Handelsgebied van de VOC

Het handelsgebied van de Vereenigde Oostindische Compagnie strekte zich uit van Kaap de Goede Hoop tot Japan. In 1654 waren Suratte, Jambi, Taiwan en Dejima de enige factorijen die winst opleverden, alle andere kantoren, inclusief Batavia leden verlies.[1]

Handelsgebied van de VOC.

Europese handelsposten in Indië (1501-1739).

Geschiedenis

Omdat er in Azië weinig interesse bestond voor Europese producten, voeren de schepen met een ballast van bakstenen, en werd de handel veelal betaald met goud en zilver, aangevoerd vanuit Europa, Arabië, Zuid-Amerika of Japan, of met textiel (“kleedjes”) en zijde, die in India was gekocht en daarna in de Indische archipel, Japan of Afrika weer verkocht. Zo bouwde de Vereenigde Oostindische Compagnie voort op een reeds bestaand handelsnetwerk in het Aziatische gebied dat werd uitgebreid met factorijen, die zilver, tin, hout, huiden, koper, salpeter, ivoor, betelnoten en opium aanleverden.

Het opzetten van een netwerk van ruilhandel, dat de “Indische buitenhandel” werd genoemd, is gepropageerd door Jan Pieterszoon Coen om het tekort aan edele metalen en contanten te ondervangen. Het ruilen van Chinese zijde tegen Japans zilver bleek uitermate winstgevend. Niet Djohore, Bantam, maar Pattani op het Maleise schiereiland werd al snel een centrum voor de inter-Aziatische handel; in het bijzonder voor de handel op China. Het is de VOC in 1622 niet gelukt met geweld een handelsovereenkomst met de Chinezen te sluiten en de monopoliepositie van de Portugezen te Macau te doorbreken. De pogingen van de Britse Oostindische Compagnie een aandeel in de specerijenhandel te krijgen, werden door Coen zoveel mogelijk gedwarsboomd.

In 1622 werden de Banda-eilanden onder controle gebracht en besloot de VOC mee te werken aan de uitrusting van de Nassause vloot onder Jacques l’Hermite die belast was met een geheime instructie: een aanval op Callao en het in handen krijgen van een zilvervloot.[2] In 1624 werd het zwaartepunt van de handel op China en Japan van Patani (Achter-Indië) (via de Pescadores) naar Formosa verplaatst. In 1637 vestigde de VOC een factorij in Tonkin, met Carel Harsinck als hoofd. Deze vestiging was belangrijk voor de export van zijde naar Japan.[3]

In Japan kon de VOC relatief gunstig aan zilver komen, waar een kwart van de toenmalige wereldproductie plaatsvond. De waardeverhouding van goud en zilver tussen Europa en Azië verschilde; de waardering van zilver in het verre oosten of in Perzië was groter dan voor goud. Vanaf 1640 kreeg de VOC evenwel te maken met tegenwerking van de shogun die de Hollandse factorij Hirado liet verplaatsen naar een kunstmatig eiland Dejima.[4]

Gouverneur Antonie van Diemen heeft Abel Tasman erop uitgestuurd om het onbekende Zuidland verder in kaart te brengen. De expedities van Maarten Vries naar het noorden en van Tasman naar het zuiden hadden tot doel meer goud en zilver aan te leveren, maar beide keerden onverrichte zake terug.[5]

Al in 1608 werd een factorij in Masulipatnam gesticht, op de Coromandelkust in het zuiden van India. Vanaf 1615 werd ook handel gedreven op Bengalen in het noorden. Vanaf 1634 won de factorij aan de Hooghly steeds meer aan belang. De stad Goa werd acht jaar lang door de Nederlanders geblokkeerd, zodat de uitvoer naar Lissabon tussen 1636 en 1644 werd belemmerd. In 1638 werd de VOC te hulp geroepen door de koning van Kandy. In 1641 verdreven de Nederlanders met hulp van de sultan van Johor uit hun fort. De VOC nam in Nederlands Malakka het handelscentrum van Maleisië over. In 1658 werden de Portugezen van vrijwel van Ceylon verdreven waardoor de handel in olifanten en kaneel volledig in handen van de VOC kwam. Galle werd een belangrijke haven in het netwerk, met een directe verbinding met het vaderland, op initiatief van Rijklof van Goens. Ook de Coromandelkust viel in Nederlandse handen. In 1663 is de Indiase stad Cochin op de Malabarkust, met een belangrijke Portugese bezetting, veroverd door Van Goens. In het voorafgaande jaar werden de Nederlanders door Coxinga uit Taiwan verdreven. De VOC moest na 39 jaar de Overgave van Fort Zeelandia aan de Chinezen erkennen. Het was haar niet gelukt de zijdehandel tussen China en Japan te monopoliseren.

Na de val van de Mingdynastie zakte de handel met China tijdelijk in en werden initiatieven genomen de nieuwe keizer Kangxi gunstig te stemmen; zo zijn er tussen 1655 en 1685 vier gezantschappen met o.a. Zacharias Wagener, Joan Nieuhof, Balthasar Bort en Joan van Hoorn naar China gestuurd.

Op 1668 sloot de VOC na lange strijd Verdrag van Bongaja met de sultan van Makassar. Daarin werd onder meer bepaald dat de 2.000 Portugezen moesten vertrekken uit Makassar, jarenlang de belangrijkste concurrerende haven. Vanaf dat moment kon geen kruidnagel meer vervoerd worden uit de archipel zonder dat de VOC daarbij betrokken was.

In 1682-1684 intervenieerde de Compagnie op dringend verzoek in Bantam. Men steunde de zwakste partij die vervolgens de grootste verplichting aan de VOC kreeg. De jonge sultan van Bantam moest de Compagnie het pepermonopolie verlenen; de Engelse, Deense en Franse concurrerende maatschappijen moesten het veld ruimen.[6]

In 1682 werden er op een VOC-schip zes apen, twaalf papegaaien, twee Ambonese kaketoes, een krokodil, een Bengaals hertje en een jonge eland vervoerd. De vraag naar en aanvoer van dieren was al snel zo groot dat de VOC in Amsterdam onderkomens liet bouwen om de bijzondere en zeldzame exemplaren tijdelijk te huisvesten.[7]

Hendrik Adriaan van Reede tot Drakestein, Jan Commelin,Simon van der Stel, Georg Everhard Rumphius, Johannes Camphuys, Johan Huydecoper van Maarsseveen, Nicolaes Witsen en Gaspar Fagel hielden zich bezig met het beschrijven, opsturen of verzamelen van gewassen en schelpen. De apothekers van de Hortus Botanicus waren vooral geïnteresseerd in nieuwe medicijnen om ziekten onder het VOC-personeel te bestrijden; de bewindhebbers in zaaigoed en siergewassen voor hun kassen of tuinen.

De jaren onder de gouverneurs Joan Maetsuycker, Rijkloff van Goens en Cornelis Speelman waren gunstig voor de VOC; het handelsimperium werd belangrijk uitgebreid. Coenraad van Beuningen propageerde vervolgens verregaande bezuinigingen bij de VOC. Vanwege de vrede waren konvooien en onderhoud aan de forten minder nodig. Van Beuningen produceerde reeksen voorstellen om een efficiënter beleid te introduceren en eiste meer toezicht en scherpere naleving van de regels in Azië. Paulus de Roo en burgemeester Johannes Hudde hield zich bezig met boekhoudkundige verbeteringen.[8] Van Reede was erop uitgestuurd de corruptie en morshandel onder het VOC-personeel in India en Japan te bestrijden.

Tot 1690 stegen de winsten, en ook de kosten; na 1692 daalden de winsten, maar namen de lasten verder toe.[9] Toch bleef de handel tussen Europa en Azië verder stijgen. De financieel meest gunstige periode was die van 1687 tot 1736. Op koffie, thee, suiker en textiel werd echter minder winst gemaakt dan op de specerijen uit de beginjaren. In 1727 werd voor de eerste maal besloten tot een directe vaart op China; aanleiding was de kwaliteit van de thee op te voeren. Het experiment duurde niet lang. Uiteindelijk liet de VOC ook de handel in Chine de commande steeds meer over aan particulieren.

De Compagnie heeft nooit de vorsten van Travancore in het zuiden of die van Colastri in het noorden en nog minder de Samorijn kunnen bewegen om een verdrag te sluiten omdat die begrepen dat zo’n verdrag nadelig was. De VOC moest terrein prijsgeven in India. De Slag bij Colachel tussen troepen van het voormalige Indiase Koninkrijk Travancore en de VOC, tijdens de Travancore Oorlog was de eerste grote nederlaag van een Europees leger tegen een Zuid-Aziatisch leger. Kapitein Eustachius de Lannoy liep over naar de tegenpartij. Nederland vormde vanaf dat moment geen grootschalige koloniale bedreiging meer. Het hielp indirect de Britse Oost-Indische Compagnie om zijn greep op het gebied te versterken.

Gouverneur-Generaal van Imhoff kreeg in 1740 te maken met de nasleep van de Chinezenmoord en liet zijn voorganger opsluiten in het gevang. De ingewikkelde boekhouding met verschillende valuta’s en waarderingen is door hem vereenvoudigd. In een vroege poging de handel te liberaliseren heeft hij in 1745 de Amfioensociëteit opgericht; waarschijnlijk was het ook zijn bedoeling om de smokkel in opium tegen te gaan door particulier initiatief te promoten.[10]

In 1758 moest de VOC haar positie in Surat, in 1759 in Bengalen afstaan aan de Engelsen. In 1767 werd ook de handel met Ayutthaya minder winstgevend. In 1784 verloor zij Negapattinam en in 1784 de Coromandelkust. In 1795 werden door de Brieven van Kew de meeste handelsposten in India tijdelijk door de Engelsen overgenomen, in sommige gevallen met handhaving van het Nederlandse bestuur.

Dejima (Arnoldus Montanus: Gedenkwaerdige Gesantschappen der Oost-Indische Maetschappy in’t Vereenigde Nederland, aen de Kaisaren van Japan. 1669

Colombo, gravure uit circa 1680

Pieter Cnoll en zijn vrouw Cornelia van Nijenrode door Jacob Coeman (1665)

De voorpagina van de Hortus Malabaricus door Hendrik Adriaan van Reede tot Drakestein

De Dertien Factorijen in Kanton waar vanaf 1684 buitenlanders waren toegestaan. Vanaf 1757 mochten de zeelieden niet buiten dit gebied komen

 

Bronnen, noten en/of referenties

  1. Ottow, W.M., 1954. Rijckloff Volckertsz van Goens : de carrière van een diplomaat 1619-1655, p. 155.
  2. Op jacht naar Spaans zilver. Het scheepsjournaal van Willem van Brederode, kapitein der mariniers in de Nassause vloot (1623-1626), p. 45, 71.
  3. http://www.vocsite.nl/geschiedenis/handelsposten/tonkin.html
  4. De Portugezen waren al eerder uit Japan verdreven vanwege hun missieactiviteiten, zodat de Nederlanders tot 1853 de enige westerlingen waren die in Japan handel mochten drijven.
  5. De bewoners van de eilanden in de Grote Oceaan bleken niet of nauwelijks geïnteresseerd in oude spijkers of zeildoek, die Tasman ze aanbood.
  6. http://www.dbnl.org/tekst/dhae007euro01_01/dhae007euro01_01_0002.php
  7. Rikken, M. (2008) Melchior d’Hondecoeter. Vogelschilder. Rijksmuseum, p. 47-48.
  8. Korte, P.J. (1984) De jaarlijkse financiële verantwoording in de VOC, p. 37.
  9. Korte, P.J. (1984) De jaarlijkse financiële verantwoording in de VOC, p. 31.
  10. De amfioensociëteit kreeg het monopolie op de handel op Java en nam ieder jaar tegen een vastgestelde prijs een hoeveelheid opium af van de VOC. Toen de Engelsen in 1757 Calcutta op de plaatselijke vorst veroverden verkreeg de Britse East India Company het monopolie op de opiumhandel. De VOC moest de opium tegen een forse prijs van de Engelsen kopen en kon toen geen grote winsten meer realiseren.