Rembrandt van Rijn, de aankoop van een pand en de boedelafstand

File:Rembrandt Self-Portrait (Royal Collection).jpg
Rembrandt Harmenszoon van Rijn (Leiden, 15 juli 1606[1] of 1607 – Amsterdam, 4 oktober 1669) was een Nederlands kunstschilder. Hij wordt beschouwd als een van de belangrijkste Hollandse meesters van de 17e eeuw. Rembrandt vervaardigde in totaal ongeveer driehonderd schilderijen, driehonderd etsen en tweeduizend tekeningen, met als bekendste werk De Nachtwacht (1642). Zijn werk behoort tot de Barok en hij is zichtbaar beïnvloed door het Caravaggisme, alhoewel hij nooit in Italië is geweest. Zijn opmerkelijke beheersing van het spel met licht en donker, waarbij hij vaak scherpe contrasten (clair-obscur) neerzette om zo de toeschouwer de voorstelling binnen te voeren, leidde tot levendige scènes vol dramatiek.
 
Rembrandt beschouwde zichzelf vooral als een historie- en portretschilder. Hij was een zelfverzekerde man die in alle levensfasen door iedereen bewonderde zelfportretten maakte.1 Zijn honderd geschilderde en twintig geëtste zelfportretten geven een opmerkelijk scherp beeld van zijn uiterlijk en zijn gevoelens. Behalve zijn vrouw Saskia van Uylenburgh, en zijn zoon Titus van Rijn zijn ook zijn huishoudsters, vriendinnen Geertje Dircx en Hendrickje Stoffels nadrukkelijk in zijn schilderijen aanwezig; zij hebben gefungeerd als model voor bijbelse, mythologische of historische figuren.
 
Rembrandt is zelden gevraagd om als getuige, taxateur of peet op te treden en gold mogelijk als onbetrouwbaar.[15] Dat Rembrandt  als armlastig is begraven is een fabeltje. Dat hij geen eigenlijke armoede heeft geleden in dat laatste levensjaar, blijkt uit de staat van zijn nalatenschap, die voor Cornelia en Tia het dochtertje van Titus elk nog een  erfdeel bracht.[Rembrandt’s verwarde zaken door Jan Veth. In: De Gids 1906

Inhoud

  • 1 Levensloop
    • 1.1 Sint Antoniesbreestraat
    • 1.2 Kwijtschelding en leningen (1653)
    • 1.3 Boedelafstand
    • 1.4 Rozengracht

Levensloop

Rembrandt van Rijn werd op 15 juli 1606 in Leiden geboren in de Weddesteeg (nr 9 of 11), als negende kind van de molenaar, Harmen Gerritsz en een welgestelde (katholieke) bakkersdochter Neeltje van Zuytbrouck. Zijn vader was molenaar van de nu verdwenen standerdmolen De Rijn. Rembrandt bezocht de Latijnse school en werd op bijna 14-jarige leeftijd door zijn ouders ingeschreven aan de universiteit van Leiden. Waarschijnlijk bleef het daarbij omdat Rembrandt te kennen gaf dat hij liever schilder wilde worden. Al sinds 1619 was hij in de leer bij de Leidse historieschilder Jacob van Swanenburgh. Dat hield hij tot 1622 vol. In 1625 vertrok hij naar Amsterdam om in de leer te gaan bij de toen toonaangevende historieschilder Pieter Lastman, van wie hij composities leerde op te bouwen. Uit dat jaar dateert ook zijn oudst bekende schilderij. Vervolgens opende Rembrandt een atelier in Leiden, waar hij veel samenwerkte met zijn vriend, studiegenoot en collega Jan Lievens. Een van de eerste Amsterdamse kopers van zijn werk was Joan Huydecoper van Maarsseveen (1628).2
 
Neeltgen Willemsdr. van Zuytbrouck (1569-1640), moeder van Rembrandt van Rijn

In 1631 was Rembrandt al zo bekend – Constantijn Huygens, secretaris van de stadhouder en kunstkenner was uitermate lovend over de trefzekerheid en levendigheid van de baardeloze jongeman[5] – dat hij verschillende opdrachten kreeg, onder meer van Nicolaes Tulp. Hij verhuisde naar Amsterdam en kocht zich mogelijk in bij de kunsthandelaar Hendrick van Uylenburgh, die een tekenacademie was gestart en hem nog meer opdrachten bezorgde onder zijn doopsgezinde clientèle. Rembrandt produceerde in een viertal jaren een nooit meer geëvenaard aantal portretten.

In juli 1634 trouwde Rembrandt met Hendrick’s nicht Saskia van Uylenburgh. Het huwelijk werd in ‘t Bildt voltrokken, zonder de aanwezigheid van Rembrandts familie.[7] Ze kwam uit een aanzienlijke familie zoals door stadsarchivaris Wopke Eekhoff werd ontdekt.3 Haar vader Rombertus van Uylenburgh was ooit burgemeester van Leeuwarden; haar zwager was de Poolse theoloog Johannes Maccovius;  haar zus Aeltje, die in Sint Annaparochie woonde bij haar oudere zus Titia was met de plaatselijke grietenijsecretaris  getrouwd. Haar nicht Hendrickje was getrouwd met de Friese schilder Wybrand de Geest; haar nicht Aeltje was getrouwd met Johannes Silvius, toentertijd predikant van de Oude kerk en getuige bij hun huwelijk. 

Het echtpaar trok in een voornaam huis aan de Nieuwe Doelenstraat 16-18 (1635) naast Willem Boreel. Op 7 oktober 1637 was Rembrandt op een veiling in opdracht van Jan Jansz. den Uyl – naar het zich laat aanzien om de prijs van een bepaald schilderij op te drijven.[Rembrandt koopt een Rubens] Zeker is dat Rembrandt de volgende dag een schilderij kocht voor f 424 van Rubens, dat eerder van Jan Jansz. den Uyl was. In 1638 kocht hij 32 tekeningen, o.a. van Dürer, Raphael, Goltzius en Lucas van Leyden uit de nalatenschap van Gommer Spranger. Hoewel het hen financieel voor de wind ging – Rembrandt erfde 2.490 gulden van zijn moeder en verkocht schilderijen aan de stadhouder – kreeg niet Saskia maar Jeltje commentaar van haar familie en voormalig voogd dat ze haar geld er doorheen joeg?4 Tot mei 1637 tot mei 1639 woonde hij op Zwanenburgstraat/Vlooienburg aan de Amstel in een pand genaamd De Suijkerbackerij (met een keuken en een loods en een overtimmerde vrije uitgang naar de Lange Houtstraat). De eigenaar Emanuel van Baserode stierf begin 1637 en blijkbaar huurde Rembrandt  het totdat er een koper was gevonden.5 

Sint Antoniesbreestraat

In mei 1639 verhuisden Rembrandt en Saskia naar de Sint Antoniesbreestraat: een straat met veel kunstenaars en chique winkels vanaf de Nieuwmarkt tot aan de sluis. Het dubbelpand net over de sluis had hij in januari gekocht en beloofde binnen een jaar een kwart van de koopprijs (3.250 gulden) te voldoen; de rest binnen vijf à zes jaar.6[Notariële akte 1639] Maar dat was voor de notaris en niet voor de schepenen. Naar borgen is zelfs niet gevraagd: de verkopers hielden Rembrandt blijkbaar voor een vermogend man. Dat de partijen binnen afzienbare tijd naar het stadhuis zijn gegaan om de verkoop te laten registreren is niet erg waarschijnlijk. In 1646 had Rembrandt in totaal slechts 6.000 gulden afgelost. Er stond toen nog 7.000 gulden open, waarover hij 5% rente moest betalen.[Rembrandt betaalt zijn rekening niet
 
File:Rembrandt - Winter Landscape - WGA19231.jpg
In 1646 schilderde Rembrandt tijdens een strenge winter zijn enige winterlandschap. Museumslandschaft Hessen Kassel
Rembrandt en zijn vrouw kampten met verschillende tegenslagen; driemaal moest vlak na de geboorte een kind worden begraven maar in september 1641 kregen ze een zoon die ze Tietus noemden, naar Saskia’s zuster Tietie of Tietsje. Voor Hollanders is dat een vreemde naam, dus dat werd Titia of Tia. Toen Saskia (of Saakje) op 14 juni stierf – ze had Rembrandt op 5 juni laten beloven dat hij nooit opnieuw zou trouwen – nam hij de weduwe Geertje Dircx uit Ransdorp als droge min (verzorgster) in dienst. Van het een kwam het ander en het stel ging met ruzie en juridische processen uit elkaar nadat Hendrickje Stoffels haar intrede deed in de huishouding; Geertje daagde Rembrandt voor de Huwelijkskrakeelkamer, waar onder andere Jacob F. Hinlopen hun zaak behandelde. Met behulp van haar broer en haar nieuwe buren kreeg Rembrandt het voor elkaar om haar een aantal jaren in het spinhuis in Gouda te laten opsluiten. Rembrandt betaalde voor de reiskosten en was verplicht tot alimentatie.[13] Het ging hem blijkbaar niet in de koude kleren zitten, want hij produceerde in 1649 geen (gedateerde) schilderijen enkel etsen.7 Inmiddels was Hendrickje Stoffels zwanger geworden. In juni 1654 kreeg zij een officiële berisping van de Gereformeerde kerk, omdat zij ‘in hoererij‘ leefde met de schilder. Hendrickje werd nog drie keer keer opgeroepen om voor de kerkenraad te verschijnen.[14] Rembrandt werd niet vermaand omdat hij geen officieel lidmaat was (en werd in 1655 niet toegelaten tot het avondmaal). In oktober 1654 kregen ze een dochter die ze Cornelia noemden, naar Rembrandts moeder.
 
Het hoekpand Jodenbreestraat 2 is in 1620  door de schilder Cornelis van der Voort verkocht aan Nicolaes Seys Pauw (1607-1640), een zoon uit het eerste huwelijk van Adriaen Pauw. Omdat de schatrijke Nicolaes nog maar dertien jaar oud was, moet de vader, in het verleden pensionaris van Amsterdam het op die naam gezet.[Friso Lammertse & Jaap van de Veen (2006) Uylenburgh & Zoon, p. 49-50, 55] Deze Nicolaes kreeg in dat jaar nog meer huizen toegeschoven in de Jordaan. In 1625 was hij student Rechten in Leiden en reisde met zijn vrouw  naar Italië rond 1630 waar hij tuinsieraden kocht. Het pand is verhuurd aan Hendrick van Uylenburgh die er twaalf jaar lang een kunsthandel dreef. Vanaf 1638 is de portretschilder Claes Eliasz. Pickenoy mogelijk de eigenaar, want Pauw scheidde in dat jaar en deed afstand van bezittingen. Vanaf 1645 was de Portugese koopman in tabak Daniel Pinto de eigenaar.

Kwijtschelding en leningen (1653)

Alhoewel Rembrandt niet de enige eigenaar was betaalde hij de Verponding over 1650 en 1651. Eerst op 8 januari 1653 is de verkoop van het pand formeel gesloten door een gang naar de schepenen. (N.B. De akte is opgemaakt nadat het oude stadhuis was afgebrand.) Rembrandt Hermansz. bevestigde opnieuw voor 13.000 gulden het huis in de Sint Anthoniesbreestraat van de erfgenamen van Pieter Beltens, d.w.z. Christoffel Thijs te hebben gekocht. Er word in de kwijtschelding niet over de voorwaarden uit 1639 gesproken, maar in de kantlijn wel over een zekere Isaack van (Herts)beecq (en Dirck Dircksz. Grijp, een plaatsnijder afkomstig uit Leiden ) die zich als belangrijkste borgen aandienen. Op 29 januari leende Rembrandt 4.180 gulden van Cornelis Witsen.8  Op 1 februari van dat jaar had hij nog steeds 7.000 gulden af te lossen.9 Rembrandt weigerde het openstaande bedrag te betalen.[S.A.C. Dudok van Heel (1987) dossier Rembrandt, p. 47, 52]
Vervolgens drong Thijsz aan op betaling van de resterende schulden van 8.470 gulden.10 De notaris zegt in het protocol dat hij de rekening heeft aangeboden en dat Rembrandt geantwoord heeft dat hij alleen zal betalen als hij ook de kwijtschelding krijgt. De rekening wordt niet geaccepteerd en Rembrandt
betaalt niet.11
Op 7 maart leende de schilder 1.000 gulden van Jan Six,12 en op 14 maart 4200 gulden van de boter- en reuzelhandelaar Isaac van Hertsbeeck.[Rembrandt: A Life By Charles L. Mee Jr. ][A Corpus of Rembrandt Paintings IV: Self-Portraits edited by Ernst van de Wetering, p. 344]13 Hij leende in totaal 9.000 gulden.
Compareerde voor Schepenen onderges. Rembrant Hermansz, schilder, ende geliede schuldich te wesen Isaac van Hertsbeeck de somme van Vierduijsend ende tweehonderd gülden van geleende penningen, belovende de voors. somme te betaelen over een jaer nae dato deses,hiervooren verbindende alle sijne goederen, ende geloospant. Actum in Amsterdam, den 14 Martii 1653, geteeckent Simon van Hoorn ende Roetert Ernst.
In 1653 moest vanwege wateroverlast bij de sluis  een zijmuur opgekrikt of vervangen worden.1415
Het pand was sinds 12 juni 1608 in het bezit van Pieter Beltens (I) de Oude die het toen overnam van de schilder Hans van de Voort. Zijn zoon Pieter junior en dochter Magdalena trouwden beiden in 1627, resp. met Constantia Coymans, dochter van de Balthasar Coymans, en Antonie Thijsz,  een rijke Vlaming. Het "Rembrandthuis" was in 1639 eigendom van Jan Beltens en zijn halfbroer en -zus Pieter en Magdalena. De weduwnaar Anthonie Thijs was afkomstig uit (een Antwerpse) familie van juweliers en kooplieden Thysius, die in 1610 hun huis hadden verkocht aan Rubens.16 Zij bezat bij haar huwelijk een kapitaal van honderdduizend gulden, maar voor het overgrote deel uitstaand als schulden.[Vijftien strekkende meter: Nieuwe onderzoeksmogelijkheden in het archief van de Bibliotheca Thysiana,  edited by Wim van Anrooij, Paul Hoftijzer, p. 85][Zuid-Nederlandse kooplieden en de opkomst van de Amsterdamse stapelmarkt ... By Oscar Gelderblom] Ter gelegenheid van het dubbelhuwelijk werd het dwarshuis in 1627/28 vergroot en ingrijpend verbouwd. De vleugel aan de straat werd met een verdieping verhoogd. Tegelijkertijd werd de voorgevel gemoderniseerd in de stijl van het Hollands classicisme. De verbouwing van 1627/28 wordt toegeschreven aan Jacob van Campen die een paar jaar eerder ook al de gevel van het huis van Balthasar Coymans aan de Keizersgracht, Keizersgracht 177, had ontworpen." Zijn dochter Constancia Coymans, woonachtig in Maarssen, was sinds 30 januari 1640 weduwe van Pieter Belt(g)ens.17 Zij is in 1641 hertrouwd met Justus Boor van Amerongen, schout in Wijk bij Duurstede en deed de administratie blijkbaar over aan haar zuster Elisabeth Coymans in Amsterdam.
Magdalena Beltens (1610-1659) woonde september 1640 nog in Amsterdam, toen ze fruit van haar hofstede in Maarssen liet halen. Zij was waarschijnlijk manisch-depressief. Christoffel Thijs en Magdalena zijn in 1649 gescheiden van tafel en bed. Zij verhuisde naar Maarssen en trok in bij dominee Kamerbeek die zich over haar ontfermde of was het andersom, trok hij bij haar in? Magdalena verhuisde uiteindelijk naar Noordwijk en woonde op het landgoed Offem.[Vijftien strekkende meter: Nieuwe onderzoeksmogelijkheden in het archief van de Bibliotheca Thysiana,  edited by Wim van Anrooij, Paul Hoftijzer, p. 85-86]  Christoffel Thijsz (1603-1680) was sinds 1638 eigenaar van het landgoed Saxenburg. In 1651 maakte Rembrandt een prent als cadeau voor zijn schuldeiser.[Panorama bij Bloemendaal met het landgoed Saxenburg, Rembrandt van Rijn, 1651] In 1654 deed Chr. Thijsz zijn lening aan Rembrandt van 1.168  opgelopen tot 1.273 gulden  over aan een tienjarig neefje, Nanning Cloeck. In augustus 1660 hertrouwde Christoffel Thijsz, woonachtig op 't Singel.
Rembrandt concentreerde zich op het maken van prenten. Op verzoek van zijn overbuurman Menassah ben Israel maakte hij vier boekillustraties.18 Met regelmaat kocht hij exotische voorwerpen zoals bijzondere kledingstukken, die hij vaak in zijn schilderijen gebruikte. Al jaren stroopte Rembrandt veilingen af om kunst te kopen, soms dure prenten van de door hem bewonderde  Lucas van Leyden. Rembrandt leefde op grote voet maar in 1652/1653 raakte hij in betalingsmoeilijkheden. Hij is gedagvaard om de overdrachtsbelasting op de koopakte van zijn huis te betalen, geld dat door de Christoffel Thijsz was voorgeschoten.13 Pas daarna zou hij zich eigenaar kunnen noemen. Op 4 februari 1653 weigerde Rembrandt de door Thijsz opgestuurde rekening groot 8.470 gulden te betalen, en vroeg uitstel. Hij veranderde van mening in december 1654.[380 Whitewashing Rembrandt, part 2 by G. Schwartz (2020)] en betaalde toen de eigenaren, d.w.z. Christoffel Thijsz de rest van de koopsom? 
Het is nimmer vastgesteld waarop dit bedrag van 1168 gl. 4 st. betrekking had, maar de volgende reconstructie lijkt mij verdedigbaar. In de rekening van Thijs wordt een rente berekend van 5% over het ontbrekende van de koopsom, 7000 gl. Dit stond in het koopcontract maar het is mogelijk dat Rembrandt daar bezwaar tegen maakte, omdat hij voortdurend scharrelde in schilderijen, in prenten en eventueel in huizen en daarmee verrekening mogelijk was. Nadat hij dus voldoende geld bij elkaar geleend had op of kort na 14 Maart 1653 zal hij afbetaald hebben aan Christoffel, maar zonder de rentepost van 1137 gl. 10 st. Hierover zal nog een tijdje geharreward zijn maar in November zijn de heren het eens geworden: Rembrandt betaalt de rente, maar in verband met de chicanes in Maart wordt nu de rentetermijn met 1 maand verlengd, zodat het bedrag wordt 1167 gl. 24 st. of 30 gl. 14 st. meer. Deze 30 gulden zijn ongeveer 32 dagen rente en dat was wel ongeveer de tijd die verlopen zal zijn tussen 1 Februari en 14 Maart 1653. Precies komt het nooit uit, want de data van de schepenbrief kan wel enige dagen na de geldoverdracht vallen.20
Witsen en Hertsbeek waren, toen de rentebetaling uitbleef, niet zo geduldig als Thijsz. In december 1655 organiseerde Rembrandt zelf een verkoop van zijn schilderijen, die niet genoeg opbracht. Hij kon zijn verplichtingen niet meer nakomen om de drie leningen voor zijn huis af te betalen,[12]  alhoewel hij zijn kelder verhuurde aan de nieuwe buurman van het hoekpand, de tabakkoopman Daniel Pinto. In februari 1656 werd hij van het avondmaal afgehouden.21 (Rembrandt ging blijkbaar wel eens naar de kerk.) Op 3 mei 1656 bekostigde hij de arrestatie van Geertje Dircx. In juli 1656  diende Rembrandt een verzoek in bij de Hof van Holland tot boedelafstand (cessio bonorum). In dat jaar heerste er blijkbaar een groot tekort aan pasmunt. De Wisselbank liet bij uitzondering het gebruik van wisselbrieven toe.[https://archive.org/details/cu31924092584204/page/n8/mode/1up Borght, Richard van der] (1896) [[A History of Banking in All the Leading Nations]]

Boedelafstand

Rembrandt had zijn huis aan de schuldeisers in onderpand gegeven die wegens wanbetaling de executie ervan konden afdwingen en daar zat vooral Van Hertsbeeck achter.[M. Bosman (2019) Rembrandts plan. De ware geschiedenis van zijn faillissement] Op 17 mei 1656 heeft Rembrandt het hele huis aan de 15-jarige Titus geschonken, maar Rembrandt was m.i. enkel mede eigenaar, tenzij blijkt dat hij ondertussen Chr. Thijsz had afbetaald.[Weeskamer 17 mei 1656]  Titus had recht op de helft van zijn moeders erfenis. (Rembrandt mocht volgens het testament van Saskia in het huis blijven wonen, zonder Titus zijn erfdeel te “bewijzen” en was enkel gehouden aan het doen van het onderhouden van en een gift aan zijn zoon.[Rembrandt’s boedelafstand door jhr. mr. J.F. Backer (1919)]) 

De pest die in 1655 rondwaarde had 7.500 slachtoffers opgeeist. Daarom is het tamelijk begrijpelijk dat velen, ook Rembrandt, Craijers en Titus toen aan voorzorgsmaatregelen dachten. De crediteuren gingen er vanuit dat Rembrandt met de schenking bedrog pleegde en kaarten de zaak aan bij de boedelkamer. Burgemeester Cornelis Jan Witsen wilde zijn geld terug en vroeg (volgens Crenshaw) Rembrandts faillissement aan.[15] Op 14 juli 1656 liet Rembrandt zich failliet verklaren en voor het eind van de maand is een boedelbeschrijving opgemaakt. Deze 363 nummers tellende lijst vormt een belangrijke bron voor inzicht in Rembrandts leven. Tegenover armetierige huisraad stond een rijkdom aan kunstvoorwerpen. Naast schilderijen en een verzameling antieke bustes van keizers en Griekse filosofen, wapens, helmen,  koraal, mutsen, porselein, twee leeuwenhuiden, een paradijsvogel, enz. enz. moet vooral de collectie tekeningen en grafiek worden genoemd.[16] Een belangrijk deel kwam terecht bij de schilder Jan van de Cappelle

Op 9 mei 1657 had Rembrandt een schuld vanwege het betaling van de 200e penning.22 Zou hij vanaf 1 mei als enige eigenaar kunnen worden beschouwd van het dubbelpand omdat hij Thijsz had afbetaald in het voorafgaande jaar? De zaken worden er niet eenvoudiger toen Titus  op 20 oktober zijn halfzuster tot zijn enige erfgenaam benoemde en dat zijn vader: 

sijn leven langh gedurende sal hebben, trecken en genieten de jaerlixe vruchten en incompsten van de goederen en effecten bij hem Testateur naer te laten.[REMBRANDT, NIEUWE BIJDRAGEN TOT ZIJNE LEVENSGESCHIEDENIS DOOR A. BREDIUS en MR. N. DE ROEVER]

De familie Uylenburgh had het nakijken, [12] of liet (volgens Bosman) de zaak op z’n beloop. Bosman veronderstelt dat Rembrandt en Hendrickje van plan waren om hun twee kinderen te beschermen en hun erfenis veilig te stellen.[M. Bosman (2019) Rembrandts plan. De ware geschiedenis van zijn faillissement] In het geval dat een van het viertal weg zou vallen door de heersende pest was dat een tamelijk praktische oplossing.

De veiling van Rembrandts roerende goederen vond plaats op 21 november 1657 (opbrengst 4.964 gulden). Op 22 november liet Titus nog een wijziging vastleggen in zijn testament.

Verbiedende voorts wel expres, dat sijn testateurs vader aen niemant ter werelt gehouden sal wesen te geven eenige openinge, staet ofte inventaris van de goederen bij hem testateur naer te laten, veel min te stellen eenige borge ofte verseeckeringe, als sulcx wel expres verbiedende en hem daeraf ontlastende mits desen.[REMBRANDT, NIEUWE BIJDRAGEN TOT ZIJNE LEVENSGESCHIEDENIS DOOR A. BREDIUS en MR. N. DE ROEVER]

Op 1 februari 1658 is Rembrandts huis (onroerend goed) geveild in de Keysers Kroon, in de Kalverstraet door Jacob J. Hinlopen. Het pand ging drie keer onder de hamer voordat het was verkocht.23[17] De nieuwe eigenaars, twee zwagers, een schoenmaker en een handelaar in goud- en zijdelakens, hadden het pand voor de prijs van 11.218 gulden gekocht. Rembrandt behield twee kachels en de schotjes  die op zolder stonden opgesteld.[Rembrandt’s boedelafstand door jhr. mr. J.F. Backer (1919)] De opbrengst was niet bestemd voor Rembrandt, maar voor degenen die een hypotheek op het huis hadden (de schuldeisers Titus, Witsen, Van Hertsbeeck, maar ook Geertje en Hiskje)? Op 1 februari 1658 eiste Van Hertsbeeck met voorrang zijn geld op, want hij was net als Witsen in het bezit van een schuldbrief. Witsen kreeg op 22 februari 1658 als tweede zijn geld terug.

Rozengracht

Begin maart  betrok Rembrandt een kleinere huurwoning  op de Rozengracht 184; het werd verhuurd voor 225 gulden per jaar.[N. de Roever (1884) Rembrandt’s sterfhuis. In: Oud-Holland, p. 106-110]

In 1622 kocht Jacobus van Leest, een speelkaarten en papierverkoper op de Damrak, een huis en erf op de Rozengracht dat 40 voet breed was en 110 voet lang en liet daar mogelijk een dubbelpand op bouwen. Het had een grote tuin, niet zo verwonderlijk in de Jordaan. De overzichtkaarten van Van Berckenrode uit 1625 en 1647 geven de situatie duidelijk weer. Het grote huis lag rechttegenover het Doolhuis. “Van Leest beëindigde zijn werkzaamheden niet geheel onbemiddeld. Hij bezat een aantal huizen en moet een goede relatie hebben gehad met de schilder Rembrandt van Rijn, die 1658 een huis van hem huurde. Ook plaatste Rembrandt zijn handtekening onder een akte van 1663, waarin de inboedel van Van Leest’s overleden zoon werd beschreven. In 1666 is Jacob van Leest overleden.  Uit de Inventaris van de nalatenschap , waarin opgenomen een “actie van huys ten laste van Rembrant van Rijn, die mede ter netto somme niet can werde uytgetrocken…”. Rembrandt had kennelijk in 1666 een behoorlijke huurschuld.”[http://www.speelkaartenmuseum.nl/antiek/pages/lijst-01a.htm]

De erfgenamen Van Leest verkochten het pand in september 1672 aan dominee Ed. Danckers en heette toentertijd het Rode Molentje. Mogelijk is daar een kleurstof gefabriceerd, ook niet zo verbazingwekkend want op de achterliggende Bloemgracht woonden veel lakenbereiders/ververs. Rembrandt huurde en woonde naast Van Leest. Dat hadden ook Nicolaas de Roever en Kannegieter ontdekt, maar niet naast de schilder Van Beerstraten, die woonde een paar huizen verderop, bij de verdwenen Foelieslagergang.[http://www.amsterdamhistorie.nl/jordaan/kannegieter/hoofdstuk8-2.html] [http://www.amsterdamhistorie.nl/jordaan/kannegieter/hoofdstuk14.html]

Een paar dagen later eiste Hendrickje bij de Boedelkamer een eiken kast op die was achtergebleven.24 Op 4 april 1658 is Louis Craijers (1623-1673) als voogd over Titus aangesteld. Op 17 december 1658 kreeg Van Hertsbeeck toch zijn geld.[A Corpus of Rembrandt Paintings IV: Self-Portraits edited by Ernst van de Wetering, p. 342 ] Op 2 maart 1660 is een kopie opgevraagd van de notariële akte van 5 januari 1639, mogelijk door Craijers?[Staat bovenaan de bladzijde] Op 5 mei 1660 deden de schepenen  uitspraak en werd Titus boven alle andere schuldeisers gesteld.[Hof van Holland, Zeeland en West-Friesland: de hoofdlijnen van het … von Maria Charlotte Le Bailly, p. 91] Van Hertsbeeck werd gedwongen het geld terug te betalen aan Craijers. Op 24 augustus beeindigde Craijers de blokkade op de verkoop van het huis?25 Op 1 december 1660 werd in het journaal van de desolate boedelskamer opgetekend: ‘Cassa aen Rembrandt van Rijn ontfangen van Samuel Geringh ende Lieven Symensz mits de betalers toegestaen dat dese gelden niet sullen gelicht worden als met haer kennis f 6713. De twee zwagers hadden ook de achterstallige verponding over 1654-1657 betaald.20 Rembrandt en zijn familie hebben in Craijers een deskundige juridische adviseur gehad, want Hendrickje en Titus zijn op 15 december 1660 eigenaars van de schilder- en kunsthandel geworden, zodat Rembrandt, die kost en inwoning had, ongeplaagd door crediteuren kon blijven produceren?[Stadsarchief] Op die zelfde dag hadden de twee nieuwe eigenaren van het pand in de Jodenbreestraat ook de aankoop afbetaald. Dat geld, bijna 7.000 gulden, ging niet naar Rembrandt maar naar Crayers, de voogd van Titus.[M. Bosman (2019) Rembrandts plan. De ware geschiedenis van zijn faillissement]

Rembrandt, Portrait of Titus, c. 1660, oil on canvas, 81.5 x 78.5 cm, Baltimore, Museum of Art (The Mary Frick Jacobs Collection)
Volgens de nieuwe voogd en verdediger Louis Craijers kon Van Hertsbeeck niet met voorrang aanspraak maken op de opbrengst bij de verkoop van het huis.  Krachtens Saskia’s testament was Titus voor de helft eigenaar van de boedel, zodat hij bij verkoop recht had op de helft van de opbrengst.[Rembrandt’s boedelafstand door jhr. mr. J.F. Backer (1919)
 

In oktober 1661 ging de banketbakker Paulus van Hertsbeeck failliet.[Montias] Het zou kunnen dat Isaack vanaf dat moment andere belangen had dan Rembrandt of Titus. Het zou de reden kunnen zijn dat Van Hertsbeeck in hoger beroep ging. Hij ernstige twijfels over de hoogte van de taxatie van Rembrandts bezit dat op 40.750 gulden werd geschat, maar mogelijk de helft minder waard was. Van Hertsbeeck verloor twee maal (december 1662 en in januari of juni 1665) en is gedwongen  het geld aan Craijers terug te betalen en moest zelfs de proceskosten dragen.[ Hof van Holland, Zeeland en West-Friesland: de hoofdlijnen van het … von Maria Charlotte Le Bailly, p. 91] Craijers betaalde Titus nadat hij op 19 juni 1665 meerderjarig was verklaard.[M. Bosman (2019) Rembrandts plan. De ware geschiedenis van zijn faillissement] Op 5 november 1665 kreeg Titus bijna 7.000 gulden “cash” in handen. In 1666 verkreeg Titus een zeer uitgebreide algemene volmacht. Hij trouwde 28 februari 1668. Helaas duurde het gelijk niet lang want hij werd op 7 september 1668 begraven, vanaf ‘t Singel (358) niet ver van ‘t Spui; zijn weduwe stierf in oktober 1669, twee weken na haar schoonvader. 

Op 7 augustus 1661 is Hendrickje ziek nochtans gaende en staende’.27 28 Op 28 maart 1663 kreeg Titus toestemming op naam van Rembrandt te handelen. Zij overleed in juli 1663, toen de pest  nog nauwelijks slachtoffers had opgeeist, uitgezonderd op Kattenburg, waar vanaf mei teruggekeerde matrozen en soldaten bleken besmet. [Epidemieën, oversterfte en begraafregisters in Amsterdam (1650-1700)] Hendrickje was de enige die op 24 juli 1663 begraven werd in de Westerkerk; ook op het St. Antonis Kerkhof werd slechts een enkele vrouw begraven. Om van een pestepidemie te spreken is overdreven.

 

Zelfportret van Rembrandt
Rembrandt, 1668–1669, Galleria degli Uffizi, Florence

In Amsterdam waren 1666, 1668, 1669 jaren met bovengemiddelde sterftecijfers, mogelijk het gevolg van ‘gewone’ najaarskoortsen.[A.H.M. Kerkhoff (2020) “Per imperatief plakaat”, p. 224] Rembrandt werkte aan zijn drie laatste zelfportretten en had een huurachterstand opgelopen bij Van Leest.[380 Whitewashing Rembrandt, part 2

De pest zou al in 1668 zijn uitgewoed, maar de zomer van 1669 was droog en warm. Daardoor liep de waterkwaliteit snel achteruit; brak en stinkend water, met als gevolg veel doden volgens Jan Buisman.29 Rembrandt stierf op vrijdag 4 oktober 1669 en zijn schoondochter Magdalena van Loo eistte de volgende dag de sleutel van de kast op. Er zou geen geld zijn geweest, maar wel een zakje met goud.[Rembrandt’s verwarde zaken door Jan Veth. In: De Gids 1906]  Hij werd vier dagen later begraven in een gehuurd graf in de Westerkerk. De nabestaanden werden voor 15 gulden aangeslagen door het Aalmoezeniersweeshuis, in die tijd aanzienlijk bedrag. Het betekent dat Rembrandt in de hoogste categorie viel en als welvarend werd gezien.

  • Op 8 oktober 1669 zijn 47 personen begraven waaronder Rembrandt van Rijn; daaronder waren 18 kinderen. Dat kan het gevolg zijn van een epidemie.

Zijn dochter Cornelia (1654-1684) trouwde in mei 1670 met Cornelis Suythof, een kunstschilder; zij was toen 16 en geen 18 zoals zij voorgaf. Het echtpaar is op 13 oktober 1670 op het schip Tulpenborgh uit het Vlie in zee gestoken en 23 maart 1671 te Batavia aan wal gestapt.30 

In februari 1671 kreeg de voogd van Titia van Rijn 3150 gulden toegewezen na de verkoop van Rembrandts schilderijen?31 Van Bijlert beloofde daarvoor obligaties aan te schaffen.[Die Urkunden über Rembrandt: 1575–1721 By C. Hofstede De Groot, p. 374]  In mei 1686 trouwde Tia van Rijn in de Sloterkerk met de zoon van haar voogd, François van Bijler de jonge, een 18-jarige juwelier. Als enige wettige erfgenaam van Titus lagen bij de Weeskamer 12.000 gulden op haar te wachten; twee obligaties van 1.200 en 800, die op onverklaarbare wijze zijn aangegroeid tot twee van 3.000 gulden, en een ter waarde van 10.000 gulden (?) afkomstig van Jan Six, gedateerd april 1653.[Die Urkunden über Rembrandt: 1575–1721 By C. Hofstede De Groot, p. 375] [M. Bosman (2019) Rembrandts plan. De ware geschiedenis van zijn faillissement, hoofdstuk 18] Tia van Rijn (1669-1725) stierf kinderloos op de Blauwburgwal.32

Bronnen, noten en/of referenties

  1. J. de Jong, Rembrandts geboortejaar een jaar te vroeg gevierd, Nederlands Dagblad, 3 februari 2006. Bronnen rondom Rembrandts geboortejaar, in het bijzonder pleitend voor 1607.
  2. C. Huygens, Mijn Jeugd, p. 100. Vertaling en toelichting C.L. Heesakkers. Amsterdam 1987. Griffioen-reeks.
  3. G. Schwartz, een van de grote autoriteiten houdt het jaar 1606 aan.
  4. Schwarz, G. (1987) Rembrandt, p. 134.
  5. C. Huygens, Mijn Jeugd, p. 85-87.
  6. Langs Rembrandts roem: de reputatie van een meester Door Herman Beliën, Paul Knevel [1]
  7. Rembrandt400 Hartstocht op het Bildt – Rembrandt en Saskia (voormalige website)
  8. Dudok van Heel, S.A.C. (1987) Dossier Rembrandt, p. 33.
  9. Art at auction in 17th century Amsterdam von John Michael Montias, p. 261, 66, 67 & 68 [2]
  10. Rembrandt koopt een Rubens
  11. Broos, B. (1999) Das Leben Rembrandts van Rijn (1606-1669). In: Rembrandt Selbstbildnisse, p. 78.
  12. Broos, B. (1999) Das Leben Rembrandts van Rijn (1606-1669). In: Rembrandt Selbstbildnisse, p. 79.
  13. Driessen, C. (2012) Rembrandts vrouwen, p. 155.
  14. Dudok van Heel, S.A.C. (1987) Dossier Rembrandt, p. 38.
  15. Schwarz, G. (1987) Rembrandt, p. 363.
  16. Vries, A.B. de (1956) Rembrandt 1606 – 1956, p. 57.
  17. Dudok van Heel, S.A.C. (1987) Dossier Rembrandt, p. 56.
  18. Crenshaw, P. (2006) Rembrandt’s Bankruptcy. The artist, his patrons and the art market in seventeenth-century Netherlands, p. 61, 76.
  19. Israel, J. (1995) The Dutch Republic, Its Rise Greatness, and Fall 1477-1806. Clarendon Press Oxford, p. 877.
  20. http://nos.nl/artikel/72822-rembrandt-is-nogal-onberekenbaar.html
  21. Dudok van Heel, S.A.C. (1987) Dossier Rembrandt, p. 44.
  1. Ben Broos, ‘Het leven van Rembrandt (1606-1669). Christopher White e.a., Rembrandt zelf. Waanders Uitgevers, Zwolle, 1999, p. 75
  2. Schwarz, G. (1987) Rembrandt, p. 134
  3. Wopke Eekhoff en de ‘ontdekking’ van Saskia Uylenburgh als de vrouw van Rembrandt / Ben Broos In: De vrije Fries : mengelingen, ISSN 0923-6279, vol. 94 (2014), pag. 85-106
  4. Bosman, hoofdstuk 16, noot 273
  5. https://research.frick.org/montias/details/458
  6. 5 jan. 1639 NA 1023-9 not. S. v.d. Piet.
  7. Gary Schwartz (1987) Rembrandt. Zijn leven, zijn schilderijen, p. 248
  8. Rembrandt’s Bankruptcy: The Artist, His Patrons, and the Art Market in … By Paul Crenshaw, p. 48, 51, 54
  9. NA 5075 47: Sebastiaan van der Piet, 1029B, losse bladzijde tussen fols. 912-913.
  10. Bosman, hoofdstuk 9, noot 165; hoofdstuk 14
  11. J.C. de Kam (1969) MR. VAN RHIJN BETAALT DE VERPONDING OVER HET HUIS IN DE BREESTRAAT. In: Maandblad Amstelodamum, p. 159
  12. Schwartz, G. (1984) Rembrandt: zijn leven, zijn schilderijen, p. 260
  13. Bosman, hoofdstuk 14
  14. S.A.C. Dudok van Heel, ‘Rembrandt en Menasseh ben Israël’, Kroniek van het Rembrandthuis, 93/1, 1993, pp. 22-9.
  15. In de ban van Rembrandt, huizen en herdenkingen door  Dirk J. de Vries, p. 126
  16. I.H van Eeghen (1977) RUBENS EN REMBRANDT
    KOPEN VAN DE FAMILIE THIJS. Maandblad Amstelodamum, p. 59-62
  17. G. Schwartz (1983) Jan van der Heyden and the Huydecopers van Maarsseveen, p. 207. In: The J. Paul Getty Museum Journal: Volume 11, 1983
  18. Het boek in Rembrandt’s tijd. (1656) Ned. Ver. van Antiquaren, p. 3
  19. Bosman, hoofdstuk 14
  20. J.C. de Kam (1969) MR. VAN RHIJN BETAALT DE VERPONDING OVER HET HUIS IN DE BREESTRAAT. In: Maandblad Amstelodamum, p. 159
  21.   Bosman, hoofdstuk 13, noot 235
  22. Bosman, hoofdstuk 19
  23. S.A.C. Dudok van Heel (1987) Dossier Rembrandt, p. 57
  24. Wetering, E. van (2005) A Corpus of Rembrandt Paintings, p. 342
  25. E. Wetering, Corpus, p. 344
  26. J.C. de Kam (1969) MR. VAN RHIJN BETAALT DE VERPONDING OVER HET HUIS IN DE BREESTRAAT. In: Maandblad Amstelodamum, p. 159
  27. A Corpus of Rembrandt Paintings IV: Self-Portraits edited by Ernst van de Wetering, p. 342
  28. https://www.dbnl.org/tekst/_gid001190601_01/_gid001190601_01_0060.php
  29. Duizend jaar weer, wind en water in de lage landen, deel IV, p. 464
  30. Aanteekeningen over het geslacht Speelman, p. 213
  31. S.A.C. Dudok van Heel, Dossier Rembrandt / The Rembrandt Papers (Exh. cat. Amsterdam, Museum Het Rembrandthuis) (Amsterdam, 1987), 86–88.
  32. Dudok van Heel, S.A.C. (1987) Dossier Rembrandt, p. 86-88.

Loading