Herman Boerhaave (1668–1738) was een Nederlandse arts, botanicus en hoogleraar aan de Universiteit Leiden. Hij geldt als een van de belangrijkste medische docenten van de achttiende eeuw en verwierf internationale bekendheid door zijn onderwijs in klinische geneeskunde en zijn methodische benadering van ziekte en observatie.
Afkomst en opleiding
Herman Boerhaave werd geboren bij Voorhout, nabij Leiden, als zoon van een predikant. Hij ontving een klassieke opleiding met nadruk op Latijn en Grieks en begon zijn studie aan de Universiteit Leiden met het oog op een loopbaan in de theologie. In dat kader verdiepte hij zich ook in filosofie, logica en oosterse talen, om de Bijbel in de oorspronkelijke talen te kunnen bestuderen. Hij volgde onder meer colleges bij Jacob Gronovius, hoogleraar in de klassieke talen.<ref>L. Kooijmans, Het orakel, 2011, p. 18.</ref>
Tijdens zijn Leidse studietijd kwam Boerhaave in aanraking met het experimentele natuuronderzoek van Burchard de Volder, die in Leiden demonstraties gaf van natuurkundige experimenten. Deze vorm van experimenteel onderwijs maakte deel uit van het academische klimaat waarin Boerhaave werd opgeleid. De Volder was een uitgesproken aanhanger van de filosofie van René Descartes en geldt als een vroege vertegenwoordiger van de experimentele methode in de natuurfilosofie op het Europese vasteland.
In zijn academisch proefschrift, waarmee hij in 1691 promoveerde in de filosofie, verwierp Boerhaave expliciet de leerstellingen van Baruch Spinoza. Dit wijst erop dat latere beschuldigingen van spinozisme niet op zijn eigen teksten zijn gebaseerd. Pas daarna richtte hij zich formeel op de geneeskunde.<ref>L. Kooijmans, Het orakel, 2011.</ref>
Na het overlijden van zijn vader liet Boerhaave een kerkelijke loopbaan varen en koos hij definitief voor de geneeskunde. Tijdens deze periode volgde hij geen formele colleges aan de Medische Faculteit in Leiden, die in 1693 bovendien slechts uit twee hoogleraren bestond. Hij studeerde grotendeels zelfstandig, mede dankzij zijn nabijheid tot de universiteitsbibliotheek. In datzelfde jaar promoveerde hij in de geneeskunde aan de Universiteit van Harderwijk.
Academische loopbaan in Leiden
In 1701 werd Boerhaave benoemd tot lector aan de Universiteit Leiden. In 1709 volgde zijn aanstelling als hoogleraar geneeskunde en botanie; later bekleedde hij ook de leerstoelen praktische geneeskunde (1714) en scheikunde (1718). Bovendien is hij benoemd als rector van de Universiteit, en daarmee de opvolger van Govert Bidoo?
Een kernpunt van zijn onderwijs was het klinisch onderwijs aan het ziekbed, waarbij studenten patiënten observeerden en diagnoses leerden stellen op basis van directe waarneming. Dit onderwijsmodel droeg sterk bij aan de internationale reputatie van Leiden als centrum van medische opleiding.
Medische methode en onderwijs
Boerhaave verzette zich tegen speculatieve medische systemen en benadrukte het belang van:
zorgvuldige observatie,
kennis van de medische traditie (vooral Hippocrates),
en terughoudendheid in het gebruik van theorieën die niet empirisch toetsbaar waren.
In zijn inaugurele rede De commendando studio Hippocratico (1709) verdedigde hij een geneeskunde die steunde op ervaring en klinische praktijk, met een beperkt arsenaal aan geneesmiddelen.
Zijn colleges trokken studenten uit heel Europa; tot zijn leerlingen behoorden onder anderen Albrecht von Haller, en Gerard van Swieten.
Wetenschappelijk werk
Boerhaave publiceerde invloedrijke leerboeken die vooral als didactische werken waren bedoeld:
Institutiones medicae (1708),
Aphorismi de cognoscendis et curandis morbis (1709),
Elementa chemiae (1724).
Daarnaast was hij betrokken bij de ontwikkeling en catalogisering van de Leidse hortus botanicus, wat tot uiting komt in zijn botanische indexen.
Zijn betekenis ligt minder in specifieke ontdekkingen dan in de systematisering en overdracht van medische kennis.
Boerhaaves motto was Simplex sigillum veri — eenvoud is het kenmerk van het ware.
Over Boerhaaves betekenis voor de chemie is in de historiografie gewezen op zijn methodologische benadering. Ernst Cohen heeft betoogd dat deze betekenis niet lag in nieuwe ontdekkingen of in een principiële breuk met de alchemie, maar in een grotere systematiek, helderheid en scherpte van definitie. Boerhaave onderscheidde zich bovendien door chemie niet als een afgesloten vakgebied te beschouwen, maar expliciet in samenhang met de natuurkunde.1
In Rusland raakte de belangstelling voor Boerhaaves werk verweven met bredere verzamel- en onderzoekspraktijken rond anatomie en natuurhistorie. Deze concentreerden zich in de Kunstkamera in Sint-Petersburg, waar onder meer anatomische preparaten werden samengebracht die dienden voor onderwijs en onderzoek. Hoewel geen directe relatie tussen Boerhaave en de Kunstkamera kan worden aangetoond, bewogen zijn manuscripten en ideeën zich binnen hetzelfde medische en institutionele netwerk waarin ook dergelijke collecties circuleerden.
Reputatie en internationale erkenning
Tijdens zijn leven genoot Herman Boerhaave grote faam als arts en docent. Hij werd verkozen tot lid van de Royal Society in Londen en tot buitenlands lid van de Académie des sciences in Parijs.
Zijn internationale reputatie blijkt onder meer uit een bezoek van Peter de Grote tijdens diens verblijf in de Republiek in 1716–1717. In het voorjaar van 1717 bezocht de tsaar Boerhaave in Leiden in de vroege ochtend om persoonlijk met hem van gedachten te wisselen over geneeskunde en wetenschap; samen brachten zij tevens een bezoek aan de Hortus Botanicus Leiden.2 Peter de Grote had al langer een uitgesproken belangstelling voor botanie en anatomie.
Het bezoek vond plaats in een periode waarin de tsaar regelmatig met gezondheidsklachten kampte en medische kuren onderging. Hoewel geen direct verslag van een consult is overgeleverd, ligt het voor de hand dat het onderhoud niet uitsluitend een wetenschappelijk karakter had, maar mogelijk ook verband hield met medische advisering.
Een van Boerhaaves studenten was Laurens Blumentrost, die na zijn promotie lijfarts van de tsaar werd.3 Via Blumentrost werd Boerhaave later uitgenodigd om lijfarts van keizerin Anna Romanovna te worden, een aanbod dat hij uiteindelijk niet aannam.
In 1735 maakte Boerhaave kennis met de jonge Carl Linnaeus, die kort daarvoor was gepromoveerd aan de Universiteit van Harderwijk. Boerhaave introduceerde hem bij George Clifford, een vermogend Amsterdams bankier en botanisch mecenas, eigenaar van de buitenplaats Hartekamp bij Heemstede. Deze kennismaking speelde een belangrijke rol in Linnaeus’ verdere loopbaan.
In de achttiende en negentiende eeuw ontstond rond Boerhaave een brede culturele aandacht, zoals blijkt uit de vele portretten, prenten en huldigingen die in die periode werden geproduceerd. Deze visuele cultuur rond zijn persoon illustreert de brede bekendheid en status die hij in Europa had als arts en docent.
Zoals tijdgenoten opmerkten, fungeerde het predicaat ‘leerling van Boerhaave’ als een aanbeveling die vele deuren opende.4 Anekdotes over zijn wereldwijde bekendheid — waaronder correspondentie uit verre landen — zijn overgeleverd in de biografische literatuur, maar worden in de moderne geschiedschrijving met de nodige terughoudendheid benaderd.
In Leiden bevindt zich het naar hem vernoemde Rijksmuseum Boerhaave, gewijd aan de geschiedenis van wetenschap en geneeskunde.
Overlijden en nalatenschap
Na zijn dood in 1738 werd Herman Boerhaave in Leiden herdacht als een van de meest invloedrijke artsen en docenten van zijn tijd. Zijn onderwijs en publicaties droegen in belangrijke mate bij aan de verbreiding van een klinisch georiënteerde geneeskunde in Europa en bleven tot ver in de achttiende eeuw richtinggevend voor de medische praktijk.
De Franse arts en filosoof Julien Offray de La Mettrie nam elementen uit Boerhaaves fysiologische en neurofysiologische opvattingen als uitgangspunt voor zijn eigen, meer materialistische interpretatie van het menselijk lichaam.5 Daarmee vormden Boerhaaves ideeën ook een schakel tussen achttiende-eeuwse geneeskunde en bredere filosofische debatten over lichaam en geest.
In de tweede helft van de achttiende eeuw verschoof het zwaartepunt van het medische onderwijs in Europa geleidelijk van Leiden naar Edinburgh. De medische school van Edinburgh speelde binnen de Schotse Verlichting een leidende rol, terwijl de invloed van Leiden afnam na de generatie van Boerhaave en zijn directe leerlingen.
Tegelijkertijd bleven Boerhaaves onderwijsprincipes ook op langere termijn doorwerken. Zij oefenden een duidelijke invloed uit op de opkomst van de medische school van Parijs in de eerste helft van de negentiende eeuw, waar klinische observatie en onderwijs aan het ziekbed opnieuw centraal kwamen te staan.
Manuscripten van Boerhaave
De verspreiding en overlevering van de manuscripten van Herman Boerhaave houden nauw verband met het internationale netwerk van artsen, geleerden en bestuurders dat rond zijn persoon en onderwijs ontstond. Tot degenen die direct of indirect bij deze overdracht betrokken waren, behoren onder anderen Abraham Kaau Boerhaave (ook bekend als Burgav-Kaau), Laurens Blumentrost, Ivan Danilovich Schumacher.
Gerard van Swieten, een directe leerling van Boerhaave, speelde een sleutelrol bij de systematische verspreiding van diens medische leer via publicaties en onderwijs, met name in Midden-Europa. Frederik Ruysch vertegenwoordigde daarentegen de anatomische en materiële traditie van de Nederlandse geneeskunde; zijn preparaten, verworven door Peter de Grote, vormden een belangrijk onderdeel van de Kunstkamera in Sint-Petersburg.
Zowel Laurens Blumentrost als Ivan Danilovich Schumacher speelden een belangrijke rol in de oprichtingsfase van de Sint-Petersburgse Academie van Wetenschappen. Blumentrost fungeerde als eerste president en hofarts van Peter de Grote, terwijl Schumacher als administrateur en secretaris langdurige invloed uitoefende op de organisatie en het functioneren van de Academie.
Daarnaast speelden ook andere, vaak minder bekende figuren een rol bij het verzamelen, kopiëren en bewaren van Boerhaaves colleges en aantekeningen, waaronder Johann Georg Gmelin, Johann Schreiber, Josiah Weitbrecht, Johann Christoph Rieger, Johann Hermann von Lestocq en António Nunes Ribeiro Sanches. Via deze netwerken vonden Boerhaaves manuscripten hun weg naar uiteenlopende Europese centra, waaronder ook Rusland.
De betrokkenheid van bestuurders en militaire elites, zoals Mikhail Illarionovich Vorontsov, onderstreept dat de belangstelling voor Boerhaaves werk zich niet beperkte tot academische kringen, maar ook aansloot bij bredere hervormings- en moderniseringsprojecten in de achttiende eeuw.
Russische militaire medische Academie
In 1937 werden zijn manuscripten, die hij aan zijn pleegzoon had vermaakt, ontdekt in de bibliotheek van de Russische militaire medische Academie, de zogenaamde Fundamentele bibliotheek.6
In de twintigste eeuw kreeg het onderzoek naar Boerhaaves nagelaten manuscripten een nieuwe impuls, nadat een omvangrijk deel ervan werd geïdentificeerd in de bibliotheek van de Russische Militaire Medische Academie in Sint-Petersburg. Deze vondst vormde het uitgangspunt voor verder onderzoek door Russische medisch-historici, onder wie Vladimir O. Samoilov en Anatoly A. Budko. Hun werk droeg bij aan een herwaardering van Boerhaaves internationale netwerk en de verspreiding van zijn onderwijs in Rusland en daarbuiten.
Deze vier hebben een lemma op de Russische Wikipedia:
- Samoilov, Vladimir Olegovich
- Budko, Anatoly Andreevich
- Belevitin, Alexander Borisovich
- Nikitin, Alexey Alekseevich
- https://www.dbnl.org/tekst/rome002erfl01_01/rome002erfl01_01_0021.php ↩
- <ref>Luuc Kooijmans, De Geest van Boerhaave. Onderzoek in een kil klimaat, 2015, p. 30.</ref> ↩
- <ref>Kooijmans 2015, p. 32.</ref> ↩
- <ref>Kooijmans 2015, p. 9.</ref> ↩
- <ref>Luuc Kooijmans, De Geest van Boerhaave. Onderzoek in een kil klimaat, 2015, p. 171.</ref> ↩
- Luuc Kooijmans (2015) De Geest van Boerhaave, onderzoek in een kil klimaat, p. 7, 267 ↩
![]()