De Raad van Indië

De Raad van Indië was van 1610 tot 1942 een centraal orgaan van het Nederlandse koloniale bestuur in Azië, ter ondersteuning de gouverneur-generaal, inzake handel, oorlog, justitie en regering. De leden van deze Raad werden ook raad van Indië genoemd en werden over het algemeen benoemd uit kringen van hogere Nederlandse bestuursambtenaren (gouverneurs, residenten etc.).

Binnenplaats van het gebouw van de Raad van Indië (1900-1940)

De Raad werd opgericht als een college dat aan de gouverneur-generaal (GG) advies moest geven. Daarnaast behoorde de Raad te controleren en eventuele despotische GG’s in toom te houden. De Raad voorzag de GG van advies over benoemingen van ambtenaren, maar ook van predikanten.

Geschiedenis

Er waren twee soorten raden, vijf of zes gewone en minstens drie buitengewone. (Vanaf 1619 maakten ook de gouverneurs van Molukken, Ambon, Banda, de Coromandel en Taiwan deel uit van het college als buitengewoon lid.) Bij stemming moesten minstens zeven raden aanwezig zijn in Batavia. De gewone raden waren sinds 1646 zes in getal en hadden een besluitvormende stem: de G-G, de directeur-generaal van de handel en vier raden die gingen over handel, het leger, de vloot, en justitie. Het aantal “extra-ordinaris” raden was onbepaald, minstens drie, mogelijk vijf; zij hadden alleen een raadgevende stem en waren meestal in opleiding of gedetacheerd in de buitengebieden.

In perioden waarin de GG wegens ziekte of overlijden zijn functies niet meer uit kon oefenen en er nog geen nieuwe benoeming bekend was, fungeerde in het algemeen het oudste lid van de Raad als gouverneur-generaal ad interim. De buitengewone raden vielen in bij het uitvallen van de gewone raden. Aan de GG was uitdrukkelijk ontzegd gratie te verlenen tegen het advies in van de Raad.

In de loop van de 17e eeuw verwierf de Raad steeds meer bestuurlijke en ook wetgevende taken. In 1677 werden vier van de zes leden wegens corruptie ontslagen. In 1681 werden twee permanente buitengewone raden benoemd.

De leden van de Raad waren in de 18e eeuw het middelpunt en de drijfveer (van Indiê), volgens Jacobus Canter Visscher. Na het faillissement en de opheffing van de VOC (1796, resp. 1800), werd de positie van de Raad minder duidelijk. De ambtenaren waren nu direct in dienst van de staat (eerst van de Bataafse Republiek en daarna van het Koninkrijk Holland). De GG was niet meer een soort onderkoning, maar uitvoerder van de opdrachten die hem door de regering werden gegeven.

Na de stichting van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden werd de macht van de Raad van Indië verder ingeperkt. Vanaf 1818 verloor hij vrijwel al zijn bestuurlijke en wetgevende taken en was alleen nog een onafhankelijk adviesorgaan van de GG. Bij de bestuurshervormingen van 1836 veranderde de naam van de Raad in ‘Raad van Nederlandsch-Indië’. Deze Raad had vier leden en een vicepresident, enkel een adviserende functie en vergaderde een keer per week in Weltevreden.

Nadat in 1918 de gekozen Volksraad was opgericht, verloor de Raad van Indië alle wetgevende macht. Vanaf 1926 konden ook ‘inheemsen’ (Indonesiërs) in de Raad benoemd worden. Toen Nederlands-Indië in februari en maart 1942 bij de Japanse bezetting van Indonesië overrompeld werd, trad de Raad buiten functie. Na de aftocht van de Japanners in 1945 is hij niet heropgericht.

Bron

J. Aalbers (1916) Rijcklof van Goens. Commissaris en veldoverste der Oost-Indische Compagnie, en zijn arbeidsveld 1653/54 en 1657/58, p. 12-14.