Paulus van der Veen, gouverneur van Suriname

Biografie

Paul van der Veen was de zoon van Balthasar van der Veen, een koopman en eigenaar van een aantal runmolens en Susanna Pels. Zijn moeder was de zuster van Andries Pels, een schatrijke Amsterdamse bankier en assuradeur. Hij is afkomstig uit een Remonstrants milieu.[1]

In 1677 verbleef Paul een jaar in Frankrijk. In 1678 werd hij advocaat bij het Hof van Holland.[4] In 1688 huwde hij Anna van Gelre, de dochter van een burgemeester uit Zierikzee.[5] Mogelijk stamt zij af van Karel van Gelre. Paul van der Veen gaf niet op dat hij lid was van een kerkgenootschap, in tegenstelling tot zijn vrouw.[6] In 1689 gaf hij blijk van zijn prinsgezindheid, toen zijn zoon William werd gedoopt.

Gouverneur in Suriname

In 1696 vertrok de door Samuel de Nassy omschreven zachtmoedige, beminnelijk en liefdadige Van der Veen als gouverneur naar de kolonie Suriname als opvolger van Johan van Scharphuizen.[7] Zijn schoonzuster en haar echtgenoot André Boxel kwamen met hem mee. Door de schoonfamilie zijn twee plantages opgezet: Boxel en Gelre.[8] Van der Veen werd toegestaan om er als gouverneur in ieder geval een plantage op na te houden, genaamd Sinabo. In 1698 verhoogde hij, als gouverneur, de premie op het terughalen van een weggelopen slaaf, een steeds groter wordend probleem. Al in 1700 meldde Van der Veen uit Suriname dat hij drie Duitsers had aangenomen om op zoek te gaan naar mineralen.

Van der Veen ondervond dezelfde moeilijkheden met de Raad van Politie als zijn voorgangers Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck en Johan van Scharphuizen. De kosten voor de verdediging van de kolonie waren een belangrijk twistpunt. Het ging er ditmaal om wie voor de kosten van Fort Sommelsdijck moest opdraaien.[9] Mogelijk heeft hij het elf jaar volgehouden, langer dan zijn voorgangers. Het kan ook zijn dat hij al eerder teruggekeerd was naar Nederland getuige zijn aanwezigheid bij de doop van enkele kinderen van Joan Willem van Meel.[10] Op 3 september 1706 werd hem zijn ontslag aangezegd. De vertegenwoordigers van de familie van Sommelsdijck zijn overrompeld door de overige participanten.[11] Er waren klachten van bewoners van Suriname, handelaren op de kolonie en van de bewindhebbers van de WIC. Tegen dat ontslag verzetten de directeuren van het huis Van Sommelsdijck zich heftig, maar wat nu precies de achtergronden van de ruzies waren, komen we niet te weten {Van der Meiden, lezing Ninsee}. Van der Veen legde pas op 2 maart 1707 zijn ambt neer. Hij schijnt met zijn gezin nog datzelfde jaar Suriname te hebben verlaten en vestigde zich in zijn voormalige woonplaats Gorinchem.[12]

Op 5 december 1708 werd hij benoemd als directeur van de Sociëteit van Suriname. Vervolgens bezette hij 25 jaar een zetel, langer dan menigeen. Vanuit Gorcum regelde hij blanke administrateurs voor zijn plantages. Zijn neef, Pieter Willem van Gelre regelde zijn zaken in Amsterdam. In 1720 kocht hij een huis in de Haarstraat, niet ver van de Lindeboom. In 1726 stierf zijn vrouw. Omdat Van der Veen zelf geen kinderen meer had, die in leven waren, kwam een groot deel van de erfenis, waaronder de Surinaamse plantages in handen van de vijf neven en nichten, de kinderen van Andries Pels, waarvan een getrouwd was met een dochter van de Amsterdamse burgemeester Lieve Geelvinck.

Familie

Blaeu 1652 - Gorkum.jpg

De familie Van Veen was afkomstig uit de Zuidelijke Nederlanden. In 1621 hielp een oud-oom Hugo de Groot uit Gorcum ontsnappen. Zijn grootvader kreeg in 1629 bezoek van Pierre Gassendi. (Een van de ideeën van Van der Veen was dat hij met iemand die naar Indië vertrok contact kon onderhouden door voor het vertrek bloed uit zijn arm op die van de vertrekkende persoon te laten druppelen, naderhand zijn arm op die plek te prikken en zo bij de ander op die plek ook een prikkelend gevoel op te wekken. Toen Isaac Beeckman die vondst in zijn Journaal noteerde, voegde hij er alleen maar aan toe: ‘Nugae’ (onzin).[2])

Het lijkt erop dat de vader van Van der Veen, die ruig leefde, zijn dagen sleet tussen de rechtbank en de kroeg. In 1661 werd hij onteigend door zijn echtgenote.[3]

Bronnen, noten en/of referenties

  1. Hun kinderen werden thuis gedoopt en niet officieel ingeschreven.
  2. Informatie over Balthasar van der Veen.
  3. De Gorcumse runmolenaar Balthaser van der Veen de Jonge. In: Oud-Gorcum Varia (1993) nr. 28, p. 163-171.
  4. Nationaal Archief, inv. 1.10.10, toegangsnr. 281; 325; 331; 332; 337, 341. Inventaris van het familiearchief Pels 1571-1877
  5. Informatie uit het Notarieel Archief Zierikzee
  6. Omdat er geen verdere vermeldingen in de kerkarchieven zijn – het lidmaatschap van de gereformeerde kerk wordt nergens vermeld – zou het kunnen zijn dat hij en zijn schoonfamilie met Labadisten sympathiseerden, in die jaren actief in Wieuwerd en Suriname.
  7. http://www.dbnl.org/tekst/nass008gesc01_01/nass008gesc01_01_0004.htm
  8. Landsarchief Suriname: suikerplantage Boxel aan de Surinamerivier
  9. Buddingh, H. (1995) Geschiedenis van Suriname, p. 33-34.
  10. In september 1702 en in november 1704 was hij in Amsterdam getuige bij de doop van de kinderen van Joan Willem van Meel, de secretaris van de Sociëteit van Suriname.
  11. Meiden, G.W. van der (1987) Betwist bestuur. Een eeuw strijd om de macht in Suriname 1651 – 1753, p. 62.
  12. Landsarchief Suriname: plantages Sinabo en Gelre aan de Commetuanekreek