Matthijs Beck, onder-directeur van de WIC op Curaçao

Frans Post –  Itamamaraca

Matthijs Beck (Stolberg (?) – Willemstad, Curaçao, 10 of 15 november 1668) vertrok in april als koopman in suiker, lakens naar Nederlands-Brazilië, waar hij na twee maanden aankwam.1 Hij zou niet in dienst geweest van de WIC, maar een “vrije jongen”.2 Beck kwam eerder dan Johan Maurits in Brazilië aan en zou er 19 jaar blijven. 

Op 22 december 1638 werd Anneken Beck gedoopt, 18 december 1639 Anna, Maria in 1641, op 8 maart 1643 Jacob, op 11 mei 1644 Suzanna, op 22 maart 1646 nog een Suzanna, en op 13 juni 1647 Christina; de moeder was Anna Hack.3 Beck was ook ouderling en trad ettelijke keren op als getuige bij doop van kinderen in de Braziliaanse gemeenschap. Hij woonde in Recife, maar bezat een maniokplantage op Itamamaraca.4 In 1646 leende hij 3.500 gulden bij Mattheus Hoeufft.

AMH-8577-NA_Map_of_Itamaraca.jpg (2400×1360)

In 1649 bezette hij Ceara en rapporteerde regelmatig aan zijn superieuren.5 Hem was beloofd als hij zilvermijnen ontdekte, hij het privelege kreeg. Beck sloot vrede met de plaatselijke indianen en is de grondlegger van het fort Schoonenborch, nu Fortalezza. Hij heeft als directeur van de handelspost veel materiaal voor de mijnbouw aan laten trekken, maar klaagde over vakkennis van zijn Duitse werknemers. Hij liet ook zijn vrouw en have en goed, slaven, paarden en gereedschappen naar Ceara overbrengen. Jean Hoeufft en David de la Croix hadden een suikerraffinage opgezet in La Rochelle; Hoeufft bezat ook een suikermolen in Nederlands-Brazilë, die is geerfd door Matthias Beck. Er heerste droogte en ze hadden aanvallen van indianen te verduren. Beck besloot het fort aan te Portugezen te overhandigen. Vanwege het verdrag van Taborda werd er geen druk op de Nederlanders uitgeoefend die op afstand woonden en pas veel later van de gang van zaken op de hoogte waren. Matthias Beck en zijn manschappen vertrokken in twee kleine boten in oktober 1654 als laatste Nederlanders uit Brazilië via Barbados naar Curaçao. Beck klaagde dat hij enkel wat kleding had kunnen meenemen uit Brazilië, en dat hij 30.000 gulden in zijn project had gestoken en de WIC voor het verlies verantwoordelijk stelde. Via Tobago kwam hij aan op Barbados, waar hij de gouverneur van Nieuw-Nederland ontmoette.

File:AMH-6825-KB View of Siara.jpg
Gezicht op Siara. Jacob van Meurs (graveur / etser), Jacob van Meurs (uitgever)

In 1655 is hij door Peter Stuyvesant aangesteld als onder-directeur, en in 1659 als gouverneur, maar dat laatste is niet zeker.6 Daar bevorderde hij niet alleen het fokken van vee, het telen van groenten in de compagnietuinen, de suikerriet – en katoenaanbouw, de zoutwinning, maar volgens Krommen ook de smokkel- en slavenhandel.7 Het gaat niet om grote aantallen slaven en ze werden verkocht aan Spanjaarden 8 in Porto Bello, Cuba, en Carthagena, of geruild tegen huiden, etc. De veestapel werd uitgebreid om in de problematische voedselvoorziening te kunnen voorzien.9 Beck liet fruit aanrukken vanuit Nieuw-Nederland. In 1659 arriveerde er een groep Sefardische Joden. Van een schip met 220 slaven, vertrokken vanaf Annibo, kwamen er 85 levend aan de overkant van de oceaan aan, vanwege een gebrek aan water en levensmiddelen aan boord.10

Beck was medeeigenaar van de plantage Santa Barbara.11 In 1664 moest Beck 300 slaven naar Nieuw-Amsterdam opzenden; onderweg stierven er tien.

File:Landhuis Sta. Barbara Curacao.jpg
Landhuis Sta Barbara

12

In 1666 verordoneerde hij een schipper de slaven niet op Guadalope te verkopen, maar op Curaçao; de schipper vertrok met enkele slaven, toen Beck niet in staat bleek aan zijn belofte te voldoen. In 1668 waren op het eiland 3.000 slaven aanwezig.

 

Matthias Beck hertrouwde op Curaçao met Leonora Grevenraet (Amsterdam, 1623 – ?).13 Jacob (8 maart 1643) en Balthasar Beck, eveneens gouverneur van Curaçao, waren zonen van Matthijs; evenals Willem Beck die op 29 juni 1659 werd gedoopt. Hij moet ouder zijn geweest, want Maria Elisabeth Beck is op 17 augustus 1659 en Matthias Beck op 29 augustus 1660 gedoopt. 14 Becks dochter Anna trouwde met Adriaen van Beaumont, predikant, beiden zijn in 1663 omgekomen. … Beck trouwde met Jan Doncker, ook een gouverneur. Matthias Beck, getrouwd met Josina Goris, liet zijn huwelijk in 1678 inschrijven in Amsterdam, maar woonde rond 1680 in Nijmegen en in 1698 in Utrecht. In dat laatste jaar verkocht hij een plantage op Curaçao aan zijn broer Jacob, getrouwd met Anna Emerentia Kerkrinck. Balthasar Beck, die waarschijnlijk vloeiend Spaans sprak, was factoor van het Spaanse Asiento. Omdat Spanje officieel geen handel wilde drijven met een niet-katholiek land werden zoutwaternegers steeds vaker verkocht via Curaçao.

Referenties

  1. Rita Krommen (2006) Mathias Beck und die Westindische Kompagnie. Zur Herrschaft der Niederländer im kolonialen Ceará, p. 48. In: Arbeitspapier zur Lateinamerikaforschung. Universität zu Köln.
  2. J.A. Schiltkamp (1989) Curaçou onder vice-directeur Beck, 1655-1668, p. 250
  3. C.J. Wasch (1888) Een doopregister der Hollanders in Brazilië, p. 169, 170, 228, 248, 282. In: Algemeen Nederlandsch Familieblad. Tijdschrift voor Geschiedenis, Geslacht, Wapen, Zegelkunde, enz.
  4. R. Krommen, p. 51
  5.  Nationaal Archief
  6. J.A. Schiltkamp (1989) Curaçou onder vice-directeur Beck, 1655-1668, p. 251
  7. R. Krommen, p. 72
  8. Amigoe, 19 mei 1990
  9. J.A. Schiltkamp (1989) Curaçou onder vice-directeur Beck, 1655-1668, p. 250
  10. J.A. Schiltkamp (1989) Curaçou onder vice-directeur Beck, 1655-1668, p. 269-271
  11.  Caraibische genealogie
  12. Stadsarchief Amsterdam NA 3188-265, 29 sept. 1665 not. H. Outgers Wisselbriefprotest van de WIC aan Hans Hontum. Afschrift : Curacao 15 juni 1665 pesos 1564 – aan de WIC te betalen 1564 volwaarde stukken van achten de waarde in negros van Mathias Beck ontvangen. Met dank aan R. Koopman, Zaandam.
  13. Haar ouders woonden op Keizersgracht 195, een pand dat is afgebroken voor de aanleg van de Raadhuisstraat.
  14. Pieter van Beeck in Amsterdam was één van de voogden van de onmondige kinderen van Matthijs, maar had ook een proces aangespannen tegen de Hoeuffts samen met Jacob Venturin, een slavenhaler op Curaçao. De Nederlandsche Leeuw (1936), p. 342