Einde van de Vereenigde Oostindische Compagnie

Anoniem schilderij met de Tafelberg op de achtergrond (1762)

Het Einde van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) had vele oorzaken en was een langzaam verlopend proces dat bijna de gehele achttiende eeuw in beslag nam. Een van de belangrijkste redenen was de toename van de concurrentie van de Engelse en Franse Oost-Indische Compagnie.[1] De vaste kosten waren hoog vanwege de vele garnizoenen die bemand moesten worden en de sterke oorlogsvloot die nodig was om het handelsgebied van de VOC te verdedigen en verder uit te breiden.1

Teruggang van de handel

De inter-Aziatische handel, in het begin zeer winstgevend voor de VOC, bracht vanaf het einde van de 17e eeuw minder winst op. Femme Gaastra, schrijver van De geschiedenis van de VOC, heeft berekend dat de Aziatische afdeling van de VOC vanaf de periode 1689-1700 verlies begint te draaien. Het rondom 1730-40 zich duidelijk aftekenende tekort aan bevaren zeelieden in de Republiek was structureel van aard.2 Na 1750 had de VOC ongeveer 125 schepen in dienst, een derde verbleef continu in Aziatische wateren. De handel met Japan via Dejima droogde grotendeels op; de export van zilver en goud werd in 1752 verboden.

Koper dient een tijdlang als vervanging, maar ook hierop leggen de Japanners steeds meer beperkingen. Dus zit er voor de VOC niets anders op dan meer edelmetaal vanuit Nederland naar Azië te verschepen.3

In de tweede helft van de 18e eeuw verschoof bovendien de handel van dure luxegoederen naar goedkopere massagoederen. Dat ging ten koste van de winstmarge. 80% van de handel met Kanton bestond uit thee.

In ieder geval werd de bezettingsgraad van de schepen aanzienlijk verhoogd. Deze werd in de jaren zestig zelfs hoger dan gemiddeld driehonderd per schip. Of het de compagnie overzee meer werkkrachten opleverde, moet betwijfeld worden. Het verlies tijdens de reis bleef hoog en reikte in de jaren 1770-75 tot zelfs drieëntwintig procent van alle opvarenden.

Vastgesteld kan worden dat de gehele organisatie te rigide was om zich aan te passen. Aan het eind van zijn bestaan werd de VOC bestuurd door mensen die te weinig commerciële ervaring hadden, geen reder waren en die meestal ook nog nooit in Indië waren geweest. Bovendien ontbrak het aan een doorzichtig boekhoudsysteem, zodat men in Amsterdam geen goed zicht had op het verloop van de geldstromen. Een winst- en verliesrekening werd nooit opgemaakt en de vorming van een reservefonds werd nagelaten.[2] Thomas Hope bedacht een systeem van kostencalculatie.

Panorama van Ayutthaya in het Bushuis, Amsterdam

In 1749 stelde Isaac de Pinto voor stadhouder Willem IV als opperbewindhebber van de Compagnie te benoemen. De prins kreeg tevens het recht de andere bewindhebbers te benoemen. De achtergrond is te zoeken in het toenmalige streven naar versterking van de positie van de stadhouder ten opzichte van de burgemeesters of regenten en een einde te maken aan de ingewikkelde procedures.[3]

Terwijl Engelsen, Vlamingen, Fransen, Denen en Duitsers de thee zelf inkopen in Kanton, hanteert de VOC een systeem waarbij Chinese handelaren de thee eerst naar Batavia vervoeren. Deze thee is duurder en van een lagere kwaliteit dan die van de Europese concurrenten.3

De bedrijfsresultaten daalden tot 1775 scherp, daarna trad een licht herstel in.[4] In 1769 schreef Cornelis van der Oudermeulen twee memories over het verval en de mogelijkheden tot herstel van de VOC.[5] Tussen 1760 en 1780 schommelde de koers van de aandelen tussen de 340 en 580% en jaarlijks werd een dividend uitgekeerd van 12 tot 20 procent.

Aantal Nederlandse schepen bestemd voor de handel op Indië [6]
1641 1651 1670 1680 1689 1700 1725 1750 1775
56 60 83 107 88 66 52 43 30

Vergaan Onder Corruptie

Toen door de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog (17801784) de retourschepen de Republiek niet meer konden bereiken, ging het snel bergafwaarts.[7] Twee jaar lang lag de handel stil. Vaak waren minder dan duizend Europese zeelieden in Azië beschikbaar. In de laatste twee decennia zou de situatie niet veel meer verbeteren. Grote voorraden handelsgoederen in de factorijen in Voor-Indië (Negapattinam) waren door de Engelsen in beslag genomen. Al in 1781 besloot de compagnie surseance van betaling aan te vragen en is er geen dividend meer uitgekeerd. Obligaties op de VOC waren inmiddels nagenoeg onverkoopbaar. Steun van de stad Amsterdam, de Bank van Lening, de Staten-Generaal, het gewest Holland (1788), en het organiseren van lotterijen (1790) konden het tij niet keren. De privileges van de bewindhebbers kwamen onder het mes en een aantal Logementen werd opgeheven. Volgens raadpensionaris Laurens Pieter van de Spiegel was de VOC “een lichaam zonder directie, ordre of spaarzaamheid”. In 1793 dreigden de bewindhebbers met de schorsing van de uitbetaling en het sluiten van de werven. In 1794 kwam naar buiten dat de Amsterdamse Wisselbank voor miljoenen guldens illegaal blanco krediet had verstrekt aan de VOC en de stad Amsterdam. Na de oprichting van de Bataafse Republiek in 1795 werd tot het definitieve einde van de Compagnie besloten.

Opticaprent van Batavia uit ca. 1780

Per 1 maart 1796 werden alle bewindhebbers ontslagen.[8] De schulden en bezittingen van de VOC gingen over op de Republiek. Het octrooi werd evenwel verlengd tot 31 december 1798 om de lopende zaken af te handelen. Na het faillissement is de afkorting VOC spottend verklaard als “Vergaan Onder Corruptie”.

Een belangrijke schadepost was de particuliere of "morshandel" die bedreven werd door de personeelsleden van de Compagnie die pover werden betaald, en zich op deze manier vaak wisten te verrijken. Repatriërende VOC-dienaren brachten vaak grote fortuinen, die ze zonder toestemming van hun werkgever voor eigen rekening hadden vergaard, mee terug naar het vaderland.

In 1796 was het Committé tot den Oost-Indische Handel en Bezittingen opgericht, waarin Wybo Fijnje en Samuel Iperusz. Wiselius zitting hadden. Het comité had de opdracht een standpunt te formuleren over de failliete VOC, machtssymbool van het “ancien regime“. Het octrooi werd nog verlengd tot 31 december 1799.[9]

De afzonderlijke kamers van de VOC in Delft, Hoorn en Enkhuizen werden pas in 1803 door de Raad van Aziatische Bezittingen en Etablissementen opgeheven.[10] In Rotterdam en Middelburg bleven verkoopkantoren bestaan.[11][12]

Bronnen, noten en/of referenties

  1. Inmiddels was de VOC wel overgegaan tot de bouw van rankere schepen met een ronde in plaats van rechte achtersteven.
  2. Dillen, J.G. (1970) Van Rijkdom en Regenten, p. 116.
  3. Zo was Cornelis Graafland Jansz. vanaf 1717 tot 1747 bewindhebber.
  4. Bonke, H. (1999) De zeven reizen van de Jonge Lieve, p. 10.
  5. http://www.dbnl.org/tekst/molh003nieu06_01/molh003nieu06_01_1670.php
  6. d’après F.S. Gaastra, cité par F. Braudel, op. cit., p. 263.
  7. Bij de kamer in Zeeland lag de situatie gunstiger en vanuit Middelburg werd fel oppositie gevoerd tegen Amsterdam.
  8. Korte, P.J. (1984) De jaarlijkse financiele verantwoording in de VOC, p. 6.
  9. http://www.kb.nl/dossiers/voc/voc.html
  10. http://www.vocsite.nl/geschiedenis/organisatie.html
  11. Nationaal Archief – Het einde van de VOC
  12. The End of the VOC