Samuel Iperusz. Wiselius, de revolutionair

Samuel Iperuszoon Wiselius in 1815 door H. Caspari
Wiselius in 1815 door H. Caspari

Samuel Iperusz. Wiselius werd geboren in 1769 en was de enige zoon van de Iperus Wiselius. Zijn vader was een koopman in traan en olie op de N.Z. Kolk, die in de woelige dagen van mei 1787 als kolonel in de schutterij werd benoemd en lid van de Vaderlandsche Societeit.1 Wiselius studeerde rechten en klassieke talen in Franeker bij de vooruitstrevende Johan Valckenaer en Theodoor van Kooten. Waarschijnlijk vertrok Wiselius eind mei 1787 vanwege het verbod van de Friese Staten voor studenten en hooglera­ren om deel te nemen aan vrijcorpsen en exercitiegenootschappen. Wiselius vertrok zonder zijn werkstuk, dat hij ter beoordeling bij zijn professoren had ingeleverd, naar Utrecht, destijds het “democratisch Eldorado”. In 1788 schreef hij een Ontwerp van bestuur voor de Republiek, nadat de omwenteling door Franse
wapenen sou zijn bewerkt, ontworpen te Brussel en stuurde een Request en memorie der regenten, andere magistraatspersonen, officieren der gewapende burgermacht en meer aanzienlijke burgers van de provincie en de stad Utrecht, aangeboden aan de Koning van Frankrijk.

In 1788 was Wiselius de oprichter van de broeder­schap L’Infanterie des Cinq Sabres te Leiden, waarin ook C.F. van Maanen, later minister van justitie en zijn broer, later lijfarts van Lodewijk Napoleon, zitting hadden.2 Hij promo­veerde in 1790 en werd drie dagen later als advocaat aan het Hof van Holland benoemd. Wiselius trouwde in 1791 met de doopsgezinde Suzanne Le Poole, eveneens uit Leiden. Het echtpaar liet zich overschrij­ven naar Amster­dam en betrok een huis op de Prinsen­gracht, tegenover de Noorderkerk. De tien uit het huwelijk voortkomende kinderen werd ingeschreven bij de Doopsgezinde kerk op ’t Singel. Toen hij zijn vader, na diens overlijden, opvolgde in de zaak, nam Wiselius in 1793 afscheid van de advocatuur.

In 1789, 1791 en in 1793 trok Wiselius volle zalen met een drietal lezingen voor het genootschap Doctrina et Amicitia in de Kalverstraat.3 Toen de Franse troepen in november 1794 tot de grote rivieren waren genaderd, was het Wiselius die de stadsregering te kennen gaf dat het tijd werd om te gaan.4 Wiselius maakte in januari 1795 deel uit van het Committé Revolutionair dat het stadhuis bezette. Wiselius was voorzitter van de Provisionele Representanten bij de Staten van Holland en een jaar lid van de municipaliteit.5 Wiselius verdween begin 1796 niet alleen uit het provinciaal bestuur, hij werd ook niet gekozen in de Eerste Nationale Vergadering die op 1 maart van dat jaar werd geïnstalleerd. In dat jaar werd Wiselius daarentegen benoemd als lid van het ‘Committé tot den Oost-Indischen Handel en Bezittin­gen’. “De archieven van het Committé wemelen van voorstellen en rapporten in zijn pedant nette hand­schrift…” 6 De VOC was failliet, haar werkwijze werd verafschuwd. De Compagnie werd genationaliseerd; de overtollige werknemers werden ontslagen en de zogenaamde buitenkamers in Delft, Enkhuizen en Hoorn opgeheven.

Nieuwezijds Kolk met zicht op Korenmetershuisje. Schilderij van Willem Steelink jr; tussen 1880 en 1884.

In 1797 was Wiselius een van de oprichters van het genootschap ‘Voor eenheid en ondeelbaarheid’. Dat adagium betrof niet alleen de provincies, maar ook de koloniën en buitenlandse bezittingen, zoals Kaap de Goede Hoop.7 Wiselius reisde naar Middelburg om het gewest Zeeland over te streep te trekken. Aan de Unitarische staatsgreep van 22 januari 1798 nam hij niet actief deel. Hij distantieerde zich daarna ook van het radicale Uitvoerend Bewind, en verzoeken om functies te bekleden, zoals die van Agent van Marine, weigerde hij beslist. Hij steunde het Uitvoerend bewind in haar strijd tegen het federalisme?8  In de Staatsregeling van 1798 werden zijn voorstellen verwerkt. Wiselius en Frederik von Liebeherr reisden in 1798 naar Parijs om over de door de Fransen gekaapte retourvloot uit Indië te onderhande­len? In beslag genomen in een Deense haven? De Franse regering zou worden omgekocht. Frankrijk gaf te weten hun status niet te erkennen en het gefrustreerde gezelschap keerde onverrichte zake terug.

In 1801 zette Wiselius de voormalige bewindhebber G. Titsingh, met een halve eeuw ervaring in de VOC, in een pamflet voor schut. In 1804 werd Wiselius niet opnieuw benoemd de Raad van Aziatische Bezitingen en Etablissementen, inmiddels verplaatst naar Den Haag. Wiselius beschuldigde zijn voormalige collega’s van wanbeheer;9 het Staatsbewind beschuldigde Wiselius van fraude.10

In 1804 schreef Mietje Hulshoff die zich inzette voor opbouw van de democratie een brief aan Samuel Wiselius, waarin ze hem voorstelde een pamflet te schrijven dat zij zou ondertekenen. Zo zou Wiselius buiten schot kunnen blijven. Of Wiselius het aanbod aannam, is niet duidelijk.11 Er is gesugge­reerd dat niet Hulshoff maar Wiselius de Oproeping aan het Bataafse volk schreef.12 Tegenwoordig wordt dat bestreden.13

De benoeming van Lodewijk Bonaparte als koning leidde in 1806 tot heftige protesten. Ook Wiselius weigerde zijn diensten aan de heer Bonaparte aan te bieden. Wiselius woonde destijds op zijn buiten­plaats Weltevreden aan de Vecht (Breukelen?). Hij had zich toegelegd op zijn hobby: geschiedenis van de oudheid en dichten. In 1807 trad Wiselius trad toe tot het joods emancipatorische genoot­schap ‘Tot nut en beschaving’. Ook Willem Bilderdijk en Jan Kinker waren lid. Wiselius bestreed de dichter Jan Frederik Helmers in zijn geschiedsopvatting.

Van 1798 tot 1800 was Wiselius Commissa­ris van de Amster­dam­se Schouwburg. Die benoeming had hij aan zijn oude vriend, Van Kooten, in Europa de eerste minister van onderwijs, te danken. Wiselius schreef diverse toneel­stukken, nadat hij in 1809 het toneelstuk ‘Hector’ uit het Frans had vertaald. Voor dat laatste werk waren enige passages door Napoleon zelf aangedra­gen. Wiselius – geen romanticus – had een hekel aan Shakespeare en Kotzebue, daarentegen een voorkeur voor het Frans-classisime. Op aanraden van anderen begon hij zelf toneelstukken te schrijven: Polydorus (1813) dat aan koning Willem I werd opgedra­gen; Adel en Mathilde (1817); Alcestis (1817); Ion (1818); De dood van Karel, kroonprins van Spanje (1819) en Aernoud van Egmond, hertog van Gelre (1820). In 1820 was hij oprichter van het Genoot­schap voor Uiterlijke Welsprekendheid, een voorloper van de toneelschool.

In 1813 verloor Wiselius zijn vrouw. Inmiddels was hij verhuisd  van een pand aan het Singel (bij de Lijnbaansteeg) naar het ouderlijk huis aan de Nieuwezijds Kolk met vijf zonen en vijf dochters. De oudste was 22, het jongste tien maanden. Wiselius weigerde destijds een post in Nederlands-Indië in verband met zijn gezin en zijn oude moeder. In 1814 werd Wiselius voorgedragen als directeur van de Politie op aanraden van de hoogleraar Johan Melchior Kemper. In hoge kringen ontstond protest tegen zijn benoeming. Het aanvaarden van die functie werd hem afgeraden.14 Wiselius bemoeide niettemin zich met de hervorming van de schutterij, een slepende kwestie.

In 1815 werd Wiselius door koning Willem I geridderd en benoemd als secretaris en opvolger van Willem Bilderdijk bij het Koninklijk Nederlands Instituut, de voorloper van de KNAW op de Kloveniersburgwal. In 1821 hebben Wiselius en vrienden de tekst van het oudste charter van Amsterdam, daterend uit 1275, gepubli­ceerd.

Gustav IV Adolph van Zweden, bron: Wikipedia

 In 1824 kreeg Wiselius kreeg bezoek van de in 1809 afgezette Zweedse koning Gustaaf IV Adolf, bekend vanwege zijn anti-Franse politiek en evenals zijn gastheer een voorstander van het Réveil. De ontmoeting vond plaats in zijn huis op de Nieuwe Herengracht, dat Wiselius inmiddels betrokken had. Vanaf 1825 was Wiselius betrokken bij de nieuwe bestemming van het Muiderslot als museum.15 Op veler aandrang publiceerde Wiselius zijn vroegere lezingen en een verbeterde versie van zijn proef­schrift: De staatkundige verlichting der Nederlanden in een wijsgeerig historisch tafereel geschetst. In 1828 stelde Wiselius voor de straatverlichting te verbeteren, want er liepen bij mist vaak mensen in de gracht. Rond 1800 kwam 0,9 procent van de Amsterdamse bevolking per jaar aan zijn einde door verdrin­king.16

Een dreigende scheuring in de Hervormde kerk onder leiding van Isaac da Costa en een opstand in België werden door de politie nauwlettend gevolgd. Wekelijks publiceerde Wiselius een rapport aan C.F. van Maanen, die tussen 1815 en 1842 vrijwel onafgebroken minister van Justitie was. De politie opereerde vanuit het voormalige Spinhuis op de Oudezijds Achterburgwal. In 1835 raakte Wiselius betrokken bij belastingoproeren op de Herenmarkt en in de Jordaan. Wiselius, die was ingedut, verscheen niet zelf op het toneel, maar stuurde een commissaris. Er kwam felle kritiek op het functioneren van de burgemeester en het hoofd van de politie.17 Zijn oude vriend Van Maanen, een tegenstander van de invoering van ministeriële verantwoordelijkheid, beschermde hem. Wiselius nam zijn ontslag in 1840. Zijn functie als secretaris van de letterkundige afdeling van het KNI hield hij nog enkele jaren aan. De oudste dochter en de jongste zoon woonden bij hem in. Wiselius stierf in 1845, niet meer in staat om te schrijven. Zijn schoonzoon, P. van Limburg Brouwer, publiceer­de een biografie na zijn dood. Thorbecke liet zich in zijn Historische Schetsen tamelijk negatief uit over deze auteur en zijn bloemrijk taalgebruik.

Wiselius had zich vanaf zijn studentenjaren bezig gehouden met een theoretische fundering van de staatsinrichting. De “moderne” constitutionele eenheidsstaat zou zelfs toegeschreven kunnen worden aan Wiselius.18 Uit de omvangrijke literatuur blijkt dat Wiselius met vrijwel alle kopstukken uit de tijd van de Bataafse Republiek correspondeerde.19 Aanvankelijk was Wiselius een republikein: de aristocratische regeringsvorm, de erfelijkheid van functies en monopolistische praktijken moesten worden bestreden. In 1798 behoorde Wiselius tot de Unitariërs en keerde zich tegen de Federalisten. In 1813 deed Wiselius zijn denkbeelden van eertijds als jeugdzonden af.20 Wiselius werd in 1823 omschreven als een man met ‘een goed hart, is een warm digter, maar blijft een geëxalteerd hoofd’. Hij had een niet te stuiten werklust en produceerde een stroom van brieven, pamfletten, toneelstukken en gedichten. In zijn poësiealbum komen beroemde namen voor. Zonder zijn zorgvuldig bewaarde correspondentie zou onderzoek naar de Bataafse Tijd onvolledig en minder kleurrijk zijn. Ten onrechte is hij door Simon Schama bestempeld als een randfiguur. Zijn uiterst waardevolle correspondentie werd overgedra­gen aan het Rijksarchief. Zijn bibliotheek werd verkocht door Frederik Müller.

  • Proeve over de verschillende regeringsvormen, in derzelver betrekking tot het maatschappelijk geluk / door S.I.Z. Wiselius (1831)
  • De staatkundige verlichting der Nederlanden, in een wijsgeerig-historisch tafereel geschetst : een geschrift van den jare 1793. Wiselius, Samuel Iperuszoon / 2e dr / Brest van Kempen / 1828
  • Geschiedenis van Oud-Griekenland / J. Del. de Sales ; in het Nederduitsch vert. en met aanm. en bijvoegzelen verm. door Samuel Iperuszoon Wiselius ; 1808–1817
  • Berijmde vertaling van het XIVde hoofdstuk van den propheet Jesaia. Wiselius, S.Iz. / Hendrik Gartman / 1813
  • Wederlegging van het Nader request en de zogenaamde Memorie adstructief van Mr. H. C. Cras, W. Willink en D. M. van Gelder de Neufville, aan het staats-bewind der Bataafsche Republiek, ingediend van wegen eenige participanten in de gewezen Oost-Indische Compagnie. Wiselius, Samuel Iperuszoon / Willem Holtrop / 1803
  • Beroep van mr. S.Iz. Wiselius, lid van den Raad der Asiatische Bezittingen en Etablissementen, op het Bataafsche volk, ter zake van den inhoud eens briefs door het wetgeevend ligchaam van het Bataafsch gemeenebest aan het staats-bewind der Bataafsche Republiek, gezonden ten geleide van de toestemming in de begroting der staats-behoeften over den jaare 1804.Wiselius, S.Iz. / W. Holtrop / 1804
  • Berijmde vertaling van den lierzang van Habakuk, zijnde het 3de hoofdstuk diens propheets. Wiselius, S.Iz. / H. Gartman / 1815

Sources

  • This article is based entirely or partially on its equivalent on Dutch Wikipedia.
  1. Samuel Iperusz Wiselius at DBNL.org accessed 28 September 2007
  2. Hooft, H. (1998) Patriot and Patrician: To Holland and Ceylon in the Steps of Henrik Hooft and Pieter Ondaatje, champions of the Dutch democracy, p. 187.
  3. Limburg Brouwer, P. van (1846) Het leven van Mr S.I. Wiselius, p. 24-5.
  4. Kluit, M.E. (1953) Cornelis Felix van Maanen tot het herstel der onafhankelijkheid.
  5. Wit, C.H.E. de (1965) De strijd tussen aristocratie en democratie in Nederland 1780-1848, p. 83-93.
  6. Dutch Culture in a European Perspective by Willem Frijhoff, Marijke Spies, Published 2004 Uitgeverij Van Gorcum ISBN 90-232-3964-4 accessed 28 September 2007
  7. Dunk, H.W. von der (1995) Het gebouw van de Vaderlandsche Sociëteit. In: Maandblad Amstelodamum, Jrg 82, p. 65-75.
  8. Vles, E.J. (2004) Pieter Paulus (1753 – 1796) Patriot en Staatsman, p. 92.
  9. Vles, E.J. (2004) Pieter Paulus (1753 – 1796) Patriot en Staatsman, p. 112.
  10. Hooft, H. (1998) Patriot and Patrician: To Holland and Ceylon in the Steps of Henrik Hooft and Pieter Ondaatje, champions of the Dutch democracy, p. 193.
  11. Habermehl, N.D.B. (1987) Guillelmus Titsingh, een invloedrijk Amsterdams koopman uit de tweede helft van de achttiende eeuw (1733–1805). In: Jrb 97 Amsteldodamum, p. 81-124.
  12. Schutte, G.J. (1974) De Nederlandse Patriotten en de koloniën: Een onderzoek naar hun denkbeelden en optreden, 1770-1800 (The Dutch Patriots and the colonies. An inquiry into the ideas and practices of the Dutch Enlightenment with regard to the colonies, 1770-1800. With a summary in English. pp. 121-2); Schama, S. (1987) Patriots and Liberators. Revolution in the Netherlands 1780 – 1830, p. 216; G.D. Homan, Nederland in de Napoleontische Tijd 1795-1815, p. 38.
  13. Dunk, H.W. von der (1995) De redding van het Muiderslot. De plannen voor de bestemming van een middeleeus kasteel tot Nederlands-Historisch Museum tijdens koning Willem I. In: Maandblad Amstelodamum, Jrg 82, p. 138-168.
  14. Joor, J. (2000) De Adelaar en het Lam. Onrust, opruiing en onwilligheid in Nederland ten tijde van het Koninkrijk Holland en de Inlijving bij het Franse Keizerrijk (1806–1813), p. 487-489.
  15. Wijnman, H.F. (1974) Historische Gids van Amsterdam, p. 224; Limburg Brouwer, P. van (1846) Het leven van Mr S.I. Wiselius, p. 260.
  16. Stunt, T.C.F. (2000) From Awakening to Secession; radical evangelicals in Switzerland and Britain 1815-35). Edinburgh, Scotland, (UK): T&T Clark – ISBN 0-567-08719-0
  17. Kannegieter, Z.J. (1935) Het belastingoproer te Amsterdam in 1835. In: Amstelodamum XXXII, p. 287.
  18. Kempen, A.F.J. van (1985) IJ-vorst en IJverzucht. Ambities en rivaliteit in stadsbestuur en gouvernement rondom het belastingoproer van 1835. In: Amstelodamum, p. 136-69.
  19. Schama, S. (1977) Patriots and Liberators. Revolution in the Netherlands 1780 – 1830, p. 170.
  20. Schama, S. (1977) p. 229, 231, 237, 244, 256, 273, 463, 487, 499.

External links

  1. Wiselius kwam uit een geslacht van predikanten in Zaltbommel, maar een van zijn voorvaders was als commandant van een groep Zeeuwse soldaten in dienst van de VOC. ↩
  2. M.E. Kluit, p. 8-9 ↩
  3. C.H.E. de Wit, p. 83-93; J. Kloek en W. Mijnhardt, p. 67; L.J. Rogier, p. 250 ↩
  4. H.W. von der Dunk, p. 73 ↩
  5. C.H.E. de Wit, p. 122-138 ↩
  6. G.J. Schutte, p. 121-2 ↩
  7. W.M. Zappeij, p. 29 ↩
  8. C.H.E. de Wit, p. 394-6 en p. 404-6 ↩
  9. G.D. Homan, p. 38 ↩
  10. Johan Joor ↩
  11. Heldin of hysterica? Het veelbewogen leven van Mietje Hulshoff door Monica Soeting ↩
  12. C.H.E. de Wit, p. 277-9; G.J. Schutte, p. 191 ↩
  13. J. Joor, p. 484-9 ↩
  14. C.H.E. de Wit, p. 352-5 ↩
  15. H.W. von der Dunk, p. 142 ↩
  16. H. Diederiks, p. 44 ↩
  17. J.Z. Kannegieter; A.F.J. van Kempen ↩
  18. J. Joor, p. 690 ↩
  19. C.H.E. de Wit, H.T. Colenbrander; L. de Gou; S. Schama en G.J. Schutte ↩
  20. C.H.E. de Wit, p. 332 ↩

Loading