Clifford & Zoonen

Joris Clifford (16231680) was afkomstig uit Stow, Lincolnshire, waar zijn vader Henry rector was of uit Landbeach, ten noorden van Cambridge. Rond 1640 kwam hij naar Amsterdam en trouwde  in 1648 met Abigael Witcocx, de weduwe vanJan Wilcous, een varensgezel. Zij was de dochter van Willem en Jannetje Bouwens, woonachtig op de Zeedijk. Zij hadden zeker acht kinderen: Henry (1649-1681), Hester (1651-), Willem (1652-1698) ; Helena (1655-), George (1657-1727), Abigael (1660-1670), Elisabeth (1664-) en Isaack (1665-Beverwijk, 1729). In 1664 handelde hij op Barbados.[NA 5075-2157, f. 157-8 Minuutacten JOHANNES D’AMOUR, 29 June 1664] Tot 1680 woonden de familie op de Zeedijk, niet ver van de Vredenburgersteeg. Zijn weduwe is vier dagen later begraven, maar er is ook nog een kleinkind overleden op ‘t Singel. N.B. 1680 was een jaar met oversterfte, maar het was niet de pest.

Er is een belangrijke boedelinventaris met veel contant geld, familieportretten, porselein, katoen, linnen, zilver, goud, specerijen, kruiden, medicinale en drogisterijartikelen, tabak, suiker, thee, indigo, drakenbloed (een kleurstof) en enkele schilderijen van o.a. Van Beerstraten en Saverij. Diverse produkten waren gemerkt want eigendom van kooplieden in Londen; de tabak kwam uit Maryland en de suiker en katoen uit Barbados.  [https://archief.amsterdam/archief/5075/2411B]

File:Engelse Quakers en tabak planters in Barbados 499 (NYPL Hades-118549-54676).tif
The Miriam and Ira D. Wallach Division of Art, Prints and Photographs: Print Collection, The New York Public Library. (1726). Engelse Quakers en tabak planters in Barbados 499. Retrieved from https://digitalcollections.nypl.org/items/510d47d9-7c05-a3d9-e040-e00a18064a99

George Clifford II (1657-1727) begon zijn carrière op de Leliegracht. In 1682 trouwde hij Anna Maria van Schuijlenburgh (-1701). Tien jaar later woonde hij op de Herengracht bij de Driekoningenstraat? Zij hadden een een dochter  (1683-) en een zoon, de beroemde botanicus. 

In september 1695 leenden de Engelsen via de Wisselbank 200.000 pond sterling in Amsterdam.28 Deze lening is niet verantwoord in de boeken van de Wisselbank en is naar alle waarschijnlijkheid, evenals latere leningen, geen lening van de Wisselbank, maar een lening van de Staten Generaal, afgesloten door de ontvanger-generaal van de Republiek, Cornelis de Jonge van Ellemeet, en aan hem afgelost via zijn rekening bij de Amsterdamse Wisselbank door George Clifford, de Amsterdamse agent van de Bank of England.29 Behalve de ‘large scale arbitrage between bills and bullion’ die Quinn traceerde, bestond er dus een synchronisatie van betalingen via de Wisselbank waarmee de rekeninghouders van de bank nadelen van de wisselkoersveranderingen konden intomen.[P. Dehing, p. 241, 358]

Al in 1700 werd hij gewezen koopman in Suriname genoemd. Vanaf 1701 zetten George en Isaäc  hun vaders handelszaak voort onder de firmanaam George en Isaäc Clifford & Co. In 1703 kocht hij een huis in de Gouden Bocht (Herengracht 472, gelegen naast het Goethe Instituut). In 1708 kocht hij Keizersgracht 575, direct daarachter gelegen. Kocht in 1709 de buitenplaats de Hartekamp van Johan Jacobsz Hinlopen, eveneens een botanicus (1648 – 1709). In 1713 sloot de firma een lening af van 2,5 miljoen gulden tegen 8% met keizer Karel VI en August III van Polen. In 1713 gingen de twee broers uit elkaar, naar Elias  vermoedt ten gevolge van het aanknopen door George van onderhandelingen met de Oostenrijkse monarchie tot het sluiten van een lening. Isaac sloot in 1720 een lening met kooplieden in Rusland, woonde Keizersgracht 601-605.

De firma had in 1707 het grootste tegoed bij de Wisselbank; in 1716 voorbijgestreefd door Andries Pels & Zoonen; in 1726 gezakt naar de tiende plaats.[Dehing_Binnenwerk DEF compleet.indb, p. 412]

Gerrit Adriaensz. Berckheyde. De bocht van de Herengracht te Amsterdam. 1685. 

Hun enige zoon was George Clifford III (1685-1760)  vooral bekend als liefhebber en beoefenaar van de plantkunde en natuurlijke historie, in 1707 getrouwd met Johanna Bouwens (-1714). Het echtpaar had zes kinderen: George IV (1708-1757), Joanna (1709-1767), Jan (1710-1772), Henry (1711-1787), Pieter (1712-1788) de laatste eigenaar van de Hartekamp.

De Hartekamp

Hij woonde op Herengracht 472 en op de Hartekamp in Heemstede en had Carolus Linnaeus in dienst als hortulanus en kruidendokter tussen september 1735-oktober 1738, die daar de Hortus Cliffortianus schreef. In 1743 verhuisde hij naar de Keizersgracht 575. In 1751 werd Clifford commissaris bij de Hortus Botanicus. In 1752 trouwde hij met Constantia Catharina Sautijn. In 1758 kwam hij aan het hoofd van het handelshuis Deutz, nadat Willem Gideon Deutz in het voorafgaande jaar was overleden. De negotiaties (met grote schulden) op Suriname kwamen onder het beheer van de Gebr. van Marselis. In 1734, 1739, 1740, 1747 en 1762 zijn leningen aan Oostenrijk verstrekt in de vorm van obligaties; in 1763 aan Denemarken.[Documenten inzake geldleningen aan keizer Karel de Zesde en keizerin Maria Theresia; kwikzilver, 05-04-1773

Zie ook rommelhypotheek of ninjakrediet. Het betreft hypotheken waarbij hypotheeknemers bereid waren een groot risico op afbetalingsproblemen van de hypotheekgever te nemen.

File:Interieur, achtersalon - Heemstede - 20104837 - RCE.jpg

Hartekamp: Interieur, achtersalon

Het fonds W.G. Deutz (1753-1863) kreeg een kapitaal van f 3.756.000 en verstrekte 6% hypotheken aan planters. Het keerde netjes uit, als zouden de planters keurig hun rente betalen (aflossing zou pas in 1763 beginnen) maar het boekenonderzoek in 1758 [na zijn overlijden] leerde dat de planters geen cent hadden betaald en dat W.G. de negen ton had voorgeschoten om de koers niet te bederven. Koersmanipulatie is fraude. W.G. Deutz had dus ruim f 8 mln. Nederlands vermogen verprutst. Het plantagefonds ging naar de Marselis en de rest (het kwikzilver) ging naar George Clifford?

De door Deutz verschafte plantagelening is nog door honderd andere gevolgd, maar bij zijn overlijden bleken zijn zaken in geëmbrouilleerde staat te verkeren, zodat zijn erfenis door de erfgenamen – de burgemeester was ongetrouwd – onder voorwaarden, aanvaard werd.

*George Clifford IV (1708-5 december 1757), lid fa. George Clifford & Zoonen, raad en schepen van Amsterdam, trouwde in 1728 met Anna Sara Treschow (-1766). Kontrakt met vader en twee broers Jan & Henry in 1733 voor tien jaar. In 1735 is een lening aan het Poolse Dantzig verstrekt. In 1743 verhuisde hij naar het pand Herengracht 472. De firma handelde op Frankrijk, Engeland en Spanje. In 1748 is een Traktaat met Rusland gesloten.1 In 1751 had de firma een conflict over de naamgeving.[https://archief.amsterdam/archief/5075/9219] In 1753 is het kontrakt verbroken. In 1757 is een nieuw contract gesloten en is uitgebreid met George jr. die zich bezig hield met de handel op Egypte en Turkije, maar later Rusland?[https://archief.amsterdam/archief/5075/9167][https://archief.amsterdam/archief/5075/9253] De weduwe bewoonde Herengracht 508. Het echtpaar had vijf kinderen, drie zonen:
**George Clifford V (1736-1782), schepen van Amsterdam, secretaris van de assurantiekamer. Startte vermoedelijk de negotiatie op de Deense tollen in 1765.[Haerlemse courante 20-08-1772 ] Ging in 1769 een samenwerking aan met Jacques Teysset en met Herman van Seppenwolde op de Keizersgracht bij de Groenlandse pakhuizen; in 1777 verlengd.
**Gerard Clifford (1738-1770), koopman en assuradeur; trouwde in 1768 Sara Maria van de Poll. Woonde op de Herengracht bij de Vijzelstraat of Keizersgracht 575? 2 Van de Poll moest uit eigen zak de schade aanvullen. De firma Harman Van de Poll heeft naar alle waarschijnlijkheid veel geld verdiend in Suriname als bemiddelaars tussen kopers en verkopers en aan planters die hypotheken namen. Het aantal akte’s op hun naam uit de periode 1760-1770 met betrekking tot Suriname is aanzienlijk. In 1765 werd door de firma 3,5 miljoen gulden omgezet bij de Amsterdamse Wisselbank.]

File:Keizersgracht 573.JPG
Keizersgracht 573-575

Nederlandse beleggers zouden tussen 1751 en 1773 meer dan 20 mogelijk 60 miljoen gulden in Suriname investeren. Een groot deel van dat geleende geld gebruikten de planters om slaven te kopen, volgens “De Geschiedenis van de Nederlandse slavenhandel” door Piet Emmer. Ook de Engelse en Franse plantagekoloniën beleefden in die tijd een formidabele economische expansie. In Suriname kwam aan die groei echter een abrupt een einde, doordat de planters in die kolonie op den duur niet in staat bleken de rente van het geleende geld te betalen, laat staan een begin te maken met de aflossing van de hoofdsom.

Van de 36 kooplieden-bankiers die in de jaren 1765-1771 voor meer f 10.000 aan wissels accepteerden, zijn er ons minstens 26 bekend als directeuren van Westindische negotiaties, o.a. Jan & Theodoor van Marselis, Harman van de Poll & Соmр., en Willem Clifford & Rudolf le Chevalier.3 
Door de concentratie van de kredietverlening en wisselacceptatie in Amsterdam moest de kredietcrisis van 1773 wel een grote ontreddering in de kolonie teweegbrengen. De wissel was niet alleen betaalmiddel in het economische verkeer met de Republiek, maar circuleerde ook als zodanig in de kolonie zelf. Het muntgeld verdween steeds weer uit de koloniale circulatie, omdat het in grote hoeveelheden in betaling werd gegeven aan de schippers uit patria.4 Ook de interkoloniale handel die Suriname een nadelig saldo opleverde, zal hieraan mede schuldig zijn geweest In zulke omstandigheden moest de wisselbrief een fel begeerd betaalmiddel worden, dat echter evenals het muntgeld in tijden van gering krediet opgeld deed.5

De negotiatie kwam in de laatste helft van de achttiende eeuw tot grote bloei. In deze periode ontstond grote behoefte aan kapitaal ter investering in de West-Indische plantages te Suriname, Essequibo, Demarara en Berbice. Vermogende initiatiefnemers verzamelden een fonds van vaak verschillende miljoenen guldens door de uitgifte van aandelen in de negotiatie, waarbij zijzelf de directie voerden. Met de verzamelde gelden sloot de directie vervolgens hypotheken af op plantages tot een deel van de geschatte waarde, tegen vergoeding van rente. Tot zekerheid van de rentebetalingen dienden de planters hun producten aan de directie te consigneren, die de goederen verkocht en de opbrengst verrekende met de rente. De geldschieters verbonden zich om gedurende langere tijd hun kapitaal niet op te vragen en ontvingen op hun beurt rente over het uitstaande kapitaal, alsmede jaarlijks een aflossing. De plantage-negotiaties (ook wel plantageleningen genoemd) kenmerkten zich door hun hybride vorm; enerzijds was hun organisatievorm geschoeid op de leest van de vennootschap op aandelen, anderzijds verschilden zij op essentiële onderdelen daarvan. De aandelen waren over het algemeen 1.000 gulden groot en opvolgend genummerd. Zij werden veelal niet op naam gesteld maar aan toonder en voor zover zij al op naam stonden, konden zij toch als toonderaandelen worden beschouwd omdat de overdracht niet in het register van de negotiatie behoefde te worden ingeschreven. De aandelen gaven geen recht op dividend maar op een vast rentepercentage. De negotiatie was dus een soort beleggingsmaatschappij op obligaties. [Het vennootschapsrecht van Holland door H.W. Punt (2010)]

Een negotiatielening was een hypothecaire lening, waarbij een planter geld leende voor de oprichting van een nieuwe plantage of de uitbreiding van een al bestaande plantage. De plantage (grond, gebouwen en  slaafgemaakten) vormden het onderpand van de lening. Anders dan bij een gewone lening, leenden zij echter niet hun eigen kapitaal uit. In plaats daarvan haalden zij het benodigde kapitaal op door een fonds op te richten en obligaties uit te schrijven. [Het slavernijverleden van historische voorlopers van ABN AMRO. Een onderzoek naar Hope & Co en R. Mees & Zoonen, p. 27]

*Jan Clifford (1710-21 september 1772), lid fa. Clifford & Zoonen, schepen, bewindhebber VOC, ambachtsheer van Oudekerk. Trouwde in 1737 met Anna Wolters (1717-1789) en woonde toen Herengracht 619. Hij erfde het pand Herengracht 472 bij de boedelscheiding in 1760. In 1767 kocht hij de buitenplaats Oosterhout bij Haarlem. Hij was burgemeester van Amsterdam in 1768 maar ook 1771, volgens de Amsterdamse courant van 02-02-1771, een jaar dat Wagenaar niet meer behandelde . (Zijn zoon Willem werd in 1768 benoemd in de Boedelkamer.) Na plotseling overlijden van haar man erfde zij en de kinderen vier tonnen goud.[Solutien aan den Hove van Holland overgegeeven, p. 43] Daarbij zij niet begrepen de 190.000 gulden privé schulden die hij had opgelopen en op dubieuze wijze zijn overgenomen door de bank.[Solutien aan den Hove van Holland overgegeeven]

De Cliffords hebben vervolgens de gebroeders Muilman benaderd om een half miljoen te investeren in aandelen van de Engelse Oostindische Compagnie.[Nadere memorie aan den Hove van Holland overgegeven, p. 20, 48 ] Muilman trok begin oktober 518.000 gulden op Clifford via Herman van Seppenwolde die toen mede aansprakelijk was voor een periode van drie maanden.[Deductie, gedaan maken, en den Hogen Raade in Holland, p. 2, 33][Nadere memorie aan den Hove van Holland overgegeven, p. 72] [Solutien, p. 59]  Clifford accepteerde te betalen; de vervaldatum was januari 1773. Van Seppenwolde verleende wisselbrieven die niet of laat werden overgeschreven of op twee namen stonden en onbetaald bleven.[Deductie, gedaan maken, en den Hogen Raade in Holland, p. 66] Muilman kocht voor 230.000 pond aandelen in de East India Company. Muilman had de keuze en procedeerde tegen Herman van Seppenwolde, maar het huis Clifford kreeg geen uitstel van betaling.[Deductie, gedaan maken, en den Hogen Raade in Holland, p. 30, 77, 89] Van Seppenwolde kreeg de wisselbrieven terug en moet opnieuw geld zoeken. De Cliffords hebben geen actie ondernomen tegen Van Seppenwolde. In 1775 begon het proces tegen hem en hij is 1782 veroordeeld tot de betaling van de proceskosten.[Vonnisse van scheepenen der stad Amsterdam […] in de zaake van Nicolaas Muilman] De oorzaak lag aan verzuim en in wanbegrip.[Deductie, gedaan maken, en den Hogen Raade in Holland, p. 106]

Na het opzienbarende faillissement van de firma is het pand op de Herengracht midden 1773 door de weduwe voor f 97.500 verkocht.

File:Portret van een man, waarschijnlijk Jan Clifford (1710-1772).jpg
Mogelijk Jan Clifford in 1739 door Balthasar Denner

Op dinsdag 22 december 1772 staakte het grote en van ouds bekende bankiershuis Clifford & Zonen zijn betalingen.[ Elias p. 883. ] Volgens Van Dillen (p. 611-613) veroorzaakte dit nog veel meer opzien en verwarring dan het faillissement van De Neufville in 1763. Burgemeester Jan Clifford, het kort te voren overleden hoofd van de firma, had blijkbaar te veel krediet verleend op minder solide wissels. Veel is hieromtrent niet bekend, doch het is niet onwaarschijnlijk dat deze accepten op Surinaamse plantages betrekking hadden. [Ook zijn tuinman en de gouvernante bezaten aandelen in Surinaamse negotiatiefondsen.] Zeker is, dat de beide zonen van Clifford na de dood van hun vader [oktober/november] getracht hebben het gat te stoppen door privé gewaagde speculaties in Engelse fondsen te ondernemen. De voortdurende daling van deze fondsen heeft echter de speculatie doen mislukken zodat de bom tenslotte moest barsten.[Nadere memorie aan den Hove van Holland, p. 26-27, 32-34, 70] [Solutien aan den Hove van Holland , p. 9-10, 40-41, 65]

Op 12 juli 1771 gingen Henric (1722-1783), zijn zoon Jan Bernd Bicker (1746-1812) en zijn broer Jan Bernd Bicker (1733-1774) een compagnieschap aan op naam van Andries Pels & Zonen. Zij kochten in Londen aandelen in de East India Compagnie. Pels nam daarvoor het handelshuis/betaalkantoor Clifford in de arm en hun neven Muilman op Herengracht 258.[Gedenkzuil der noodlottige koopjaaren, p. 88-] De 26-jarige Willem Clifford en zijn partner Rudolf le Chevalier maakten verlies op plantageleningen en wilde dat met met een investering in een EIC goed maken.[Koudijs & Voth (2011) Optimal delay: distressed trading in 18th c. Amsterdam, p. 6-7] Clifford en firma Ter Borch steunden Herman van Seppenwolde. Seppenwolde's waren vervolgens betrokken bij een beschuldiging aan George Clifford en de gebroeders Gerard en Joshua van Neck in Londen.[18 mei 1770 https://archief.amsterdam/archief/5075/15588] In 1770 leenden de gebroeders Seppenwolde f 300.000 van de stad Rotterdam. (Volgens Koudijs & Voth, p. 20-22 ook f 95.000 van Maatschappij van Assurantie, Discontering en Beleening der Stad Rotterdam; f 100.000 van de weduwe Meerman.) Hij investesteerde in de Engelse EIC en de Bank of England. 1771 en 1772 zijn crisisjaren, misoogsten en duurte. Geen enkele Amsterdamse koopman kon 50.000 gulden cash bijelkaar krijgen.[Legislating Instability: Adam Smith, Free Banking, and the Financial Crisis ... By Tyler Beck Goodspeed, p. 11] Langdurige kou in de eerste helft van 1772. In de tweede helft van 1772 begonnen de prijzen op plantageleningen te dalen tot eind 1773? Seppenwolde en de firma ter Borch gingen bankroet.[The Merchant Republics: Amsterdam, Antwerp, and Hamburg, 1648–1790 By Mary Lindemann, p. 270] [Lijst van plantageleningen, no 21 33, het verlies op de Surinaamse plantages was niet de belangrijkste oorzaak van het faillissement van Ter Borch, zoals Van Dillen, Van Rijkdom en regenten, a w., blz. 612, veronderstelt, maar zoals hierna blijkt op Deense plantages.] Clifford sloot op 22 december 1772 zijn deuren.[J.P. van de Voort (1973) DE WESTINDISCHE PLANTAGES van 1720 tot 1795, p. 153-155]
Abraham ter Borch (1682-1748) woonde op de Kloveniersburgwal en Oude Turfmarkt en was bewindhebber van de WIC. Zijn weduwe dreef de firma tot 1769, toen zij stierf. De zaken zijn voortgezet door Pieter en Abraham onder de oude naam.

Abraham ter Borch & Zoonen: (Abraham (1717-) en zijn broers Pieter (1732-1809) en Gerard (1733-1760) op de Keizersgracht bij het Huis met de hoofden) hebben in 1767, 1771 en 1772 f 8 483 919 genegotieerd voor de Deens-Amerikaanse eilanden (voornamelijk op Saint Croix, niet ver van Saba en St. Eustasius) en f 100.000 voor Suriname. Op 27 december 1772, vlak na Kerst, staakte deze firma de betalingen.

**George Jansz Clifford (1738-1780) was in 1769 koopman in Londen, maar trad in dienst van de VOC. Hij ging in 1774 naar Batavia en stierf aldaar.

**Jan Albertus Clifford (1741-1806), schepen van Amsterdam, trouwde Maria Dorethea Muilman, woonde op de Keizersgracht, lid Clifford & Zoonen, slechte boekhouder
**Pieter Clifford Jansz. (1743-1782) woonde rond 1768 in London, trouwde in 1770 Catharina Bouwens (-1766); lid Clifford & Zoonen, speculeerde in aandelen EIC, weinig kunde van boekhouden en maakte verwarde notities van zijn administratie; bezat een onbenullige bibliotheek.[Solutien aan den Hove van Holland overgegeeven, p. 22, 32 ] Woonde in 1776 op de Binnen-Amstel bij de Kerkstraat, verhuisde vervolgens naar het Singel over de Appelmarkt .
**Willem Clifford (1746-1810 in Parijs) werkte vanaf 20 mei 1767 samen met Rudolph le Chevalier op het gebied van hypotheken.6 Zij waren  directeuren van de negotiatieleningen met E.A. van Berckel, stadspensionaris, Abraham Bredius en Theodoor Boedermaker als commissarissen; hypotheken afgesloten op de plantages Egypten, Goede Hoop, La Sangsue, Tourtonne, Coresburg, Toute Manque, Vuide Bouteille en Moeijte en Sorg;  ca. 17 plantages, kapitaal: f 2.505.000.7 De planters betaalden 6% interest, de investeerders kregen 5%.[B. Hoonhout, p. 94] In 1768 was hij commissaris van de Desolate Boedelkamer; eind januari 1769 is hij benoemd als hun secretaris.[Mercurius, p. 17] Op 1 oktober 1769 gaven hij en Le Chevalier 2.500 blanco obligaties uit, niet op naam maar aan toonder. Ze zijn geveild  in het OZ. Herenlogement.[Mercurius, p. 137, 138] Er zijn in  totaal zijn 69 personen opgenomen in een contract die op de persoon van iemand anders 1.000 gulden inlegden.8 Blijkbaar is er een kapitaal van 2.505.000 gulden bijelkaar gebracht.[J.P. van de Voort (1973) DE WESTINDISCHE PLANTAGES van 1720 tot 1795, p. 282] Op 31 december 1771/c.q. 10 juni 1772 hield de samenwerking op met Chevalier.9 (Dat was n.b. een dag later als Alexander Fordyce zijn betalingen stopte in Londen en naar Frankrijk was gevlucht.) In juli 1772 daalden de koersen op hun plantageleningen onder de 100%; in april 1773 tot 80% en in september 1773 waren de aandelen een derde minder waard (65%), maar dat was ook het geval bij de VOC-aandelen en het fonds van Abraham ter Borch op de Deens-Amerikaanse eilanden.[De Maandelykse Nederlandische Mercurius, Bände 32-35] [Maandelijkse Nederlandsche Mercurius, Band 12]

Deze Fordyce werkte blijkbaar op dezelfde manier als Clifford en had op 3 juli 1770 een lening gesloten bij Hope & Co. voor 2 x 120.000 gulden voor de planters John en William Macintosh op Grenada.{https://archief.amsterdam/archief/5075/12392] Hope & Co. verschafte vooral geld ten dienste van planters op de Deense eilanden, later ook op enkele Engelse. [AMSTERDAMSCHE BANKIERS EN DE WEST IN DE 18e EEUW DOOR C. K. KESLER (1626), p. 512] De planters misbruikten het systeem door voor een dag slaven te lenen om hun kredietwaardigheid op te vijzelen.

In de eerste helft van de 18e eeuw raakte bijna iedere Amsterdamse regentenfamilie verwant. Uit het Kohier van de Personeele Quotisatie blijkt dat rentenieren een heel gewoon verschijnsel was in de toplaag. Vrouwen blijken opvallend vaak betrokken te zijn geweest bij financieringsoperaties (van hun familieleden). 

De 26-jarige Willem trouwde november 1772 met de 18-jarige Maria Catharina Alewijn (1754-1785, Lyon); ook zij stak haar kapitaal in de firma Clifford/Chevalier.[Solutien aan den Hove van Holland overgegeeven, p. 41 ] Na het faillissement zijn hun obligaties op Suriname overgenomen door De Neufville en de Wolff. In februari 1776 bedankte hij als commissaris van de Boedelkamer.[Stadsarchief 5031-56, f. 56] In 1777 contract met overlevering van Surinaamse obligaties van 1 oktober 1769?[https://archief.amsterdam/archief/5075/11224] Neef Muilman gaf Clifford uitstel van betaling.

**Johanna Wilhelmina Clifford (1756-1820) eiste na het faillissement van haar broers bij het Hof van Holland als minderjarige haar legitieme portie op; [Solutien aan den Hove van Holland overgegeeven, p. 30 ] trouwde in 1779 met mr. Jan de Witt (1755-1809), schepen en raad van Amsterdam, diplomaat; emigreerden naar Frankrijk in 1787.

*Henry (Hendrik) Clifford, heer van Hoogersmilde (1711-1787) is in 1733 meerderjarig verklaard, lid fa. Clifford & Zoonen. Hij trouwde in 1742 met Adriana Margaretha van Marselis, vrouwe van Hoogersmilde (1723-1763). Hij woonde  toen op  Herengracht 603 bij zijn schoonmoeder; W. Deutz woonde naast hen, nu het Willet-Holthuysen Museum. (De samenwerking tussen de twee bankiershuizen lijkt toen te zijn begonnen en het beheer van de obligaties is voortgezet tot aan het einde van de eeuw.) Rond 1753 woonde hij Herengracht 508. In 1756 maakte Henry Clifford een reis naar Drenthe en Groningen, waarbij hij uiteraard ook de heerlijkheid aandeed. Opmerkelijk is dat hij de eerste en enige heer van Hoogersmilde is geweest die de heerlijkheid vanuit Amsterdam heeft bezocht. In 1764 in zaken met de gebroeders Van Seppenwolde. Op 6 december 1770 contract voor handelsonderneming met de firma Van Marselis, opvolgers van W.G. Deutz. Benoeming compagnons met o.a. Pieter en Henry Clifford.[https://archief.amsterdam/archief/5075/14481]

**George Clifford, heer van Hoogersmilde (1743-1776); trouwde in 1765 met Hester Hooft (1748-1795); bewoonde Keizersgracht 452, het hoekhuis naast het Molenpad en de fa Hope & Co. George Clifford zette na de dood van Jacob Schues in 1770 diens firma voort. Een van de spectaculairste van zijn zaken is de overname van de negotiatie ten behoeve van Franz Xaver, prins van Saksen en Polen, verleend door Cesar Sardi en Comp. op 30 maart 1773 overgenomen?[https://archief.amsterdam/archief/5075/12410] 10 Er gingen daarmee miljoenen gepaard en als onderpand berustten van 1764 tot 1782, toen de leningen werden afgelost, twee pakken met Saksische juwelen op de Amsterdamse wisselbank.[Risks at Sea: Amsterdam Insurance and Maritime Europe, 1766-1780 von Frank C. Spooner, p. 92-96] De hele familie Clifford lijkt op 11 maart 1761 betrokken te zijn geweest bij een wisselprotest aan César Sardi, een medebewoner van de Herengracht.  

Portret van mogelijk Pieter Clifford (1712-1788)*mr. Pieter Clifford (1712-1788), secretaris, schepen, bewindhebber WIC (1761-1773), VOC, burgemeester van Amsterdam in 1773, 1776, 1780, 1784, 1786, 1787 en admiraliteit; trouwde in 1738 met Johanna Elisabeth Trip (1719-1750) in Den Haag; woonde op Herengracht 480 vanaf 1749;  hertrouwde in 1752 met de evenoude Constantia Catharina Sautijn. In 1758 lid van de vroedschap; in 1760 erfde hij de Hartekamp. In 1762 ging hij in zaken met de gebroeders Van Seppenwolde. Nadat hij op 1 februari tot burgemeester was benoemd deed hij vrijwillig afstand van zijn functie bij de WIC. Na zijn overlijden is de Hartekamp verkocht.

File:Overzicht voorgevel grachtenhuis - Amsterdam - 20322057 - RCE.jpg
Herengracht 480 in de Gouden Bocht

**mr. George Pietersz. Clifford (1741-1785) was commissaris bij de bank van lening; trouwde in 1764 Jacoba Maria Kuijsten van Hoesen (1746-Amersfoort 1817) en  woonde vanaf 1768 Keizersgracht 473 bij de Leidsestraat. Als gewezen kassier van de WIC heeft gelden en papieren overgedragen en krijgt hiervoor kwijting en décharge. 

 

  1. Missiven van H.H.M. en van de Raad van State met een verzoek om het aandeel in de betaling te voldoen aan Andries Pels en Georg Clifford voor de financiering van militie ingevolge het traktaat met Rusland (1748).
  2. Enkel van de bankier of hypothecair Jan van de Poll, een van de twee firmanten bij de firma Herman van der Poll, kon worden vastgesteld dat hij in 1774 werd aangesproken door de overige directeuren van de Societeit van Suriname op onverantwoorde wissels, getrokken in 1766. Willem Gideon Deutz had in 1753 een fonds opgericht ter ondersteuning van planters in Suriname, Jan en Theodoor Marselis namen deel evenals Jan van der Poll als nieuwe directeur. De Elias geeft details over gesjoemel met de boekhouding.[12. Elias p. 756
  3. Lijst van plantageleningen, no. 54, 65, 150, 182, 183, zij accepteerden voor resp f 224.777, ƒ 118.268 en f 75.435 aan wissels.
  4. Het gebrek aan muntgeld leidde tot woekerrenten, waartegen herhaaldelijk placaten moesten worden uitgevaardigd, om in het gebrek aan muntgeld te voorzien, werd sedert 1761 ook papieren munt (“kaartengeld”) uitgegeven, de omvang ervan ging de behoefte aan muntgeld te boven en heeft op den duur tot een chaos in de koloniale financien geleid, zie A.G. van Wienngen, a.w., blz. 12-15.
  5. G.J. Fabius, Het bankwezen in Nederlandsen West-Indie, Rotterdam, 1917, blz. 9-13
  6. Le Chevalier (1733-1793) stamde uit Neufchâtel, en was al in november 1758 in een zakelijke relatie met Clifford & Co betrokken.[https://archief.amsterdam/archief/5075/11378A
  7. DE WESTINDISCHE PLANTAGES van 1720 tot 1795 FINANCIËN en HANDEL door J.P. van de Voort, p. 282
  8. https://archief.amsterdam/archief/5075/14476 NA 1-12-1769, nr 339
  9. https://archief.amsterdam/archief/5075/14487
  10. De Saksische prins Franz Xaver, de zwager van Lodewijk XV, was naar Frankrijk gevlucht na in 1765 in het geheim te zijn getrouwd met een hofdame ; hij deed in het zelfde jaar een vergeefse poging om tot koning van Polen te worden benoemd.

 266 total views,  1 views today