Prinsengracht 23

P1020206

De Prinsengracht is in 1614 gegraven, de Keizersgracht een jaar later. De Eenhoornsluis dateert uit 1620. In dat jaar is men ook begonnen met de bouw van de Noorderkerk en de aanleg van een kerkhof. In 1623 is deze kruiskerk ingewijd en in 1929 gesloten, maar nadat de Eilandskerk op het Bickerseiland in 1939 wegens bouwvalligheid buiten gebruik gesteld moest worden, is de Noorderkerk in 1941 heropend. Het kerkhof is al in 1688 gesloten en verplaatst naar het bolwerk Haarlem bij de Rotterdammerbrug, nu een plantsoen aan het begin van de Marnixstraat.

Jonas Cornelisz. Witsen

Jonas Cornelisz. Witsen (1566-1626) was een van de grote eigenaren op het eerste stuk van de Prinsengracht, maar niet van het onderhavige pand. In 1590 werd hij in de vroedschap benoemd; in 1601 werd hij schepen. Dat betekent naar alle waarschijnlijkheid dat hij ook rechten had gestudeerd. Hij handelde aanvankelijk op de Levant, Palestina, op Guinee en samen met zijn broer Jan en oom Gerrit op Rusland. Hij woonde op het Singel (130?) en was in 1590 getrouwd met Weijntje Jansdr. Swaeroogh, de dochter van een buskruitmaker. Haar moeder bezat grote stukken land buiten de (oude) Haarlemmerpoort, genaamd Bobelkamp. Het is onduidelijk waar dat lag, vermoedelijk Vinkenstraat en omgeving. Het is niet onmogelijk dat Witsen zijn schoonmoeder had geïnstrueerd daar land aan te kopen, want Witsen is samen met Frans Hendricksz. Oetgens en Barthold Cromhout beschuldigd van speculatie in de Derde Vergroting van Amsterdam. In de jaren 1619, 1623 en 1624 was hij een van de vier burgemeesters van Amsterdam maar ook bewindhebber van de Noordsche Compagnie, de Compagnie op Nieuw-Nederland (Oostkust V.S.) en de Westindische Compagnie. 1

Witsen had vier kinderen:
·   Marritje of Maria Witsen (1597-1683) getrouwd met Gerrit Hudde. Burgemeester Johannes Hudde was hun zoon;
. Cornelis Witsen (1599-1646) was in 1628 consul in Aleppo. Hij vertrok in 1640 naar de Oost, samen met Salomon Sweers; in 1641 was hij Raad van Indië; in 1642 en 1644 een van de opdrachtgevers van de expeditie van Abel Tasman  naar Tasmanië en Nieuw-Zeeland. Ten slotte werd hij gouverneur van Banda;
. Jan (1603-1636 of 1650?) is ongehuwd overleden;
. Jacob (1605-voor 1623).

P1010262
Kaart 1 Detail uitgiftekaart ca 1615. De erven werden rond 1616-1617 verkocht op een veiling, naar het zich laat aanzien in een herberg op of niet ver van de Dam.

De Onkelboer

Het onderhavige pand dateert waarschijnlijk uit het jaar 1644. De overheersende mode in geveltoppen in die periode was een verhoogde halsgevel. Prinsengracht 36 is daarvan een goed voorbeeld. Of het pand met een verhoogde halsgevel is ontworpen is niet te zeggen. Het zou ook een eenvoudige trapgevel kunnen zijn geweest.

Huis met pilaster-halsgevel met oeils-de-boeuf en originele puibalk in Amsterdam

Jan Martsz

Als de eerste eigenaar van het onderhavige erf de lakenhandelaar Jan Martsz. is, dan is onduidelijk wanneer hij het erf kocht. De veiling van de verkoop van de percelen heb ik niet gevonden. Jan Martsz. verkoopt evenwel op 22 december 1620 het erf aan zijn schoonzoon Hooft. Jan Martsz. koopt tussen 1580 en 1650 ongeveer 50 huizen of erven. Het is niet waarschijnlijk dat het steeds om dezelfde persoon gaat, de naam komt veel voor. Hij kan mogelijk speculant of projectontwikkelaar worden genoemd; lakenhandelaren waren meestal rijk. Hij woonde op de hoek van de Nieuwendijk en de Nieuwe Nieuwstraat en zou in september 1621 zijn gestorven. Jan Martsz was doopsgezind en getrouwd met en Aal Jansdr.

Jan Gerritsz. Hooft

Jan Gerritsz. Hooft is geboren omstreeks 1584. Hij behoorde tot de doopsgezinde tak van het geslacht Hooft.2 Hooft ging op 21 september 1606 te Amsterdam in ondertrouw met Marretje Jansdr. (geboren omstreeks 1584, begraven te Amsterdam in de Oude Kerk 10 Juni 1654). Zij was een dochter van de lakenkoper Jan Martsz. Op 8 mei 1609 kocht Hooft een huis op het Singel buiten de Haarlemmerpoort  (vlak bij de Roomolenstraat). Hij was bevriend met Vondel en gedurende dezelfde jaren als Vondel dienaar bij de Waterlandse Gemeente der Doopsgezinden (1616-1620). In 1628 rekestreerde hij nog met vele anderen aan de Amsterdamse magistraat ten gunste van de vrijheid van godsdienstoefening voor de Remonstranten. Dat betekent dat hij tolerant was en zich verzette tegen de stijle Calvinisten. In 1629 is hij benoemd als directeur van de Levantse handel, die voornamelijk op Venetië en de kust van Turkije handelde. Zijn vermogen werd in 1631 geschat op ƒ 70.000. Hij werd begraven in de Oude Kerk op 28 januari 1644.

Hendrik Biermans

Het is onduidelijk wanneer Hendrik Biermans, een zijdereder, eigenaar werd van het erf en of hij het heeft gekocht van Hooft. Op 1 september 1622 verkoopt Biermans evenwel een erf van 70 voet, negen duim breed en achter 70 voet, zeven duim met een achterwoninkje daarop staande aan Claes Dircksz. Claes Pietersz, houtkoper is de eigenaar aan de zuidzijde en Jacob Jansz., kistenmaker aan de noordzijde.

Claes Dircksz. van Oossaen

Claes Dircksz. van Oossaen, was van beroep waagdrager. Hij was verbonden aan de waag en belast met het aanbrengen, opslaan, wegen, weer afleveren enz. van goederen waarvoor een officiele weging verplicht gesteld was. Waagdragers waren doorgaans verenigd in het waagdragersgilde. In 1625 en 1631 stonden er nog geen huizen op deze plek. In het laatste jaar werden de eigenaren aangeslagen voor een speciale belasting, waarvan het kohier bewaard gebleven is. Daarin komt zijn naam niet voor. Claes was volgens de verkoopakte uit 1622 ook de eigenaar van het daarachter gelegen erf aan de Keizersgracht.

Kaart 2 De Prinsengracht in 1625 door Balthasar Florisz van Berkenrode. De erven Prinsengracht 21 en 23 zijn nog onbebouwd.

Het is zeer waarschijnlijk dat hij een zoon had, ook een Claes Dircksz. – in 1640 nog scheepstimmergezel – die op 10 januari 1645 het naastgelegen huis en erf, tegenover de Noordermarkt, verkocht voor 4.850 gulden van Mattheus Faessen. Het betekent dat ook Prinsengracht 23 uit ca 1644 dateert.

Jacob Claes en Marcus Jans

In 1647 is het pand op de Prinsengracht duidelijk ook bewoond. De bewoners van het pand zijn Jacob Claesz. en Marcus Jansz, een pasteibakker. Zij waren huurders, geen eigenaren, want dat was nog steeds Claes Dircksz. De huurwaarde van het pand per jaar bedroeg 165 gulden, de verponding, een onroerend goedbelasting bedroeg een achtste, ongeveer 20 gulden en 12 stuivers.

Jacob Claesz zou de zoon van Claes Dircksz. kunnen zijn geweest. Het is niet een eenvoudige naam om uit te zoeken.

Marcus Jansz. was in 1613 getrouwd met Lijsbet Tonisz. of Egberts, mogelijk de patroniemen van resp. haar vader en moeder? Zijn vrouw werd in 1667 begraven op het Noorderkerkhof.
Figuur 2 Folio uit de 8e Verpondingboeken, 1647-1650.

Claesz Dircksz van Oossaenen

Claes Dircksz. is via vererving aan zijn eigendom gekomen, dat kan bijna niet anders. Misschien via een oom. Er is namelijk geen koopakte op zijn naam bewaard gebleven. Claes Dircksz. Haring van Oossaenen, koopman, 24 jaar oud, is op 15 juni 1663 getrouwd met 28-jarige Giertje Jacobs Hoogsaet (ca 1635 – 1 augustus 1705) van de Haarlemmerdijk. Hij was de zoon van Dirck Arisz van Oossaen, koopman op Scandinavië, wonende op de N.Z. Achterburgwal, nu Spuistraat. Er is geen doopbewijs, dat zou kunnen betekenen dat zijn ouders doopsgezind waren. Als zijn vader is overleden, neemt hij een aantal van diens zaken over. Zijn broer Aert Haring van Oossaenen was een bekende boekverkoper en drukker.

Het eerste kind van het echtpaar is Jacob, geboren in 1664 maar werd in hetzelfde jaar begraven in de Noorderkerk. Het echtpaar woonde toen op de Haarlemmerdijk. In 1665 werd weer een Jacob gedoopt; in 1668 een Dirck; in 1670 een Annetje.3 Nicolaes, de erfgenaam, is gedoopt op 16 augustus 1671 te Amsterdam.4

In 1669 en 1670 is Claes Haring met Hendrik Roeters, schepen, koopman en brandewijnbrander, betrokken als bevrachter bij de walvisvaart op Groenland. Hij laat in de laatste jaar ook zout uit Nantes in Frankrijk naar Amsterdam halen. Na het Rampjaar in 1672 wordt iedere rijke inwoner aangeslagen voor een extra belasting om de schade te herstellen. Het belastingkohier uit 1674 is bewaard gebleven. Haring is dan eigenaar en is aanmerkelijk armer dan zijn beide buren.
Figuur 3 Kohier uit het jaar 1674, F. 472v

Het is niet duidelijk wanneer hij werd begraven, maar het zou rond 1681 kunnen zijn geweest. Zijn weduwe werd eigenares van de Onkelboer. In 1705 stierf Giertje Jacobs Hoogsaet, wonende buiten de Raampoort, naar het zich laat aanzien bij haar zoon in de molen, genaamd de Vergulde Haring.

Op 17 oktober 1709 trouwde haar zoon, de 38-jarige Claes Dircksz. Haring, in Abcoude met de 30-jarige Maria Fruyt. Deze houtkoper en verkocht het pand met “de Onkelboer in de gevel” aan zijn tante, Giertje Dircks Oossaan, op 9 mei 1710 voor 9.000 gulden.

Claes Dircksz Haring stierf in 1722 en ligt begraven in de Noorderkerk; de overledene kwam van de Rozengracht bij de laatste brug. Er liepen 16 gildegenoten aan de baar. De gildeleden waren verplicht op de begrafenis te verschijnen. Dat werd gecontroleerd door penningen uit te geven en die op de begrafenis in te zamelen.

Figuur 4 In deze verkoopakte staat een uitweiding over de muren, loden goot, de tuin, de schutting en een snuivertje (tuinhuisje of rook- of snuifschuurtje)? Het gebruik maken van elkaars muren was niet ongewoon. Zeker als de eerste eigenaar een aantal huizen tegelijk liet zetten. Opvallend is de schoorsteen in de tuin, misschien een soort barbecue of rookplaats voor vis?

Figuur 5 Vervolg kwijtschelding 9 mei 1710

Giertje Dircks Oossaan

Het pand werd sinds 1710 bewoond door Giertje Dircks; zij was in 1688 getrouwd met de stuurman Johannes of Jan Subbing(h) in Buiksloot. Haar moeder was Giertje Claes Haring. Hij woonde op de Brouwersgracht bij zijn huwelijk. In 1692 en 1995 voer hij voor de VOC naar Batavia.5

Welkom Wensch , Aen den Ervaren Heer Jan Subbing, Schipper der Oost-Indische Maatschappy. Met het Schip Voorschooten den 15 October 1694 voor de Kamer van Amsterdam uyt Texel na Oost-Indië in Zee geloopen ; en op den 25 Juny 1700 voor de Kamer van Delft, behouden tot Veere in Zeeland gearriveerd.

In 1701 vertrok hij op de “Merestein”. Het fregat, met een lading van 16 kisten muntgeld, verging op 3 april 1702 vlak voor de aankomst bij de Salhandrabaai, ten noorden van Kaap de Goede Hoop. De berging vond plaats na 1970 en verkoop waardevolle voorwerpen in Londen.6 7 8

Giertje werd begraven op 31 maart 1711 in de Oude Kerk; het begraafboek vermeldt van de Prinsengracht. De erfgenamen verkopen het pand op 15 september 1730 voor 15.600 gulden aan Jan Bitter. In die periode lagen de koopprijzen bijzonder hoog. (Voor het onderhavige pand zou 150 jaar later een overeenkomstig bedrag betaald. Onduidelijk is in welke conditie het pand zich toen bevond.)

Jan Bitter

Jan Bitter was suppoost van de Weeskamer, een stedelijke instelling die het geld van de wezen beheerde tot zij volwassen waren. Met het kasgeld werd druk gespeculeerd. Hij trouwde in 1721 op 25-jarige leeftijd met de 30-jarige Elisabeth Boursse. Het echtpaar kreeg vijf kinderen, vier dochters en een zoon Jan. Hij kocht het pand met de Onkelboer in de gevel in 1730. Het was blijkbaar bedoeld voor de verhuur, want in 1742 woonde Abraham van Theenen, een koopman in het pand. Van Theenen was getrouwd met Elisabeth Blok.

P1020205
Figuur 6 Schoorsteenstuk met spiegel in de “Sael”

Een inpandige verbouwing dateert waarschijnlijk uit deze periode, toen veel grachtenpanden met een achterhuis werden uitgebreid. Of Bitter of Van Theenen is de opdrachtgever van het schoorsteenstuk in de achterkamer, met de typische kenmerken van de Rococo (ca 1730-1740).

Uit het Kohier van de Personeele Quotisatie, een inkomstenbelasting die werd ingevoerd rond 1740 om de oorlog met Oostenrijk en Frankrijk te financieren blijkt dat Van Theen een dienstbode heeft, 460 gulden huur per jaar betaalt.  (Honderd jaar eerder was de huurwaarde van het pand nog maar 160 gulden per jaar. Niet alleen de prijs is gestegen, maar ook de grootte (de inhoud) van het pand, door de aanbouw van een achterhuis? ) Hij wordt als halve kapitalist  aangemerkt. Hij heeft een geschat inkomen heeft van 1.500 gulden per jaar. (Dat inkomen zou met minstens 20, misschien wel 30 of 40 kunnen worden vermenigvuldigd om het te vergelijken met een huidige levensstandaard.) Het nieuwe verpondingsbedrag was mede gebaseerd op het aantal behangen kamers. In ieder geval werd dergelijke kenmerken rond 1730 vastgelegd en belast.

Figuur 7 Pagina uit het Kohier van de Personeele Quotisatie. (N.B. De kastenmaker Frans van Dijk woonde niet ver van de hoek Prinsengracht/Brouwersgracht. Jan Danielsz. Arbman, een cargadoor, bewoont dan Prinsengracht 19 en niet 21, zoals uit de bewaard gebleven papieren zou blijken.

Bitter stierf in 1759. Hij woonde op de Keizersgracht bij de Leliegracht. De weduwe woonde in 1768, als zij wordt begraven, bij de Wolvenstraat op dezelfde gracht. Beide werden begraven in de Noorderkerk. Op 22 februari 1769 is het pand verkocht aan H. Gleuwink. De gevelsteen met de “Onkelboer” was misschien verdwenen, want er werd geen melding van gemaakt.

Hendrik Gleuwink

Hendrik Gleurink, Gluwink of Gleuwink was een beschuit- of koekbakker uit Reda (Pommeren). In 1734 werd hij poorter en trouwde met de 30-jarige Delia Beuvink uit Goor. Zijn broer Barend (zijn achternaam werd als Clöninck geschreven) was in 1725 met haar zuster getrouwd. Uit een grote verkoop van tuinbeelden, groepen en vazen op het kasteel Keukenhof  in 1746 zou kunnen blijken dat Gleuwink als stroman zou hebben gefungeerd voor een Amsterdamse liefhebber, onbekend is wie.

No 6: “Een uijtmuntend fraai kindje, verbeeldende een jonge Bachus, door Alexander van Papenhoven, hoog circa 3voet, op een pedestal van 3 voet” “Deze 40-jarige Hendrik Gleuving koopt nog meer beelden, de nummers 12, 21, 26, 30, 45 en 46. Bij 30 en 46 wordt ,,Amsterdam” aan zijn naam toegevoegd. Dit kan geen ander zijn dan de vrij eenvoudige, eerzame koekenbakker Hendrik Gleuvink, die blijkens het kohier van 1742 in de Vijzelstraat woonde (wijk 58, verpondingsnummer 4390), gequalificeerd was in het zoutpakhuis en getaxeerd werd op een inkomen van  1.OO0 gulden. Waarschijnlijk heeft hij slechts voor een derde als stroman gediend.9

Het echtpaar Gleuwink verhuisde na 1742 van de Vijzel- naar de zuidzijde van de Lindengracht, in het pand “Lands Welvaren”, met een aangrenzende beschuitbakkerij. (De bakkerij was gelegen bij de Zaterdagse Brug. (In 1794 kocht zijn zoon Gerrit de beschuitbakkerij met de achterliggende huisjes. Waarschijnlijk het pand waar hij was opgegroeid.)
Zijn vrouw stierf in 1758 en werd begraven in de Noorderkerk. In 1760 hertrouwde hij met Grietje Harms. Gleuwing trok bij haar in op de Haarlemmerdijk bij de Oranjestraat. Hij kocht het pand op de Prinsengracht in 1769 van de weduwe Bitter, maar het was mogelijk bedoeld voor zijn kinderen of voor de verhuur, want hij kocht in het zelfde jaar een pand op de Haarlemmerdijk. Zijn echtgenote, Margretha Hermens (sic), stierf in 1774. Hij stierf in 1779 en werd begraven in de Noorderkerk.

P1020202
Figuur 8 De tuin, gezien naar het noorden

Gerrit Gleuwink

Zijn zoon Gerrit Gleuwink (1740-20 augustus 1811)  was in 1763 getrouwd met Anna van Sas. In 1790 trouwde hij met Suzanne Charron. Hij woonde toen op de Haarlemmerstraat bij de Eenhoornsluis. In 1796 woonde Gerrit op de Prinsengracht. Zijn vrouw stierf op 4 oktober na 20 weken zieken te zijn geweest.
Rond 1790 is het pand Prinsengracht 23 opgehoogd. Volgens de Amsterdamse Grachtengids (1978) van T. Kiliam en H. Tulleners dateert de voorgevel van het pand uit ca 1790 met rechte lijst en consoles, beide met Louis XVI versieringen, deur blank, en een frontale stoep. Ook het buurpand, Prinsengracht 21  eigendom van Daniel Arbman was in 1788 van een verdieping en een nieuwe lijst voorzien.
Op 3 mei 1797 werd Gleuvink genomineerd voor de municipaliteit, de voorloper van de gemeenteraad. Hij zal voorgedragen zijn door de wijkvergadering en wellicht overlegd hebben met  Daniel Arbman, zijn buurman, die zeer actief was in de politiek en in 1795 en een rapport samenstelde voor de burgemeesters. Er volgden nieuwe benoemingen op 19 januari 1798 en de strijdbare Gleuwink kreeg een zetel.10
Na zes weken, op 15 maart, moest de radicale leden hun zetel al weer opgeven. Het is niet duidelijk of de staatsgreep van H.W. Daendels, op 12 juni die alle federalisten hun macht ontnam, er mee te maken heeft. Het lijkt erop dat de eerdere magistraten hun zetel terug kregen.
Gleuwink (Gerardus), “in hoogen ouderdom overleden te Amsterdam, den 19 Augustus 1811, was een voorstander en beoefenaar der dichtkunst. In zijne verzen heerscht meer welmenendheid, en vroomheid dan orde of plan; de goede man putte zijn onderwerp geheel uit, en zeide op rijm alles wat er van te zeggen was. Regt curieus om te lezen is zijne Bespiegeling over de Schepping, in zes zangen; het werkje is weinig meer dan een berijmde catalogus van een naturaliënkabinet“; een venijnig vervolg staat hier:11 12
Een jaar na het overlijden van Gleuwink is op 17 mei 1812 in zijn huis een kostbare boedel geveild: meubels, spiegels, tapijten, schilderijen, prenten, kristal, porselein, serviezen en juwelen. De advertentie is de krant was zowel in het Frans als in het Nederlands opgesteld.

Figuur 9 Overlijdensadvertentie en verkoop boedel.

Ondertussen is er een huisnummering ingevoerd. Het pand is Prinsengracht, kleinnummer 453. Uit de Advertentiën, aankondigingen en verschillende berigten van Amsterdam van 28 October 1813 zou geconcludeerd kunnen worden dat de gevelsteen met de Onkelboer nog bestond. Er wordt melding gemaakt van een gevelsteen de ,,Onkelboer”, op de Prinsengracht 0.Z. tussen Brouwersgracht en Prinsenstraat, no. 453, nieuw. [Het oude verpondingsnummer was] no. 59, met de toevoeging  zwart. De auteur verder aan het woord latend:  Ik begin te geloven niet enkel aan een eigennaam, maar ook aan een soortnaam. Het lidwoord ,,de” immers duidt voldoen de aan, dat we hier aan een woord hebben te denken, behorende tot de groep: groenteboer, boterboer, kippenboer, schillenboer, melkboer enz., waarin boer meer venter betekent dan bepaald buitenman.

Alhoewel de gevelsteen volgens de koopactie uit 1679 zou zijn verdwenen, blijkt het pand in 1813 nog steeds onder die naam bekend te bestaan.

Johannes Steffelaar

De familie Steffler stamt uit Ankum, een katholiek dorp ten noorden van Osnabrück, en trekt aan het begin van de 18e eeuw uit het Teutoburger Wald naar de republiek of Amsterdam.

Johannes Steffelaar, geboren 1768, was de zoon van Cornelis Steffelaar  (1732 – 1807) een schilder en glazenmaker. Johannes was net als zijn vader en grootvader schilder/glazenmaker. Hij huwde met Maria Johanna Bon op 16 augustus 1795. Het echtpaar kreeg tien kinderen. Steffelaar woonde op de Brouwersgracht 123 bij de Goudsbloemstraat als hij op  26 februari 1816 het pand Prinsengracht 23 voor 5055 gulden laat kopen door een makelaar. De waarde van het pand was in de Franse tijd aanmerkelijk gedaald. De veiling vond plaats in het O.Z. Heerenlogement op de Grimburgwal, nu de toegang tot het Binnengasthuisterrein. Hij overlijdt op  9 januari 1821 in het pand tegenover de Noorderkerk, 52 jaar oud. Johannes woonde slechts 5 jaar op de Prinsengracht en laat het pand na aan zijn kinderen.

Cornelis Steffelaar

Cornelis (3 maart 1797-1861), de oudste zoon, doet aangifte van het overlijden van zijn vader. Hij is naast glazenmaker, ook landschapschilder en etser. Van kind af aan deed hij mee aan de tekenwedstrijden van de Academie. Van 1831 tot 1861 was Cornelis  Leraar aan de Koninklijke Academie voor beelden en kunsten als landschapschilder. Leerlingen van hem waren o.a. Roos , Eymer, Verschuren, Johannes Weissenbruch. enz.

Cornelis huwde op 15 mei 1828  Magdalena Cornelia Schade van Westrum. Vanaf 1845 woonden Cornelis en Magdalena in Haarlem in huize “Schoonzigt” aan de Leidsevaart. Bij het huis hoorde een prachtige serre aan het water waar Cornelis kon schilderen. Hij stierf in Haarlem.13

Het verslag van zijn kunsten staat te boek bij Immerzeel, Hollandse en Vlaamse schilders. Het origineel is te lezen in het Prenten Kabinet van het Rijksmuseum in Amsterdam.

Tekening Cornelis Steffelaar Dorp langs het water (1845). Is dit Oosthuizen of Haarlem?14

Jacobus Willibrordus Steffelaar

Het vierde kind van het echtpaar Steffelaar/Bon is Jacobus Willibrordus Steffelaar, gedoopt in de Oud-katholieke kerk op de Brouwersgracht (nr 123) op 16 september 1802.15

In 1821, het jaar dat zijn vader Johannes overlijdt is hij slechts 19 jaar. Jacobus Willibrordus was een van de erfgenamen. De kans is groot dat zijn oudste broer in 1822 – als hij 25 jaar wordt – als eigenaar van het pand staat beschreven. In 1827 is ook J.W. Steffelaar handelingsbekwaam en zou het beheer van het pand van zijn broer Cornelis kunnen hebben overgenomen. Die begint in dat jaar te reizen en tekeningen te maken in België en Duitsland. Ook de andere kinderen verhuizen blijkbaar naar de Heerenstraat of Lauriergracht.16

Uit het Bevolkingsregister blijkt dat Jacobus Willibrordus in 1851 het pand bewoonde met Catharina Maria Sauveur (geboren 18 januari 1812 in  Rotterdam), een vriendin of gezelschapsdame, maar ook met een dienstbode. Het pand met Kleinnummer 453, ligt in wijk SS, buurt 503.17

De 47-jarige boekhouder bij de familie Willink, kooplieden en bankiers op de Herengracht, hield ook de administratie bij van de Oud-Katholieke schuilkerk op de Brouwersgracht. Jacobus W. Steffelaar stierf op 15 december 1871. Hij had geen kinderen. Het pand vererfde op zijn ongetrouwde nicht.

Anna Maria Steffelaar

Het pand op de Prinsengracht wordt na 1871 bewoond door de ongehuwde Anna Maria Steffelaar (30 mei 1836 – 2 december 1887). Zij is de dochter van Nicolaas Steffelaar, een oudere broer van Jacobus Willibrordus. Jacobus werkte bij de firma Bon, een behang en fourniturenwinkel gedreven door zijn moeders familie. Hij was in 1827 getrouwd met de 18-jarige Maria Clasina van Tonnengen, een dochter van Gerardus van Tonnengen of Tonningen, een rijtuigschilder. Nicolaas Steffelaar woonde op ‘t Singel 51, bij de Korsjespoortsteeg. Het echtpaar had vijf kinderen. Een baby, geboren in 1834 stierf na 16 maanden. In augustus 1839 stierf zijn 30-jarige vrouw. Hij kreeg hulp van zijn schoonzuster, Anna Maria van Tonnengen, voor de opvoeding van vijf jonge kinderen:

*Johannes Steffelaar (1828-1902) trouwt in 1851 ∞ Anna Cornelia Sauveur
*Cornelia Anna Steffelaar (1831-1902) trouwt in 1865 ∞  Johannes Jacobus Boldoot
*Cornelis Steffelaar (1832-1895), behanger en stoffeerder in Zeist, trouwt in 1864 ∞  Sibilla Petronella Geertruida Beek.
*Anna Maria Steffelaar (1836-1886) is ongehuwd. Zij bewoonde met haar tante en pleegmoeder, Anna Maria van Tonnengen  (1814-1886) het pand Prinsengracht 23.
*Jacoba Catharina Steffelaar (1839?-1913) trouwt in 1862 ∞  Theodorus Gijsbertus (van de Ven) Sauveur

Ook de 51-jarige Anna Maria overlijdt in het pand, dat inmiddels onderhands is verkocht aan haar broer Johannes Steffelaar, en haar zuster Jacoba Catharina.

Figuur 11 Advertentie door de notaris geplaatst na het overlijden van A.M. Steffelaar

Johannes & Jacoba Catharina & Cornelia Anna Steffelaar

Johannes Steffelaar (1828-1902) is architect en schilder. Hij is in 1851 getrouwd met de 21-jarige Anna Cornelia Sauveur. (N.B. Hij had toen nog geen beroep, waarschijnlijk nog student.)  In 1852 schrijft hij zich in aan de academie in Amsterdam. In 1876 doet hij mee aan de Wereldtentoonstelling Philadelphia. Hij verhuist naar Den Haag en wordt in 1891 eigenaar van Prinsengracht 23. Steffelaar overlijdt, zoals vermeld in 1902; zijn weduwe overlijdt in 1907. Hun zoon, de kunstschilder Nicolaas Steffelaar (1855-1918), is leraar Anatomie aan de kunstacademie in Den Haag. Hij trouwt in 1901 met Charlotte W. Doorman. In 1904 vindt er een scheiding van de boedel plaats. Jacoba Catharina Steffelaar (1839?-1913), wed. van Theodorus Gijsbertus (van de Ven) Sauveur, woonachtig in Rotterdam, verdeelt het pand onder haar negen kinderen. Haar kinderen laten in 1915 de erfenis splitsen. De nieuwe eigenaressen zijn  hun nichten, de zussen Boldoot, de kinderen van Cornelia Anna Steffelaar.

Cornelia Anna Steffelaar (1831-1902) is in 1865 getrouwd met Johannes Jacobus Boldoot (1820-25 november 1902). Hij was in 1845 getrouwd met Maria Cornelia Steffelaar (1815-1859) een zus van Cornelis en Jacobus Willibrordus Steffelaar. Zij werd begraven vanuit een pand op de Oude Turfmarkt. Boldoot, de weduwnaar, is de zoon van Johannes Ambrosius Boldoot. Hij is of wordt makelaar en vendumeester in Utrecht. Als Cornelia Anna, zijn tweede echtgenote overlijdt, komt het pand op de Prinsengracht komt in handen van haar drie dochters, de zussen  Johanna Maria (1866-29 juli 1930), Maria Anna Helena (1870-1951), (getrouwd met L.A.C. Steffelaar) en Catherina Theodora Boldoot (1871-1949). Kunt u het nog volgen?

De zussen Boldoot

Johanna Maria Boldoot is in 1888 in Utrecht getrouwd met Gerardus Laurentius Marinus van Es (1860-Rotterdam, oktober 1943) een tabakshandelaar uit Rotterdam. (Zijn moeder was Maria Anna Sauveur.) Er is een familieband tussen de families Steffelaar en Sauveur, maar ook  tussen de Steffelaars en Boldoots: het pand was tot 1920 in handen van de families Van Es, Steffelaar en Boldoot.

Van Es woonde aan het Westplein 11 te Rotterdam, nu een rijksmonument gebouwd in rijke neo-Renaissance stijl en ontworpen door architect T.L. Kanters. In 1901 koopt hij de Heerlijkheid van Papendrecht en Matena van de erven Van de Made. Tussen 1903 en 1906 is hij eigenaar van kasteel Nijenrode aan de Vecht. Gedurende vier jaar gebruikte de familie Van Es het kasteel als zomerhuis, waarna ze het in 1906 weer lieten veilen.

Van Es is directeur der N.V. Maatschappij „Villabouw Zandvoort” te Rotterdam. Hij kocht woeste gronden in Drenthe (?), Helenaveen en Bakkeveen zoals het 650 ha grote Mandeveld om die te ontginnen. In juni 1923 houdt de firma Frederik Muller & Co een veiling van moderne schilderijen en aquarellen uit de collectie Van Es en uit ander particulier bezit; werken van Bauer, Breitner, De Bock, Dupont, Van Gogh, Hart, Nibbrig, I. Israëls. J. en W. Maris, Mauve, De Moor, Poggenbeek, Rink, Toorop, Verster, Weissenbruch, Wiggers, Witsen, De Zwart, Alma Adema, Neuhuys, B.C. Koekkoek en nog vele anderen.

Het Rijksmuseum bezit een Portret van een man, door Niccolò Cassana, 1680 – 1710; het Mauritshuis een Karel du Jardin, vermoedelijk tot 1942 in het bezit van Van Es.
In 1927 werd hij lid van de Vereeniging Oud-Katholiek Museum van kerkelijke kunst en geschiedenis in Nederland. De geldschieter, scheepsmagnaat Van Es, bleek door de enorme inflatie grote verliezen te hebben geleden op beleggingen in Duitsland en kon niet meer garant staan voor deze aanzienlijke financiële transactie. Als financier was hij betrokken bij de fa Van Gispen. Tot 1936 was hij consul van Oostenrijk.

De volgende bewoners, dus geen eigenaren, zijn L.J.W. Sassen, een “reiziger”, afkomstig uit ’s Hertogenbosch  en wed. Korff die er beide rond 1900 woonden.

F. Korff en Co

F. Korff en Co was een Amsterdamse cacao- en chocoladefabriek, gesticht door specerijenhandelaar Frederik Korff (1791–1888). Korff begon in 1811 een winkel met een “Zeeuwse chocolaad“-fabriek in de Leidsekruisstraat. Later verplaatste hij zijn werkzaamheden naar het Amstelveld, waar hij zijn fabriek “De Bijenkorf” noemde. Tot 1871 maakte hij gebruik van de windmolen “De Goede Verwachting“, oorspronkelijk de mosterdmolen “De Zeeuw“, aan de Spaarndammerdijk. In deze molen werd al vanaf 1790, door o.a.  Mooseker en van Cleef, cacao gemalen en chocolade gemaakt.

In 1880 werd “De Goede Verwachting” afgebroken en werd aan de Spaarndammerstraat, even buiten de Willemspoort, de “Stoom Chocolade Fabriek de Bijenkorf” onder de naam “F. Korff & Co.” gebouwd. Korff profiteerde van de opening in 1876 van het Noordzeekanaal, waardoor de toevoer van cacaobonen naar Amsterdam explosief steeg. In 1905 werd een tweede fabriek in Wenen geopend. De cacao- en chocoladefabriek maakte vooral halffabricaten en was de fabrikant van de chocoladedrank Fosco. Het bedrijf was gevestigd op de Ringdijk 103-104-Min. Treublaan 7-9.

Richardus Johannus Maria van Ginkel

Richardus Johannus Maria van Ginkel (1863-1930) is een wijnhandelaar op de O.Z. Voorburgwal 300, nu Stadsbank van Lening. Hij is de zoon van een makelaar, wonend op de O.Z. Achterburgwal (Kleinnummer 491). R.J.M. van Ginkel is op 2 juni 1892 getrouwd met Grietje de Jong uit Joure, Haskerland. Haar vader was bakker.18

Hij kocht rond 1920 het pand en werd lid van het deftige gezelschap Amstelodamum. Hij is op 14 februari 1930 gestorven. Hij wordt als weduwnaar aangemerkt, maar het overlijden van zijn vrouw bleek niet te vinden. Er waren nogal veel Grietjes de Jong in Amsterdam. De beide dochters Dorothea Johanna & Josepha Maria erven het pand. In 1943 vond een hermeting plaats. De oorzaak is onduidelijk. Dorothea Johanna & Josepha Maria van Ginkel liggen begraven in Diemen. Dora van Ginkel had mogelijk een relatie met I. Spaan.

In 1949 werd het pand bewoond door Antoine T.M.Spaanjaars, die was gehuwd met Katriena Schrijver. Er zijn drie kinderen Judith, Marie-José enJozef.  

Hendricus C. Bannenberg

Hendricus C. Bannenberg koopman, geboren 21 december 1920, woonde eerst op Prinsengracht 27. Hij kocht in juni 1964 het pand en betrok het in februari 1965. Hij had acht kinderen. In 1969 liet hij het pand verbouwen. De keuken is verplaatst van het achterhuis naar het voorhuis.

P1020298
Figuur 12 Bouwtekening uit 1969 met de keuken in het achterhuis en de schouw op de eerste verdieping

Twee van de bewoners uit de jaren tachtig heb ik kunnen achterhalen: Cony Buts en Adriaan Guldemond. Over hen is verder weinig bekend.

 

One thought on “Prinsengracht 23

  1. De genealogie van de familie Steffelaar was zo verwarrend dat ik hulp heb gezocht bij Mathieu Steffelaar. Hij zond mij een overzicht, opgesteld in 1984 door C.T. Steffelaar in Heemstede. Daarvoor mijn erkentelijkheid.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *