van Duitsland veroorzaakte paniek. De lasten van de oorlog waren hoog; de vraag naar edele metalen ook. Dat Johan Maurits van Nassau-Siegen op 23 januari 1637 in Brazilië aankwam met de verwachting niet alleen plantages, maar ook goud- of zilvermijnen te kunnen exploiteren, kon niemand weten.

Op 12 mei 1637 werd Hoeufft officieel aangesteld als commissaris van de Republiek betreffende geldzaken en bankwezen.18 Roermond en Venlo gingen verloren aan Don Fernando, landvoogd van de Spaanse Nederlanden.

In 1638 besloot Frederik Hendrik Duinkerken aan te vallen, de aanvoerhaven van Spaanse troepen, maar vanwege langdurige ongunstige wind viel hij Breda aan, dat na na tien maanden beleg werd heroverd.  In 1639 sloot admiraal M.H. Tromp de haven van Duinkerken af; de Spaanse vloot, met verse troepen, trok zich terug onder de Engelse kust is vervolgens in de zeeslag bij Duins (The Downs, Engeland) vernietigd. Hoeufft stelde Hugo de Groot, de Zweeds ambassadeur in Parijs, op de hoogte. In 1640 leende Lodewijk XIII 1,5 miljoen livres van Richelieu. Grotius, die met Richelieu in conflict was geraakt, klaagde over de slechte betaling van zijn pensioen. In 1640 bemiddelde Hoeufft en Grotius kreeg zijn achterstallige salaris uitbetaald.19

Hoeufft woonde in de Rue Mauconseil,20 in de parochie St. Eustache.21 Daar was ook het Hôtel de Bourgogne, waarin een spraakmakend theater was gevestigd. Hij had een boekhouder, twee klerken, een huismeester- en knecht, een dienstbode, een koetsier en twee lakeien in dienst.22 Richelieu stierf in 1642; 23 Lodewijk XIII een jaar later, waarop Mazarin, de macht naar zich toe trok.24 

Uit Marshland Colonization in Acadia and Poitou during the 17th Century by Gregory Kennedy Université de Moncton

In France, Louis XIII and Richelieu did not share Henri IV’s ambition to colonize marshlands. The king had had to fight his way through the Poitevin Marsh to lay siege to La Rochelle in 1627, and with the war finally over probably wished to have done with the place. Richelieu had first-hand knowledge from his time as Bishop of Luçon, but seems to have had a low opinion of the region. Nevertheless, a few seigneurs saw the potential for marshland development. 

Aanvankelijk was Albert van Ens heer van Fontaine-le-Comte, maar deed de titel over aan zijn neefje Jan van Ens, die op zijn beurt de titel overdroeg op Jean Hoeuft. Mogelijk had die titel, net als Maillezais en La Rochelle, een symbolische betekenis voor de Franse protestanten? Het bisdom Maillezais was één van de rijkste van Frankrijk. Uit de Engelse Wikipedia komt ook de volgende informatie over de spraakmakende dichter d’Aubigné in zijn strijd tegen de katholieke Liga en Maillezais als schuilplaats voor de Hugenoten.

In 1589, Agrippa d'Aubigné, a Protestant, a scholar and a poet, became the bishop and fortified the cathedral with a watch tower. The fort became a stronghold of the Protestants for the next thirty years till the Duke of Rohan succeeded him.[Maillezais, « place de sûreté » huguenote. Le gouvernement d'Agrippa d'Aubigné (1589-1619) par Didier Poton]

When during the late 16th and early 17th century the Protestants of the Huguenots had converted it into a fort-like structure, the Catholics had to even baptize their children outside the city limits. It remained under the control of the Protestants till 1618.[6] But by 1619 the cathedral was back under the control of the Catholics and Henri de Sourdis became the Bishop. In 1629, the Bishopric of Maillezais was one of the richest in France with a lease value of 35,000 livres.[7] It remained the seat of the Bishopric of Maillezais until 1648, when Pope Innocent X transferred the bishopric to the St. Louis Cathedral of La Rochelle, in the Diocese of La Rochelle.[2] The monastic community continued at the Maillezais site until 1666, when the entire site was abandoned.[2][5]
During the war between King Louis XIII and the Huguenots, culminating in the siege of La Rochelle (1627-1628), the cathedral was destroyed.[21] Efforts were made by Cardinal Richelieu to assist Bishop Henri de Bethune to undertake reconstruction,[22] but King Louis XIII decided that the headquarters of the diocese should be moved to Fontenay-le-Comte. On 26 September 1629 he issued a brevet, authorizing the transfer of the episcopal seat from Maillezais to Fontenay-le-Comte, as well as the secularizing of the Chapter of Maillezais, and permitting the request to be made formally to the Papacy.[23] On 14 January 1631 Pope Urban VIII, with a view to a more active struggle against Protestantism, issued bulls which would have transferred the residence of the Bishop of Maillezais to Fontenay-le-Comte.[24] But, as Pope Innocent X noted in his bull, the transfer was never put into effect, considering that Fontenay was much smaller than had been portrayed, and not in keeping with the dignity of a bishopric. On 4 May 1648 the see of Maillezais was in fact suppressed by Pope Innocent X in the Bull In supereminenti,[25] and confirmed by letters patent of King Louis XIV.[26]

Zoo heeft Lodewijk XIII bij ‘lettres patentes’ van 20 Maart 1642 aan Jan Hoeufft geschonken onder andere de heerlijke rechten hem toekomende wegens zijn aankoop van Fontaine-le-Comte.” 

File:Vue du pont de bateaux et de la cathédrale de la ville de Rouen prise de la descente du port Saint-Ouen.jpeg
Rouen in de 18e eeuw, tekening door Jean-Baptiste Lallemand

In 1645 kwamen Johan & Cornelis de Witt langs; ze verbleven 1,5 jaar in Frankrijk.[DBNL] In juli 1647 was Jean Hoeufft getuige in Nijmegen bij de doop van een achternicht. Aan het einde van het jaar, op 23 december 1647, schreef Hoeufft een testament in het Frans en een week later, 30 december, in het het Nederlands, waarin hij zijn goed en have verdeelde.25 Hoeufft zou 1330 ha landbouwgrond bezitten; het graan zou naar de Republiek zijn geexporteerd, maar ook naar Portugal.26 Is de waarde van die landbouwgrond op  2.650.258 livres tournois geschat, ruim zes miljoen Euro?[R. Morera, p. 23] [Conversion des monnaies d’avant la Révolution en valeur actuelle] Zijn vier zussen kregen evenveel als zijn twee broers. Bovendien had hij een hierarchie aangebracht, die hieronder is aangehouden. (De reden is nog onduidelijk, maar hij was vrij om te doen en te laten wat hij wilde, want het ging niet om zijn kinderen.) Volgens de inventaris was er ca 172.000 gulden aan effecten te verdelen (voor 57.900 gulden in de VOC, voor 112.275 gulden in de WIC.), maar voordat tot uitbetaling werd overgegaan, moesten de neven en nichten Johanna, Catharina, Maria, Sara, Diederik en Elisabeth (hier vet aangegeven) eerst hun schuld van 50.000 gulden terugstorten.27 De schulden van zijn beide broers Christoffel en Mattheus werden kwijtgescholden, maar ze mochten geen ruzie maken over de verdeling. In maart 1650 verkocht hij zijn aandeel in de zoutwinning te Melun, Montereau-Fault-Yonne en Vernon.[Notaris Michel Despres] 21 juni 1651 maakte de notaris het testament van Jehan Hoeufft op.[Testament et inventaire de Jean Hoeufft, commissaire des Provinces Unies MC/ET/XV/148] Jean Hoeufft is waarschijnlijk op 5 september begraven in de ? kerk en niet op 2 mei.

Het gezamenlijke beheer of de verdeling van de landerijen moet een enorme klus zijn geweest. In juli 1654 werden er vijf arbiters aangewezen: Jean Hoeufft jr, Mattheus Hoeufft, David de la Croix, Godefrid Hillensberg en Jean Vivien. Op 10 januari 1658 kwam het tot een uitbarsting wist Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck te vertellen, die met zijn broer François en hun gouverneur rond Kerst 1657 in Parijs verbleef. Twee van de vijf executeuren, David de la Croix en Godefriedus Hillensberg zijn vermoord door de woeste neef, Jean Beck. Fabrice wist te ontvluchten.28 Vervolgens sloeg Beck de hand aan zichzelf in een achterkamer. De waard André Ferand, die zwaar gewond was geraakt, werd drie weken later, op 3 februari, begraven.

In 1661 waren de problemen nog steeds niet opgelost;[Utrechts Archief] Van Oosterwijck, schepen in Wesel, bood aan te bemiddelen. In 1676 verkochten de erven van Mattheus Hoeufft hun landerijen in Frankrijk aan Gaspar van Gangelt.[Utrechts Archief]

Vanaf oktober 1678 tot in april 1680 kwamen de erfgenamen van Jean Hoeufft (1578-1651), broer van Christoffel, bijeen ter vereffening van de nog openstaande schulden en vorderingen. Eerst hielden zij hun conferentie in Den Haag en later in Utrecht. Uit alle windrichtingen kwamen de nakomelingen (of hun vertegenwoordigers) van het echtpaar Hoeufft-Wessem bijeen. Ook de schoonzoons van Luffrydt waren van de partij. Vele geldzaken waren lange tijd blijven liggen, op het laatst ook nog vanwege de Hollandse oorlog met Frankrijk (1672-1679).29

In oktober 1678 vond een liquidatie (boedelscheiding) plaats van de goederen, nagelaten door Johan Hoeuft, met de bedoeling de zaken onderling goed te regelen en vervolgens de landerijen in Poitou te verkopen.[Utrechts Archief] Op 9 december 1683 werden de Hoeuffts voor de Hoge Raad gedaagd door Pieter Beck en Jacob Venturin, de voogden van de onmondige kinderen van Matthias Beck. De Hoeuffts zijn ook aangeklaagd door Franse kloosterzusters (in Auvergne?),30 die met leedwezen zagen dat er Hollandse protestanten waren aangetrokken als nieuwe bewoners van de droogmakerij van het meer van Sarlièves.31 In 1685 kwamen de erfgenamen opnieuw bijeen;[Utrechts Archief] ook in Frankrijk.[Francearchives] Het herroepen van het Edict van Nantes schopte de boel in de war. 

In 1685, Louis XIV ordered the confiscation of all Dutch property in his kingdom. This included virtually all of the succession of Jean Hoeufft and also that of Octavius de Strada, who had married into the Hoeufft family and left no heirs of his own. Together, these farms constituted about 30 per cent of the total – less than Houefft’s and Strada’s original stake of 40 per cent – but still by far the largest portions. The king gifted these properties to the Duc de Guiche, who continued to sell leases to tenant farmers through local tax-collectors. It was a rich prize for a royal favourite.[151. Marshland Colonization in Acadia and Poitou during the 17th Century by Gregory Kennedy Université de Moncton]
Entre janvier et septembre 1700, procès-verbal d'adjudications de cabanes appartenant à l'Hérédité de Jean Hoeufft - (Notaire ) - (Archives de la Vendée) et 52 baux à ferme de cabanes, même année. Idem en 1706, 1708, 1709 etc... 

In 1702 was het de Spaanse successieoorlog die roet in het eten gooide. Na de Vrede van Utrecht in 1713 kreeg de familie haar bezit in Frankrijk terug. In 1738 hebben de erfgenamen wat nog restte aan Hoeufft’s bezit in Petit Poitou verkocht in Luçon, de hoofdplaats van de Poitevin.[Utrechts Archief] In 1743 voerden de erfgenamen van Jean Hoeufft een proces tegen de erfgenamen van Van Gangelt.[Utrechts Archief

De erfgenamen

Johan Hoeufft (1536 – Heinsberg, 4 maart 1621) en Catarina van Wessum (1542 – 1626) die in 1561 in Roermond zijn getrouwd, waren zijn ouders. Beide families behoorden al jaren tot de notabele inwoners van Roermond. In 1558 werd hij schepen? In 1566 trok de familie vanwege de Inquisitie en de Raad van Beroerten naar Aken, maar in 1572 woonden zij in Luik. Hoeufft zou houthandelaar zijn geweest, maar in 1573 handelde hij in zout.[Tussen Roer en vloot] Rond 1586 zou hij weer naar Heinsberg, net over de grens bij Roermond, zijn teruggekeerd. Het echtpaar had zeven kinderen, drie zonen Dirck, Jean en Christoffel en vier dochters Agneta, Catharina, Elizabeth en Anna. 
 

I. Dirck of Diederik Hoeufft (1571 – Dordrecht 9 januari 1634) trouwde op 12 september 1596 te Maaseik met x Anna Luls (Londen, 17 april 1578 – Dordrecht, 7 oktober 1655 of 23 november 1657?). Zij woonden in Luik, en eind 1601 in Dordrecht.32 Dirck wordt al in 1603/1604 vermeld als hij en Elias Trip toestemming hebben van de Staten-Generaal salpeter uit te voeren uit Frankrijk. Hij was betrokken met zijn jongere broer Jean bij de zout- en koperhandel,[20 juli 1628 Resolutien van Holland] en de bouw van een oorlogschip. In 1614 stichtte hij samen met Joris Jansz. Houbraken, wonende te Aken en Dordrecht, een “Cooperhuijs staende ende gelegen op de Nieuwe Haven op de Drappierskaije“,33 nu Wolverwevershaven 44. De arbeiders kwamen zonder uitzondering uit Aken en produceerden aanvankelijk stalen naalden.34 Eén van zijn afstammelingen suggereerde dat het ging om kunstvoorwerpen, koperen kannonnetjes met het familiewapen.[H.W. Hoeufft, p. 258] In 1622 deed Dirck een poging de export van oud-koper te verbieden, een voorstel dat werd weggestemd. Hij was eigenaar van een kopermolen in Zaltbommel en mede-eigenaar van een koperfabriekje in Nacka,35, een klein Zweeds stadje met drie watervallen.

Wolwevershaven 42-44

In 1626 kocht Dirck in Lotharingen voor drie jaar de hele salpetervoorraad op,36 en verstrekte een lening van 50.000 gld. aan de landgraaf van Hessen, die zich neutraal had opgesteld en geen verbintenis met Zweden aanging. In 1627 kreeg Hoeufft toestemming 300.000 pond staaf- en ruwijzer in te voeren.37 Hoeufft breidde de productie uit. Aan het einde van het jaar had hij een tekort aan arbeiders en diende een verzoek in om zijn personeel uit het leger terug te halen. In 1628 bleek de uitvoer van salpeter door Frankrijk te worden geboycott; Hoeufft verzocht om bemiddeling via de ambassadeur. De Republiek verbood de uitvoer van alle scheepsmateriaal. In juli 1632 erfde hij de onroerende goederen van zijn ouders rond Roermond en verdeelde ze onderhands aan zijn broers en zusters.[Roer en Vloot] Hij werd in dat jaar de enige eigenaar van het “cooperhuis” met ovens, door de wederhelft van de erfgenamen van Houbraken te kopen.38 In 1638 werd de weduwe van Dirck Hoeufft in de Hoge Nieuwstraat aangeslagen voor een vermogen van 60.000 gl.39 De tien erfgenamen verkregen 15/48 part uit de erfenis van hun oom.

De Nieuwe Haven in Dordrecht

1. Jeanne of Johanna  Hoeufft (Dordrecht, 20 oktober 1598-27 november 1652), ongehuwd;

2. Jean of Jan Hoeufft jr (Luik, 8 februari 1601 – Utrecht,   ) werd in 1634 door zijn oom in de zaak betrokken en verhuisde naar Rouen. Hij huwde x Isabella Deutz (16 november 1615 – 1 april 1672), die aldaar in ondertrouw gingen. Zij trouwden op 4 mei 1638 in Amsterdam volgens zijn eigen aantekeningen.  In 1645 woonde hij in Parijs; het jaar daarop weer in Amsterdam. Waarschijnlijk woonde hij ook in La Rochelle (of is zijn oom of de dubieuze neef bedoeld?)  en in Beaulieu-sur-Sonnette (Charente). Ze verhuisden in 1647/8 naar Utrecht. Hoeufft werd bewindhebber van de VOC. Begin april 1672 bezette het Franse leger de stad. Er waren geen medicijnen verkrijgbaar, en de dokters opereerden niet. Zijn vrouw stierf vanwege gebrek aan zorg. Zij hadden tien kinderen, vier zonen en zes dochters, desalniettemin is de tak uitgestorven met Gideon Hoeufft.

Anna Catharina Hoeufft (Amsterdam, geboren 21 en gedoopt op 27 mei 1640 -op 2 juni gestorven en op 6 juni 1640 begraven);  Elisabeth Hoeufft (Rouen, 6 en 11 januari 1643 – 21 en 22 mei 1645);  Arnolt Hoeufft (Rouen, 23 en 31 januari 1644 – Utrecht 20 mei 1674), schepen in Roermond en drost van Hagestein, ongehuwd; Isabella Hoeufft (Parijs, 1 en 10 december 1645 – 27 september 1707) huwde  de weduwnaar x Hendrik van Uittenhoven, heer van Ameliswaard; Anna Maria Hoeufft (Amsterdam, 19 en 23 december 1646 – 2 maart 1715) x Jan Boudaen Courten (Middelburg), bewindhebber VOC; Constantia (Utrecht 1 en 4 oktober 1648 – 16 oktober 1733, Wijk bij Duurstede) x Jan Loten, burgemeester van Wijk bij Duurstede; Johan Jeronimus Hoeufft (Utrecht, 18 en 29 januari 1651 – Parijs, 13 februari of 16 mei 1699?) x in 1692 Maria de Malapert, geen kinderen. Hij reisde in 1687 naar Frankrijk en verbleef daar 18 maanden om de erfenis te regelen; woonde bij een pruikenmaker in Parijs; is twee keer geportretteerd door Nicolaes Maes; Gideon Hoeufft  (Parijs, 20 juli en 1 augustus 1652 – Den Haag  19 februari 1710) x in 1683 met Sara Fannius en in 1693 met Catharina Copal, voorzitter van de Staten van Utrecht, raad bij de Admiraliteit van Zeeland, geen kinderen; Josephus Hoeufft, heer van Lunenburg (Wijk bij Duurstede) (Utrecht 26 juli en 1 augustus 1657 – 24 november 1700), schepen in Utrecht, raad bij de Admiraliteit van West-Friesland x 1. Isabelle Sixtus, 2. in 1699 met Constantia van Tol; Sara Hoeufft (Utrecht 15 en 20 oktober 1660 – 19 en 22 juni 1661)

3. Catharina Hoeufft (9 maart 1603 – Dordrecht 14 mei 1687), ongetrouwd, woonde samen met haar jongere zus Sara.

4. Mattheus Hoeufft (3 april 1606 – Den Haag, 8 april 1669), heer van Buttinge en Zantvoort (op Walcheren) en Oyen (bij Maasbommel) huwde x op 12 april 1639 met de 17-jarige Elisabeth Ghim. Hij woonde al sinds 1635 in Amsterdam op ‘t Singel. Al in 1633 werd hij ingeschakeld door zijn vader bij de bedrijfsvoering van een koperslagerij in Nacka (Zweden). In 1636 bij de betaling van 56.938 en 119.419 gulden door Richelieu voor wapens en uitrusting. In 1637 trok het Zweedse leger zich terug op Pommeren. Tussen 1636 en 1639 was hij samen met Jean betrokken bij een consortium dat koper uit Zweden exporteerde;11  in 1640 bij de levering van een partij graan uit Bordeaux. Rond 1641 maakte hij 10.000 pond over om de opstand van Cinq-Mars neer te slaan.41 In 1642 verkocht hij voor zijn moeder het aandeel in de Zweedse koperwerken. Hij werd hij eigenaar van de buitenplaats Meermond bij Heemstede, gelegen aan het Spaarne op de hoek van de Cruquiusweg. Zijn buurman was Adriaen Pauw, de pensionaris van Holland en afgevaardigde bij de Vrede van Münster. In 1644 was hij betrokken bij de levering van een aanzienlijke partij juwelen, afkomstig uit Oost-Indië. Op 24 oktober 1645 hertrouwde hij in Amsterdam met de Maria Sweerts de Landas (1621 – Den Haag, 8 maart 1655), weduwe van de schatrijke Johannes de Haze. Mattheus is door zijn broer ingeschakeld om de Franse afgevaardigden bij de Vrede van Westfalen 50.000 gulden te betalen.42 Hij woonde in Amsterdam tot ca 1651, maar in 1652 in Den Haag op Kneuterdijk.43 Het dubbel brede pand, was in gebruik als logement voor de VOC en de Admiraliteit, en is vanaf 1669 gehuurd door Johan de Witt, de raadpensionaris.44 45 Vervolgens woonde hij in Doesburg, waar hij in 1665 schepen en burgemeester was en benoemd als gecommitteerde naar de landdag.46 Mattheus behoorde net niet tot de tien rijkste Nederlanders uit de Gouden Eeuw met een kapitaal van een miljoen gulden.47 Een deel van zijn vermogen werd beheerd door Johan de Witt tot zijn zeven kinderen uit het tweede huwelijk mondig waren:

Johan Diederick Hoeufft (Amsterdam,  geboren op 12, gedoopt op 18 augustus 1647 – Den Haag, 27 juni 1712) heer van Buttinge en Zantvoort trouwde in 1676 met Agatha Pauw en nam de naam Pauw aan op verzoek van zijn schoonmoeder. Zijn tweelingbroer Mattheus Hoeufft (15 augustus 1647 – 6 oktober 1720), heer van Oyen en Onsenoort, trouwde in 1683 met x Constantia Theodora Doublet; haar grootvader was Constantijn Huygens, de dichter. (De tweelingbroers woonden naast elkaar op de Kneuterdijk.) Het echtpaar had dertien kinderen: Marie (Amsterdam, 25 en 29 augustus 1649 – 12 august 1652);  Leonard Hoeufft (Amsterdam, geboren op 21, gedoopt op 24 augustus 1651 – St Omer, 11 april 1677); Gabriel Hoeufft (13 februari 1653 – 15 april 1657); Anna-Constantia Hoeufft (19 augustus 1646 of na 1651? – Den Haag, 16 juni 1737) trouwde met Adriaan Busero, en nog een Marie Hoeufft (13 maart 1654 – 1 december 1674) die in 1673 huwde met Herman Schaep (- St Omer, 11 april 1677?). In 1672 ondertekenen de (onmondige) kinderen van Mattheus een kwitantie voor 159.800 gulden aan effecten en contanten.[Utrechts Archief] De executeurs werden vervolgens ontslagen.[Utrechts Archief]

Portret van Anna Hoeufft, echtgenote van Thomas Cletcher door Daniel Mijtens

5. Anna Hoeufft (28 oktober 1598 of 22 oktober 1608 – 8 september of november 1664) huwde op 15 april 1642 met x Thomas Cletcher (- 2 juni 1666), een Haagse juwelier, kunsthandelaar, tekenaar en burgemeester.48 49 Zij verbleven samen in Engeland?50 Dat lijkt wel het geval, want in 1647 zou zijn zoon Jacob daar trouwen met Joanne Dorneye, maar is vrij kort daarna overleden. Cletcher raakte betrokken in een schandaal, toen hij in bed werd aangetroffen met zijn schoondochter. In 1652 had hij een omvangrijke vordering op de Engelse kroon met juwelen en diamanten als onderpand.51 De Engelse koningin Henrietta Maria, een zuster van Lodewijk XIII, probeerde in opdracht van haar echtgenoot in 1642 haar juwelen te belenen in de Republiek. Cletcher leende haar 166.000 gulden.52 Het verschaffen van kapitaal werd als riskant gezien, omdat het Engelse parlement de juwelen kon terugeisen.  Het meeste leende zij evenwel bij de burgemeesters van Rotterdam, d.w.z. de Bank van Lening en de Wisselbank,[J.G. van Dillen, Van Rijkdom en Regenten, p. 267] en van de prins van Oranje, maar ook Pieter Trip kocht voor 100.000 gulden aan parels.[Stadsarchief Amsterdam. 3 september 1642, NA 686, f. 198, Not. J. Warnaertz.] Cletcher woonde op de Korte Vijverberg, maar verhuisde in 1659 naar Amersfoort, waar zijn zoon Pieter burgemeester was. Zij hadden een zoon Johan Cletcher (1647-1715), schepen in Dordrecht en raad in de Admiraliteit van de Maze. De onmondige kinderen van zijn zusters zijn opgenomen in het testament van Jean Hoeufft: Johanna Maria (ca 1646 – ), Elisabeth (30 april 1649 – ) en Anna Catharina (1650 -), getrouwd met Lodewijk Thiens, burgemeester van Amersfoort? (Was hij verwant aan Adam Thiens uit Aken?)

Thomas Cletcher, geschilderd door zijn oom Daniel Mijtens

6. Dirck Hoeufft (22 december 1610 of 5 juli 1611?   – 14 mei 1688) studeerde rechten in Poitou. Hij huwde op 1 oktober 1641 met x Maria de Witt (22 december 1620 – 28 september 1681), de zuster van Johan en Cornelis de Witt. Dirck had zitting in de raad van Dordrecht, was gedeputeerde naar de Staten van Holland, raad van de Admiraliteit van Rotterdam, sinds 1644 bewindhebber van de WIC, en lid van de Rekenkamer in Den Haag. Mogelijk woonde hij op de Groenmarkt.53 Zij hadden vijf kinderen. Deze tak is in 1758 uitgestorven:

Johanna (17 mei 1647 – )

Diederik Hoeufft (Dordrecht (?) 1 augustus 1648 – Utrecht 2 november 1719), studeerde rechten in Angers, en noemde zich heer van Fontaine-Peureuse, Choisival en Reygersfort. (Fontaine-Pereuse of Peureuse (Fontaine des poiriers) bleek tot nu toe niet te vinden op het internet, en Choisival is een weg langs het kanaal in de Marais Poitevin. Reygersfort ligt bij Buren in de Betuwe. (Volgens Hoeufft is de adellijke brief van keizer Leopold ongetwijfeld echt, maar de “preuves” waren onbetrouwbaar.54) Hij was commandant van de krijgsbezetting binnen Gouda, 1673, gedeputeerde in Utrecht, woonde in de Lange Nieuwstraat, bewindhebber VOC, bewindhebber der WIC ter kamer van de Maas, gedeputeerde van de Staten van Utrecht, huwde op 13 februari 1680 x Isabella Deutz (Amsterdam 11 juni 1658 – Utrecht 19 oktober 1694) woonde op de Keizersgracht. Zij hadden acht kinderen, maar al op jonge leeftijd gestorven. In 1699 reisde hij in opdracht van de familie naar Frankrijk om in overleg te treden met de erfgenamen van Casper van Gangelt, etc. In 1702 erfde hij Keizersgracht 217-219 via zijn vrouw. Hij schreef in 1718 een besloten (geheim) testament.[Utrechts Archief]

http://uwstamboomonline.nl/passie/sites/fotoalbum/2147/98236.jpg
Diederik Hoeufft geschilderd door Godfried Schalken ca. 1675

Jacob (1649 -)

Maria (1651 -) 

Anna Catharina (1653 -)

Anna (14 maart 1655 – 18 oktober 1691)

Jacob Hoeufft (geboren op 8 en gedoopt op 13 januari 1660 – 26 juli 1717) studeerde rechten in Leiden, was bewindhebber WIC, vanaf 1700 burgemeester van Dordrecht, etc. Hij  trouwde op 20 juni 1694 met Sophia Everwijn (1668 – 1747). Hij is in 1702 uit de vroedschap gezet vanwege zijn prinsgezindheid,[genealogie online] woonde van de Grootekerk na ‘t Groothooft of Groenmarkt-Wijnstraat.[Dortenazoeker en Dortenazoeker] Het echtpaar kreeg veertien kinderen.

7. Berbera Hoeufft (9 januari 1614 – Dordrecht, 27 februari 1676 ) trouwde op 26 oktober 1645 (of 3 oktober 1652?) x Gabriel Paulmier, heer van St. André (- Parijs, 16 okober 1675), veldmaarschalk in Frankrijk. In 1654 kocht hij het leen St André, maar in 1667 had hij nog steeds niet betaald en raakte de titel kwijt. In 1658 kreeg hij een aanmaning om Gaspar van Gangelt te betalen. Rond 1662 voerde het echtpaar een proces tegen Barthélemy Hervarts, bankier in Lyon en “contrôleur général des finances”. In 1671 maakt zij haar testament op. Het betrof goederen te Arles in Frankrijk, hier te lande en elders. Tevens legatering van roerende goederen te Caen, Normandië op voorwaarde dat haar man schuld aan Gaspar van Gangelt in Parijs betaalde; testatrice vergaf haar echtgenoot.[Utrechts Archief]

8. Elisabeth Hoeufft (5 december 1616 – 28 april 1662) huwde op 7 oktober 1655 met x jonkheer Andries Mamuchet van Houdringen (- Baarn, 8 september 1684), afkomstig uit een geslacht van koperslagers. Zij hadden twee kinderen: Marcus Mamuchet , bouwheer van het kasteel Groenendaal in Baarn, en Diederik (Utrecht, 6 en 16 april 1959? – ?) Op verzoek van Elisabeth is geprobeerd om van Paulus Pels, agent van de Staten Generaal van de Verenigde Nederlanden te Dantzig, een groot juweel terug te krijgen bestaande uit een grote diamant bezet met 4 parels, verpand voor f. 35.000-0-0 Pools, eigendom van de erfgenamen van Johan Hoeuft.[Utrechts Archief]

9. Maria Hoeufft (24 april 1619 – 13 augustus 1658 of 1683?) trouwde op 20 juni  1645 met x Jean de la Vallée (- 6 november 1671), schepen in Dordrecht; was zij gasthuismoeder in 1678? Vermoedelijk een dochter Anna Elisabeth (12 en 22 augustus 1646 -).

10. Sara Hoeufft (8 augustus 1623 – 5 april 1705) werd op 26 december 1654 vermeld het verschuldigde geld aan haar oom Jean Hoeufft terug te storten; woonde in 1676 met haar oudere zus Catharina op het Walevest in Dordrecht en werd haar erfgenaam.55

II. Christoffel Hoeufft (Luik, 16 juni 1575 – Utrecht, 10 maart 1638) huwde  in maart 1611 met x Agneta (Agnes) van Beeck (- 20 november 1654).56 Hij zou ingenieur zijn geweest en woonde in Heinsberg en Utrecht op de Nieuwe Gracht bij de Schalkwijkerbrug; zij hadden vier kinderen, die 9/48 toebedeeld kregen van hun oom. Hun zoon was

Godefroy Hoeufft (1620 – 23 december 1663), heer van Choisinat, trouwde op 26 april 1646 met Marie de Mandat en woonde in Metz; hij kreeg in eerste instantie de titel, heer van Fontaine-le-Comte aangeboden. Zij hadden een zoon Godefroy (II), die in 1674 vergeefs probeerde zijn adeldom te bewijzen.

Soms is ook Jan Christoffel Hoeufft  (- 1647) als zoon genoemd. Hij zou getrouwd zijn geweest met x Louise Regnon de Chaligny en woonde pas in La Rochelle? Hier klopt iets niet, want in de Franse archieven worden andere echtgenoten opgevoerd, maar haar vader Elie Regnon was één van de investeerders in de Société du Petit Poitou.[mmd-maraispoitevin.fr/wa_files/pierre_20siette.pdf

Anna Hoeufft (1614 – Emmerich, 1 mei 1677) x Ludefroy (of Luffried) van Oosterwijck (1596 – 1679), schepen en burgemeester in Emmerich;  in 1661 bood Van Oosterwijck aan te bemiddelen bij de verdeling van de erfenis van Jean Hoeufft. Zij hadden drie dochters:

Agnes of Agneta, trouwde met dr. Adolph of Adolf Wusthaus(en), jurist, secretaris en archivaris in Kleve, geheimraad van de keurvorst van Brandenburg, en erfgenaam. Anna Maria trouwde met Johan Caspar Steenbergen, schout te Wezel; Elisabeth, die trouwde met Adriaen Slechtendael, schepen in Duisburg.

Marguerite Hoeufft (- Montélimar, 18 maart 1656) trouwde op 13 april 1645 in La Rochelle (?) met David de la Croix (Haarlem – Parijs, 10 januari 1658, begraven op 16 januari), heer van Merval; hij woonde in La Rochelle. De la Croix was een bankier, maar vanaf oktober 1651 secretaris van de koning, een positie die hij van Jean Hoeufft overnam? Na het overlijden van zijn eerste echtgenote hertrouwde hij in 1656 Marie Muysson uit Valenciennes.57 Toen woonde hij in de Parijse rue du Petit-More.[Francearchives]  In La Rochelle liet hij suiker raffineren, afkomstig van de Antillen.[Un professionnel des lettres au XVIIe siècle: Valentin Conrart, une histoire … von Nicolas Schapira] De la Croix werd als een van de executeurs-testamentair in een herberg in Parijs door de woeste neef Jean Beck op het hoofd ingeslagen, zodat hij dood neer viel; 58 Het ambt “secrétaire du roi” is overgenomen door zijn schoonvader. Het echtpaar had twee kinderen:

Marie (13 juni 1646 – Utrecht?), getrouwd op 3 maart 1667, maar ook weer gescheiden van Alexandre de Vesc, [Utrechts Archief] [Francearchives] heer van Lalo, raad in het Parlement van Grenoble. met een zoon Christophe? 

File:Jacopo Tintoretto - Portret van Ottavio Strada.jpg
Portret van Ottavio Strada (1550-1606) door Tintoretto. Hij was de vader van Octavio de Strada, die trouwde met Catherine Hoeufft.

Catharine Hoeufft (1628 -na 1659) woonde bij haar zuster Marguerite en is op 30 april 1647 in La Rochelle getrouwd met x Octavio de Strada à Rosberg (ca 1590 – 1655 of 1661), heer van Sarlièves in Auvergne, vrijheer van Aubière en Courbon. Hij was afkomstig uit Praag en in 1639 in Frankrijk genaturaliseerd.59 60 Hij kwam uit een beroemde familie in Praag, maar hun oorsprong ligt in Mantua. Zijn vader Octavio, een historicus, archivaris en kunstexpert, is in 1567 geportretteerd door Tintoretto, zijn grootvader Jacopo omstreeks de zelfde tijd door Titiaan. Keizer Rudolf II had bij zijn tante Catherina Strada zes kinderen, maar had haar nooit getrouwd.61 De protestantse Strada, een ingenieur, was al in een vroeg stadium betrokken bij de inpolderingen in Frankrijk, o.a. in Sazy-le-Grand, in Picardië. In La Rochelle huurde hij een fraai pand Maison Henri II.62 In 1642 werd een maatschappij opgericht waarin ook Jean Hoeufft, Pierre Fabrice de Gressenich en David de la Croix plaats namen.63  In 1644 sloot hij een contract met Jean Hoeufft betreffende de droogmakerijen in Vouvant en Mervent bij Melun. De Strada ondersteunde ook Jan van Ens, die zich in Arles in organisatorische en financiele moeilijkheden bevond en in 1652 failliet ging. In 1655 woonde De Strada in de rue du Cimetière, niet ver van de Sorbonne.[Francearchives] Hij erfde in tweede instantie de titel van Jean Hoeufft, heer van Fontaine-le-Comte, maar stierf in 1655.[Utrechts Archief] Zij hadden een zoon:

Jean de Strada (3 februari 1648 -) trouwde in juni 1671 in Parijs zijn nicht x Marie of Elisabeth Fabrice de Gressenich. Hij was kapitein in het leger en is in een nog onbekend jaar ter dood veroordeeld vanwege een ongeoorloofd duel. Het echtpaar had vijf kinderen.[geneanet

Mansion de Henri y Diana.JPG
Maison Henri II La Rochelle

III. Elisabeth Hoeufft (1583 – 20 november 1654) trouwde met x Andries Schonenberg; zij woonden in Utrecht. In 1633 en 1648 is zij getuige bij een doop  in Nijmegen. Haar twee kinderen erfden 6/48 van hun oom.

Gertruida Schonenberg x Pieter (of Pierre) Blanchetest, heer van Neerestein; een nog onbekende hofstede.

Anna Schonenberg x trouwde in 1639 met Johan (of Jean) Vivien (1610 – 1668), heer van Mulier, een van de executeurs-testamentair. De familie was afkomstig uit Valenciennes en kwam terecht in Dordrecht. Ze verhuisden naar Utrecht; ze hadden een dochter genaamd Anna Elisabeth (1645 of 1647? – 1673), die trouwde met Anthonie Godin, heer van Cockengen en Sprangen, en een neef Nicolaes Vivien, pensionaris van Dordrecht. 

IV. Anna Hoeufft (Heinsberg, 1586 – voor 1648) trouwde op 27 september 1613 met x Petrus Fabricius  (of Pierre Fabrice) uit Kurpfalz-Neuburg of Gressenich, ook bij Aken. Hij wist te ontsnappen aan de woeste neef. Zij hadden vijf kinderen, één zoon en vier dochters, die 7,5/48 toebedeeld kregen van hun oom. 

Otho Fabrice (- 10 juli 1665) trouwde in 1653 met x Marthe de Menour; was hij kamerheer en raad van de koning? Fabrice woonde op de quai Malaquais. Hij was vanaf 1655 heer van Fontaine-le-Comte,  en vanaf 1662 heer van Sazy-le-Grand? Vermoedelijk een dochter Marie-Elisabeth in Speyer. Marthe (1620 -) trouwde met Jacques de Vernant, een theoloog en auteur, Catherina (Denklingen, 1625 – Frankfurt, 1659) trouwde op 8 november 1649 in Mühlheim bij Keulen met baron Wilhelm von Curti, een diplomaat en lid van de Royal Society.[Hessische Biografie]  Hélène (1630-1658) trouwde in 1651 met Jean-Martin Dufay, een schatrijke koopman uit Frankfurt; hun twee dochters Suzanne en Hélèna Catharina waren beide erfgenaam van Jean Hoeufft. Marie  (1635 – 1685) trouwde op 25 juni 1671 met Jean de Strada, haar neef.[geneanet

V. Catharina Hoeufft (1565 of 1567 – na 1647) trouwde te Keulen met x Jan Middelman (- 1608) uit Erkelenz, net over de grens bij Roermond; haar man verdronk op zijn terugreis vanuit Straatsburg. Zij hadden drie kinderen, die 5,5/48 part toebedeeld kregen van hun oom.

Sophie Middelman x Godefroy Hillensberg (- Parijs, januari 1658), een advocaat afkomstig uit Kleve. (Een andere mogelijkheid is Hillensberg bij Sittard.) Hij is vermoord door Jean Beck, zijn neef. De erfgenamen waren de weduwe en de kinderen van de waard Ferand van de “Trois Mores” 64 of zijn eigen (onmondige) kleinkinderen.[Het Utrechts Archief] Zij hadden een dochter Marie die in 1654 in Maastricht trouwde met Isaac van Slype.

Catherina Middelman trouwde x Willem (of Guillaume) Beck. De familie Beck kwam mogelijk uit Stolberg, een oude en belangrijke koper- en messingstad in de regio Aken. Willem Beck trok naar Nederlands-Brazilië en fungeerde in 1638 als getuige bij de doop van zijn nichtje Anneken. In 1639 leende hij 2.400 gulden bij de familie Trip. In 1664 woonde hij op de westpunt van Curaçao. Hij was in 1668 tot 17 december 1669 gouverneur van het eiland Curaçao, als opvolger van zijn broer Matthias Beck, die op allerlei mogelijke manieren de economie van het eiland probeerde te stimuleren. Vervolgens is hij opnieuw, maar dan als provisioneel gouverneur benoemd, toen zijn opvolger Boudewijns binnen vijf dagen stierf aan de gele koorts.65 Ook hij was betrokken bij de slavenhandel.66 Willem en Matthias Beck had mogelijk een nicht Geertrui Beck, afkomstig uit Stolberg, die in 1650 in Amsterdam trouwde met Adam Thiens, koperslager in Aken. Was Adam verwant aan Gerard en Lodewijk Thiens, burgemeesters van Amersfoort, en Marcelis Thiens, burgemeester van Maasstricht? 

Willem Beck en Catharina Hoeufft hadden twee zonen, één overleed jong. De oudste was

Johannes of Jean Beck (Nijmegen? 163267– Parijs, 10 januari 1658) Hij was of werd in 1651 student in Leiden. In een onbekend jaar zou hij zijn toegelaten als advocaat bij het Hof van Holland volgens W.H. Hoeufft. Zou hij getrouwd zijn geweest met Catherine Crommelin?68 [Early History of the Crommelin Family

Begin januari 1658 kreeg Jean Beck ruzie in de Parijse herberg, genaamd “Trois Mores“, gelegen in de niet meer bestaande rue Troussevache, of de rue de la Mortellerie, niet ver van  het stadhuis. Hij was aan de drank en kreeg op 10 januari een woordenwisseling met zijn oom Esaijas Blanche. Vervolgens sloeg hij twee andere erfgenamen, Godefroy Hillensberg, David de la Croix en de waard met een bout neer. Omdat hij door Cornelis van Aerssen in zijn dagboek werd vergeleken met Simson, ligt een bout iets meer voor de hand dan (volgens sommige bronnen) een ijzeren vijzelstamper. De la Croix stierf ter plekke en Pierre Fabrice wist te vluchten. Ook Hillensberg en de waard zouden het incident niet overleven. Beck is vervolgens afgevoerd naar een kamer naast de keuken, waar hij een soort harikiri pleegde  door eerst een mes in zijn buik en vervolgens in zijn keel te steken. Zijn lichaam is ondergebracht in een kerker van het Grand Châtelet en geconserveerd met zout. Toen ook de ambassadeur van de Republiek, Willem Boreel  het lichaam opeistte, hadden de rechters moeite een beslissing te nemen. Beck werd 25 januari op een kar door Parijs gereden of misschien wel door de straten gesleept en is de volgende dag op het plein voor gevangenis aan een been opgehangen. Op 11 februari 1658 viel het vonnis. Er is 30.000 gulden betaald aan schadevergoeding/proceskosten en 10.000 gulden aan de gevangeniskosten?69 Zijn vader beschreef het voorval aan zijn “cousin” Mattheus Hoeufft als de “tragoedie der vrinden en mijn zoon”. Wat er over was van de erfenis van Guillaume enJean Beck werd door de staat in beslag genomen en is aan de diplomaat en minister Antoine III de Gramont gegeven, één van de investeerders in de Société de Petit Poitou.

Tot mijn verbazing kwam er nog een Jean Beck op de proppen, die zich in 1685 opwierp als erfgenaam van Jean Hoeufft.[Francearchives] Deze Jean Beck was afkomstig uit Kleve,[Urkunden und Actenstücke zur Geschichte des Kurfürsten Friedrich Wilhelm von Brandenburg, p. 300] en vanaf 1657 of 1679 actief als resident in Parijs van Frederik Willem, de keurvorst van Brandenburg. Als dat het geval was dan moet hij Adolf Wusthaus(en), geheimraad van de keurvorst van Brandenburg gekend hebben? Het is onduidelijk hoe het in elkaar steekt. Beck, woonachtig in Trier, was in 1660 getrouwd met  Anne Cassiopin, de dochter van de schilder Jean Caspin.70 Waarschijnlijk trouwde hij opnieuw in 1684. Beck dreef in 1685 een emigratiebureautje voor Franse protestanten, die hij ook onderdak verschafte, in de de Rue Mazarine.71 Hij en zijn vrouw werden in november 1686 gearresteerd en drie dagen opgesloten in de Bastille en uitgewezen.72 Omdat hij ziek werd, kreeg Beck toestemming zijn uitreis uit te stellen. Via Rouen (Trier of Kleef) trok hij naar Berlijn, waar hij op 2 februari 1695 stierf.70 [Francearchives] Hij had minstens twee dochters Anne-Elisabeth en Constance-Emilie, mogelijk ook Marie-Anne Be(e)ck die in 1684 met Ludwig Conrad von Humboldt is getrouwd.[Von Humboldt] (Dat waren voorouders van de gebroeders Wilhelm en Alexander von Humboldt.)
File:The rock of Cancale.jpg
Een oud café in Parijs, niet de “Trois Mores”.

Agnes of Agneta Middelman was getrouwd met x Peter Heutz (Hoesch of Hoeufft), haar neef? Zij woonden vermoedelijk in Venlo en Nijmegen en waren erfgenamen van Godefridus van Hillensberg. Hun zoon was:

Johan Hoeufft, schepen in Nieuwegein, raad in de Admiraliteit. Hij trouwde in 1679 in Amsterdam x Geertrui van Thoor. Zij hadden drie kinderen. 

VI. Agnes (of Agneta) Hoeufft (- voor 1632) trouwde met x Gerardt van Linzenich uit Aken (- voor 1632); Linzenich dreef evenals zijn vader een wijnhandel, en ging in 1602 failliet. Hij vestigde zich toen in Thorn bij Roermond, waar hij in 1608 woonde, maar keerde naar Aken terug. Zij hadden twee kinderen, die 5/48 part van de erfenis kregen. Zij worden om nog onduidelijke redenen nauwelijks genoemd bij de liquidatie van de goederen van Jean Hoeufft in 1679. Was die familie reeds uitgestorven?

Helene Linzenich trouwde  in 1616 te Stolberg met x Esaijas Blanche uit Nijmegen. Ze schijnen ook in Rouen te hebben gewoond. Zij hadden drie kinderen: Suzanne (getrouwd met Jacob Schiffert), Agnes (getrouwd met Jacob Gor(i)s, burgemeester van Nijmegen) en Johan Blanche. Esaijas is in 1648 getuige is bij de doop van een kleindochter in Nijmegen.

Catherine Linzenich  (- voor 1648) is op 27 september 1626 te Aken getrouwd x met Nicolaus Robbé uit Dalheim (bij Heinsberg (NRW)). Zij woonden in Nijmegen en hadden drie kinderen. Tijdens de procesgang in Parijs werden zij vertegenwoordigd door Jacob Goris,74 en hun schoonzoon, de advocaat Nicolaes Fagel, gedeputeerde; in Utrecht getrouwd met Elisabeth Robbé. 

Tot slot

Al in 1607 gaf de Franse koning Henri IV de Nederlanders toestemming te investeren in droogmakerijen, polders en kanalisering.  In 1627 was Hoeufft betrokken bij de inpoldering van een voormalig meer bij Sazy-le-Grand, in Picardië, ten NW van Parijs, samen met Octavio de Strada.75 In 1629 was hij betrokken bij de drooglegging rond Sarlièves.[R. Morera, p. 24]Jean Hoeufft  was heer van Fontaine-le-Comte, Fontaine-Peureuse, Choisival en Sous-Bourbon; waarschijnlijk ook in de Vendée, maar de laatste drie lenen komen niet op het internet voor, ook niet bij de Archives Nationales. De titel heer van Fontaine-le-Comte was waarschijnlijk sinds 1620 vacant, want in dat jaar

"... beteiligte sich d’Aubigné an einer Verschwörung gegen Charles d’Albert, duc de Luynes, einen Günstling des jungen Ludwig XIII. Nach deren Scheitern wurde er aus Frankreich verbannt. Entsprechend wurde die dreibändige Ausgabe der Histoire universelle, die im selben Jahr herauskam, im Pariser Parlement verurteilt und vom Henker verbrannt.

In een onbekend jaar  Hoeufft werd benoemd secretaris van de koning. Zijn ambt als secretaris is niet echt duidelijk, misschien had het te maken met een functie als conseiller du roi contrôleur au grenier à sel? Voorzichtigheid is geboden, want “Conseiller-Secrétaire du roi” en “Secrétaire du roi” zijn titels die verwarren; voornamelijk in de publicaties van gewetenloze genealogen die zo graag families veredelen, of om hen te erkennen als adel in landen waar dit mogelijk is, volgens de mentaliteitshistoricus Bluche.76

Chaillé-les-Marais Limited communale.jpg
Chaillé-les-Marais, ten zuiden van Luçon

 

In 1639 tijdens het oproer van de va-nu-pieds werd zijn huis in Rouen aangevallen; woonde daar zijn neef Jan jr, want hij zou zelf in de Rue Mauconseil te Parijs wonen.77 (Richelieu was op dat moment impopulair omdat het land een grote schuld had opgebouwd en de kosten van de oorlog op de bevolking afwentelde. die zich verzette tegen de gabelle en de taille en de nieuw benoemde intendanten, zoals misschien Jean Hoeufft? De markies van Cinq-Mars leidde een opstand en maakte zich sterk voor een betere verstandhouding met Spanje?) Rond 1640 was Hoeufft een belangrijke landeigenaar in de droogmakerijen bij Arles, waar de waterstaatkundige Jan van Ens met een financieel verlies kampte. Hoeufft ondersteunde hem financieel, maar nam mogelijk ook zijn titel heer van Fontenay-le-Comte over. Het is aannemelijk dat hij daarvoor een fors bedrog aan de koning betaalde, die zich op die manier voorzag in extra-inkomsten. Er is een parallel met Christina, de koningin van Zweden,  die in 1641 een adellijke titel aan Louis De Geer verkocht. In 1642 richtten  Hoeufft en De Strada een compagnie op om de moerassen aan de kust van Petit Poitou droog te leggen.78 79

Uit: Marshland Colonization in Acadia and Poitou during the 17th Century by Gregory Kennedy Université de Moncton

La Société de Petit-Poitou began in 1640 with an agreement between Pierre Robert, élu of the élection of Fontenay-le-Comte, and the Bishop of Maillezais.33 Next, Robert needed to seek out royal approval and for this task he enlisted Pierre Siette, king’s engineer and geographer at La Rochelle. Siette must have been known to Louis XIII, because he had been entrusted with the task of dismantling the fortifications of La Rochelle in 1629. It seems that Siette was convincing because in 1641 the king declared that he and his group would have exclusive rights for developing marshland in Poitou, Aunis, and Saintonge, and that they would enjoy 20-year tax exemptions on any land they drained.35 No doubt the 20-year tax relief awarded by Louis XIII was a powerful motivation for migration. They convinced both Jean Hoeufft, a wealthy Dutch financier and former associate of Humphrey Bradley, and a group of local officials and seigneurs to join.46 

Er zijn spaarbiljetten uitgegeven. Jean Hoeufft, De la Croix en De Strada hadden 40% in handen? De eerste rij is niet echt geloofwaardig.

Een van de investeerders was Antoine de Gramont, die de uitvoering toevertrouwde aan de ingenieur en kartograaf Pierre Siette, en benoemd is als dijkmeester. Er werd een ringvaart gegraven en de afwatering verliep via sluizen; er kwam geen molen aan te pas! In 1646 was de drooglegging voltooid. 

Their project was about enhancing their livelihood (Giblett, 2014: 21) and achieving very specific ambitions: the ambition of local elites to break the medieval landholding monopoly of the Church, the ambition of French and Dutch financiers to increase their wealth and influence, the ambition of the State to improve productivity, the ambition of ordinary farmers to secure a better way of life.[The Improbable Success of the Petit-Poitou Company, 1650-1720: Agency and Management at the Crossroads of Social and Environmental History by Gregory Kennedy]

 

Bildergebnis für marais poitevin
Sluis in de Marais Poitevin 
Uit: Marshland Colonization in Acadia and Poitou during the 17th Century by Gregory Kennedy Université de Moncton

In 1651, widespread and accumulated damages were reported as a result of tenants throwing refuse and dirt in the canals, planting trees on the dykes, and letting their livestock roam freely. Two years later, the general assembly declared that all tenants would be responsible for any damages they caused – either having to carry out repairs themselves or paying for the work.54

 

The very survival of the Petit-Poitou Company was far from assured, in light of the disastrous flooding of 1657, bitter internal conflicts during the 1660s and 1670s, Louis XIV’s seizure of almost a third of Company property after 1685, and serious legal challenges from regional competitors. To understand this improbable success, at a time when so many other drainage projects sorely failed, we need to examine the particular challenges and solutions of this crucial period.[The Improbable Success of the Petit-Poitou Company, 1650-1720: Agency and Management at the Crossroads of Social and Environmental History by Gregory Kennedy]

Iimage 1

Bronnen 

Jhr.Mr. W.H. Hoeufft (1905) Genealogie van het geslacht Hoeufft. Altorffer, Middelburg (niet in de handel).

C. van Wessem (1936) ‘Beck’, p. 342-344. In: De Nederlandsche Leeuw

Vaderlandsch woordenboek […]. Negentiende(-twintigste) deel. HAA-HAAR (-HOL).

Nederland’s Adelsboek, jaargang 1942

Erik Thomson (2015) Jan Hoeuft and the Thirty Years War

The Life of Governor Joan Gideon Loten (1710-1789): A Personal History of a … Authors: Alexander J. P. Raat

Huygens, KNAW

“Les étrangers en France sous l’ancien régime, histoire de la formation de la population française” Mathorez, Julius

 

Referenties

  1. Les Étrangers dans la ville: Minorités et espace urbain du bas Moyen Âge à l … herausgegeben von Jacques Bottin,Donatella
  2. Hij kwam vermoedelijk uit Gangelt, een gemeente net over de grens bij Roermond. In 1664 was hij een van de oprichters van de Franse Oostindische Compagnie.
  3. M. LE COMTE DE DIENNE (1919 – 1921) “Histoire du desséchement des lacs et marais en France avant 1789”, p. 40
  4. Stadsarchief Amsterdam, not. S. Cornelisz, (NA 5075, inv. 24-645), op 24 maart 1620
  5. I.H. van Eeghen (1970) Jan Rijcksen en Griet Jans, p. 123. In: Maandblad Amstelodamum.
  6. P.W. Klein, p. 295
  7. huygens.knaw; huygens.knaw.
  8.  Religion and Trade: Cross-Cultural Exchanges in World History, 1000-1900 geredigeerd door Francesca Trivellato, Leor Halevi, Catia Antunes
  9. P.W. Klein, p. 380; R. Morera, p. 15
  10.  DBNL Amsterdamsche notarieele acten betreffende den koperhandel en de uitoefening van mijnbouw en metaalindustrie in Zweden medegedeeld door Dr. J.G. van Dillen
  11. P.W. Klein, p. 385
  12. Jan Wagenaar (1793) Vaderlandsche Historie, deel XI, p. 198
  13. Jan Wagenaar (1793) Vaderlandsche Historie, deel XI, p. 304
  14.  Der Dreißigjährige Krieg – Teil 15 (1635-1637)
  15.  Staat van oorlog: wapenbedrijf en militaire hervorming in de Republiek der … Authors: M.A.G. de Jong
  16. Duitse Wikipedia
  17.  Briefwisseling van Hugo Grotius, deel 16, p. 36-37
  18. Nationaal Archief 3.20.26. Inventaris van een verzameling papieren, afkomstig van Jhr. mr. Henrik Hoeufft van Velsen
  19.  Hugo de Groot: een leven instrijd om de vrede 1583-1645 door Henk Nellen
  20. Francearchives; Comte de Dienne, p. 42
  21. Google Earth
  22. Hoeufft, p. 71
  23. Richelieu was sinds 1607 bisschop van Luçon.
  24. Mazarin werd in 1651 abbé van het afgelegen koninklijke klooster Saint-Michel-en-Herm, in de  moerassen van Petit Poitou. Het klooster, dat hem al in 1642 aanzienlijke inkomsten verleende was in 1568 geplunderd door de protestanten, die eerst Fontenay-le-Comte hadden bezet.
  25. Nationaal Archief 3.20.26. Inventaris van een verzameling papieren, afkomstig van Jhr. mr. Henrik Hoeufft van Velsen
  26. Raphael Morera (2016) Du commerce aux finances. La fortune de Jean Hoeufft (1578-1651), entre la France et les Provinces-Unies, p. 25-26
  27. Nationaal Archief 3.20.26, inv. 39 In: Inventaris van een verzameling papieren, afkomstig van Jhr. mr. Henrik Hoeufft van Velsen
  28.  Journal du voyage de deux jeunes hollandais à Paris en 1656–1658
  29. Tussen Roer en Vloot
  30.  Comte de Dienne?
  31.  The Fruits of Revolution: Property Rights, Litigation and French Agriculture … Authors: Jean-Laurent Rosenthal
  32. Een zekere Gerard Luls was burgemeester van Wijk bij Duurstede en na 1700 commissaris van de slavenhandel op Curaçao en gouverneur. Rond 1740 zou hij gezworen klerk zijn?
  33. RAD 9- 64 f 71 d.d. 15 januari 1659. Met dank aan A.M. Balm-Kok
  34. P.W. Klein, p. 86
  35. P.W. Klein, p. 189, 326
  36. P.W. Klein (1965) De Trippen in de 17e eeuw, p. 233
  37.  huygens.knaw.
  38.  andredenhaan over houbraken
  39. Stadsarchief Dordrecht nr. 3, inv. 3978, f. 23v
  40. P.W. Klein, p. 385
  41. W.H. Hoeufft, p. 83
  42.  Acta Pacae Westphalica
  43.  Hessische Biografie
  44. Het “Johan de Witthuis”
  45.  Het Vaderland : staat- en letterkundig nieuwsblad 12-06-1928
  46. Hoeufft van Velzen, p. 259
  47.  Kees Zandvliet (2006) De 250 rijksten van de Gouden Eeuw.
  48.  Thomas Cletcher jr
  49. Ilse Kuiper (1992) Thomas Cletcher jr. (1598 – 2 juni 1666), Jaarboek Die Haghe, p. 13-27
  50.  RKD
  51.  Kees Zandvliet (2006) De 250 rijksten van de Gouden Eeuw. (ISBN 90-8689-0067). Zijn vermogen is geschat op 300.000 gulden.
  52. Wagenaar (1793), p. 328
  53.  andredenhaan over 1000E PENNING DORDRECHT 1626
  54. W.H. Hoeufft, p. 122
  55.  Dortenazoeker
  56. Haar broer Peter van Beeck (ca 1581 –  Emmerich, voor 1653), woonachtig in Amsterdam op de Herengracht, handelde met Dirck en Jean Hoeufft in zout uit Frankrijk. In 1610 verkocht hij zijn aandelen in de VOC. In de jaren twintig zou hij de Franse koning geld hebben geleend, maar kon niet aan zijn beloften voldoen.
  57.  Factum pour Charles de Flacourt
  58.  Reisverslag van Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck
  59.  Armorial général de la France, Volume 2
  60.  Bulletin de la Société des archives historiques de la Saintonge et de l’Aunis
  61. Haar oudste zoon, Don Julius Ceasar van Oostenrijk werd verbannen naar Český Krumlov en vermoorde zijn plaatselijke vriendin op een beestachtige wijze.
  62.  Revue d’Auvergne / publiée par la Société d’émulation de l’Auvergne
  63.  Statistique ou description générale du département de la Vendée Authors: Jean Alexandre Cavoleau, Armand Désiré de La Fontenelle de Vaudoré
  64. Journal du voyage de deux jeunes hollandais à Paris en 1656-1658
  65. De Nederlandsche Leeuw (1936), p. 251. zie ook 281, 283 en 342.
  66. Stadsarchief Amsterdam NA 3204-78v  1670 juli not. H. Outgers Jamaica 7/17 december 1669 bedragen van 1000, 2000 en 5000 gulden aan de heren van de WIC kamer de Maze op Francisco Vaz Isidro reders van de Susanne voor de waarde van de slaven van directeur Willem Beck te Curacao ontvangen dd 22 februari 1670. Met dank aan Ruud Koopman, Zaandam.
  67. stamboom nederland
  68.  GÉNÉALOGIE DU NOM. MAISON ET FAMILLE DES CROMMELIN: ÉCRITE EN HOLLANDE, PAR LE RÉFUGIÉ SEPTUAGÉNAIRE JACOB CROMMELIN, EN 1712 Bulletin de la Société de l’Histoire du Protestantisme Français (1852-1865) Vol. 7, No. 10/12 (1858 NOV. ET DÉC.), pp. 478-49
  69. Journal du voyage de deux jeunes hollandais à Paris en 1656-1658
  70.  Rue du Seine
  71.  La révocation de l’Edit de Nantes a Paris d’après des documents inédits (Volume v.2) Author : Douen, O. (Orentin), 1830-1896, p. 443-446
  72.  Mémoires historiques et authentiques sur la Bastille, Volume 1 Door Jean Louis Carra, p. 126
  73.  Rue du Seine
  74.  Bulletin de la Société des Antiquaires de Normandie 1943 (T42)
  75. Salvatore Ciriacono, Building on Water, 215
  76. François Bluche, article Conseiller, dans : Dictionnaire du Grand Siècle, Paris, 1990, p. 393.
  77. Francearchives
  78.  The Improbable Success of the Petit-Poitou Company, 1650-1720: Agency and Management at the Crossroads of Social and Environmental History by Gregory Kennedy
  79. Franse Dollard

3 total views, 1 views today