Kloveniersburgwal 67

Het hoekpand ligt op de op de noordhoek van de Raamgracht en aan de oostkant van de Kloveniersburgwal, toentertijd buiten de Oude Singel. De Oude Singel of Singelsloot was de ver­dedigingsgracht rond de middeleeuwse stad, gegraven rond 1430. Rond 1480 werd een vier meter hoge muur gebouwd rondom de stad. De Schreiers­toren en de Waag maakten deel uit van het 15de eeuwse verdedigings­werk. In 1579 viel het besluit een nieuwe verdedingwal op te werpen en met als bijkomend voordeel de stad uit te leggen. Er werd druk gespecu­leerd in de toekomstige bouwterreinen. Niet alleen door de gevestigde elite, maar ook de nieuwkomers van Vlaamse en Brabantse oorsprong zagen volop mogelijkhe­den. Het ophogen van het tamelijk moerassige land aan weerszijden van de St Antonies­breestraat met stadsvuil en zand vond eerst in westelijke en noordelijke richting plaats, want de scheepswerven en houttuinen, die daar waren gevestigd moesten zo snel mogelijk naar de nieuw aangeplempte eilanden Uilenburg en Rapenburg worden verplaatst. Voor de aanleg van de straten en de burgwallen in het nieuwe stadsdeel is door de eigenaren een uitzonder­lijke belasting, de Melioratie, betaald.

cartografie-vogelvlucht-groot-lbovenVanouds werden aan weerszijden van de Raamsloot tot aan de Amstel lakens gedroogd, zoals op de houtsnede van Cornelis Anthonisz. uit 1538, in het bezit van het Amsterdams Historisch Museum, duidelijk is te zien. In 1591 werden de terreinen in de omgeving van de Raamsloot bestemd voor ververijen.

Toen het gebied rondom de Zuiderkerk rond 1615 goeddeels was vol gebouwd, zijn nieuwe textielbedrijfjes naar de omgeving van de Raampoort (aan het einde van de Bloem­gracht) en het Raamplein verwe­zen.

Het onderhavige hoekpand, samen met het pand daarnaast, blijkt al op een kaart van Pieter Bast, gedateerd met 1597 voor te komen. Langs de Kloveniers­burgwal richting Nieuwmarkt stonden aanvankelijk eenvoudige huizen, die in de loop van de jaren zijn vergroot, verhoogd of afgebroken. Toen de Verenigde Oostindische Compagnie in 1602 de beschik­king kreeg over het Bus- of Boshuis, en de handel op Indië uitermate voorspoedig verliep, werd de Kloveniersburgwal een aantrekkelijke vestigingsplaats voor kooplieden op de Oost. In het Bushuis lag niet alleen specerijen en zijde opgeslagen, er werden jaarlijks vele honderden ossen geslacht, ter bevoorrading van de VOC-schepen. De karkassen en het slachtafval werden in de gracht gegooid. Het is niet verbazingwekkend dat de ververijen naar de Jordaan verdwenen.

Op de westzijde van de Kloveniersburgwal stond van 1569 tot 1792 het krankzin­nigengesticht. Het Dolhuis behoorde tot de bezienswaar­digheden van de stad, tegen betaling kon het publiek de bewoners “bezichtigen”. Bij de verkoop van het onderhavige pand werd het Dolhuis vaak genoemd om de ligging aan te duiden. Voor de muren van het Dolhuis werd aanvankelijk een houtmarkt geor­ganiseerd. Het Dolhuis werd aan het einde van de 18de eeuw verplaatst naar de Overtoom. In 1793 kon de Evan­gelisch Lutherse kerk worden ingewijd.

P1010129
De Hersteld Evan­gelisch Lutherse kerk, nu theater De Trust

Amsterdam was vanouds verdeeld in zogenaam­de schut­terswij­ken. Iedere wijk leverde minstens een vendel schutters, bestaande voor 2/3 uit musketiers, 1/3 piekeniers. De aanzien­lijkste (gereformeerde) bewoners van een wijk werden door het stadsbes­tuur tot officier benoemd. Het aanvaar­den van zo’n positie was van belang om een bestuurlijke carrière te kunnen maken. Er werd door de schutters ‘s nachts wacht gelopen en opgetreden bij brand en ongeregeld­heden. Ter compensatie kregen de schutters een jaarlijkse maaltijd aangeboden en het visrecht in de grachten. Iedere wijk was onderverdeeld in buurten. De buurtmees­ters beoordeelden aanvragen tot bijstand en werden bij meningsver­schillen om raad gevraagd. De indeling in wijken was ook van belang bij de belastin­gin­ning, zoals de hierna vaak ter sprake komende Verpon­ding, een 17de en 18de eeuwse onroerend goedbelasting, berekend uit de huurwaarde.

Een huisonder­zoek levert aanvankelijk meer vragen op dan er worden beantwoord, want slechts drie Verpondingsregisters uit de 17de eeuw zijn bewaard gebleven. Ondanks de beperkte bronnen ga ik er vanuit dat de eigenaren- en bewo­nersges­chiedenis van Klove­niersburg­wal 67 als volgt is geweest.

Brechte Pieter Rodingsdochter

In het oudste bewaard gebleven verpondingskohier van 1650 staan Brechte Pieter Rodingsdochter en Dirck Aertsz. Kock genoteerd als degenen die de Verponding betaalden.

Brechte Pieter Rodingsdochter werd geboren in 1568 en was enig kind. Zij trouwde op twintig jarige leeftijd met een bierbrouwer van de O.Z. Achter­burgwal: Coenraat M. Burgh. Ze kregen drie kinderen: Claertje, Trijntje en Albert. Haar echtgenoot stierf in 1601, net als haar vader Pieter Roding. (Roding had vlak voor zijn dood in zijn testament laten opnemen dat hij hoopte dat de gerefor­meerde religie mocht blijven, anders zouden de prijzen dalen.)

In 1604 liet de weduwe Brechte Pieter Rodingsdochter op een veiling twee huizen “buyten de boshuys­poort bij de Raemsloot” kopen, “daer het gulden heck” en “daer de blaeuwe leeuw” uithingen, tezamen met twee on­bebouwde erven, een ververij en loods. De koopprijs bedroeg 7.875 gulden. Jan Jansz. Cloot, een verver, was gedwongen zijn huizen en bedrijf te verkopen. In 1603 en 1604 waren er buitengewoon veel faillissemen­ten in Amsterdam. De pest had danig huisgehouden. Het stadsbestuur stelde zich in 1603 tot doel de textielin­dustrie te bevorderen om de vele berooide Vlaamse arbeiders aan werk te helpen.

In de loterijlijsten van het Haarlemse Oudemannenhuis werd Jan Jansz. Cloot nog steeds vermeld als wonende of werkende in “de blauwe leeuw”. Vermoedelijk was hij “bedrijfsleider”. De zolders van een ververij waren van groot belang. Daar was het meeste licht. De ververijen specialiseerden zich waarschijnlijk op één kleur.

Daniël van Kerkhoven

Een van de huurders van het pand was Daniël van Kerkhoven. Hij was in Middelburg getrouwd met Catharina Muennicx. Uit het feit dat beiden een achternaam hadden kan geconcludeerd worden dat zij Vlamin­gen of Brabanders waren. Van Kerkhoven was een niet onbelangrijke laken‑, huiden‑ en graankoopman. Zijn schoonvader Gilles Muen­nicx en zoon Cornelis dreven vanuit Archangelsk en Middelburg zaken met Daniël van Kerkhoven, die in Amsterdam de uitvoer regelde. Vanuit Rusland werden huiden en pelsen aan­gevoerd. Rogge werd vanuit Dantzig naar Frankrijk verscheept. Incidenteel lieten Van Kerckhoven en zijn compagnon Carel de Molijn kaviaar vervoeren naar Italie. Zijn belangrijk­ste inkomsten kwamen ver­moedelijk uit de zijdehan­del, die via Archangelsk uit Perzië werd aangevoerd. Cornelis Muennicx was bewindhebber van de VOC in Middelburg.

Daniël van Kerkhoven woonde in 1612 op of bij de Nieuwmarkt: mogelijk het onderhavige pand op de Kloveniers­burgwal. Er kwamen zeven kinderen in de loop van de jaren. In 1614 begroef hij een kind in de Zuiderkerk. In 1622 legde Daniël van Kerkhoven zich toe op de lakenhandel uit Engeland. De handel op Rusland werd na jarenlange onderlinge concurrentie door andere Amsterdamse kooplieden gemonopoliseerd. Van Kerkhoven stierf in 1626. Zijn weduwe bewoon­de in 1631 het pand, toen zij werd aangeslagen voor een specifieke belasting. Zij bezat een geschat vermogen van 40.000 gulden. Zij stierf in 1643 en werd deftig begraven in de Wester­kerk. Dat betekent naar alle waarschijnlijkheid dat zij toen niet meer op de Kloveniersburgwal woonachtig was.

87px-Klov33Het vermogen van Brechte Pieters werd in 1631 geschat op 130.000 gulden. Brechte Pieters stierf in 1638 bij de Nieuwmarkt. Zij woonde in het pand Kloveniersburg­wal 23, met haar zoon en naast haar dochter Trijntje en schoon­zoon, Dirk G. van Beuningen. Na haar overlijden kwamen Kloveniers­burg­wal 65 en 67 in handen van haar erfgena­men. Het pand kwam na 1638 in handen van de schoonzoon van Brechte Pieters, Mr Dirck G. van Beuningen, want vrouwen werden in die tijd niet als handelingsbekwaam beoordeeld.

Dirk G. van Beuningen

Dirk G. van Beuningen, geboren in 1588, was in 1619 getrouwd met Catharina Burgh. Hij kwam uit een aanzienlijke (remonstrant­se) familie. Het echtpaar had minstens vier kinderen, waaronder de bekende diplomaat en later waanzinnig geworden Coenraad van Beuningen. Omdat de Remonstranten in het geheim hun diensten hielden en er vaak thuis werd gedoopt, is het aantal kinderen lastig te achterha­len. Dirk G. van Beuningen dreef een firma, te zamen met Reynier Reael, handelend op Rusland en de Levant. Van Beuningen stierf in 1648. De verdeling van de erfenis zal enige jaren in beslag genomen hebben. Ik vermoed dat zijn vrouw zwaarmoedig was en niet in zaken geïnteresseerd, want het onderhavige pand ging in 1653 over naar naar zijn stiefmoeder Lijsbeth Hendricx.

Lijsbeth Hendricx

Lijsbeth Hendricx was de derde echtgenoot Geurt Dirxsz. van Beuningen, de vader van Dirk, hierboven beschreven. Ze trouwden in 1619. Van Beuningen had twee kinderen uit zijn beide eerste huwelijken. Zij was eerst getrouwd geweest met Hendrick Frenckinck en had geen kinderen. Geurt D. van Beuningen, over wie veel verhalen de omloop doen, stierf in 1633. Zijn vermogen bedroeg toen 80.000 gulden. Zijn weduwe Lijsbeth Hendricks stierf in 1655. De verdeling van de erfenis zal enige jaren op zich hebben laten wachten.

De verponding werd in 1650 betaald door Dirck Aerts Kock, een zijdereder. Hij was geboren in 1596 en in 1622 getrouwd met Margarita Valckenier, geboren in 1601, en opgegroeid in het pand Klove­niersburg­wal 63. In 1631 woonden zij in de War­moesstraat in “het wapen van Amsterdam”. Kock werd in 1638 regent van het Oude Mannen‑ en Vrouwenhuis en een van de vier boekhouders bij de Wissel­bank, gevestigd in het stadhuis. Hij verdiende bij de Wissel­bank 700 gulden met een halfjaarlijks traktement.

In 1647 was Kock huurder van een (tweede) ververij, vermoedelijk elders in de stad. De koper moest geduld hebben en kon de ververij niet in gebruik nemen. Kock stierf op de Klove­niersburg­wal in 1655 “over het Bosch­huys”. Zijn weduwe werd in 1680 begraven vanaf de Klove­niersburg­wal.

Cornelis Vliet

In 1661 kocht Cornelis Vliet het pand voor 8.500 gulden van Mr Geurt D. van Beunin­gen, de broer van de diplomaat Coenraat van Beuningen. Van deze Geurt is weinig bekend, alleen dat hij meerdere huizen bezat en in 1687 stierf.

Cornelis Vliet, afkomstig uit Delft, legde in 1666 zijn ambt neer. Hij werd (vanaf de Kloveniers­burg­wal) in 1669 begraven in de Nieuwezijds Kapel op het Rokin. In 1674 werd er niemand in het pand aangeslagen. Misschien stond het leeg. Het pand bleek in 1683 nog in handen (van de nabestaanden) van Cornelis Vliet, want op zijn naam werd de Verponding betaald. Was het pand een notariskantoor of werd het nog steeds bewoond door de weduwe van Dirk A. Kock?

Pieter Mol

1918koveniersburgwalBU181608Uit een latere koopakte bleek dat Pieter Mol het pand had gekocht op 14 maart 1699. Omdat de betreffende kwijtschelding (verkoopakte) ontbreekt, is onduidelijk van wie. Pieter Mol was getrouwd met Elsje Gerrits. Hij woonde aanvankelijk in de Onkel­boerensteeg en dreef een winkel in Delfts porselein op de hoek van de Nieuwe Hoogstraat en de Kloveniersburgwal. Op de Kloveniersburgwal (westzijde) werd destijds markt gehouden in aarde- en plateelwerk en porselein, blank ijzer en kramerijen. Pieter Mol werd in 1701 begraven vanaf de Raam­gracht. De ingang van het woonhuis was destijds blijkbaar om de hoek.

Hun dochter Deborah Mol was in 1700 getrouwd met de 25‑jarige Johannes Herault, een tabakkoopman. Zij trouwde vanuit het hoekpand in de Nieuwe Hoogstraat, waar haar vader een zaak dreef. Johannes Herault vertrok voor een reis naar het buitenland; haar moeder kwam voor 1707  te overlijden, maar onduidelijk is waar en wanneer.

Elisabeth Mol

Elisabeth, de dochter, hield de achternaam van haar moeder aan, toen haar vader in 1707 hertrouwde met Maria van Suyl in Haarlem. Elisabeth Mol erfde het onderhavige pand na het overlijden van haar grootmoeder Elsje Gerrits. Toen Elisabeth Mol in 1724 zelf overleed, ging het pand in 1725 over naar haar vader Johannes Herault.

Johannes Herault werd op 11 maart 1727 vanuit het onderhavige pand ‘s middags om half drie begraven in de Zuiderkerk. (Na 15.00 uur was het begraven duurder!) Het onderhavige pand kwam op naam te staan van zijn weduwe, Maria van Suyl. Zij vertrok naar haar oorspronkelijk woonplaats Haarlem. De weduwe Van Suyl betaalde de verponding ook in 1740 en 1742, alhoewel het pand in 1735 door haar was verkocht. Het ligt voor de hand dat zij en de nieuwe eigenaar een afspraak daaromtrent hadden.

P1010126

Het pand lag tot 1732 in schutterswijk XV, en tegenover de voormalige ververij “de Gele Hand” (nu het gebouw van De Weekbladpers). Rond 1732 werden de 60 wijken van Amsterdam opnieuw ingedeeld. Het onderhavige pand kwam te liggen in schutterswijk XIII, met verpondingsnummer 3763. De verponding was een belasting op onroerend goed, die in 1732 – na jaren van geringe efficiëntie – werd gereorganiseerd. Om de doelmatigheid te verbeteren kreeg elk pand een nummer. De verponding werd verhoogd tot 54 gulden.

Het was mogelijk protest aan te dienen tegen de nieuwe aanslag. Uit het zogenaamde Redres op de Verponding, blijkt dat de bewoners van het onderhavige pand een aftrek kregen van 20 gulden voor drie (kostbaar) behangen kamers. De fiscale huur werd gesteld op 660 gulden: tweederde van de huurwaarde, die derhalve 990 gulden per jaar bedroeg.

Het pand werd in 1732 verhuurd, inclusief de kelder, aan Jacobus Pennewart, handelaar in stoffen. Hij was in 1710 getrouwd met Hendrina de Beet (1688-1755). Haar moeder Engeltje Blom werd in 1734 begraven vanuit het huis op de Kloveniersburgwal.

Egbert Helmer

Egbert Helmer, haar andere schoonzoon, kocht het onderhavige pand  op 22 maart 1735. De koopprijs bedroeg 12.000 gulden. Er werd een aanbetaling gedaan van 2.000 gulden kontant en 10.000 gulden werd geleend van meesterchirurgijn Pieter Plaatman. Egbert Egbertsz. Helmer, afkomstig uit de buurt van Osnabrück, was van beroep ijzerkramer. Hij trouwde in 1732 met Maria de Beet. Zij was een 38‑jarige weduwe met kinderen.  Jan Overvelt, haar eerste echtgenoot was in 1724 voor een jaar vertrokken naar West‑Indië en nooit teruggekeerd. Egbert Helmer trok bij haar in op de Oude Schans. Zij ging alvorens het huwelijk aan te gaan, eerst bij de Weesmeesters op het stadhuis langs om haar kinderen hun vaders erfdeel te bewijzen. In 1735 lieten zij een kind begraven in de Zuiderkerk.

Jacob Bickers Raye vermeldt in zijn dagboek op 21 januari 1737 een aanranding van een meisje van 16 of 17 jaar op de hoek van de Kloveniersburg­wal en de Raamgracht. Het slachtoffer werd naar de barbier op het Muntplein gebracht.

Uit de verpondingskohieren blijkt dat het pand Kloveniersburgwal 67 in 1741 is herbouwd, evenals de buurpanden, Kloveniersburgwal 63 en 65. Het pand werd met een verdieping verhoogd. Het kreeg een klokgevel ‑ in een enigszins ouderwetse Lodewijk XIV stijl ‑ met fraaie sierornamenten en een kroon. Het kapitale hoekpand werd in drie huizen opgesplitst. Op de Raamgracht kwamen twee identieke, maar ondiepe panden te staan. De waarschijnlijke aanleiding om het pand te splitsen waren de uitzonderlijk hoge huren tussen 1730 en 1735. Met de verhuur van de panden kon de lening worden afbetaald.

Het zat de beide echtelieden niet mee. In 1741 zijn Egbert Helmer en Maria de Beet uit elkaar gegaan. De drie huizen op de hoek van de Raamgracht en Kloveniersburgwal kwamen in 1742 op haar naam te staan, waarvan de waarde werd geschat op 20.000 gulden.

Het Kohier van de Personeele Quotisatie, een inkomstenbelasting, die in 1742 werd ingevoerd, maakt duidelijk wie de panden op de Kloveniersburgwal en de Raamgracht bewoonden of huurden. Op de begane grond was een ijzer­winkel van Jac. Overvelt, de broer van de eerste echtgenoot van Maria de Beet. De ijzerkramer betaalde 550 gulden huur. De eerste verdieping werd bewoond door de eigenares Maria de Beet. Zij was rentenier, in de 18de eeuw het meest voorkomende “beroep” in Amsterdam. Haar inkomen werd op 1.000 gulden per jaar geschat, afkomstig uit de haar toebehorende drie panden en een tweetal kostgangers. Jan Bols, wijnkoper en Frans van Kerchem  (1715-1761), moeten bijna wel haar kostgangers zijn geweest, want zij betaalden volgens het Kohier geen huur.

P1010350
Kohier Personeele Quotisatie (1742)

Frans van Kerchem, is in 1715 geboren op Texel; hij was de zoon van mr Willem van Kerchemuit Leiden. In 1743 was hij regent van het Leprozenhuis aan het einde van de Jodenbreestraat. Frans van Kerchem bleef niet lang wonen op de Kloveniers­burgwal. Bij zijn huwelijk met Clara Margaretha Repelaer in 1746 woonde hij op de Heiligeweg.

De tweelingpanden op de Raamgracht werden verhuurd aan Maria Remmers, rentenier en Nic. van Tamen, wijnkoper. Over Maria Remmers is niets bekend. Nicolaas van Tamen was  in 1732 getrouwd met Catharina de Danser uit Leiden. Het echtpaar woonde aan­vankelijk op de Boomsloot. Zijn vrouw was in 1742 begraven vanuit een van de beide panden op de Raamgracht.

Ondanks het feit dat Maria de Beet per jaar minstens 950 gulden aan huur beurde, was zij niet in staat binnen de afgesproken termijn haar schuld van 10.000 gulden bij de stadschirurgijn en -vroedmeester Pieter Plaatman op de Herengracht af te betalen. De weduwe werd in 1754 failliet verklaard.

Hendrik Snijders

Het voorhuis werd in december 1755 voor 9.730 gulden op een executieveiling verkocht aan de 72‑jarige Hendrik Snijders, een kleermaker van de Boomsloot; het eerste huis daarachter aan Jan Bols jr voor 4.850 gulden; het tweede huis daarachter voor 3.850 gulden aan Aaltje Teger, de dochter van een herbergier, die op Raamgracht 21 rentenierde.

Hendrik Snijders uit Keulen was in 1716 getrouwd met Helena Rutgers. Zij woonden aanvankelijk in de Jonkerstraat, toentertijd geen voorname straat. Na haar overlijden hertrouwde hij in 1733 met Anna Maria Meyer uit Keulen. In 1747 lieten zij een testament opmaken. Hij was blijkbaar in goede doen geraakt. In 1762 trouwde zijn dochter Geertrui in Keulen met een Franse officier, Jean-Paul de la Valette-St. George, in 1740 geboren in Bayonne.

Het pand werd verhuurd in 1761 aan Ferdinand Schouten, een diamantslijper. Of hij zijn beroep uitoefende of in de winkel juwelen verkocht is niet duidelijk.

In 1772 was Jacobus van Broyel, de huurder van het pand op de Kloveniersburg­wal. Hij woonde aanvankelijk op Oostenburg met echtgenote Christina Bouwmeester. Zijn beroep was toeziender op ‘s Lands Gemeene Middelen bij de Hannekes Boom, blijkbaar een een douanier of belastinginspecteur. In 1782 lieten zij een testament opmaken. Zij stierf in 1783; hij een jaar later. Zij liggen begraven in de Oosterkerk.

Geertruid Snijders (Gertrud Schneider), de enige erfgenaam van Hendrik Snijders, liet het pand door haar echtgenoot Jean-Paul de la Valette de St George verkopen aan Cornelis Boelens op 24 februari 1784 voor 15.500 gulden.

Cornelis Boelens

Cornelis Boelens was commissionair, rooms‑katholiek en kwam oorspronkelijk uit Groningen. Hij trouwde in 1764 met Catharina Bamming. Zij woonden eerst op de Oude Schans. Hij was 59 jaar, toen hij het onderhavige pand op de Kloveniersburgwal betrok. Hij stierf in 1795. Zij is voor 1803 overleden. Toen werd het pand door de erfgenamen voor 10.250 gulden verkocht aan Salomon Josephus Proops.

Salomon Josephus Proops

S.J. Proops werd geboren in 1740. De boekdrukkersfamilie Proops kwam uit Poznan. Hun uitgeverij was een van de belangrijkste ter wereld op het gebied van hebreeuw­se bijbels, met een sinds 1704 bestaande winkel in de Jodenbree­straat. Dankzij de Hebreeuwse drukkerijen heeft Amsterdam toch een grote naam in de joodse wetenschappelijke wereld gehad. In 1772 liet zijn vader bij de notaris vastleggen, dat zijn zoon zijn aandeel aan zijn ooms moest verkopen als de participatie na zes jaar niet beviel. Hij trouwde in 1777 met Schoontje Millen (= Mulheim), beiden woonden toen op de Stromarkt. In 1785 kregen zij een dochter Nenzi. In de Franse tijd hadden de boekdrukkers het moeilijk. Er was censuur en er werd maar een krant uitgegeven. Het is niet onwaarschijnlijk dat Proops het pand heeft moeten verkopen. De weduwnaar Salomon Joseph Proops stierf in 1826 in de Muiderstraat.

Joh. H. Geraards

De nieuwe eigenaar was Joh. H. Geraards, tapper. Hij was in 1783 geboren en kwam uit het Luikse, Roosteren of Maaseik. Hij trouwde in 1807 met Alida Antonia Althof, geboren in 1790. Beiden waren Rooms-Katholiek. Hij woonde in de Kalverstraat bij de Munt; zij in de Utrechtsestraat. Het is mijn niet bekend in welk jaar J.H. Geraards het pand op de Kloveniersburgwal kocht. (Misschien dat via het Kadaster nog iets valt te achterhalen op artikelnummer 740 en 8701, sectie G 3006).

Het gezin Geraards bestond in 1816 uit vier personen. De huur van het pand op de Kloveniers­burgwal, toen wijk 13 met nummer 39, werd op 700 gulden per jaar geschat. In 1829 waren er vijf kinderen. In 1838 stierf J.H. Geraards op de leeftijd van 55 jaar. Zijn weduwe zette de tapperij voort. Haar oudste dochter woonde in 1863 nog bij haar.

Mogelijk woonde boven de tapperij rond 1852 de familie Calisch. Nathan Izaak Calisch was convooiloper, zijn zoon Eliezer een kunstschilder. Bovendien staan er vier dienstboden beschreven.

https://stadsarchief.amsterdam.nl/archieven/archiefbank/indexen/bevolkingsregisters_1851-1853/zoek/query.nl.pl?i1=1&i2=3&u2=s&A2=Kloveniersburgwal%2067&h2=66&x=17&z=a

Uit het bevol­kingsregister, bijgehouden vanaf 1862, blijkt dat de tapperij werd verhuurd. De tapper J.J. Kijzergang vertrok in 1864 met vrouw, twee zoontjes en een dienstbode.

G. Drost vertrok in 1863. J.P.I. Klijn bewoonde met vrouw en kind een verdieping van 1863-1865. H. Blokking en zijn vrouw woonden er van 1865-1869. Zie de bijgevoegde kopiën uit het Bevolkingsre­gister rond 1865.

Op de bovenverdiepingen woonden tussen 1874 en 1893 zoveel mensen (57)  z’n korte tijd, dat ik de indruk heb dat het een logement was. Een van hen was:

Samuel J. Koopal

Samuel Jesaias Koopal werd geboren in 1837. Hij trouwde in 1865 met Judi Poppel­houwer, een naaister van 22 jaar. Hij woonde in de Jodenbreestraat. Ze kregen vier kinderen: Marie, Esther, Maurits & Willem. Samuel J. Koopal, makelaar, kocht het pand in 1871 van de erven Geraards. De betreffende koopakte 1190-45 ligt bij het Rijksarchief in Haarlem opgeslagen.

De meeste huurders waren joods, zoals Abraham Levy, koopman; Mozes Benjamin, met vrouw, twee kinderen en een dienstbode; de diamantslijper Isaac Meyer Kleerekoper; mej. L. Mossel.

Samuel J. Koopal stierf in 1909. In 1911 kwam het pand op naam van zijn weduwe en de kinderen. Het pand werd in 1917 op een veiling in Frascati door de erven van Judie (Henriette) Poppelhouwer ­verkocht aan Simon Abraham Wolder. Hij betaalde 12.100 gulden voor het pand. De huuropbrengst van het winkelpand en hoekhuis bedroeg 92 gulden per maand.

Simon Abraham Wolder

Samuel (= Simon Abraham) Wolder werd in 1879 geboren in de Weesperstraat.  Zijn vader was Abraham Meijer Wolder, makelaar in assurantiën; zijn moeder Henriette Saphier. Samuel Wolder grossierde in buckskins – (het leer van damherten werd gebruikt voor handschoe­nen  – en manufac­turen. Hij was ongetrouwd.  Samuel kocht het pand met zijn zusters Judith (Amsterdam 1868-Sobibor 1943), Elisabeth (Amsterdam 1874-Sobibor 1943), Rosa (Amsterdam 1882-1942 Oswiezcim, beter bekend als Auschwitz) en Henriette Wolder (overleden in Oswiec­zim, 1943), elk een vijfde deel. Er waren nog twee broers: de jong gestorven Salomon en Meijer Abraham (overleden in Amsterdam 1942).

S.A. Wolder woonde in de Kazernestraat, de Muider­straat, maar in 1939 vertrok hij naar Hilversum. Hij woonde daar bij zijn zuster Elisabeth. Hij stierf in 1941 in Amsterdam. Het pand kwam in handen van de nog in leven zijnde erfgenamen.

Tussen 1931-1940 huurde Nathan Breemer de winkel en de beletage (Amster­dam 1899-Oswieczim 1943). Hij dreef op de Kloveniersburg­wal een fournituren­handel. P.E. Beijlsmit jr, behanger en stoffeerder, en J.A. Lenssen bewoonden destijds de afzon­derlijk verhuur­bare bovenverdie­ping van het pand.

Cornelis van Wonderen

Cornelis van Wonderen kocht het pand op een veiling in Frascati in 1953 voor 14.200 gulden. Cornelis van Wonderen was in 1903 geboren in Beverwijk. Hij was getrouwd met Maria Andriana Brakeboer uit Medemblik. Ze woonden in 1938 in de Barendszstraat 42″. In 1953 woonde Van Wonderen op de Bloemgracht 140.

Het beneden­huis met beletage werd verhuurd voor 120 gulden per maand. Het dubbele bovenhuis bracht 51,50 gulden op aan huur. Van Wonderen, melkslijter, verhuurde het pand aan de firma C.A.J. Waaldijk, een makelaars­kantoor en aan­nemersbedrijf. Het gezin Waaldijk, vier personen, verhuisde naar Duivendrecht.

Samenvatting

Jan Jansz. Cloot was de eerste eigenaar: jaar van aankoop onbekend. Hij werd in 1603 failliet verklaard. Brechte Pieter Rodingsdochter kocht in 1604 voor 7.875 gulden twee huizen, twee erven en een loods van de vorige eigenaar (GAA 5061, RA 2163, f. 5v). Na haar overlijden in 1638 werd haar schoonzoon Dirck G. van Beuningen eigenaar. Na zijn dood in 1648 ging het pand over naar zijn stiefmoeder Lijsbeth Hendricx. Na haar overlijden in 1655 naar Geurt D. van Beunin­gen. Deze zoon van Dirck G. van Beuningen verkocht het pand in 1661 aan Cornelis Vliet voor 8.500 gulden. Pieter Mol  werd op 14 maart 1699 eigenaar. Zijn weduwe Elsje Gerrits werd erfgenaam. Elisabeth Mol, haar kleindochter was eigenares tot 1724. Haar vader Johannes Herault was eigenaar tussen 1725 en 1727; zijn weduwe Maria van Suyl verhuurde het pand tussen 1727 en 1735. Egbert Helmer kocht het pand  22 maart 1735 voor 12.000 gulden (Kwijtschelding D5-154v). Maria de Baet verkreeg de nieuw opgetrokken panden van haar man bij hun scheiding in 1741. Hendrik Snijders kocht het onderhavige pand in 1755 voor 9.730 gulden op een executie-veiling (GAA 5061, RA 2178, f. 69v).  Zijn dochter Geertruid Snijders verkocht het pand aan Cornelis Boelens in 1784 voor 15.500 gulden (kwijtschelding E7-233). Salomon Josephus Proops kocht het pand in 1803 voor 10.250 gulden (kwijtschelding Z7-5v). Joh. H. Geraards, jaar van aankoop onbekend (voor 1816). Samuel J. Koopal kocht het pand in 1871. In 1911 kwam het pand op naam van zijn weduwe en de kinderen. Simon Abraham Wolder kocht het pand in 1917. Hij betaalde 12.100 gulden. Hij stierf in 1941. Cornelis van Wonderen kocht het pand in 1953 voor 14.200 gulden. De Stichting Adm. Kantoor Bikini uit ‘s Gravenhage werd eigenaar in 1983. De huidige eigenaar is Vincent van Brekel.

Conclusie

Nadat door Onno Boers is vastgesteld dat in de top van het pand een 17de eeuwse gevelsteen is herplaatst, voorstellende een piekenier in harnas en met helm en nadat alle eigenaren en vele bewoners de revue zijn gepasseerd, zie ik twee mogelijkheden de gevelsteen te verklaren: op diverse schuttersstukken is een fraai uitgedoste man met piek, waarschijnlijk een belangrijk attribuut voor sommige officieren, te zien. Dirk G. van Beuningen of zijn zwager Coenraad Burgh, zitting hebbend in de schutterij, resp. de Kloveniers­doelen, hebben de gevelsteen laten plaatsen. Misschien toen de ververij werd opgeheven en het pand voor een meer stijlvolle bewoning werd aangepast. Omstreeks de tijd dat de Kloveniersdoe­len waren afgebro­ken, rond 1635, kwam de benaming Kloveniers­burg­wal op in plaats van Oude Singel. Misschien dat de gevelsteen uit de Kloveniersdoelen afkomstig is.

Een tweede verklaring zou kunnen zijn dat de ijzerkramer Egbert Helmer in het bezit was gekomen van de toepasselijke gevelsteen. Hij liet de gevelsteen in 1741, vanwege zijn achter­naam en als een reclamebord, plaatsen in de top. Aan de overkant van de Kloveniersburgwal werd immers een markt gehouden, waar ijzerwaren werden verkocht.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *