Paul van der Veen (ook wel Doens genoemd; geboren ca. 1655 – overleden 6 augustus 1733, begraven te Gorinchem op 16 augustus 1733) was tussen 1696 en 1706 gouverneur van de kolonie Suriname.1 Met een ambtsperiode van bijna elf jaar hield hij het langer vol dan zijn voorgangers. Hij was bovendien de enige gouverneur van Suriname die nadien werd benoemd tot directeur van de Sociëteit van Suriname.

Biografie
Paul van der Veen was een zoon van Balthasar van der Veen, koopman en eigenaar van meerdere runmolens in Gorinchem. Zijn vader was in 1654 op huwelijkse voorwaarden gehuwd met Susanne Pels, afkomstig uit Utrecht.2 De twee kinderen uit dit huwelijk werden thuis gedoopt en niet officieel in de kerkregisters ingeschreven.
Het leven van Balthasar van der Veen verliep onrustig. Hij kwam regelmatig in aanraking met justitie en leidde zijn dagen, naar het zich laat aanzien, tussen rechtbank en kroeg. In 1661 werd hij door zijn echtgenote juridisch onteigend.3
In 1677 verkreeg Paul van der Veen een vrijbrief om zich gedurende een jaar in Frankrijk op te houden, om in Angers rechten te studeren.4 In 1678 werd hij toegelaten als advocaat bij het Hof van Holland.5 In 1680 promoveerde hij.6 Naast zijn juridische loopbaan was Van der Veen in deze jaren actief als stadssecretaris van Gorinchem en werkzaam bij de Raad van Brabant en Overmaze in Den Haag.7 8
In 1688 huwde hij in Gorkum Anna van Gelre, een dochter van Pieter van Gelre, de Fiscaal van de Hoge Krijgsraad in Den Haag en Jacomina van Stavenisse.9 Van der Veen gaf zelf geen kerkelijke gezindte op, in tegenstelling tot zijn vrouw. Omdat verdere vermeldingen in de kerkarchieven ontbreken — het lidmaatschap van de gereformeerde kerk wordt nergens expliciet vermeld — is verondersteld dat hij en zijn schoonfamilie sympathie hadden voor het Labadisme, dat in deze periode actief was in onder meer Wieuwerd en Suriname.
In 1689 gaf Van der Veen blijk van zijn prinsgezindheid door zijn zoon William (-1697) te laten dopen. Zijn tweede zoon was Pieter (1693), de derde zoon was Guilliam Pieter (1700-1708); de eerste twee waren in 1697 overleden.10
Gouverneur in Suriname
Begin 1695 besloot Paul te solliciteren naar de functie van gouveneur, op aanraden van zijn oom.4 In juli werd duidelijk dat hij de meest geschikte kandidaat was. Op 28 oktober 1695 volgde zijn benoeming als gouverneur.12 Op 6 december 1695 heeft hij een bevrachtingscontract getekend. Daarin bedong de Societeit voor Van der Veen dat hij tijdens de overtocht vanuit Texel over een eigen kajuit op het schip de Jonge Abraham kon beschikken en dat vier familieleden en vier “dienstboden” met hem mochten meereizen, (waaronder zijn secretaris Cornelis van Wesel en een tuinman?) Mogelijk bevonden zich onder deze familieleden ook twee kinderen, maar in de akte worden geen namen genoemd. Wel staat vast dat zijn schoonzuster, de weduwe van kapitein André Boxel, deel uitmaakte van het gezelschap. De kapitein kreeg de opdracht dat Van Scharphuizen moest terugkeren met hetzelfde schip, wat niet is gebeurd.13
Op 20 januari 1696 vertrok Paul van der Veen vanuit Texel naar Suriname.14 Een bootreis duurde destijds twee maanden, maar het schip lag vanwege een reparatie 3,5 maand in Porthmouth. Op 14 mei nam hij het bestuur over. Hij had de opdracht als eerste de papieren van zijn voorganger Johan van Scharphuizen in beslag te nemen.15 De Joodse planter en kroniekschrijver Samuel de Nassy typeerde Van der Veen als „zachtmoedig, beminnelijk en liefdadig”,16 maar hij was vaak ziek.

In 1698 verhoogde Van der Veen als gouverneur de premie op het opsporen en terugbrengen van weggelopen Marrons, een probleem dat in deze jaren sterk toenam.17 Hij berichtte tevens dat hij drie Duitsers in dienst had genomen om onderzoek te doen naar de aanwezigheid van edele mineralen. De locaties van deze verkenningen werden bewust geheim gehouden. Tot de opdrachtgevers behoorde ook Ferdinand van Collen, de langstzittende directeur van de Sociëteit van Suriname ooit.18
In 1699 maakte de tekenares Merian een reis naar Suriname documenteerde van alles wat ze over de metamorfose van tropische insecten kon ontdekken. In 1700 deed gouverneur Paul van der Veen een experiment om te kijken of limoenen en sinaasappels de lange overtocht naar Nederland zouden overleven.19 Tevens bemoeide hij zich met het slijpen van bruine rijst en het gebruik van cassavebladeren als thee. Dat hij ook de koffieplant introduceerde, is onjuist.

Het was Van der Veen als gouverneur niet toegestaan zelf een plantage te exploiteren, maar kreeg permissie er een eigen groentetuin, Chattilon, erop na houden. Zijn vrouw nam daarna financieel deel in de plantage Sinabo en Gelre, samen met haar zuster. In dat verband bestelde Magdalena van Gelre (I), met bemiddeling van Andries Pels, achttien slaafgemaakten uit Angola, bestemd voor suikerplantage Boxel.20
Van der Veen kreeg, net als zijn voorgangers Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck en Johan van Scharphuizen, te maken met spanningen met de Raad van Politie, bestaande uit tien man. Een belangrijk twistpunt vormden de kosten van de verdediging van de kolonie, in het bijzonder de vraag wie moest opdraaien voor het onderhoud van Fort Sommelsdijck.21
In 1702 voerde Van der Veen een proces tegen twee personeelsleden van de WIC die verantwoordelijk waren voor de verdeling en de verkoop van slaven. Hem was duidelijk geworden dat zij een eigen handeltje probeerden op te zetten door aan boord achtergehouden slaven niet op de gangbare manier te verkopen.22 23
In september 1702 en in november 1704 lieten zijn vrouw en hij zich in Amsterdam vertegenwoordigen als getuige bij de doop van de kinderen van Joan Willem van Meel, de secretaris van de Sociëteit van Suriname. 1
In 1704 was Van der Veen opnieuw ziek.25 Op 3 september 1706 werd Van der Veen zijn ontslag aangezegd. Daarbij werden de vertegenwoordigers van de familie Van Aerssen van Sommelsdijck overrompeld door de overige participanten.26 Er waren klachten van bewoners van Suriname, van handelaren op de kolonie en van bewindhebbers van de WIC. De directeuren van het huis Van Sommelsdijck verzetten zich heftig tegen het ontslag, maar de precieze achtergronden van de conflicten blijven onduidelijk.27 Van der Veen legde zijn ambt uiteindelijk neer op 2 maart 1707. Hij verliet op 14 juni met zijn gezin Suriname en vestigde zich opnieuw in Gorinchem.28.29
Van een vroege ontvangst, op 15 oktober 1707, is bekend dat de gewezen gouverneur Paul van der Veen een rapport overlegde over een stuk mineraal, vermengd met zilver.30 Bij de uitbetaling van achterstallig salaris rezen er ook problemen.31
Directeur van de Sociëteit van Suriname
Op 5 december 1708 werd Paul van der Veen benoemd tot directeur van de Sociëteit van Suriname, als vertegenwoordiger van de familie Van Aerssen van Sommelsdijck.32 Hij behield deze positie gedurende vijfentwintig jaar, een uitzonderlijk lange zittingsduur, in tegenstelling tot François van Aerssen die het na een jaar voor gezien hield en zich richtte op de Admiraliteit.
Vanuit Gorinchem regelde Van der Veen de aanstelling van blanke administrateurs voor de plantages. Tijdens vergaderingen van de Sociëteit verbleef hij geregeld in het Oudezijds Heerenlogement aan de Grimburgwal. Op de plantage Chattilon is men in een onbekend jaar overgegaan op de verbouw van cacao.

In 1719 kocht Paul van der Veen een huis aan de westzijde van de Haarstraat te Gorinchem, bij de Lindeboom, een zijstraat. In 1726 overleed zijn echtgenote Anna van Gelre. Uit haar testament blijkt dat zij vóór haar overlijden haar zuster en de kinderen van haar overleden broer te Zierikzee tot erfgenamen had aangewezen, Paul erfde de plantages in Suriname.33 Zijn zakelijke belangen in Amsterdam werden behartigd door zijn neef Pieter Willem van Gelre (1699-1733), woonachtig in de Nieuwe Doelenstraat, waarschijnlijk vanaf 1724.
Paulus van der Veen verkeeg na het overlijden van zijn vrouw Anna de helft van de plantages die zij samen met haar zuster Magdalena had. Zijn vrouw liet een geldbedrag van ca. 253.000 gulden na aan haar zus en haar neven en nichten Van Gelre in Zierikzee. Ook Magdelena liet haar geld en (deel) van de plantages na aan haar neven en nichten Van Gelre. Het praktische beheer van de plantages werd gevoerd door hun erfgenamen. Die besloten ook de plantages niet te scheiden maar gezamenlijk het beheer te voeren. Rond 1772/1773 is daar een einde aan gekomen en heeft de familie Pels de plantages van de hand gedaan. De erfgenamen van Margaretha van Gelre hadden de plantage nog in hun bezit tot ongeveer 1790.34
Omdat Van der Veen zelf geen kinderen meer had, viel zijn nalatenschap — bestaande uit effecten en obligaties — na zijn overlijden toe aan zijn neven en nichten, de kinderen van Andries Pels. De gezamenlijke waarde van deze bezittingen werd geschat op 200.000 gulden, een bedrag dat gemakkelijk door vijf te delen was. (P.S. Een gulden komt overeen met ongeveer € 12,75 in hedendaagse koopkracht). Aanvankelijk had Van der Veen zijn neef, de advocaat Harald Johan Pels, als executeur aangewezen; diens overlijden in 1727 te Den Haag maakte een herziening van deze regeling noodzakelijk.
Van der Veen en Harald Johan Pels waren gezamenlijk eigenaar van een huis aan het Lange Voorhout 7 te Den Haag, dat werd bewoond of verhuurd aan François van Aerssen van Sommelsdijck. Daarnaast had Van der Veen een belang van een halve aandeel in Sinabo en een anonieme plantage. De andere helft bevond zich de jure in handen van de familie Van Gelre, al blijft de exacte juridische en financiële constructie onduidelijk.
Na het overlijden van Paul van der Veen op 16 augustus 1733 werd zijn nalatenschap drie maanden later verdeeld in de vorm van legaten onder vijf neven en nichten, allen kinderen van Andries Pels. Tot executeurs-testamentair werden benoemd Jan Lucas Pels en Pieter Pels. De boedelbeschrijving, opgemaakt op 25 november 1733, beslaat 32 pagina’s.35 De plantage Boxel beschikte toen over een barak met 27 “wooneenheden” van 3.60 x 5.10, en twee vrijstaande woninkjes, voor 158 personeelsleden; een bezettingsgraad van gemiddeld vijf personen per kamer.33
Magdalena Maria van Gelre en de plantages
Van der Veens schoonzuster, Magdalena van Gelre, werd in 1655 geboren in Den Haag en trad in 1681 te Hulst in het huwelijk met de weduwnaar André (Andries) van Boxel, afkomstig uit Gorkum, en kapitein van een Fries Regiment Infanteristen in het Staatse leger, die in 1690 overleed, eveneens in Hulst.1 Na haar aankomst in Suriname verwierf zij als eerste de tamelijk onbekende plantage Zoetendaal.
Op 7 november 1696 kocht zij de plantage Zoetendael gelegen aan de Mapanekreek in Suriname, groot 1500 akkers, en alle "beestialen en (45) negers", bovendien de huizen en molens en verder al het hetgeen zich daarop zou bevinden.38 De plantage Zoetendaal was ooit in het bezit van Pieter en Gillis Meunicx. De naam Muenicx is de alleroudste Nederlandse naam in Suriname. De familie had zich al in de Engelse periode in Suriname gevestigd en was afkomstig uit Middelburg. Zoetendaal werd in 1680 verkocht aan Zara du Tour, geboren l'Émpereur van Opwijck, de weduwe van Marcus du Tour, Raad van Brabant en Overmaze in Den Haag.39 Naar het zich laat aanzien was haar vader Constantijn l'Émpereur en doceerde eerst Oosterse talen in Harderwijk en vervolgens theologie in Leiden. In 1639 werd hij als raadsheer van Johan Maurits, gouverneur in Brazilïe, aangesteld.40 Het is onduidelijk of hij daadwerkelijk is uitgezonden, zo als Willem Piso, Frans Post, etc.
Op 2 februari 1697 kocht zij van de Sociëteit een perceel van ca 860 ha, waarop vrij snel de suikerplantage Boxel zou worden aangelegd.41 In de jaren daarna breidde zij haar activiteiten uit. Tussen 1702 en 1706 kwamen, na de eerdere verwerving van de bestaande plantage Soetendaal,42 twee nieuwe plantages in haar bezit: de suikerplantage Boxel en de koffieplantage Gelre in 1706. Het jaar daarop kocht zij een keuken en molen, die verplaatst zouden moeten worden naar haar eigen stuk grond.43

Rond 1710 was zij terug in Gorkum;
Het testament van Magdalena M. van Gelre is gepasseerd d.d. 03-10-1733 bij Martinus Mekem, notaris te Gorinchem.

In 1735 stelde Magdalena Maria van Gelre een memorie op onder de titel Voor ijmant die na Suriname wil gaan.44 Deze memorie bevat praktische aanwijzingen voor de teelt van vooral suikerriet, cacao en koffie en is overgeleverd in een transcriptie door Valentine Wikaart-Derkzen (Wiesenis, Werkendam). De tekst wijst op een langdurige en directe betrokkenheid bij de exploitatie van Surinaamse plantages.45
Magdalena van Gelre overleed op 15 november 1737 te Gorinchem. Volgens haar testamentaire bepalingen waren haar erfgenamen — in navolging van een eerder door haar zuster Anna gemaakte regeling — de twee nog in leven zijnde kinderen van haar overleden broer Pieter van Gelre: Johan Harmen van Gelre (1702–1739), pensionaris van Zierikzee, en Jacoba van Gelre (1698-1773), gehuwd met een burgemeester van Tholen.
De obligatie waarvan Magdalena het vruchtgebruik genoot, hing samen met een lening die zij aanvankelijk samen met Paul van der Veen had verstrekt aan François van Aerssen van Sommelsdijck. Na het overlijden van Anna nam Paul haar aandeel in deze vordering over. Vervolgens bepaalde hij testamentair dat Magdalena het vruchtgebruik van de obligatie zou behouden, dat wil zeggen: zij trok levenslang de rente.
Het bedrag van circa f 1.200 per jaar (bij een rente van ongeveer 4% op f 30.000) was daarmee eerder een aanvullende inkomensbron dan haar voornaamste bestaansmiddel. Dat Paul van der Veen, Anna van Gelre en Magdalena van Gelre tot de vermogende bovenlaag behoorden, staat buiten twijfel.46
2006 Stukken betreffende de scheiding tussen de geinteresseerden in de suikerplantages Boxtel (sic!) en Sinabo en de koffieplantage Gelre, alle in Suriname, waarbij de plantage Boxtel toebedeeld wordt aan de erfgenamen van Anna van Gelre en Paul van der Veen en de plantages Sinabo en Gelre, aan de kinderen en erfgenamen van Jan Herman van Gelre, september en oktober 1768.47
Joachim Ferdinand de Beaufort trouwde in 1763 met de weduwe Anna Digna van Gelre (1734-1779), een dochter van Jan Herman van Gelre. Daarmee zijn vrijwel alle eigenaren in de 18e eeuw achterhaald. De Beauforts vervulden decennia lang burgemeesterposities in Hulst en hadden al in het verleden banden aangeknopt met de adellijke familie van Gelre.48
| Bronnen, noten en/of referenties |
- V. Wikaart-Derkzen (2025) Gorinchem en slavernij, p. 40 ↩
- Zijn moeder is in 1621 gedoopt in Amsterdam als dochter van Paulus Pels en Suzanne ’t Kint. ↩
- De Gorcumse runmolenaar Balthaser van der Veen de Jonge. In: Oud-Gorcum Varia (1993), nr. 28, p. 163-171. ↩
- V. Wikaart-Derkzen (2025) Gorinchem en slavernij, p. 24 ↩
- Nationaal Archief, inv. 1.10.10, toegangsnr. 281; 325; 331; 332; 337; 341. Inventaris van het familiearchief Pels 1571-1877. ↩
- https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/archief/1.10.10 ↩
- https://www.facebook.com/ditwasgorinchem/photos/𝗚𝗼𝗿𝗰𝘂𝗺𝗲𝗿𝘀-24-𝗣𝗮𝘂𝗹𝘂𝘀-𝘃𝗮𝗻-𝗱𝗲𝗿-𝗩𝗲𝗲𝗻-𝗰𝗮-𝟭𝟲𝟲𝟬-𝟭𝟳𝟯𝟯een-onaangenaam-mens-moet-hij-zijn-/385817233828758/ ↩
- https://www.wiedenis.nl/gorinchem-en-west-indië/ ↩
- https://www.dbnl.org/tekst/aa__001nieu02_01/aa__001nieu02_01_0180.php ↩
- V. Wikaart-Derkzen (2025) Gorinchem en slavernij, p. 27, 36 ↩
- V. Wikaart-Derkzen (2025) Gorinchem en slavernij, p. 24 ↩
- 1.01.02 Inventaris van het archief van de Staten-Generaal, (1431) 1576-1796 ↩
- [https://www.dbnl.org/tekst/hart038besc01_01/hart038besc01_01_0026.php Van Scharphuisen vertrok naar Nederland met het schip Brigdamme, welk schip op de reis door Fransche kapers genomen en hij als gevangene te St. Malo opgebragt werd. ↩
- V. Wikaart-Derkzen (2025) Gorinchem en slavernij, p. 64 ↩
- V. Wikaart-Derkzen (2025) Gorinchem en slavernij, p. 26 ↩
- http://www.dbnl.org/tekst/nass008gesc01_01/nass008gesc01_01_0004.htm ↩
- https://www.dbnl.org/tekst/vlie062bekn01_01/vlie062bekn01_01_0011.php ↩
- https://archief.amsterdam/archief/5075/4774 ↩
- Nationaal Archief, Den Haag, Sociëteit van Suriname, nummer toegang 1.05.03, inventarisnummer 228, Bericht van gouverneur Van der Veen aan het bestuur van de Sociëteit van Suriname, 15-7-1700, p. 147 ↩
- Not. akte Stadsarchief Amsterdam ↩
- Buddingh, H. (1995) Geschiedenis van Suriname, p. 33–34. ↩
- Plantage Gorcum in Suriname ↩
- V. Wikaart-Derkzen (2025) Gorinchem en slavernij, p. 31-32 ↩
- V. Wikaart-Derkzen (2025) Gorinchem en slavernij, p. 40 ↩
- V. Wikaart-Derkzen (2025) Gorinchem en slavernij, p. 29-32 ↩
- Meiden, G.W. van der (1987) Betwist bestuur. Een eeuw strijd om de macht in Suriname 1651–1753, p. 62. ↩
- Van der Meiden, lezing Ninsee ↩
- Landsarchief Suriname: plantages Sinabo en Gelre aan de Commetuanekreek ↩
- V. Wikaart-Derkzen (2025) Gorinchem en slavernij, p. 34 ↩
- https://werkgroepcaraibischeletteren.nl/hoe-om-te-gaan-met-indianen-leren-van-geschiedenis-83/ ↩
- V. Wikaart-Derkzen (2025) Gorinchem en slavernij, p. 36 ↩
- Aanteekeningen betreffende de koffij-kultuur in Suriname, in de eerste helft der vorige eeuw, p. 231 ↩
- V. Wikaart-Derkzen (2025) Gorinchem en slavernij, p. 37 ↩
- Informatie afkomstig van Wiedenis, Werkendam ↩
- Stadsarchief Amsterdam, archief 5075, inventaris 10114, akte 564131 ↩
- V. Wikaart-Derkzen (2025) Gorinchem en slavernij, p. 37 ↩
- V. Wikaart-Derkzen (2025) Gorinchem en slavernij, p. 40 ↩
- Notarieel archief Den Haag 0372-01 inv. 1354 ↩
- V. Wikaart-Derkzen (2025) Gorinchem en slavernij, p. 66 ↩
- Biografisch Portaal ↩
- V. Wikaart-Derkzen (2025) Gorinchem en slavernij, p. 28 ↩
- V. Wikaart-Derkzen (2025) Gorinchem en slavernij, p. 67 ↩
- V. Wikaart-Derkzen (2025) Gorinchem en slavernij, p. 68 ↩
- https://www.destadgorinchem.nl/lokaal/historie/1223374/slavernijverleden-van-gorinchem-centraal-in-deel-38-van-de-hi ↩
- https://www.wiedenis.nl/nieuw-verschenen/gorinchem-en-het-slavernijverleden-een-verkenning/ ↩
- Informatie afkomstig van Wiesenis, Werkendam ↩
- Utrechts Archief ↩
- Rob Melchers (2014) De Beaufort : geschiedenis van een aanzienlijke familie van 1613 tot 1876 ↩
![]()