Herman Boerhaave (1668–1738) was een Nederlandse arts, botanicus en hoogleraar aan de Universiteit Leiden. Hij geldt als een van de belangrijkste medische docenten van de achttiende eeuw en verwierf internationale bekendheid door zijn onderwijs in klinische geneeskunde en zijn methodische benadering van ziekte en observatie.
Afkomst en opleiding
Herman Boerhaave werd geboren bij Voorhout, nabij Leiden, als zoon van een predikant. Hij ontving een klassieke opleiding met nadruk op Latijn en Grieks en begon in 1683 zijn studie aan de Universiteit Leiden met het oog op een loopbaan in de theologie. In dit kader verdiepte hij zich ook in filosofie, logica en de klassieke talen, om de Bijbel in de oorspronkelijke talen te kunnen bestuderen.1

In zijn academisch proefschrift, waarmee hij in december 1690 promoveerde in de filosofie, nam Boerhaave expliciet afstand van verschillende eigentijdse filosofische leerstellingen. Het onderwerp van zijn these was “het onderscheid tussen de aard van geest en lichaam”. Burton schrijft dat Boerhaave daarbij de systemen van Epicurus, Hobbes en Spinoza weerlegde. Burton merkt op dat B. de Volder’s waardering voor Boerhaave jaloezie wekte bij enkele tijdgenoten.2 Pas daarna richtte hij zich formeel op de geneeskunde.3 Tijdens deze periode volgde hij geen formele colleges aan de Medische Faculteit in Leiden, die in 1693 bovendien slechts uit twee hoogleraren bestond. Hij studeerde grotendeels zelfstandig, mede dankzij zijn nabijheid tot de universiteitsbibliotheek.
In datzelfde jaar promoveerde hij in de geneeskunde aan de Universiteit van Harderwijk, waar de promotie minder kostbaar was en sneller verliep dan in Leiden.
Academische loopbaan in Leiden
In 1694 werd Govert Bidloo benoemd tot hoogleraar in de ontleed- en heelkunde aan de Universiteit Leiden. Na zijn overlijden op 30 maart 1713 werd hij in deze functie opgevolgd door Herman Boerhaave, waarmee Boerhaave ook formeel een centrale positie binnen het medische onderwijs in Leiden innam. Daarnaast vervulde hij tweemaal het ambt van rector magnificus van de Universiteit Leiden.
Boerhaave was reeds in 1701 benoemd tot lector aan de Universiteit Leiden. In 1709 volgde zijn aanstelling als hoogleraar geneeskunde en botanie. Binnen korte tijd stelde hij twee catalogi samen van alle planten in de Leidse hortus botanicus. Gedurende vijftien jaar hield hij in zogenoemde zaaiboeken nauwgezet bij wat hij zaaide en plantte, zowel in de hortus als later op Oud-Poelgeest, het landgoed dat hij aankocht omdat de hortus voor zijn verzamelactiviteiten te klein was geworden.4 In 1718 bekleedde hij tevens de leerstoel scheikunde.
Een kernpunt van Boerhaaves onderwijs was het klinisch onderwijs aan het ziekbed. Studenten observeerden patiënten rechtstreeks en leerden diagnoses stellen op basis van zorgvuldige waarneming. Dit onderwijsmodel droeg in belangrijke mate bij aan de internationale reputatie van Leiden als centrum van medische opleiding.
In 1710 trouwde hij, woonachtig in de Nonnensteeg, met Maria Drolenvaux (1686-1746) uit Leiden. Ze hadden een dochter Johanna Maria (1712-1791).
Medische methode en onderwijs

Boerhaave verzette zich tegen speculatieve medische systemen en pleitte voor een geneeskunde die steunde op zorgvuldige waarneming, kennis van de medische traditie — met name Hippocrates — en terughoudendheid tegenover verklaringen die niet empirisch toetsbaar waren. In de lijn van de empirisch-inductieve methode benadrukte hij dat de arts zich moest baseren op wat door de zintuigen kon worden vastgesteld, en hypothesen moest vermijden die buiten de waarneming om werden geconstrueerd.5
Zijn colleges trokken studenten uit heel Europa; tot zijn leerlingen en toehoorders behoorden onder anderen Bernard Siegfried Albinus, Pieter van Musschenbroek, Laurens Blumentrost, Gerard van Swieten, Albrecht von Haller, António Nunes Ribeiro Sanches, Julien Offray de La Mettrie, Louis de Jaucourt en Théodore Tronchin.
Binnen de bredere kennis- en verzamelcultuur van de Nederlandse geneeskunde speelden ook figuren als Frederik Ruysch en Albertus Seba een rol. Hun anatomische en natuurhistorische collecties genoten internationale bekendheid; de door Peter de Grote verworven preparaten van Ruysch en Seba vormen nog altijd een belangrijk onderdeel van de Kunstkamera in Sint-Petersburg.
Wetenschappelijk werk

Boerhaave publiceerde invloedrijke leerboeken die in de eerste plaats als didactische werken waren bedoeld. Tot zijn belangrijkste publicaties behoren Institutiones medicae (1708), Aphorismi de cognoscendis et curandis morbis (1709) en het omvangrijke chemische leerboek Elementa chemiae (1724). Samen met Frederik Ruysch publiceerde hij het Opusculum anatomicum de fabrica glandularum in corpore humano (Leiden, 1722; Amsterdam, 1733).
Het lijkt waarschijnlijk dat Boerhaave de jonge Petrus Camper (1722–1789), zoon van een plaatselijke predikant, heeft aangemoedigd of begeleid.6 Daarnaast werkte Boerhaave jarenlang aan De Bijbel der Natuure (1737), met daarin een levensbeschrijving van Jan Swammerdam.7
Boerhaaves betekenis ligt minder in specifieke ontdekkingen dan in de systematisering en overdracht van medische kennis. Dit uitgangspunt werd samengevat in zijn motto Simplex sigillum veri — ‘eenvoud is het kenmerk van het ware’.
Reputatie en internationale erkenning
Zijn internationale reputatie blijkt onder meer uit een bezoek van Peter de Grote tijdens diens verblijf in de Republiek. In het voorjaar van 1717 bezocht de tsaar Leiden om met Boerhaave van gedachten te wisselen over geneeskunde en wetenschap; zij brachten tevens een bezoek aan de Hortus Botanicus.8 Peter de Grote had een uitgesproken belangstelling voor botanie en anatomie en werd vergezeld door de hofartsen Laurens Blumentrost en Robert Erskine.9

Het bezoek vond plaats in een periode waarin de tsaar regelmatig met gezondheidsklachten kampte en medische kuren onderging, onder meer in Bad Pyrmont.10 Hoewel geen direct verslag van een consult is overgeleverd, ligt het voor de hand dat het onderhoud niet uitsluitend een wetenschappelijk karakter had, maar mogelijk ook verband hield met medische advisering. In januari 1725 was Peter de Grote doodziek. Boerhaave werd gevraagd om medisch advies, maar zijn antwoord kwam te laat.11
Blumentrost in 1714 lijfarts van de dochters van de tsaar en in 1718 van Peter de Grote zelf.12 Via hem werd Boerhaave later uitgenodigd om lijfarts van keizerin Anna Romanovna te worden, een aanbod dat hij niet aannam. Boerhaave hield niet van reizen, dat vond hij tijdverlies.
Niet lang daarna werd Boerhaave zelf getroffen door een ernstige aandoening aan de ledematen, die gepaard ging met slapeloosheid en uiteindelijk met geestelijke ontregeling.13 In 1729 deed Boerhaave afstand van de leerstoelen botanie en scheikunde; hij was toen 61 jaar oud. De laatste jaren van zijn leven spendeerde Boerhaave in zijn tuin op Oud-Poelgeest.
In 1735 maakte Boerhaave kennis met de jonge Carl Linnaeus, die kort daarvoor was gepromoveerd aan de Universiteit van Harderwijk. Boerhaave introduceerde hem bij George Clifford III, een vermogend Amsterdams bankier en botanisch mecenas, eigenaar van de buitenplaats Hartekamp bij Heemstede. Boerhaave stelde Clifford voor om Linnaeus in dienst te nemen als lijfarts en hortulanus.
In de achttiende en negentiende eeuw ontstond rond Boerhaave een brede culturele aandacht, zoals blijkt uit de vele portretten, prenten en huldigingen die in die periode werden geproduceerd. Deze visuele cultuur rond zijn persoon illustreert de brede bekendheid en status die hij in Europa had als arts en docent.
Zoals tijdgenoten opmerkten, fungeerde het predicaat ‘leerling van Boerhaave’ als een aanbeveling die vele deuren opende.14 Anekdotes over zijn wereldwijde bekendheid — waaronder aan hem gerichte brieven uit verre landen — zijn overgeleverd in de biografische literatuur, maar worden in de moderne geschiedschrijving met de nodige terughoudendheid benaderd.15
Overlijden en nalatenschap
![]()
Na zijn overlijden in 1738 werd Herman Boerhaave herdacht als een van de meest invloedrijke artsen en docenten van zijn tijd. Zijn onderwijs en publicaties droegen in belangrijke mate bij aan de verbreiding van een klinisch georiënteerde geneeskunde in Europa en bleven tot ver in de achttiende eeuw richtinggevend voor de medische praktijk en in de scheikunde.
Gerard van Swieten speelde een sleutelrol bij de systematische verspreiding van diens medische leer via publicaties en onderwijs, met name in Wenen.16 Toen Boerhaave stierf, werd Van Swieten door velen beschouwd als zijn natuurlijke opvolger en nam hij ook een deel van Boerhaaves praktijk over. Hij werd echter niet benoemd tot hoogleraar en had dat ook niet verwacht, aangezien katholieken nooit werden aangesteld binnen de stedelijke overheid of aan de Universiteit.
Volgens de Franse arts en filosoof Julien Offray de La Mettrie was Boerhaave een diepzinnig theoloog, groot wiskundige, natuurkundige, subtiel metafysicus en filosoof. Boerhaave maakte onderscheid tussen oordelen (het vergelijken van denkbeelden) en redeneren (het vergelijken van oordelen), en zag vooral de wiskunde als voorbeeld van correcte redenering. 17 Speculatieve verklaringen met verborgen krachten of hypothetische kwaliteiten wees hij af.
Boerhaave was geen materialist en ging uit van een onstoffelijke ziel.
Maar in zijn geneeskunde beperkte hij zich tot het lichaam en zag hij het “hoe” van de wisselwerking tussen ziel en lichaam als onoplosbaar.
Manuscripten van Boerhaave

In 1739 werd de bibliotheek van Boerhaave geveild, drieduizend boeken, manuscripten en tekeningen. De verspreiding en overlevering van de manuscripten van Boerhaave houden nauw verband met het internationale netwerk van artsen, geleerden en bestuurders dat rond zijn persoon en onderwijs was ontstaan. Tot degenen die direct of indirect bij deze overdracht betrokken waren, behoren onder anderen zijn neef Abraham Kaau Boerhaave, Laurens Blumentrost en Ivan Danilovich Schumacher.
Zowel Blumentrost als Schumacher speelden een belangrijke rol in de oprichtingsfase van de Sint-Petersburgse Academie van Wetenschappen. Blumentrost fungeerde als eerste president en hofarts van Peter de Grote, terwijl Schumacher als administrateur en secretaris langdurige invloed uitoefende op de organisatie en het functioneren van de Academie.
Naast deze prominente figuren waren ook andere artsen en geleerden betrokken bij het verzamelen, kopiëren en bewaren van Boerhaaves colleges en aantekeningen, waaronder Johann Georg Gmelin, Johann Schreiber, Josiah Weitbrecht, Johann Christoph Rieger, Johann Hermann von Lestocq en António Nunes Ribeiro Sanches. Via deze netwerken vonden Boerhaaves manuscripten hun weg naar uiteenlopende Europese centra, waaronder ook Rusland.
De betrokkenheid van bestuurders en militaire elites, zoals Mikhail Illarionovich Vorontsov, onderstreept dat de belangstelling voor Boerhaaves werk zich niet beperkte tot academische kringen, maar ook aansloot bij bredere hervormings- en moderniseringsprojecten in de achttiende eeuw.
Russische militaire medische Academie

Via zijn erfgenamen, twee neven die in Russische dienst waren getreden, kwam een deel van het archief van Herman Boerhaave in de achttiende eeuw terecht in Sint-Petersburg, waar het werd opgenomen in de bibliotheek van de militaire medische academie.
In 1937 werd een omvangrijk deel van deze manuscripten geïdentificeerd in de zogeheten Fundamentele Bibliotheek.18 Deze vondst leidde tot hernieuwde aandacht voor Boerhaaves nagelaten geschriften. Tot de onderzoekers die zich met deze collectie hebben beziggehouden, behoren onder anderen Vladimir O. Samoilov en Anatoly A. Budko. Gerrit Lindeboom kon in de jaren 1950 microfilms laten maken die naar de Universiteitsbibliotheek Leiden werden gebracht.
Volgens zijn biograaf Luuc Kooijmans bleef het Boerhaave-archief grotendeels ontoegankelijk voor buitenlandse onderzoekers. Pogingen tot inzage in het begin van de eenentwintigste eeuw liepen vast op administratieve en institutionele belemmeringen.
Kooijmans beschrijft hoe hij in 2010, met bemiddeling van Mila Chevalier, directeur van het Nederlands Instituut in Sint-Petersburg, vergeefs probeerde toegang tot het archief te verkrijgen. In zijn verslag wijst hij op de rol van bestuurlijke praktijken binnen het Russische defensieapparaat die verder onderzoek onmogelijk maakten.19
In recente historiografie is erop gewezen dat Boerhaaves latere reputatie mede het resultaat is van achttiende- en negentiende-eeuwse canonisering, waarbij zijn rol als empirisch docent soms is uitvergroot ten koste van de historische context waarin hij werkte.20

Moderne medische overzichten blijven Boerhaave noemen als een sleutelfiguur in de ontwikkeling van klinisch onderwijs, al wordt zijn rol tegenwoordig vaker geplaatst binnen het bredere netwerk van achttiende-eeuwse medische hervormingen.21
In Leiden bevindt zich het naar hem vernoemde Rijksmuseum Boerhaave, gewijd aan de geschiedenis van wetenschap en geneeskunde.
Referenties:
- L. Kooijmans (2011) Het orakel, p. 18 ↩
- W. Burton, ”An account of the life and writings of H. Boerhaave”. ↩
- L. Kooijmans (2011) Het orakel, p. 344-346 ↩
- https://historischeverenigingoegstgeest.nl/2018/12/30/boerhaave-botanicus/ ↩
- Thijssen (1982), p. 31–33 ↩
- Genootschap Amstelodamum Jaarboek Amstelodamum, p. 67 (GA-1981) ↩
- Genootschap Amstelodamum, ”Maandblad Amstelodamum”, 1987, p. 66 (GA-1987) ↩
- L. Kooijmans (2015) De Geest van Boerhaave. Onderzoek in een kil klimaat, p. 30 ↩
- J.J. Driessen-Van het Reve (2006) De Kunstkamera van Peter de Grote ↩
- J.J. Driessen-Van het Reve (2006) De Kunstkamera van Peter de Grote, p. 136 ↩
- J.J. Driessen-Van het Reve (2006) De Kunstkamera van Peter de Grote, p. 221 ↩
- L. Kooijmans (2015), p. 32 ↩
- G.A. Lindeboom (1958) Haller in Holland, p. 39 ↩
- L. Kooijmans (2015), p. 9 ↩
- L. Kooijmans (2015), p. 360, 377 ↩
- Gerard van Swieten, Commentaria in Hermanni Boerhaave aphorismos de cognoscendis et curandis morbis, Vol 1–5, 1742–1771. ↩
- W.Th.M. THIJSSEN (1982) DE MENS-MACHINE THEORIE. Een studie over de ontwikkeling van het mechanicistische mensbeeld bij La Mettrie, p. 22, 31, 35, 39 ↩
- L. Kooijmans (2015), p. 7, 267 ↩
- L. Kooijmans (2015), Hoofdstuk X, p. 263-282, 302-303 ↩
- Bulletin of the History of Medicine 74 (2000), 221–240 — kritische herwaardering van Boerhaaves reputatie en historiografische beeldvorming. ↩
- Anthony J. Scholer et al., Herman Boerhaave, the Dutch Hippocrates, a Forgotten Father of Medicine, American Surgeon 84(3):323–325 (2018). ↩
![]()