Het publieke colportagemodel
De gangbare literatuur over vroegmoderne Nederlandse loterijen, zoals bij Kilian en bij Huisman & Koppenol, beschrijft het publieke colportagemodel. Kopers leverden zelf een prose of rijmpje aan. Tijdens de trekking werden naam en tekst openbaar afgeroepen. De Haarlemse loterij van 1606–1607 geldt als het bekendste voorbeeld.
De inschrijving opende op 1 juni 1606 en sloot op 30 september. In Haarlem kon men nog een maand langer inleggen.1 De prijs per lot bedroeg nominal ongeveer zes stuivers, maar in de praktijk varieerde zij door bundels en kortingen. Bij de aankoop van zes loten kreeg de koper een gratis. Bij nog grote aankopen kon de prijs dalen tot ongeveer vier à vijf stuivers per lot. Meerdere kopers kochten 130 loten tegelijk en betaalden niet 39, maar slechts 30 gulden. Voor 63 loten betaalde de koper 15 gulden.
Dat Amsterdammers daadwerkelijk deelnamen aan de Haarlemse loterij van 1606–1607 blijkt uit de activiteiten van Pelgrom van Os, die als collecteur optrad en in Amsterdam aanzienlijke aantallen loten verkocht. Zijn vrouw, Catharina Hooftman kocht 130 loten, en de bijbehorende rijmpjes sluiten aan bij het bekende colportagemodel. In april 1607 wint de houtkoper Jelmer Sievertsz van der Schelling, woonachtig op de Kromme Waal, een prijs; ook hij kocht 130 loten. De architect Hendrik de Keyser collecteerde zelf voor de Haarlemse loterij van 1606. Leuk is dat de lijst van De Keyser veel steenhouwers bevat en medewerkers van de stadssteenhouwersplaats, waar hij toen ook woonde.
De prijzen varieerden van forse geldbedragen tussen de 120 en 600 gulden tot zilveren bekers, schalen, bierkroezen en roemers. Het winnende lot was gekocht door 46-jarige Jan Jansz. Cooninck uit Haarlem, maar vestigde zich in Amsterdam.2 In 1619 was hij actief als speculant in de Jordaan, op de Elandsgracht en in de Hazenstraat, maar woonde op de Keizersgracht.
Deze praktijk verschilt echter fundamenteel van de Rapenburg-lijsten, waar geen sprake is van individuele verkoop, rijmpjes of commerciële volumeverkoop, maar van administratieve toewijzing in een arbeidscontext.
De Amsterdamse Rapenburg-lijsten
De loterijlijsten uit Amsterdam (Rapenburg, 1606) tonen een ander beeld. De “prose” is hier geen zelfgeschreven rijm, maar een administratieve beschrijving in de derde persoon. Arbeid, onderhoud en huisvesting staan centraal.
De betrokken personen verschijnen niet als reguliere kopers. De administratie registreert hen als ontvangers van loten binnen een stedelijke context van arbeid en zorg 3
In de tekst staat onder meer:
van de loten die ingeseyt sijn tot 15 guldens een
Loterie begonnen tot Minor goederen
tot behoeff vant Arme Weesen huysen der stadt Amstelredam
De passage lijkt niet de prijs van een lot te beschrijven, maar de waarde van prijzen die in de loterij werden ingezet. Het gaat om “minor goederen” tot een waarde van 15 gulden ten bate van de arme weeshuizen van Amsterdam.
Niet-contante deelname
In meerdere gevallen vermeldt de lijst expliciet dat betrokkenen niet contant konden betalen. Toch verschijnen zij met meerdere loten. Gezien de hoge nominale waarde van de loten en de lage daglonen van scheepstimmerlieden rond 1606 is contante aankoop door deze arbeiders weinig waarschijnlijk. Het ligt daarom voor de hand dat loten hier fungeerden als niet-contante vergoeding, krediet of participatierecht.
Ook in Haarlem betaalden deelnemers niet altijd contant. Daar accepteerden collecteurs goederen en waardepapieren, zoals rentebrieven, obligaties en schuldbrieven. Zelfs gerechtelijke vonnissen tot betaling van schulden konden als inleg dienen. Niet-contante deelname was dus geen uitzondering, maar onderdeel van de praktijk.
Loten binnen een arbeidsregime
Voorbeelden als Geert Huijgen (nr. 75), die in dienst blijft op Uilenburg en de loterij “helpt onderhouden”, maken duidelijk dat de loterij hier deel uitmaakte van een arbeids- en onderhoudsregime. Ook twee anoniem genoemde personen worden bij de scheepstimmering ingezet wegens gebrek aan contant geld.
In deze context functioneerden loten niet primair als consumptiegoed. Zij werkten als boekhoudkundig instrument binnen een systeem waarin arbeid, huisvesting en stedelijke zorg samenkwamen.
Arbeid, erfuitgifte en huisvesting
De combinatie van loterijadministratie en erfakten versterkt dit beeld. Huistimmerlieden rond Rapenburg traden niet alleen op als arbeiders, maar ook als bewoners en ontwikkelaars. De stad gaf erven uit, soms met bebouwing. Deze praktijk wijst op functioneel georganiseerde nieuwbouw.
Toegang tot grond en woning verliep niet uitsluitend via contante betaling. Arbeid en participatie speelden eveneens een rol.
Conclusie
Het bronnenmateriaal toont slechts fragmenten van deze praktijk. De interne aard van de administratie maakt het waarschijnlijk dat veel vergelijkbare toewijzingen niet expliciet zijn vastgelegd.
Toch laten de Rapenburg-lijsten zien dat loten in bepaalde omstandigheden konden functioneren als instrument van stedelijk krediet en arbeidsorganisatie. Of dit mechanisme ook elders werd toegepast, blijft open. De samenhang van arbeid, huisvesting en niet-contante betaling maakt echter aannemelijk dat Rapenburg geen volledig geïsoleerd geval was.
https://vpnd.nl/nh/haarlem_lot.html
- Kilian, K. ‘De loterij van Haarlem, 1606-1607’ (doctoraalscriptie geschiedenis, Utrecht 1988).
- Huisman, A. en J. Koppenol, Daer compt de Lotery met trommels en trompetten! Loterijen in de Nederlanden tot 1726 (Hilversum 1991)
- https://www.yory.nl/prijswinnaars-van-de-haarlemse-loterij-1607/ ↩
- https://vpnd.nl/mijlpaal/100000/loterij-achtergrondinfo-feestpagina.html ↩
- p. 12–13; met name nrs. 64, 69–73 bij de Peperwerf ↩
![]()