Epidemieën, oversterfte en begraafregisters in Amsterdam (1650-1700)

De afgelopen weken heb ik de indexen op de DTB van het Stadsarchief geraadpleegd en  naar de oversterfte gekeken tussen 1650-1700. Oversterfte is een term, gebruikt in de levensverzekeringsbranche, ter aanduiding van een waargenomen grotere sterfte dan op grond van de gebruikte sterftetafel werd verwacht. In de begraafregisters zijn 334.420 personen ingeschreven in de tussenliggende periode.1  Dat betekent een gemiddelde van 6.688 begrafenissen per jaar. [Begraafregister Stadsarchief 1650-1699]

 
De Dam met begraafstoeten in 1663. Beeldbank Stadsarchief Amsterdam

Een overzicht van het aantal geregistreerde begrafenissen over twee eeuwen uit de Indexen op de Begraafregisters

1600-1609        13.253                1700-1709  73.144
1610-1619        17.008                1710-1719  83.618 
1620-1629        26.742                1720-1729  97.778 
1630-1639        29.156                1730-1739  95.705 
1640-1649        20.877                1740-1749 109.526 
1650-1659        41.629                1750-1759  91.640 
1660-1669        67.696                1760-1769  89.050 
1670-1679        71.506                1770-1779 103.740 
1680-1689        76.198                1780-1789 110.035 
1690-1699        77.807                1790-1799  93.758
In Amsterdam stierven van 14 juni tot eind december 1602 omtrent 10.700 mensen.2 Dat is gemiddeld 357 per week. In de slotweek van september begroef men 900 mensen zo vermeld Isaac Commelin.[Historische beschrijving van Amsterdam (1665), p. 442] Commelin was regent van de Gasthuizen tussen 1655 en 1675. Hij moet haast wel als deskundige beschouwd worden. Hij zou in Leiden gestudeerd kunnen hebben, maar was volgens de ondertrouwakte boekverkoper, voordat hij terug naar Amsterdam verhuisde.
 
Het begraafregister van de Oude Kerk over dat jaar is niet bewaard gebleven, maar van 3.460 personen is duidelijk waar ze kwamen te liggen: in de Nieuwe Kerk of op het Karthuizer kerkhof. Andere mogelijke plekken om te begraven bestonden er niet. Van 7.240 personen is niet te achterhalen waar ze begraven zijn, maar een deel – meer dan duizend personen – werd begraven in de Oude Kerk. Waren de overige zesduizend personen soms buitenlanders, veelal zeelieden of anderzins die onder de muren, op zolders of in kelders sliepen? Het is aannemelijk dat destijds iedere woonruimte werd benut in Amsterdam en huren van een huis, kamer of verdieping een kostbare zaak was geworden. Het kan ook zijn dat er nog records ontbreken in de indexen, en ook de leesbaarheid van de begraafregisters laat soms te wensen over, etc. Of zijn de getallen toch sterk overdreven, want hoe liet de stad 6.000 lijken spoorloos verdwijnen, in een tijd dat het Karthuizer klooster al ver buiten de stad lag en beschikbare ruimte voor het bouwen van schepen en huizen grote prioriteit had? Naar verluidt is wel het Zuiderkerkhof ingericht voordat met de bouw van de kerk werd begonnen in 1603.[J.E. Abrahamse (2010) De grote Uitleg van Amsterdam, p. 84] 
 
Aan het begin van de 17e eeuw was het pestilentiehuis gelegen tussen de Grimburgwal en de Nieuwe Doelenstraat, het voormalige Binnengasthuis terrein. In 1616 is het gereorganiseerd? In juni 1630 werd met de bouw van het nieuwe pesthuis begonnen buiten Amsterdam op de Heiligeweg, nu het voormalige WG-terrein. Het was bereikbaar via de Pestsloot, nu de Bosboom Toussaintstraat. Het moet een omvangrijk project zijn geweest, want het werd pas vijf jaar later afgeleverd. Het beschikte over 340 bedden. Jan van Mansen uit Bolsward was medicijn- en pestmeester. Grietge Gerrits diende in het Pesthuis en leerde daar een varensman kennen; een notariële akte getuigt over haar zwangerschap en zijn trouwbelofte.
 
De periode 1600-1649 heeft een gemiddelde sterfte van 2.141 stadsdoden per jaar, dat zijn gemiddeld 178 per maand, 41 per week en zes per dag. Er waren twintig jaren met oversterfte; opvallend zijn de perioden 1622-1625 en 1635-1641.
Jaren met oversterfte > 3.000 in de 1e helft van de 17e eeuw
  • 1602: (3.460 stadsdoden)  waarvan 2.185 begraven op Karthuizer kerkhof (K) en 1.275 in de Nieuwe Kerk (NK). Het begraafregister van het Karthuizer kerkhof begint pas in augustus. De 2.185 begrafenissen vielen  bijna allemaal in de laatste vier maanden. 
  • 1617 (3.841 stadsdoden) waarvan 2.249 (K); 724 in de NK en 698 in Oude Kerk. In juni was nog niet veel aan de hand In juli van dat jaar vielen de meeste slachtoffers in de nabije omgeving van het Karthuizer kerkhof tussen de Lindengracht en de Westerstraat. De echt snelle stijging vond in Amsterdam plaats in de maand augustus in de Laurierstraat en omgeving. In de derde week van september waren er al twee haarden.[https://www.ntvg.nl/system/files/publications/1931152000001a.pdf ] De meeste begrafenissen vonden plaats in oktober/november zo blijkt uit figuur 17 in een artikel van Cranendonk.[Figuur 17 Aantal begrafenissen in Amsterdam in 1617 t/m 1618 en 1672 t/m 1674]
  • 1624 (5.587) waarvan 3.398 (K); 761 in de NK en 932 in de OK; I. Commelin vermeldde 11.795 doden.
  • 1625 (3.000) waarvan 1.583 (K); 607 in de NK en 519 in de OK; Commelin 6.781
  • 1629 (3.383) waarvan 1.934 (K); 520 in de NK en 521 in de OK
  • 1635 (3.304) waarvan 1.980 (K); 475 in de NK en 423 in de OK; Commelin 8.177
  • 1636 (7.277) waarvan 4.820 (K); 848 in de NK en 735 in de OK; Commelin 17.193 
  • 1638 (3.136) waarvan 1.433 (K); 521 in de NK en 633 in de OK
  • 1648 (3.062) waarvan 1.077 (K); 494 in de NK en 568 in de OK; 250 in O.Z. Kapel, 135 (A); 188 in de Zuider- en 269 in de Westerkerk. Het aantal doden dat in dat jaar in de Nieuwezijds kapel, de Noorder Kerk of op het Leidsche kerkhof werd begraven is onbekend.  
De jaren 1624 en 1636 springen eruit. Conclusie: Het merendeel van de stadsdoden werd niet in een kerk, maar op een kerkhof begraven.
 
Isaac Commelin en een pamflet genaamd De slaende hant Gods, over de voor-naemste Steden van ‘t CHRISTENRIJCK. In ‘t besoeken met de Pestilentiale ziekten, sedert het jaar 1600, tot aen ‘t jaer 1664 geven totaalcijfers over de jaren 1618 – augustus 1624. Er zouden volgens I. Commelin in zeven jaar tijds 32.532 personen zijn gestorven en 16.430 personen in het openbaar zijn getrouwd en 52.537 gedoopt. De indexen over de periode vermelden slechts 19.057 begrafenissen, 20.877 huwelijkskandidaten en 35.786 dopelingen. Dat zijn gemiddeld zeven begrafenissen en huwelijken en 14 dopen per dag.
 
In 1624 zouden er 11.795 “menschen” zijn overleden volgens Commelin en het pamflet de Slaende hant. De begraafboeken over dat jaar vermelden slechts 5.587 personen. Als ik rekening houdt met een foutmarge van 10-20%, zijn het nog steeds ongeloofwaardige verschillen. Of de indexen op de DTB van het Stadsarchief zijn onbruikbaar of  Commelin en het pamflet zijn onbetrouwbaar.
 
Pest was een verzamelnaam voor vele ziekten die zich snel uitbreiden en waarbij veel doden vielen. Een pestepidemie duurde  ongeveer vier maanden en velen stierven al op de tweede dag.[De Pest in de zeventiende eeuw in Nederland door Cranendonk] Een minder bekende term is de  ’haestige sieckte’. 
 
In 1636 zouden 17.193 personen zijn overleden aan de pest volgens Commelin en het pamflet. De index op begraafboeken telt maar 7.277 inschrijvingen. Zouden er dan tienduizend personen buiten de bolwerken ergens in de polder zijn begraven? Pestlijders werden blijkbaar per schip aangevoerd naar het Pesthuis, maar dat de anonieme lijken per schip zijn afgevoerd is niet erg waarschijnlijk. Misschien ging het om naamloze kinderen, maar zouden de nabestaanden daar genoegen mee hebben genomen? Aan lijkverbranding deed men toen nog niet; iedereen werd zoveel mogelijk begraven in het geval van “wederopstanding”.
 
Buren van de Boomstraat verklaren dat 8,5 jaar eerder (in 1621) de kokermaker Hendricxsz vijf leden van zijn gezin had verloren aan de pest en hoe Hendricx haar zeevarende man had verloren en zelf aan het werk was als pestbewaarster. Ze trouwden vervolgens met elkaar.

Een jongeman die leed aan de pest verwondde zichzelf met een mes, zodat er een notariele akte werd opgemaakt.
N.B. 1621 staat niet als pestjaar te boek; het aantal begrafenissen was in dat jaar laag, namelijk 1751 en dat is ver onder het gemiddelde van 2141.
 

1650-1699

In 1651 zijn er maar 1820 begrafenissen geregistreerd, gemiddeld 35 per week, het laagste aantal uit de reeks. In eerste drie maanden van 1653 waren gemiddeld 395 stadsdoden te betreuren per week.  (In 1654 werd de medicus Nicolaas Tulp als burgemeester benoemd.) In 1655, een pestjaar, waren het 7.542 begrafenissen volgens de indexen. Het is het eerste jaar uit de 2e helft van de 17e eeuw met een bovengemiddeld sterfte. Commelin en Wagenaar vermeldden dat de stadskeuren werden vernieuwd (of aangepast).[AMSTERDAM, IN ZYNE OPKOMST, AANWAS, GESCHIEDENISSEN, VOORREGTEN, KOOPHANDEL] In de Bloem- en Anjelierstraat vielen 50 doden op een dag. De kerkhoven rond de Noorder- en de Westerkerk werden in augustus 1655 gesloten en in 1664 of later verplaatst naar de bolwerken Rijkeroord bij de Bloem- en Haerlem bij de Palmgracht.[De grote Uitleg van Amsterdam, p. 170-171, 198][J. van Eck (1948) De Amsterdamsche Schans & de Buitensingel, p. 41] Jean Coymans, kerkmeester van de Westerkerk, die rechtover de kerk en het kerkhof woonde zal ingenomen zijn geweest met deze beslissing. Of de kerkhoven meteen na augustus 1655 zijn aangelegd is onwaarschijnlijk. Tussen 1658 en 1662 zijn de bolwerken vernieuwd in verband met de Vierde Uitleg. De kerkhoven zijn niet daarvoor maar logischerwijze daarna aangelegd. Er is iets aan de hand met de cijfers van 1664; hoe kan Isaac Commelin melden dat er ca 6.000 personen zijn begraven op het Noorder- en Westerkerkhof, terwijl die nog niet bestonden? Het is bijna niet voor te stellen dat de lijken zijn gebruikt als ophogingsmateriaal.
 
In 1866 zijn deze kerkhoven gesloten, want ze lagen binnen de veste en te dicht bij de bebouwde kom. De Hervormde gemeente bestreed dat en wilde ze weer openstellen; ze lagen namelijk buiten de bebouwde kom, d.w.z over de lijnbanen ten westen van de Lijnbaansgracht.[Raad van State: afdeeling voor de geschillen van bestuur, p. 55-64] Bij een Koninklijk Besluit waarin de ligging precies omschreven was, werd de stad in het gelijk gesteld. Het Noorderkerkhof lag 24 meter van de bebouwde kom, dat is op of voorbij het tracé van de huidige Marnixstraat. Het Westerkerkhof lag slechts 10 meter van de de bebouwde kom (de lijnbaan Hector en de  daarbij behorende loodsen, één meter achter drie huizen aan de Schans.[Raad van State: afdeeling voor de geschillen van bestuur, p. 61, 63]  De foto hieronder van brug 118 geeft de situatie duidelijk weer. De drie huizen staan er nog steeds, Westerkade 24-25.
 
Brug 118 (maart 2017)
Brug 118 (maart 2017) Door Alf van Beem – Eigen werk, Publiek domein, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=59808064
In de Beeldbank is slechts een tekening te vinden van het Nieuwe Noorder of Palmkerkhof. Helaas is daarop helaas geen zerk te zien. Wel bomen, bossages en drijvende boomstammen, bestemd voor de zaagmolen?[https://archief.amsterdam/beeldbank/detail/32c88a77-bff4-422a-a126-865470d81d6a]  
 
De Jordaan had veel stegen en gangen naar dichtbevolkte achterhuizen, maar in de 17e eeuw ook tuinen, soms met een uitspanning of een kroeg, zoals de Drie Baarsjes, of de Franse tuin, beide in de Elandsstraat. De Jordaan was nooit met zand opgehoogd zoals de grachtengordel. De vochtigheid in de huizen en de  afvoer van overtollig regenwater was daardoor een probleem. De bewoners werden verplicht tot het schoonhouden van goten op zaterdagavond.
 
Volgens Noordegraaf & Valk in Bijlage III zouden er in 1655 tussen de 13 en 17.000 doden zijn te betreuren in dat jaar.[De Gave Gods, p. 103, 234] Zij zijn uitgegaan van het pamflet  dat voor het tweede half jaar van 1655 van 12.287 “stadsdooden” uitgaat.[De Gave Gods, p. 40] En van Wagenaar die vermeldde dat er 16.727 pestdoden waren, waarvan 13.508 in de eerste zes maanden.[J. Wagenaar, deel II, p. 593.] 
 
Dat niet alle begrafenissen geregistreerd zijn, is waarschijnlijk, maar dat Wagenaar’s schatting meer dan twee keer hoger, en het pamflet meer dan drie keer hoger ligt dan het aantal begrafenissen in de begraafregisters over dat jaar laat zien (7.542), is niet overtuigend. Het verschil is m.i. veel te groot. Daar moet een verklaring voor zijn.
 
Het Zieken en doodenboek behorende bij de Gasthuizen heeft geen cijfers voor de zomer, toen heerste er de builenpest maar geeft voor de herfst een gemiddelde van 160-190 stadsdoden per week.[Zieken en doodenboek 1655] Volgens Wagenaar waren het 322 per week; het pamflet ging uit van per 473 per week. Volgens de Indexen zijn het slechts 145 per week.
 
Er zouden alleen al in 1655 meer dan 4.745 personen niet op kerkhoven, maar in kuilen zijn begraven? Het St. Antonis- en Leidse kerkhof lagen tot 1663 buiten de bolwerken. Om nog een plek te creëren nog verder buiten de stad is onwaarschijnlijk. Of werden ze soms op het Noorder- en Westerkerkhof begraven die op de bolwerken lagen. Deze beide kerkhoven zijn op kaarten van Daniel Stalpaert uit 1662 en 1665 niet terug te vinden en ook niet op de prent van Zeeman en uitgegeven door Danckerts. De beide kerkhoven hebben hun oorsprong na 1665? Volgens J.E. Abrahamse had de stad te maken een groot tekort aan ophogingsmateriaal en is de oplevering uitgesteld.
 
In 1663 werden in totaal 988 personen begraven in de Noorder- en de Westerkerk, gemiddeld niet meer dan drie per dag. Volgens Isaac Commelin zouden op die twee mysterieuze “kerkhoven” in 1664 6.000 lijken zijn begraven. Volgens N. de Roever kon de koster of doodgraver van het Wester kerkhof niet schrijven en spellen. Zijn aantekeningen zijn lastig te interpreteren. Bovendien zouden de doden in de Westerkerk en op het Wester kerkhof door elkaar vermeld staan.[N. de Roever: „Nadere bizonderheden betreffende Jan Theunisz Blanckerhoff, (Jan-Maat).“ In: Oud-Holland, vol 1. p. 86-91.] 
 
By Daniel Stalpaert, published by Nicolaus Visscher, Amsterdam – University of Amsterdam Library, Public Domain, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=6775526
Ook volgens het Stadsarchief “stierven maandelijks duizenden burgers. Velen werden tegelijkertijd begraven waardoor het onmogelijk was om iedereen te registreren” in hun uitleg bij de [Begraafregisters voor 1811]. Dat zal opgaan voor de eerste helft van de 17e eeuw, maar minder voor de 2e helft.
 
Jerzy Gawronsky suggereerde: “Een mogelijke plek voor massagraven voor zieken (zonder grafnummers) zou het St Anthonieskerkhof bij de Nieuwe Herengracht (Hortus/Weesperstraat) kunnen zijn. Ook is bekend dat er buiten de muren voor [[het bolwerk] Jaap Hannes in de sompige Rietlanden massagraven waren.” Op het Sint Pieterskerkhof dat op Funen lag, op een terrein in eigendom het gelijkname klooster bij de Oude Turfmarkt, zijn voornamelijk doden uit het gasthuis begraven.[J. van Eck, p. 302] In 1804 is het Pestkerkhof bij de Overtoom naar een plek bij de Nieuwe Vaart tegenover de molen De Gooijer verplaatst.[M. de Roever & J. Bierenbroodspot (2004) De begraafplaatsen van Amsterdam, p. 19-20] Dat zou dan na het decreet van 23 Priarial XII (12 juni 1804) zijn geweest, waarbij ook het bestaan van het Wester- Noorderkerkhof in het geding was, te dicht bij de bebouwde kom. Het Karthuizer kerkhof is formeel opgeheven in 1804, maar de registers lopen door tot 1811.   
 

In 1655 zijn op het St Antoniskerkhof (hierna A) 1.967 personen begraven; 1.681 op het Karthuizer- (K) en  1.474 op het Leidsche kerkhof (L), bij de Passeerdersgracht. Van de 7.542 records zijn 5.123 op kerkhoven en slechts een derde (2.420) elders binnen de stad begraven, waarvan 687 in de Oude  en 854 in de Nieuwe kerk. Het nieuwe stadhuis op de Dam is in juli 1655 ingewijd;  gevolgd door een vervroegde kermis in de maand augustus.

De indruk wordt gewekt dat de stad en de kerken veel drukwerk hadden uitbesteed. De gravenmaker van St. Antonis kerkhof (A) en de koster van de Wester- en de Noorderkerk(hof) maakten  gebruik van voorgedrukte begraaf- en doopcedullen die bewaard zijn gebleven bij de boedelpapieren. Ook in het stadhuis bij ondertrouw, inschrijving in de poorterboeken en bij het opmaken van schuldbekentenissen werd gebruik gemaakt van voorgedrukte formulieren. Dat de administratie van de overledenen in de twee helft van de 17e eeuw (1663 en 1664) nog steeds een chaos was kan naar het rijk der fabelen worden verwezen.[Verklaring apotheker St. Pietergasthuis van een dode] Zie voor meer scans van  gedrukte begraafbriefjes de voorafgaande of volgende paginas hier.

Het eerste Diaconieweeshuis van de Hervormde gemeente stond aan de Binnen-Amstel op de hoek van de Zwanenburgerstraat. Het is gebouwd in 1656-1657 omdat er hevige epidemie woeden  waardoor veel kinderen wees waren geworden. Er werden daar jaarlijks 400-600 kinderen ondergebracht.
 
In 1656 is het gemiddelde aantal stadsdoden in oktober/november gestegen naar 266 per week. En in oktober/november 1663 gestegen zijn naar 370 per week? (De longpest had een voorkeur voor de herfst; de builenpest voor de zomer?) 
 
File:Plague Doctor.svg
De pestdokter (1656)
Jaren met oversterfte in de 2e helft van de 17e eeuw.

Vijf van de zes hier onder genoemde jaren zijn jaren met meer dan 10.000 begrafenissen.

  • 1663  7.983 doden volgens de Begraafregisters,  waarvan  5.453 op kerkhoven; 2.337 op het Karthuizer-, 1.578 op het St Antonis-, 1.248 op het Leidsche- en 337 op het Zuiderkerkhof; 290 in de Noorder-, 564 in de Wester-,  489 in de Nieuwe en  630 in de Oude kerk. Het begraafregister is tamelijk betrouwbaar, want Commelin vermeldde 7.952 stadsdoden,[VERVOLG Van de BESCHRYVING DER STADT AMSTERDAM By Caspar Commelin, p. 1181] Wagenaar vermeldde 7.942 en dat lijkt op een drukfout. 
  • 1664 Commelin vermeldde 24.148 doden. De begraafregisters tellen 13.527 doden, waarvan 9.927 op kerkhoven; 2.887 (K), meer dan 2.000 in de maanden september en oktober; 3.737 (A)-  en 2.877 (L). Driekwart van de Amsterdamse doden kwam op een van deze drie begraafplaatsen terecht volgens de Indexen; 424 in de Noorderkerk; 897 in de Oude en 903 in de Nieuwe Kerk; 147 in de Waalse kerk. (Aan sommige records is te zien dat het dubbeltellingen zijn; het gaat om dezelfde hugenoot, met een franse naam, maar anders geschreven.) Het begraafboek van het Karthuizer kerkhof over de eerste negen maanden is niet bewaard gebleven; Commelin veronderstel 7.414 begrafenissen in dat jaar. Dat zijn  gemiddeld twintig per dag. Op zondag 7 september zijn in Amsterdam 164 doden begraven, waarvan ca 86 op het Karthuizer; 46 op het St. Anthoniskerkhof; 28 en 19 op het Leidsche en Heiligeweg kerkhof; geen in de Oude en Nieuwe, Noorder- en Westerkerk, of O.Z. en N.Z. Kapel en maar 4 in de Zuiderkerk. 
  • 1664 Er is een tweede grafveld aangelegd bij het Pesthuis waar 1.282 begraven werden? Veel belangrijker waren het Karthuizer  met 7.141 en de verplaatste kerkhoven van de  Westerkerk  en Noorderkerk met 3.411 en 2.586 stadsdoden volgens Commelin. De indexen op het Noorderkerk bevatten 424 records en verdeeld over het hele jaar. Dat betekent dat acht per week de zerken van hun plaats kwamen. In de Oude en Nieuwe kerk was het twee keer per dag. Het betekende een belangrijke bron van inkomsten. Het blijft vooralsnog onduidelijk hoe ze er in slaagden binnen een jaar 13.411 personen te begraven aan de westkant van de stad, op de kerkhoven gelegen op de bolwerken of in de Jordaan. Hebben ze gebruik gemaakt van een zuur om het kalk op te lossen? Of zijn de aantallen toch overdreven? 
  • 1673 (10.799) waarvan 9.035 op kerkhoven; 1.722 (K), 1.754 (A) en 4.257 (L) en 437 in de Oude, 476 in de Nieuwe en 27 in de Oosterkerk
  • 1680 (10.002) waarvan 7.658 op kerkhoven; 2.781 (K), 1.393 (A) en 2.605 (L); 
  • 1681 (10.389) waarvan 8.054 op kerkhoven; 2.964 (K), 1.500 (A)  en 2.799 (L); 
  • 1691 (10.052) waarvan 8.104 op kerkhoven; 2.329 (K), 1.779 (A) en 2.673 (L); 

De tendens is duidelijk, minstens twee derde werd begraven op een kerkhof en vanuit een huis in de goedkope en dichtbevolkte Jordaan aan de westkant en de Lastage, Uilen-, Rapen-, Katten- en Wittenburg aan de oostkant van de stad. Het aantal begrafenissen in een kerk nam in die vijftig jaar blijkbaar iets  af. De kerkhoven bediende elk een vastgesteld deel van de stad, waar bedeelden doorgaans een vrij graf kregen.[M. de Roever & J. Bierenbroodspot (2004) De begraafplaatsen van Amsterdam, p. 16]

Gemiddeld zijn ca 6.688 doden per jaar – berekend aan de hand van de indexen op de DTB over vijftig jaar – of te wel 557 begrafenissen per maand, 129 begrafenissen per week of 18 per dag.
 
Op het Sint-Anthonieskerkhof stonden in tegenstelling tot de andere begraafplaatsen bomen. Paden en grafstenen ontbraken echter. Op 17 juli 1640 vond hier de eerste begrafenis plaats, waarna er nog duizenden volgden. Het waren voornamelijk arme stedelingen die hier begraven werden, meestal pestslachtoffers. Grafmonumenten waren voor deze doden niet weggelegd. Het kerkhof werd omgeven door een houten schutting waarin een dubbele deur toegang tot de begraafplaats gaf. De begraafplaats lag ingeklemd tussen Keizersgracht, Weesperstraat, Nieuwe Herengracht en de destijds belangrijke Muidergracht. De toegang lag aan de Weesperstraat, maar via het water was de begraafplaats ook te bereiken. In 1966 stuitte men bij de bouw van het studentenhuis aan de Weesperstraat weer op het kerkhof omdat er veel menselijke skeletresten werden aangetroffen.[https://pareau.nl/geschiedenis/st-anthonis-kerkhof/]
 
In 1661 begon het aantal begrafenissen te stijgen. In 1663 vielen de doden vooral in oktober en november toen de pest was uitgebroken. Dat de pest half oktober uitbrak komt bij de secretaris van de Admiraliteit en dagboekschrijver Samuel Pepys vandaan, die er op 29 oktober van hoorde.[https://www.ntvg.nl/sites/default/files/migrated/1964114930001a.pdf] De pest zou zijn binnengekomen met de vloot van Michiel de Ruyter na diens strafexpeditie langs de Noord-Afrikaanse kust en terugkwam met zieken volgens Commelin. De zieken lagen vooral op Kattenburg dat voor een groot deel in gebruik was bij de Admiraliteit en pas sinds 1661 werd bewoond. Dat soldaten een bron van besmetting vormden was ook toen al bekend, zie Kerkhoff. 
 
In juli/augustus waren het naar alle waarschijnlijkheid de mazelen die een hoge kindersterfte veroorzaakte. (Zie de begraafregisters van het Karthuizerkerkhof, bijv. op 31 juli 1663. Dat het om mazelen ging blijkt uit het dagboek van Jan Jacobsz Hinlopen, die toen een kind verloor en de oorzaak vermeldde. Maar ook de uitermate koude en natte zomer, gevolgd door een vrij zachte winter kan een rol hebben gespeeld. Pepys vermeldde dat het op 7 september buiten Londen al gevroren had, maar er zijn in Noord-Engeland ook in augustus vorstnachten geweest. Nachtvorst in augustus is heel uitzonderlijk, maar op 10 augustus 2016 kwam het op vliegveld Twente voor. 
 
Amsterdam zou in 1663 ca 137.000 – 192.000 inwoners hebben gehad. Het aantal inwoners is beslist niet duidelijk. Burgemeester waren Cornelis Vlaming van Oudshoorn, Joan van der Poll, Hendrick Dircksz. Spiegel en Symon van Hoorn. Wagenaar stelde het aantal “stadsdoden“, niet het aantal pestlijders, in 1663 op 9.742 en aanvankelijk meer dan 200 doden per week.3 Uit Commelin en het Zieken- en doodenboek blijkt dat het 9.752 had moeten zijn. Wagenaar kon honderd jaar later niet weten hoeveel pestlijders er tussen zaten. Dat was niet bijgehouden. In oktober/november vielen er in 9 weken bijna 3.000 stadsdoden, oftewel 330 per week. Dat zijn er 200 meer dan normaal per week (129)
 
Doch ‘t getal der dooden te Amsterdam bleef; doorgaands, verre over de tweehonderd ter weeke, in ‘t volgende voorjaar, en vermeerderde, in den zomer tot over de agthonderd, negenhonderd en duizend toe’.  In week 36 eind augustus 1664 was met 1041 stadsdoden een top bereikt. Het ligt voor de hand dat ook Wagenaar, Isaac Commelin en het pamflet uit 1664 heeft geraadpleegd maar zich voorzichtig uitdrukte. 
 
In juni werd een verbod uitgevaardig om nieuwe riolen op de grachten aan te sluiten.3 Het zou met een hoge waterstand te maken kunnen hebben gehad. In het jaar 1663 werden 290 personen begraven op het Noorderkerkhof  bij het bolwerk Haerlem.  In januari 1664 werden Zeeuwse schepen in Spanje en Portugal aan de ketting gelegd, terwijl de pest niet in Zeeland, maar in Amsterdam heerste.[Kerkhoff, p. 97, 99] Eind mei 1664 besloten de Zeeuwen geen goederen uit Amsterdam toe te laten. Ook Engeland, Schotland, Ierland, Frankrijk en Spanje hadden een verbod op handel met de Republiek uitgevaardigd, hetgeen tegenmaatregelen opriep.[Kerkhoff, p. 113-114] 
 
Kerkhoff citeert een klaagbrief van het gewest Utrecht uit 1664, toen grote delen van Nederland door een zware epidemie waren getroffen. De Spanjaarden weigerden toen nog langer schepen en goederen uit de Republiek toe te laten. De Utrechters protesteerden: het ging om een onterecht verspreid gerucht. Terwijl de ziekte in werkelijkheid ongenadig om zich heen sloeg protesteerden de Staten-Generaal bij de Spaanse ambassadeur tegen de onheuse bejegening.[A.H.M. Kerkhoff (2020) “Per imperatief plakaat”, p. 94]
 
In 1664 blijkt uit mijn analyse zijn het vooral de vijf maanden juli tot en met november, met ver over 1.000 begrafenissen per maand. Buisman kwalificeert het als een vrij warme zomer. Volgens het Zieken en Doodenboek begon het sterftecijfer te stijgen in week 26 om half november weer te dalen. Het pamflet gedrukt door B. Smient geeft voor de eerste 39 weken (drie kwartalen) cijfers:  3.039, 3.985, 10.799. Dat zijn bij elkaar 17.823 over de eerste drie kwartalen.
 
Het Zieken- en doodenboek stelt het aantal “stadsdoden”  op 9.752 voor 1663, in 1664 op 24.148 en 1694 op 7.866. Dat zijn ook de enige cijfers waarover men beschikte.[Zieken en doodenboek] Ook Commelin geeft 9.752, en 24.148. 
 
Het Zieken- en doodenboek van Gast- en Pesthuis, sedert Anno 1652 tot 1780 lijkt  gebaseerd op het pamflet De slaende hant Gods maar de weekcijfers voor 1664 komen niet helemaal overeen, merkwaardigerwijs wel het eindtotaal 24.148.[Het Archief van van de Gasthuizen 342. 7.1.1.3. inv. 1264, Perkament 1652-1780] Het voorwoord wordt Jan Wagenaar, de historicus aangehaald: “Men rekent dat ‘er van de 2000 zieken die, bij gewoone tijden, in ‘t Gasthuis komen, omtrent 400 sterven, en 1600 geneezen worden. Doch volgens een naauwkeuriger uitrekening blijkt dat in ‘t Gast- en Pest-huis, door elkander gerekend, van de 2000 menschen circa 330 sterven, dat is circa 1/6″. Maar Wagenaar was de auteur van de Beschrijvinge van Amsterdam, dat was Isaac Commelin!
 
Omdat er in 1664 m.i. maar 13.527 geregistreerde begrafenissen (Cranendonk telde er 14.669 en Commelin 24.148) zouden er tienduizend personen in massagraven terecht zijn gekomen? Als in de 17e eeuw bijna ieder kind gedoopt werd en ieder huwelijk werd ingeschreven, kan het bijna niet waar zijn dat het stadsbestuur dat bestond uit Symon van Hoorn, Geraerd Schaep, Andries de Graef en Hendrik Hooft, genoegen nam met 10.000 ongeregistreerde begrafenissen. Het pamflet de slaende hant (1664), Caspar Commelin (1693), Jan Wagenaar (1760-1767) en het Zieken- en doodenboek (1781), namen die getallen over.
 
Dat de burgemeesters enige kennis van zaken hadden en een goede inschatting maakten mag niet worden uitgesloten. In augustus of september 1664 schreven zij aan Lodewijk XIV dat het aantal doden niet eens twee maal het gebruikelijke was.3[Kerkhoff, p. 99] Een gemiddelde van 6.688 doden per jaar mocht verwacht worden. Het werkelijke aantal begraven personen bedroeg 13.527, 14.148 of 14.669 stadsdoden. Dat zijn meer, maar niettemin dichtbij de waarheid. In week 36 was het aantal stadsdoden 1.041, volgens Commelin en het pamflet. Dat was acht keer meer dan gemiddeld. Propaganda mag desalniettemin niet worden uitgesloten. 
 
Op 23 juli 1664 werd in een resolutie commissoriaal besloten dat een commissie van Statenleden zich over het pestprobleem moest buigen. Zij diende overleg te voeren met deskundige doctoren en chirurgijns en op basis daarvan een advies aan de steden op te stellen – veel meer kon een gewest niet doen. Men had haast en wilde alles in één zittingsperiode afhandelen. De Staten vroegen bijgevolg aan de (hier alfabetisch geordende) steden Alkmaar, Amsterdam, Gouda, Haarlem, Hoorn en Leiden om zo spoedig mogelijk een ervaren medicus of
chirurgijn naar Den Haag te sturen. De brief met het verzoek aan de steden werd op 28 juli in Gouda besproken (Bik, 1955: 107). Het was een verzoek ‘om een ervaren doctor medicinae naar Den Haag te zenden om prae-advys uit te brengen op de resolutie, behelzende middelen ende praecautien teghens het voortzetten van de pest’. 95 Formeel ging het dus niet om de kwestie van de quarantaine – maar alleen om de vraag wat men met de pest aan moest. De aangeschreven steden 96 stuurden hierop een medicus, zijnde ofwel een stadsarts of een medicus die nauw bij het bestuur betrokken was. Uit Den Haag, zelf geen stemgerechtigde stad, kwam ook een medicus – over wie straks meer. Leiden stuurde behalve een ‘gewone’ medicus twee hoogleraren. Alles ging volgens plan heel snel, want de doktoren kwamen reeds ‘op den laatste dag van juli’ met een rapport. Tijd om veel touw te trekken over de oorzaken van pest kreeg de medische adviescommissie dus niet. De gewestelijke subcommissie hield de vaart er vervolgens in. Reeds een week later, op 8 augustus, werd een plakkaat gepubliceerd dat als concept eerst nog de Statenvergadering had moeten passeren.[IJsbrand Van Diemerbroeck Verhandeling over de pest. Ingeleid, vertaald en van aantekeningen voorzien door Dr. A.H.M. Kerkhoff]
 
In de maanden juli, augustus en september lag het gemiddelde op 831 doden per week volgens het pamflet de slaende hant. In augustus verbood Frankrijk alle handel met de Zeeuwen.[Kerkhoff, p. 102-104] De Staten van Holland namen een resolutie aan; quarantainemaatregelen werden als onontkoombaar beschouwd. “Dagelijkse conversatie” moest worden vermeden. Doden in een pesthuis moesten buiten de stad diep worden begraven.[Kerkhoff, p. 105-106] Voorheen zou dat dus niet het geval zijn geweest? De Staten adviseerden dat de grenzen in de toekomst gesloten moesten worden voor mensen, schepen en goederen die uit een verdacht of besmet gebied binnen wilden komen.[Kerkhoff, p. 111] Het pamflet lijkt niet de bedoeling te hebben gehad Leiden zwart te maken,[Kerkhoff, p. 48] maar Amsterdam.
 
Week 36 (eind augustus – begin september) telde 1041 begrafenissen, volgens het pamflet en de regent van het Gasthuis Isaac Commelin.[Beschrijvinge van Amsterdam (1665), deel VI, p. 445] Dat was het dieptepunt en zes keer meer dan gemiddeld van 129 per week. Het pamflet, gedrukt bij Otto Barendsz. Smient een courantier, die in 1662 Handvesten, privilegien, octroyen, costumen en willekeuren der stad Amstelredam had gepubliceerd, geeft geen cijfers over het laatste kwartaal, maar ook oktober 1664 een was uitschieter.[https://archief.amsterdam/inventarissen/scans/342/7.1.1.3.3/start/10/limit/10/highlight/3] Het aantal begrafenissen liep in december sterk terug toen de kou inviel? Op het Karthuizerkerkhof zouden in 1664 volgens I. Commelin 7.414 personen begraven zijn. Geregistreerd in de Indexen zijn slechts een derde, namelijk 2.887 personen en wel in de laatste vier maanden.
 
 
File:Metsu, Gabriel - Sick Child, the.jpg
Gabriel Metsu Het zieke kind (ca 1660-1665)
“In 1664 schooide er in Groningen een landloper, die beweerde dat er in Amsterdam dagelijks 600 à 800 mensen aan de pest stierven”. Dat aantal is sterk overdreven, per week is iets waarschijnlijker, dat meldt ook het pamflet. (De burgemeesters haasten zich het te ontkennen.[Kerkhoff, p. 49]) In augustus 1664 waren er m.i. ca 1.800 begrafenissen, hetgeen duidt op minstens 450 begrafenissen per week. Als ik mijn te lage schatting corrigeer met 125, plus 225 ongeregisteerden kom ik uit 2150 in de maand augustus en ca 540 per week. Volgens de pamflettist steeg het aantal doden in week 32 (3-9 augustus) tot boven de 900. In de weken 32-35 zouden 3.746 doden zijn te betreuren. Dat zijn er nog steeds 134 per dag of 936 per week. 936 – 540 =  400 doden zouden niet op het kerkhof terecht zijn gekomen, maar in een massagraven op of buiten de bolwerken?
 
Op 27 augustus 1664 schrijft Elie Richard uit Amsterdam naar Parijs; ‘Le nombre des morts de la semaine passée est montée à 933’6. Het cijfer is in overeenstemming met een uit dat jaar gemaakte en gedrukte lijst met aantallen doden7. We vinden het ook in de brief die S. Hill twee dagen eerder aan zijn broer in Londen schreef. Op 12 september van hetzelfde jaar meldt Hill zijn broer: ‘Last week here dyed 1041 and we are fearfull it will increase much more this week’8. Ook dit geval vinden we op de lijst. Over fantasie en overdrijving in het schatten van het dodental is in het voorafgaande echter al genoeg gezegd om onze veronderstelling meer dan plausibel te maken9.[L. Noordegraaf & G. Valk (1996) De Gave Gods, p. 98, 40
 

In september vielen naar schatting 2.800 + gecorrigeerd met 350 doden = 3.150. Volgens de pamflettist stierven 3800 personen in die maand. Zouden er dan 650 personen in een massagraf terecht zijn gekomen? De indruk wordt gewekt dat massagraven geen geaccepteerd verschijnsel waren in de 17e eeuw. De gedachte in een massagraf terecht te komen verontruste velen. 

Bij elkaar opgeteld zijn er beide jaren 1663 en 1664 21.510 records bewaard gebleven. Omdat ca. 13.376 gemiddeld zou (2x 6.688) zijn, bedroeg de oversterfte m.i. dus minimaal 8.134 personen. Die zijn met  grote waarschijnlijkheid aan de zwarte dood overleden. Maar de sterftecijfers liggen nog hoger vanwege het aantal ontbrekende begraafboeken. Van de Nieuwe Zijds Kapel zijn de begraafregisters pas vanaf 1657 zijn overgeleverd. Dudok van Heel vermeldde dat ook de begraafregisters van de  Noorderkerk en kerkhof vóór mei 1662, Zuider kerkhof geheel, Wester kerkhof vóór febr. 1668, Karthuizer kerkhof jan.-sept. 1664 ontbreken.6 O.a. Gerrit Uylenburg, Coenraad van Beuningen en Gerard Blasius kochten een tuin buiten de St Antoniespoort, nu de Plantage, waar zij zich konden verpozen, terugtrekken of groente verbouwen.
 
Ik ga ervan uit dat de kosters en doodgravers in 1664 het gemiddeld twee of drie keer zo druk hadden, maar in augustus, september en oktober vijf keer drukker en dat niet iedere begrafenis geregistreerd werd (verzuim). De koster van het Karthuizer vermeldde wel de leeftijd van de kinderen en de koster van de Noorderkerk maakte aan het eind van het jaar een balans op en vermeldde vaak het aantal (jonge en oude) doden; meestal een getal dat niet overeenkomt met de indexen. Voor roef en baar moest meer worden betaald. Voor kinderen die “onder de arm” werden ingebracht behoefde men minder te betalen. De kosters werden geacht door te geven of er wezen achterbleven.
 
Dat er 10.500 personen in een massagraven terecht zijn gekomen, waarover niets bekend is, is niet erg geloofwaardig. Het is waarschijnlijk dat de pamflettist via Isaac Commelin aan zijn gegevens is gekomen. Dat was een regent van het St. Pietersgasthuis, maar ook collega drukker en uitgever. 
 
In 1665 brak de grote pest uit in Londen. Pepys en Daniel Defoe vermeldden dat de ziekte eind 1664 uit Amsterdam was importeerd op een schip beladen met katoen dat daar in de haven aankwam.
 
In Amsterdam waren ook 1666, 1668, 1669, 1671 jaren met bovengemiddelde sterftecijfers, mogelijk het gevolg van ‘gewone’ najaarskoortsen.[Kerkhoff, p. 224] 
 
File:The bubonic plague by Athanasius Kircher.jpg
Ook Athenasius Kircher zag vleermuizen en ratten als veroorzakers van de ziekte.
 
In 1673 is het niet de pest, maar een andere niet nader benoemde ziekte die meer dan 10.000 slachtoffers eistte. De ziekte houd het hele jaar aan, met een piek in juli en augustus. Er is zelfs sprake van de Ingebeelde Ziekte, op de planken gebracht door Molière, die bij de vierde voorstelling vanwege een interne bloeding op het podium in elkaar zakte. Het thema speelde; zie de Ongeneeslijke ziekte, een prent in het Rijksmuseum. In Gouda bleek de pest nog wel een rol te spelen in dat jaar. Wagenaar en Buisman vermelden geen bijzonderheden, alhoewel het aantal begrafenissen in Amsterdam opliep. Cranendonk maakte gebruik van een eerder versie van de Indexen, waarbij nog wel op maand kon worden gesorteeerd; negen maanden met meer dan 1.000 begrafenissen. 
 
 
1678 en 1679 zijn weer jaren met bovengemiddelde sterfte, bijna 10.000 doden gevolgd door een echte uitschieter.
 
In 1680 zijn het weer oktober, november en december met de hoogste aantallen (ca 1.220, 1.424 en 1.600). Het zieken- en doodenboek van het Pest- en Gasthuis stelt het aantal zieken op 17.643 en 14.862. Was het soms een griepepidemie? En gevolgd door een strenge winter.  December 1680 en januari 1681 waren extreem koud. [Buisman, deel V p. 860]
 
In 1681 vallen de meeste slachtoffers in het voorjaar; januari (ca 1.500), februari (ca 1.000) en maart (ca 900). Er is een begin gemaakt met de bouw van het Oude Besjeshuis, lange tijd bekend als de Amstelhof, nu de Hermitage.
 
1691 is weer een uitschieter met hevige kou in februari. Het weer beinvloedde het aantal stadsdoden nauwelijks; pas in oktober, november stegen de aantallen. Vijf strenge winters in tien jaar tijd lijken de sterftecijfers nauwelijks te hebben beinvloed, Amsterdam telde zelden meer dan 200 stadsdoden per week.
 
 
In de periode 1675-1699 zijn maar zes jaren die onder het gemiddelde liggen, namelijk 1677, 1683, 1688, 1689, 1690, 1697. In 1700 telde Amsterdam slechts 5232 begrafenissen, en zou pas in 1719 weer boven de 10.000 uitkomen, maar die jaren vallen buiten dit bestek.7
 
 
  1. In de eerste helft van de 17e eeuw waren het in totaal 107.036 begrafenissen; in de tweede helft 334.420. In de eerste helft van de 18e eeuw 457.511; de tweede helft telde 486.302 begrafenissen. Dat zijn in totaal 1.389.866 begrafenissen en gemiddeld 6.950 per jaar.
  2. P.J. Scheltema(1859) “Eenige geschiedenissen van Amsterdam in het kort beschreven” p. 19
  3. J. Wagenaar, Amsterdam in zyne opkomst, deel 1 (Amsterdam 1760), blz. 605.
  4. J. Wagenaar, Amsterdam in zyne opkomst, deel 1 (Amsterdam 1760), blz. 605.
  5. J. Wagenaar, Amsterdam in zyne opkomst, deel 1 (Amsterdam 1760), blz. 605.
  6. WILLEM DROST, EEN ONGRIJPBAAR REMBRANDT-LEERLING door S.A.C. Dudok van Heel. In: Maandblad Amstelodamum 1992, p. 19
  7. De periode 1700-1749 heeft een gemiddelde sterfte van 9150 per jaar, dat zijn gemiddeld 25 registreerde begrafenissen per dag. De aantallen stegen opvallend in het tweede kwartaal van die eeuw met (oktober en november) 1727 als absoluut dieptepunt. In de tweede helft van de 18e eeuw vallen vooral 1780-1781 op met meer dan 13.000 begrafenissen per jaar en gemiddeld 37 begrafenissen per dag.

 260 total views,  2 views today

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *