Singel 210 (d’Theeboom) en park H

door Mari van Ballegooijen

File:Stadsarchief Amsterdam, Afb 012000004205.jpg
Singel 210-214 (ged.) (links, v.r.n.l.), gezien in westelijke richting naar de Driekoningenstraat en in het verschiet de Westertoren, ca 1940. Collectie Archief van het Bureau Monumentenzorg

Uit een studie naar de historie van de grachtenhuizen Singel 210-212-214 is gebleken, dat deze onderdeel uitmaken van de Tweede Uitleg van Amsterdam, gerealiseerd tussen 1586 en 1592 door de aanleg van een nieuwe stadswal net westelijk van wat de Herengracht zou worden. Die schans verdween weer vanaf 1615, toen de nieuw gegraven Keizersgracht, Prinsengracht en wat de Jordaan zou worden tot de stad gingen behoren.

Amstelodamum urbs Hollandiae primaria emporium totius Europae celeberrimum. Part 2 of a 4-part map of Amsterdam by Pieter Bast (1599?) Noord-Hollands Archief / Provinciale Atlas – Kaarten en kaartboeken

Park H

Het blok Singel-Warmoesgracht-Herengracht-Driekoningenstraat wordt bij de verkoop van de bouwpercelen vanaf de zomer van 1590 betiteld als ‘Park H’. Vanaf A (bij de Haarlemmerpoort aan ’t IJ) tot X (bij de Amstel ten zuiden van de toenmalige stad) had elk blok dus zijn eigen letter. De letter J werd overgeslagen, omdat deze te veel leek op een I.
Op de vogelvluchtkaart van Pieter Bast zijn aan de westzijde van het Singel binnen park H acht huizen getekend. Dat zijn volgens de huidige in 1875 ingevoerde huisnummering Singel 210-212-214, 230-232 en 236-238-240. De reden van de verspringing van 214 naar 230 is, dat zich daartussen toen en nu het smalle Schildersteegje bevindt. Daaraan lagen in 1875 nog zeven kleine achterhuisjes, die de nummers Singel 216 t/m 228 kregen. Deze zijn eind 19e eeuw allen verdwenen en opgenomen in no. 214 en 230. Het Schildersteegje is niet ingetekend op de kaart van Pieter Bast, maar wel een ander steegje op de plaats waar later Singel 234 is gebouwd. Overigens zijn Singel 230 t/m 236 vanaf ca. 1920 opgenomen in een nieuwe gevel, waarachter tot 1968 het hoofdkantoor van Van Gelder Papierfabrieken schuil ging.
Met de zoekterm ‘Park H’ worden tussen 1590 en 1592 ca. 35 verschillende aktes gevonden in de gedigitaliseerde indexen van het Stadsarchief Amsterdam en er blijken ook ca. 35 bouwpercelen rondom ‘park H’ te liggen.

De huidige zes panden no. 199 t/m 211 aan de Herengracht OZ zijn grotendeels uitgezocht en gepubliceerd in het boek 400 jaar Herengracht. De vroege geschiedenis van Herengracht 203 t/m 209 is verbonden met de Remonstrantse familie van Hendrick Cock/Cocq (-1600), schorteldoekverver, die in 1569 trouwde met Nies(gen) Selijns.1 Van hun 13 kinderen bereiken slechts vijf de volwassen leeftijd. Hun dochter Anna Cock, geboren in 1579, trouwt in 1600 met Wolphert We(b)ber (1565-1640), een wijnkoper afkomstig uit Straatsburg.[Holland Society] In 1605 kocht Webber een huis in de Warmoesstraat, maar verhuisde naar de Herengracht, hoek Warmoesgracht. (Haar familie lijkt te zijn betrokken in de handel in suiker en tabak.) Webber bewoonde het Wapen of de Toren van Straatsburg, het gaat om twee verschillende, tegenover elkaar gelegen panden op de Herengracht. Hun zoon Wolphert Webber in 1630 getrouwd met Vlaamse Anna Wallis, emigreerde 1649 naar Nieuw Amsterdam = New York.[Anna and Wolfert Webber Records from 1629-1660] na te zijn beschuldigd van dronkenschap,hoererij en burengerucht. In 1650 verkreeg Webber een stuk grond van Peter Stuyvesant aan de Lower East Side en begon een boerderij (bowery).[The iconography of Manhattan Island] Hij werd de hoofdpersoon in een fictief essay van Washington Irving  “Wolfert Webber, or Golden Dreams” (1824). Zijn broer Hendrick Webber woonde in Maarssen en verbrak daar een trouwbelofte. Bartholomeus Webber vertrok in 1639 naar Oost-Indië na berouw te hebben vertoond bij zijn vader over zijn ongehoorzaamheid. Vader Wolfert Webber, in het bezit van zes  huizen en een VOC- en WIC-aandeel wordt vlak voor zijn overlijden failliet verklaard en laat forse schulden na.[J.G. van Dillen (1974) Bronnen tot de geschiedenis van het bedrijfsleven en het gildewezen van Amsterdam, p. 271] Naast de veertig schilderijen, kaarten, sculpturen en bordjes in de inventaris wordt een portret benoemd als: een conterfeijtsel van d’overleden met sijn vrou.[Montias databaseInventaris ende specificatie van allen den goederen nagelaten bij zal. Wolphert Webber in sijn leven wijnkoper binnen deser stede Amstelredamme soo hij bij die selven metter doot deser werelt ontruijmt heeft. Postscriptum: Aldus geinventariseert in Amstelredamme in den sterfhuijse van de voors. Wolphert Webber gestaen op d’ Heeregraft, desen sevenden Maij anno xvi C veertich…

Enkele verkopers van bouwgrond brachten in 1590 en 1591 meerdere bouwpercelen op de markt. Die liggen logischerwijs meestal aaneengesloten naast elkaar. Singel 236 t/m 240 is duidelijk: Pieter Lourensz. van der Vecht verkoopt in 1590 aan Jan Pauwelsz het 3e erf aan de Buitensingel vanaf de Warmoesgracht. Dit wordt dus no. 236. Dezelfde Van der Vecht verkoopt begin 1591 aan Pieter Claesz het erf gelegen aan de Warmoesgracht. Dit wordt dus het hoekhuis no. 240. Dezelfde Van der Vecht verkoopt in oktober 1591 een huis en erf aan de Buitensingel aan Pouwels Buijs. Dit lijkt no. 238. Het was handig om de drie huizen tegelijk te bouwen. Een gegadigde voor het middelste huis zou zich toch wel aandienen.
Aan de uitgifte van de bouwpercelen aan de Warmoesgracht NZ lijkt de naam van Mr. Gerritsz/Gielisz Ru(ij)len te moeten worden verbonden. Hetzelfde geldt voor de Driekoningenstraat ZZ in de persoon van Mr. Jacob Joachimsz, die in 1591 en 1592 zeven erven ‘in de dwarsstraat’ verkoopt, deels samen met familieleden Griet Jochims en Dirck Jochims. Van de verkoop in 1592 aan Claes Gerritsz, korendrager, is duidelijk dat dit het huidige Driekoningenstraat 9 betreft. Die laat dit huis bouwen en bewoont het zelf tot 1621. De verkoop in juli 1590 van een Michiel Nanningsz (in 1598 kruidenier) aan een Hen(d)rick Jansz zou perceel Singel 230 en/of 232 kunnen betreffen. Singel 230 zou vanaf 1643 bekend staan als het huis ‘waar Edam op de gevel staat’.

Singel 210, 212, 214

Aan deze drie bouwpercelen lijkt de naam van Reijnier/Reynier (Cornelisz) Jelles te moeten worden verbonden, die getrouwd is met Maertgen/ Martge(n) Hendricxs, maar hij overlijdt vóór juni 1592. Reijnier Jelles verkoopt in 1590 en begin 1591 aan Harmen Pauwelsz, Lenart Henricxz en Hans Kempes(z) ieder een perceel.
Alleen het spoor van Herman Pouwelsz (al actief in 1583, overleden vóór april 1601) loopt door. Hij verkoopt in april 1591 het erf door aan Matthijs/Matys Palm die voorkomt in twee aktes uit 1587. Zoon Palm Matthijsz gaat in 1606 in ondertrouw met Hendrikje Dierix/Dircks. Hij was van 1610 tot ca. 1643 hier gevestigd als notaris. Zijn naam komt regelmatig beroepshalve voor in de archieven, maar over zijn persoonlijke leven en dood is weinig tot niets bekend. Gezien het vervolg moet dit Singel 212 of 214 zijn, maar niet 210.

Detail van de kaart van Balthasar Florisz. van Berckenrode uit 1625 met in het midden de Driekoningenstraat.
Singel 210, 17e eeuw

Deze kaart laat zien dat het hoekpand Singel 210 in 1625 drie verdiepingen heeft plus een etage onder het zadeldak. Het bovenste van de drie ramen is omgeven door een dakkapel. Er zijn twee zij-ingangen en twee schoorstenen in de noordelijke muur, die een scheiding tussen voor- en achtergedeelte suggereert. Opvallend is dat het huis in de Driekoningenstraat achter het hoekpand (nu no. 1) ver terug staat vanaf de straat, zodat er een ommuurde binnenplaats aanwezig is. Beide panden lijken in 1625 al een samenwerkend geheel te vormen.
Er zijn geen aktes gevonden, die de eerdergenoemde Lenart Henricxz of Hans Kempes(z) na 1591 linken aan de latere eigenaren of bewoners van Singel 210. Feitelijk zijn er zelfs gedurende de gehele 17e eeuw geen overdrachtsaktes van dit pand gevonden.
Maar aktes uit 1662 en 1677 inzake Driekoningenstraat no. 3 verwijzen naar ’het hoekhuijs ’t Coningshooft op de Singel’. In 1727 staat in een overdrachtsakte van Singel 212 door de erven van Lucas de Jong en zijn dochter Anna de Jong de interessante omschrijving over Singel 212: ‘staand en leggende op de Cingel, vanouds genaemt de Koningsgragt, tussen de Warmoesgragt en de Driekoningstraat, belent nu of vanouds de geweezen herberg Het Koningshooft aan de noordzijde, en Jan van Gestel aan de zuydzijde’. Deze omschrijving grijpt terug op een aankoopakte uit 1688.
Het Singel is gedurende de 17e eeuw inderdaad aangeduid met Coninxgracht, als een postuum eerbewijs aan Koning Hendrik IV van Frankrijk, destijds een belangrijke bondgenoot van de Republiek (hij was verantwoordelijk voor het Edict van Nantes van 1598, dat de protestanten in het zwaar katholieke Frankrijk qua godsdienstvrijheid zeer ver tegemoet was gekomen) en ’t Cooningshooft is dan een zeer plausibele naam voor een herberg.
Het achterste gedeelte van Singel 210 zou in 1625 al de herberg geweest kunnen zijn en de ommuurde binnenplaats achter de herberg en het pand Driekoningenstraat 1 de opslagruimte van volle en lege vaten bier en stalling van paarden.
In de aangehaalde aktes van Driekoningenstraat no. 3 wordt de binnenplaats beschreven als zijnde in eigendom van Francois Nijlandt. Francois Nijlandt, 24 jaar, geassisteerd door zijn vader Francois Nijlandt d’Oude, wonende op de Koningsgracht, gaat in 1653 in ondertrouw met Christina Ros, 24 jaar. In 1666 hertrouwt deze Francois Nijlandt en woont in 1673 in de Reestraat. Zouden vader en zoon Francois Nijlandt de uitbaters van de herberg geweest zijn?
Het lijkt er sterk op, dat deze familie al diverse generaties de herberg bestierde. Ook bij de ondertrouw van de vader woont de familie al op de Coninxsgracht. Zijn naam is overigens het wat minder exotisch klinkende Frans Fransz Nijlant (in de archieven op vele verschillende manieren geschreven), 25 jaar, die met zijn moeder Barbara als getuige op 10 februari 1627 in ondertrouw gaat met Lijsbet Aren(t)s, 20 jaar. De oudste zoon Arent wordt na 10 maanden geboren, maar overlijdt. De volgende zoon is Fran(coi)s, geboren in december 1628. Daarna volgen er nog minstens vijf kinderen. De jongste is Allard(us), geboren in februari 1644.
Het is deze Allardus, van beroep wijnkoper, die tussen 1683 en 1689 de nalatenschap van Frans Nijlant de Oude afhandelt. Mogelijkerwijs is het bezit van de herberg in één familie de oorzaak dat gedurende de gehele 17e eeuw geen overdrachtsaktes zijn gevonden.

Singel 210, 18e eeuw

In 1701 verkoopt Cornelis Hallius (een belegger die in 1719 overleed, maar over wie vóór 1701 niets is te vinden) het huis aan Sieuwert Witsen (1643-1719), een kruidenier. In zijn testament legateert deze de revenuen van zijn twee huizen op de hoek van de Driekoningenstraat en daarnaast in de straat (no. 1 dus) aan zijn zoon de predikant Franciscus Witsen in Nieuwe Niedorp. Het lijkt dat deze de binnenplaats laat bebouwen door Driekoningenstraat no. 1 tot aan de straat uit te breiden, want hij stelt de nieuwe eigenaar van no. 3 in 1742 in staat ‘omme de muur aan de oostzeijde te zetten op de uijterste grond’. Het pand heeft in 1731 – volgens het Redres op de Verponding – twee behangen kamers. en  is in 1742 verhuurd aan Hendrik van Stokkum, een handelaar in obligaties en Nicolaas Witsen de Jonge (1708-1780) , een achterneef  en erfgenaam van de gelijknamige burgemeester, en inwonend bij Jan Visser, kommenijhouder op de begane grond. 
De erfgename van Franciscus Witsen (1678-1753), blijkt de kleindochter van zijn overleden zuster Maria Witsen. Zij was getrouwd met Nicolaas Ypey, professor Vestingbouwkunde in Franeker en verkoopt beide huizen in 1754 voor f 13.400 aan Pieter en zijn zuster Catherina Eijloff of IJlof, beiden omschreven als ‘bejaard en ongehuwd’, vanaf 1746 eigenaren en bewoners van Singel no. 212.
De erven van Catherina Eijloff verkopen in 1764 het hoekhuis en Driekoningenstraat no. 1 in publieke veiling voor f 15.700 aan Cornelis Hartsinck, directeur Jan van Rijneveld & Zonen, handelaren op den Levant. Hij laat het hoekhuis tot stal vertimmeren. Hij woont met zijn gezin in de buurt. In 1774 vindt een verkoop plaats van een partij ‘puiks puike Smirna catoen, catoense gaarens en pluis van zijde, leggende boven de stal van den Heer C. Hartsinck op de Cingel’. Deze aanwijzingen stemmen overeen met de beschrijving van Monumentenzorg:
Hoekpand met gevel onder omlopende triglyfenlijst, pakhuis van laatste kwart 18e eeuw, zijgevel met stoep en ingang naar de pakzolders en met koetshuisdeuren.
De jurist Cornelis Hartsinck, schepen in Amsterdam, is een van de jongste zonen van Jan Caspar Hartsinck (1689-1759), equipagemeester van de Admiraliteit en vanaf 1734 directeur van de Sociëteit van Suriname. Zijn oudere broer Jan Jacob Hartsinck schrijft in 1770 een belangrijk boek over Suriname en Guyana. Cornelis Hartsinck is in 1754 buiten gemeenschap van goederen getrouwd met Jonkvrouwe Sara Maria Volkerts van Rijneveld, dochter van Benedictus van Rijneveld, die met zijn twee broers Isaac en Arnoldus firmanten van het handelshuis Jan van Rijneveld & Zonen zijn. Vader Jan was een bekende juwelier en bankier.
Als directeur van Jan van Rijneveld & Zonen is Cornelis Hartsinck vanaf 1770 ook verantwoordelijk voor negotiatiefondsen ten behoeve van enige planters in Rio Essequibo en Rio Demerary (toen Hollands, nu Brits Guyana). Een miljoenenbedrijf met geld aangetrokken van investeerders en uitgeleend als hypotheken aan plantages, die net met economische tegenwind te maken krijgen. Het wordt een financieel drama, dat zich uitstrekt tot 60 jaar na het overlijden van Cornelis Hartsinck in 1778 op 48-jarige leeftijd.
De weduwe Sara Maria Volkerts van Rijneveld hertrouwt in 1780 met de Fransman Jean Paul d’Hugues en vertrekt met haar tweede man naar Parijs, waar haar oom Isaac van Rijneveld (1706-1792), de voogd van haar deels nog minderjarige kinderen, inmiddels ook woont. Eind 1780 wordt haar huizenbezit verkocht, waaronder ‘een Stal, Koetshuis en Erve op de hoek van de Singel en de Driekoningstraat en een Huijs en Erve agter het laatst gemelde’ voor een prijs van f 31.000 aan Dirk Luden. De sterk gestegen prijs is een verdere aanwijzing, dat het hoekhuis door Cornelis Hartsinck is uitgebouwd tot het pakhuis van zes verdiepingen hoog.
Dirk Luden (1744-1807) is een zoon van Jacob Luden (1703-1784). Grootvader Johan Luden, afkomstig uit Bergen in Noorwegen, had zich voor 1688 gevestigd in Amsterdam. De familie handelt profijtelijk in stokvis. Dirk Luden woont op Herengracht no. 162, totdat hij het ouderlijk huis erft, het huis de Bruynvis, Keizersgracht no. 105. De wijd vertakte familie Luden bezit meerdere pakhuizen aan de Prinsengracht, de Brouwersgracht en in Rapenburg.
Dirk Luden is van dezelfde signatuur als Cornelis Hartsinck. Na het overlijden van Theodore en zoon Isaac Passalaigue in 1767 en 1773 heeft Dirk Luden het negotiatiefonds van hypotheken op plantages in Suriname overgenomen van de firma Passalaigue & Zoon. Dit wordt bevestigd in het beroemde boek van John Gabriel Stedman Narrative of a five years’ expedition in Suriname 1772-1777: In 1774 koopt Stedman de vrijheid van de tot slaaf gemaakte Joanna en hun pas geboren zoontje Johnny van ‘de heer Luden’ voor f 2.000.
De activiteiten van ‘t Fonds onder D. Luden breiden zich gestaag uit. Hypotheken en rentes worden niet of niet op tijd terugbetaald en het onderpand wordt ingevorderd, zodat volgens de Surinaamse Almanak van 1793 het Fonds Luden (niet te verwarren met Luden & Speciaal van een neef) vijftien plantages in Suriname in bezit heeft. Dirk Luden vaart er als directeur met een beheersvergoeding en een percentage over de in/verkoop van de suiker- koffie- en katoenplantages wel bij. Hij koopt de hofstede Karssenhof te Ouderkerk a/d Amstel, dat zeven jaar na zijn dood door zijn weduwe weer zal worden verkocht.

Singel 210, 19e en 20e eeuw

In 1801 verkoopt Dirk Luden in publieke veiling het pakhuis en achterhuis voor (slechts) f 13.165 aan Theodor Gülcher (1743-1806), bankier en koopman van Duitse komaf, die zich rond 1768 in Amsterdam had gevestigd en vanaf 1793 woonde op Keizersgracht 205. Hij woont vanaf 1804 in het prestigieuze Huis met de Kolommen aan de Herengracht 502, de tegenwoordige woning van de burgemeester.[https://www.amsterdam.nl/stadsarchief/stukken/dood/begrafenisstoet-0/] Zijn weduwe Johanna Engelina Brögelmann blijft daar tot haar dood in 1829 wonen met twee van haar dochters. De familie  was betrokken bij de Moravische broederschap, oftewel de Hernhutters.

Vanaf 1803 staat het pand bekend als het pakhuis de Theeboom, in welk jaar in de krant de verkoop in het veilinggebouw de Brakke Grond wordt geannonceerd van ‘100 kisten blik, leggende op de tweede zolder van pakhuis de Theeboom’. In de jaren daarna komen o.a. ‘Moscovisch zijldoek, ravensdoek, ruwe platilles royaals en Arabisch linnen’ voorbij.
Door de erven Gülcher wordt op 5 april 1830 het ‘Pakhuis en Erve de Theeboom, wijk 30, no. 5150’, verkocht op een bodemprijs van f 8.450 aan J. Minne Jr., een van de betrokken makelaars. In het oudste register van het kadaster uit 1832 wordt als eigenaar een Jacob Wijs genoemd.
Kruier Abraham Homberg is vanaf 1800 bewoner van een klein huisje in de Schildersteeg. Hij overlijdt in 1843. Zijn “claim to fame” is, dat hij in 1840 een advertentie plaatst over een aan komen lopen hond. Niet rijk zijnde, vroeg wel om vergoeding van de kosten als het beest opgehaald zou worden. In 1854 is er een advertentie van Jacobus Homberg, 74 jaar oud, die zijn sleutels was verloren, terug te bezorgen bij een ander huisje in de Schildersteeg. Dit zijn broers, die wellicht hun leven lang bij pakhuis de Theeboom hebben gewerkt.
In juli 1869 wordt het pakhuis vóór de veiling uit de hand verkocht aan Hendrik Johannes Wijsman Barendtzn (1824-1896), die vanaf 1862 ernaast woont in Singel 212.

Hendrik Johannes Wijsman Bzn en zijn 2e vrouw Anna Everdina Hunger

 

 

 

De in 1846 opgerichte firma H.J. Wijsman Bzn, is gespecialiseerd in de export van boter met name naar Nederlands Indië en Suriname, verpakt in de befaamde rood-groene blikken. Zij exporteren in de 19e eeuw ook diverse soorten kaas. De pakzolders worden gebruikt voor rijping van kaas en opslag van verpakkingsmateriaal. Op de begane grond wordt boter verpakt.

Singel 210-214 voor de verbouwing, ca 1883

In 1881 heeft H.J. Wijsman Singel 214 aangekocht. Naast de aanpassingen van de topgevel in 1884 werd de begane grond in 1888/89 verlaagd naar straatniveau en wordt naar achteren toe een langwerpig boterompaklokaal in één geheel opgebouwd en wordt het ompaklokaal van 210 naar 214 verplaatst. De boter werd verpakt in tonnetjes, en tussen ijs en zout verscheept. Tussen 1873 en 1896 worden de zonen Barend, Hendrik Johannes Jr en Jacob Wijsman successievelijk firmanten en kreeg de firma de naam H.J. Wijsman & Zonen. De panden Singel 210-212-214 en de firma H.J. Wijsman & Zonen zijn drie generaties in de familie Wijsman gebleven, totdat Piet Wijsman (1905-1982), zoon van Jacob Wijsman (1871-1960), zowel de panden als de firma in 1973 verkoopt aan Nelis van Ballegooijen, eveneens boterhandelaar. In 1989 worden de panden overgedragen aan een houdstermaatschappij. De export van blikboter naar Indonesië bestaat nog steeds.

File:HJ Wijsman & Zonen Hollandsche Kaas blik foto 2.JPG

WIJSMAN BRAND Quality butter from the Netherlands

 

 

 

 

 

 

In de 80-er jaren is galerie d’Theeboom in het pand gevestigd, later restaurant d’ Theeboom, momenteel restaurant BREDA. De voormalige pakzolders worden bewoond.

 

  1. Weduwe Niesgen Selijns kocht in 1608 voor f 4.800 een aandeel in de VOC. Zij overleed in 1617. Zie ook New York Genealogical and Biographical Society april en juli 2011

 507 total views,  1 views today