Aan de westzijde van het Prinseneiland, tegenover de Nieuwe Teertuinen, staat een rij van vijf aaneengesloten pakhuizen. Op basis van notariële akten en andere archiefstukken zijn er aanwijzingen dat deze panden in verband kunnen worden gebracht met Neeltje Pater uit Broek in Waterland. Dit onderzoek richt zich op de rol van vastgoed van Neeltje Pater in de achttiende eeuw.
Het bezit van de familie Pater concentreerde zich in aantal afzonderlijke panden, maar ook in een aantal samenhangende opslagcomplexen op het Prinseneiland. De combinatie van familie-erfenissen, internationale beleggingen en logistiek vastgoed wijst op een kapitaalkrachtig netwerk van kooplieden en investeerders met wortels in Broek in Waterland. In de loop van de achttiende eeuw lijkt het zwaartepunt van de familieactiviteiten zich geleidelijk te hebben verplaatst van bulkhandel en scheepvaart naar kredietverlening, obligaties en internationale beleggingen. Neeltje behoorde tot de vijf rijkste persoen in de 18e eeuw.
Achtergrond
Rond 1611/1612 werd de Spaarndammerdijk verlegd. Omstreeks 1614 begon men enkele kleine walen aan te plempen, waarna er drie eilanden ontstonden.
Tijdens de grote stadsuitbreidingen aan het begin van de zeventiende eeuw speelden Bartholt Cromhout en zijn zwager Frans Hendriksz. Oetgens, fabrieksmeester belast met stadsontwikkeling en publieke werken, een belangrijke rol bij de verwerving van buitendijkse gronden ten westen van de Haarlemmerpoort. Vermoedelijk had Witsen rond 1608/1609 zijn schoonmoeder, de weduwe Neel Pieters, geïnstrueerd rietland bij de Haarlemmerdijk aan Oetgens te verkopen.1
In 1611 werden hij en zijn zwager Bartholt Cromhout door een commissie, voorgezeten door Cornelis Hooft en Jacob Dircksz de Graeff, beschuldigd van onoorbare praktijken aangaande de Derde Uitleg.[3] Zij hadden ongeveer tien hectare grond — vergelijkbaar met het huidige Java-eiland — in bezit, maar verzetten zich tegen de Melioratie, de heffing voor de aanleg van straten, kades en beschoeiingen.2 De familie Cromhout was op grote schaal betrokken bij inpolderingen in Noord-Holland.3
Nadat Oetgens en Cromhout in 1615 dreigden de kwestie voor de Hoge Raad te brengen, trof de stad in 1622 een schikking: de gronden werden onteigend en de eigenaren ruim gecompenseerd.4 Onderstaande kaarten uit 1622/1623 tonen welke kavels de stad uiteindelijk van Oetgens en Jonas Cornelisz. Witsen overnam.

Op 27 januari 1623 begon de verkoop van de erven op het Midden- of Middeleiland in twee parken A & B.5
Naar het zich laat aanzien is voor 1622 de oorspronkelijke verkaveling van het Prinseneiland aangepast, waarbij onder meer een geplande noord-zuidverbinding over het eiland werd opgegeven ten gunste van grotere bouwpercelen. Deze ontwikkeling maakte de aanleg van omvangrijke pakhuizen in sommige gevallen 25 tot 30 m diep. “Smaldelen tot slopjes en steegjes” werd verboden, maar de indruk wordt gewekt, dat de aanvankelijke breedte van 32 voet (9 meter) in veel gevallen is opgegeven, ten gunste van erven van 24 voet (6,75 meter) of 16 voet breed.6
Het Prinseneiland zou opgezet zijn als als een eiland 400 voet (112m) breed.7 Voor ieder pakhuis lag een straat van 20 voet (5,5 meter) en een wal van 55 voet (15,5 meter). Feitelijk is het Prinseneiland (412x 30.48 cm=) 125,5 m breed, de straat (24x30.48 cm=) 7,3 m en de overtuinen 20 m (65-80 voet). Dat is een verschil van 12 meter met de aanvankelijke opzet. Conclusie: het Prinseneiland was uitzonderlijk ruim opgezet. Op het eiland staan ondertussen 88 panden, maar 65 zijn echte pakhuizen.8
De overtuinen zijn gebruikt voor houtopslag zoals op de kaart uit 1625 van Balthasar Floris van Berckenrode is te zien. Smederijen waren niet toegestaan. Later verschenen er loodsen en scheepswerven.

Alleen op de percelen die in handen van de stad of de burgemeesters waren gekomen, kon direct worden gebouwd. De daarop volgende kwijtscheldingen dateren van 1632/1633. Dat betekent dat verkoop van bouwpercelen traag op gang kwam, nadat de crisis was opgelost.[J.E. Abrahamse, p. 94, 110] Cornelis Bicker was een van de eersten die een perceel verwierf.9
Een van de eigenaren aan de oostzijde van het Prinseneiland was burgemeester Nicolaas Tulp, maar twee panden stonden op naam van zijn vrouw, Margreta de Vlaming van Oudtshoorn; een derde stond op naam van zijn zoon, Dirk Tulp.14 Zij zijn gebruikt voor de opslag van blauwsteen en marmer en verwerkt door A. Quellinus of P. de Keyser, steenkoper en architect (o.a. van de Noorderkerk) voor de verfraaiing van gebouwen. Deze panden, op de erven nr. 7, 8 en 9, waren afkomstig van Abraham Boom, burgemeester van 1625 tot 1639.15
In februari 1655 trouwde Wendela Bicker met raadpenionaris Johan de Witt. Het feest vond plaats op het Bickereiland op een scheepswerf, eigendom van haar vader. Omdat het een pestjaar was mochten er van burgemeester Tulp niet meer dan 55 gasten worden uitgenodigd.16
In de tweede helft van de 17e eeuw ontwikkelde op het Prinseneiland de haringpakkerij zich op redelijk grote schaal.17 In mei 1661 kocht de haringkoper Hendrik Jacobsz Gijsen zijn erf en getimmerte op de zuidoosthoek van Park A. De burgemeesters waren uiteraard beducht voor brandgevaar, met de opslag van zoveel hout en teer in de omgeving.18 In 1742 werd de Galgenstraat bewoond door drie relatief rijke teerkopers volgens het Kohier op de Personeele Quotisatie, een impopulaire inkomstenbelasting, die spoedig is afgeschaft.
Familie Pater
Het vastgoed van de familie Pater betreft met name de pakhuizen met de namen Broek in Waterland, Mars en De Gouden Kop. De naamgeving alleen al wijst op verbanden met de herkomst en familiebanden van de eigenaars. Zo verwijst Broek in Waterland direct naar het dorp waar Neeltje Pater en haar echtgenoot Cornelis Schoon, een van de vier plaatselijke burgemeesters, een belangrijke rol speelden.
Het vastgoed speelde waarschijnlijk een geringe rol; het bezit van aandelen, obligaties en klinkende munt zal veel belangrijker zijn geweest.
Enkele pakhuizen waren afkomstig uit de familie Mars en Timmerman, die in het laatste kwart van de zeventiende eeuw actief waren in de handel in zout uit Bourgneuf, La Rochelle en Setúbal in Portugal. Ook deze families waren gevestigd in Broek in Waterland. De familie Mars was sinds 1670 actief op het Prinseneiland als bouwheren van de Schelvis, de Koornbeurs, de Gouden Kop, Broek-in-Waterland, Mars op het Prinseneiland. Uit notariële akten blijkt dat hun handelsnetwerken zich niet beperkten tot de Atlantische zoutvaart. Het ligt voor de hand dat hun schepen op de terugreis vanuit West-Frankrijk of Portugal graan en andere bulkgoederen laadden in Oostzeehavens als Stettin, Danzig, Riga en Koningsbergen. In de akten worden onder meer rogge, tarwe, gerst, lijnzaad en hennep genoemd.
- Aankoop aandeel VOC (f 3.000) in 1733 door Claas en Cornelis Pater, afkomstig van Stephanus Laurentius Neale de Gouverneur van Suriname.[Notariële archieven, archiefnummer 5075, inventarisnummer 9570, aktenummer 657540] De waarde van het aandeel was inmiddels vijf keer zoveel?

Prinseneiland 345-393. In de 18e eeuw wijk 54, verpondingsnr. 2461; aanvankelijk drie pakhuizen op de ZO-hoek bij de niet meer bestaande brug naar de Buiten Dommerstraat. Cornelis Graafland Jansz, schepen, en directeur van de Societeit van Suriname, bezat de erven 1-4 op de ZO-hoek van park A, bij de aankoop nog steeds onbebouwd. Hij was in 1683 de opdrachtgever tot de bouw van twee pakhuizen de Meermin en het Zeepaard (1683) en vier loodsen. De verponding bedroeg 2×58 gulden. In 1733 vond een boedelscheiding plaats. Cornelis Opmeer, een makelaar, werd de nieuwe eigenaar. Cornelis Pater bezat sinds 1740 dit pakhuis samen met Ferdinand van Collen, burgemeester en directeur van de Societeit van Suriname, de langstzittende directeur ooit.20
de Meermin en Zeepaard
Prinseneiland 395 de Meermin, oostzijde. Eertijds in het bezit van Erven Joan Graafland, burgemeester. In 1734 verloot en verkocht aan Cornelis Timmerman en de weduwe van Claas Timmerman; erfgenaam is Albert, hun zoon. Na een boedelscheiding of erfenis werden Eegje Pater, samen met de onbekende Cornelis Roos, de nieuwe eigenaar. De twee pakhuizen Meermin en Zeepaard zijn toen van elkaar gescheiden door de tussendeuren dicht te metselen.
Mogelijk fungeerde ‘Roos’ als handels- of administratieve naam van Cornelis Schoon, want daarna – tussen 1785 en 1792 – was het pand in handen van zijn zuster Trijntje Schoon.21 In 1788 zijn veel pakhuizen op het Prinseneiland verhoogd na een stedelijke verordening. In latere kohieren verschijnen Eegje en Neeltje Pater opnieuw als eigenaars en dan weer Trijntje Schoon voor de helft. De registers zijn niet consequent bijgewerkt of is sprake van een administratieve continuïteit van de boedel.
- Prinseneiland 7, Flora, verpondingsnr. 2473.
Cornelis/Claas Pater bezat sinds 1744 het dubbele pakhuis aan de oostzijde. Het pand met loods is na 1763 geërfd door Geertje Pols uit Broek; verponding 36,50 gulden.22 Na haar overlijden in 1785 naar Neeltje Pater, vervolgens aan Trijntje Schoon.
- Park B
- Prinseneiland 7, de Gele Pers,
- Prinseneiland 31, de Eendracht, gelegen op de NO-hoek, verpondingsnr. 2487; verponding 3×15=45 gulden. De familie Marten, Gerrit en Trijntje Mars samen met Jan, Corn. & Claas Pater; Corn. Pater verkreeg het aandeel van de familie Mars. Eegje voor een derde en Neeltje Pater voor tweederde zijn de nieuwe eigenaars. Na 1800 de erven Neeltje Pater
- Prinseneiland 35, verpondingsnr. 2496 Alphen naar Corn. Pater.
- Prinseneiland 37 Zandvoort; half pakhuis naar Corn. Pater
- Prinseneiland 41 en 43, Nooit gedacht, noordzijde, verpondingsnr. 2543; is in 1757 in handen van Claas Roos; verponding 33 gulden.23
- Prinseneiland 63, de Korendrager, verpondingsnr. 2539. Aanvankelijk van de gebroeders Timmerman en zoon Albert uit Monnikendam; Albert verkoopt zijn aandeel aan Corn. Pater. Ieder beschikte blijkbaar over een verdieping.[N.A. 5044-324] verponding 3×36=108 gulden. Eegje Pater beschikte uiteindelijk over 1/3 deel. De Groningse weduwe Metelerkamp bezit de rest met haar zoon, een advocaat uit Hoogezand.24
- Prinseneiland 65-69: Mars = 65, Broek in Waterland =67, en de Gouden Kop = 69 verpondingsnr. 2536, 2537, en 2538; verponding 2×19+21=59 gulden. Afkomstig van Gerrit Gerritsz Cop en verkocht in 1670 aan Muus en Pieter Mars. Maria de Cock is de volgende eigenaar. Zij heeft in 1755 een half pakhuis verkocht aan Corn. Pater. Na 1763 kwamen al deze panden in handen van Eegje en Neeltje Pater, uiteindelijk Neeltje alleen, evenals:
- Prinseneiland 71 de Koornbeurs en en 73 de Schelvis.
- Prinseneiland 81-85, Atlas, Vrede en Witte Engel. verpondingsnr. 2500. Verponding 5×27=135 gulden. Meuwis Mars samen met de wed. van Jan Pater, Corn. & Claas Pater; Corn. Pater verkreeg het aandeel van Mars. Eegje wordt eigenaar van drie pakhuizen, Neeltje en Cornelis hebben de andere twee in bezit. Ook Trijntje Schoon bezit een van de pakhuizen. Na 1800 zijn het de erven van Neeltje Pater.
Het bezit van de familie Mars en Pater op het Prinseneiland bestond uit een aantal afzonderlijke panden en vijf clusters : een rij pakhuizen aan de zuidoostzijde tegenover de Haarlemmer Houttuinen en twee reeksen aan de westzijde van vijf en een drie pakhuizen, die elk een samenhangend opslagcomplex vormden. Bovendien beschikten zij over een dubbel maar ondiep pand aan de noordzijde, gelegen bij de Drieharingenbrug, de Alphen, en de Santvoort.
Het is denkbaar dat Neeltje Pater een deel van haar vastgoedbezit niet onmiddellijk op haar eigen naam liet overschrijven. In de achttiende eeuw bleven pakhuizen en erven geregeld administratief verbonden aan oudere boedels, compagnieschappen of overleden familieleden, terwijl de feitelijke lasten en inkomsten reeds door een andere eigenaar werden gedragen. De verpondingsregisters geven daardoor niet altijd de actuele eigendomsverhoudingen weer.

Neeltje Pater (1730-1789) was de dochter van Cornelis Dirksz. Pater (1685-1762), reder, en Annetje Muus Mars (1698-1730). Het echtpaar was in 1717 getrouwd; haar moeder overleed 12 dagen na de kraam. Zandvliet noemt haar een verzamelaar van erfenissen, want Neeltje Pater was erfgename van:
1. Gerrit Cornelisz Pater (1672-1741?) (oud-oom) x Maritje Bouman-Smit (kinderloos).
2. Claas Dircksz Pater (oom) (1683-1744) x Aaltje Gerrits Mars
3. Trijntje Muusdr Mars (tante) (1702-1741) x Jan Dircksz Pater (oom), (kinderloos)
4. Cornelis Dirksz. Pater (1685-28 december 1762) was haar vader. Hij was aangesloten bij de Directie der Oosterse Handel en Reederijen, dat de Korenbeurs beheerde en de hulp inriep van de Admiraliteit voor het begeleiden van schepen.[99. M. van Tielhof (2003) De vijf levens van de moedernegotie. In: Jaarboek Amstelodamum, 2003] Cornelis Pater participeerde bovendien in negotiatiefondsen die verband hielden met de Surinaamse plantage-economie. Hij investeerde onder meer in de plannen van Willem Gideon Deutz, die hypotheekleningen verstrekte aan planters in Suriname. Daarmee raakte het familiekapitaal niet alleen verbonden met de Europese bulkhandel, maar ook met de Atlantische krediet- en plantage-economie van de achttiende eeuw; in 12 akten komt Suriname voor, 10 gaan over obligaties, en 4 over zout.
5. Eegje Cornelisdr Pater, haar zuster (1721-1770) x Jacob Gerritsz Mars (1710-1758) (kinderloos)
6. Geertje Claasdr Pols, haar nicht (1726-1785) x Jacob Cornelisz Ploeger (1720-1780) 25 Geen panden op het Prinseneiland, maar elders in de stad?

In 1766 trouwde Neeltje Pater onder huwelijkse voorwaarden met Cornelis Schoon. “Winst en verlies […] zal half en half gedragen worden”. Dus geen gemeenschap van kapitaal, ieder behoudt zijn/haar eigen vermogen, bij overlijden of scheiding blijft dat gescheiden, maar wel gedeelde opbrengst van het huwelijk.
Dat is een interessant compromis: → scheiding van vermogen, maar samenwerking in inkomen. Haar vermogen was groot: 4.092.781 toenmalige Hollandse guldens volgens de taxatie,26 inclusief:
- Bank of England (BoE): Theodore Jacobsen & Diderick Jacob Hane, bankiers in Londen
- Wisselbank in Amsterdam; het kapitaal omvatte banksaldo’s ter waarde van zeshonderdduizend gulden? Vermoedelijk was dat het veel meer; de balansen van de Wisselbank zullen dat aantonen.
- VOC-kamer Middelburg; in samenwerking met Boursse de Superville & Smith, kooplieden op China.
- Engelse East India Company in Londen
- vastgoed op haar naam; drie huizen in Broek in Waterland, elf pakhuizen op het Prinseneiland; Schoon bezat een eigen huis.
- obligaties op Zeeland en ook elders (Holland, Utrecht, West-Friesland), nog uit te zoeken. Bij Neeltje Pater gaat het in de helft van de gevallen om de aankoop van obligaties.
Stukken betreffende de nalatenschap van Claas Dirksz. Pater (1629-1692) waarvan het vruchtgebruik berustte bij Neeltje Pater en bestaande uit 80.000 Engelse ponden op de Engelse Bank en een aantal pakhuizen in Amsterdam, 1885, 1886, 1888. 1 omslag https://proxy.archieven.nl/0/EDA857B6F53747838E23C4137644D24A

In 1767, een jaar na hun huwelijk, woonde het echtpaar gescheiden: Neeltje Pater in Amsterdam en Cornelis Schoon in Broek-in-Waterland. Uit notariële akten blijkt dat Neeltje Pater actief participeerde in financiële transacties, onder meer met betrekking tot VOC-aandelen en internationale handel. Zij trad daarbij op als comparante en verleende zelfstandig volmachten, zij het formeel met assistentie van haar echtgenoot.
Tijdens haar huwelijk met Cornelis Schoon werd dit bezit door hem beheerd, terwijl zij juridisch gerechtigd bleef.27 In een akte van 1771 verleende Neeltje hem bovendien volmacht om haar buitenlandse vermogensbestanddelen te administreren, hetgeen wijst op een gestructureerde verdeling tussen eigendom en beheer.

De grote hoeveelheid notariële transacties wijst erop dat Gerrit en Marten Mars, handelend in compagnie, op aanzienlijke schaal actief waren in de internationale bulkhandel, zout en graan. Vermoedelijk werd in deze periode een belangrijk deel van het familiekapitaal opgebouwd dat later, via vererving en huwelijksverbindingen, terechtkwam bij Neeltje Pater. Het omvangrijke vastgoedbezit op het Prinseneiland en de beleggingen bij de Wisselbank, de VOC en buitenlandse fondsen lijken daarvan het resultaat.
- Park A:
- Cluster I: De Meermin en het Zeepaard (1744) Prinseneiland 393-395; Claas en Cornelis Pater, Van Collen elk voor een derde.
- Flora (1722), dubbel pakhuis op de erven 12 en 13 met loods, en houtwal van 20 voeten; huurwaarde 438 gulden, verponding 36 gulden.28 Prinseneiland 547-583] op de ZO-hoek van de Galgenstraat. eigenaar Claas Pater, verpondingsnr. 2473.
- Cluster II, Noordwijk (1742), pakhuis, erf en wal gekocht door Cornelis Pater. Prinseneiland 105, met daarnaast een niet meer bestaande gang
- Cluster II, Mirakelhuizen (1733), twee woonhuizen naast elkaar, tuin en wal, Prinseneiland 101-103.
- Cluster III: Gele Pakhuis (1744), zuidzijde, een dubbel pakhuis, erven en loods voor 9.000 gulden, naast de Pelicaan. Herbouwd. De Erven Aagje Claas Mars wed. Claas Timmerman uit Broek en hun zoon Albert alsmede Hendrik Mars verkochten onder de hand en op dezelfde dag, 14/27 april 1744, aan Claas Pater zowel een woon-, als pakhuis met vier loodsen tegenover de Meermin, erven, gang en steiger voor 11.000 gulden. Verworven door Claes en Cornelis Pater. Gang van zaken tamelijk onduidelijk, want er wordt zowel van het Gele pakhuis, als de Gele Pers op erf nr 2 gesproken.
- Park B:
Prinseneiland 7, vroeger de Gele Pers, erf nr. 2, nu de Jonge of Kleine WalvisvangerPrinseneiland 31, de Eendracht, Jan Claasz Bouman en zijn weduwe Marritje Smit zijn eigenaar van het hoekpand (NO) en verkochten het aan de buurman De Liefde.- Cluster IV: Prinseneiland 35; Alphen (1751 uit erfenis?) aan de noordzijde, afkomstig uit de familie Van Aken, etc, woonachtig te Alphen en Gouda, etc. Verkocht aan Cornelis Pater in 1755. N.B. ingewikkelde akte.
- Cluster IV: Prinseneiland 37, Zandvoort (1755), noordzijde bij de “vliegende brug”, sinds 1708 in handen van Muus en Marten Mars; half pakhuis verkocht voor 2.450 gulden door de Erven aan Corn. Pater
- Cluster IV: Prinseneiland 41-43, Nooit gedacht. De familie Mars was eigenaar van twee voorhuizen met wal, op erf nr. 15 (ook het pakhuis de Nieuwe Mars in de Vierwindenstraat op het Realeneiland is in 1755 verkocht).
- Cluster V: Prinseneiland 65, genaamd Mars, van Corn. G. Mars en Neeltje C. Muus, met loods
- Cluster V: Prinseneiland 67, genaamd Broek in Waterland, van Corn. G. Mars en Neeltje C. Muus, met loods
- Cluster V: Prinseneiland 69, genaamd de Gouden kop (1755), sinds 1670 in handen van Pieter en Muus Mars en van Corn. G. Mars en Neeltje C. Muus, half pakhuis verkocht door de Erven Marten Gerritsz Mars met loods aan Corn. Pater.
- Cluster V: Prinseneiland 73 en 71, genaamd de Korenbeurs en de Schelvis; van Corn. G. Mars en Neeltje C. Muus met loods.

Het overlijden van Eegje Pater (1721-1770), weduwe van Jacob Gerritsz Mars, vormt een keerpunt, waarna Neeltje Pater als enig erfgename een aanzienlijk pakket aan effecten en aandelen, waaronder VOC-participaties, in handen kreeg. In de jaren daarna treedt zij zichtbaar op in financiële transacties, zowel binnen de Republiek als in internationale context.
- 1771–1774 → actieve transacties (VOC / Londen): gelden te innen uit een VOC-aandeel (± 3.000 gulden). Dat aandeel stond op haar naam van Dirk Cornelisz. Pater, haar grootvader.
- 1773 Cornelis Schoon behoort tot de top vijf inleggers bij de Wisselbank; debiteurennr. 67. De grootboeken van de Wisselbank zijn nog niet allemaal gescand; het antwoord laat op zich wachten29.
- 1779 → Neeltje als weduwe onder haar eigen naam bij de Wisselbank?
Na het overlijden van Cornelis Schoon (1719-1778) verkreeg zijn weduwe Neeltje Pater, overeenkomstig de huwelijkse voorwaarden, het recht om zelfstandig over de bij de Wisselbank berustende tegoeden te beschikken. Deze overgang markeert haar optreden als juridisch en economisch zelfstandig handelende partij. Ze houdt de naam van Eegje Pater en Cornelis Roos aan bij het vastgoed.

In de Republiek: vrouwen waren in principe handelingsbekwaam, maar in het huwelijk vaak: → onder voogdij / vertegenwoordiging van de man. Dus: haar bevoegdheid wordt niet “gegeven”, maar komt vrij na zijn overlijden.
Na haar overlijden in 1789 werd haar vermogen geschat op het voor die tijd astronomische bedrag van ruim 4,1 miljoen gulden.26

Overige pakhuizen van de familie Pater
Cornelis Pater bezat ook een pakhuis op het Realeneiland (De Duif in de gevel, pakhuis en erf), op de Oudeschans (De Reaal, pakhuis en erf) en de Achtergracht (Februari). De samenwerking tussen de families Pater en Mars begon ca 1660; die tussen Pater en Timmerman in 1697. Meerdere familieleden bezaten pakhuizen op de Brouwersgracht, namelijk: De Timmerman, pakhuis en erf, tussen Binnen Dommersstraat. Albert en Claas Timmerman uit Monnikendam verkochten het aan Corn. Pater uit Broek. Eegje en Neeltje Pater erfden van hen tweeën, familie. De Eerste Sleutel, pakhuis en erf, tussen Binnen Oranjestraat (Eerste Haarlemmerdwarsstraat) en Mouthaansteeg, afkomstig van Gerrit Pater, Brouwersgracht 252. De Tweede Sleutel, pakhuis en erf, tussen Binnen Oranjestraat (Eerste Haarlemmerdwarsstraat) en Mouthaansteeg, afkomstig van Dirck Pater De Kameel, tussen eerste en tweede Haarlemmerkruisstraat en ten westen pakhuis Cort Beraat en ten oosten pakhuis De (blinde) Ezel; afkomstig van Corn. Pater uit Broek-in-Waterland. N.B. bij de Korte Prinsengracht. De Middellandse Zee in de gevel, pakhuis en erf, beoosten hoekhuis Baanbrugsteeg, afkomstig van Corn. Pater. De Fortuin, pakhuis en erf, hoekhuis, oosthoek Baanbrugsteeg, verkocht aan Corn. Pater uit Broek. Brouwersgracht 244. Het Wapen van Aalsmeer, pakhuis en erf, belend aan de OZ het Stadsmagazijn (aan de Lijnbaansgracht), afkomstig van Corn. Pater uit Broek De Wolf, pakhuis en erf, over de Palmgracht, verkocht aan Claes Pater uit Broek, oom van Neeltje.
Dit is een eerste verkenning. Nadere studie van eigendomsakten en belastingregisters kan mogelijk meer duidelijkheid geven over de precieze toedeling van de panden.
Bibliografie
- D‘Ailly, Historische gids van Amsterdam, bewerking van mr. H.F. Wijnman, uitg. Allert de Lange, Amsterdam 1974
- Het huis van Cornelis Schoon te Broek in Waterland / J.W. Niemeijer; H. Jansse. – in: Spiegel der historie. – jrg. 1 (1966) p. 259-266;
- Waterland, getekend door Cornelis Schoon (1719-1778) / A.P. Bruigom. – Alphen a/d Rijn, 1979, p. 183-210; cat.ten
- Tekeningen door Cornelis Schoon in Broek en Waterland.
Referenties:
- Neel Pieters door E. Couvret op Geneanet ↩
- Abrahamse, J.E. (2010), De Grote Uitleg van Amsterdam, p. 84-89 ↩
- Boers, T. (2016) Puissant rijk aan de gracht, p. 116. In: Jaarboek Amstelodamum ↩
- Abrahamse, J.E. (2010), De Grote Uitleg van Amsterdam, p. 84-89, 94 ↩
- Archief van de Thesaurieren: 37 erven in park A 5039-553, f. 18 – 36 en 40 erven in park B f. 36v – 56 ↩
- https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/index/nt00353?activeTab=nt&searchTerm=prinseneiland%20amsterdam&sortering=ove_datum_decreet&volgorde=asc ↩
- J.E. Abrahamse, p. 89 ↩
- https://allecijfers.nl/weg/prinseneiland-amsterdam/ ↩
- Hij kocht erf nr. 24 in park B op 23 januari 1631 en betaalde op 10 juli 1632. ↩
- J.G. van Dillen (1929) Bronnen tot de geschiedenis van het bedrijfsleven en het gildewezen van Amsterdam, deel II p. 744. ↩
- NA 5075, inv.nr 950A, aktenummer 619557; inv.nr. 950B, aktenummer 632041; 624200 ↩
- NA 5075, inv.nr 950B, aktenummer 624200 ↩
- Zij vertrok op 5 september 1638; n.b. tevens de geboortedag van Lodewijk XIV, haar kleinzoon. ↩
- detail R. Koopman, Zaandam, en wel de huidige panden Prinseneiland 17-21, gezamelijk de Steenhouwer geheten. ↩
- N.B. Prinseneiland 23 heette ooit de Metselaar. ↩
- https://johandewitt.nl/?p=846 ↩
- Abrahamse, p. 229; SAA 5039-2 (Thesaurieren) f. 70 (25 februari 1661). ↩
- In 1644, kochten vijf teerkoopers voor ƒ 15.000 van de stad zes erven aan de Sloterdijksgracht. Daar werden nu vijf teerkoperijen gevestigd, terwijl op de erven een servituut werd gelegd, dat er geen andere nering mocht worden uitgeoefend en dat de kopers er zelf moesten gaan wonen. ↩
- http://beeldbank.amsterdam.nl/afbeelding/A01634000533 ↩
- NA 5044-317 ↩
- NA 5044-373 ↩
- NA 5044-339 ↩
- De achterhuizen 45 en 47 zijn volbouwd in 1740. ↩
- https://www.parlement.com/biografie/mr-e-metelerkamp ↩
- Extra informatie ↩
- K. Zandvliet (2018) De 500 Rijksten van de Republiek. Rijkdom, geloof, macht en cultuur, p. 265 ↩
- Hij machtigde namens haar een vertegenwoordiger in een geschil met de wed. van Albert Schuyt, waarschijnlijk over het verzamelen van riet en takkebossen, met brandgevaar voor alle omliggende scheepswerven. ↩
- NA 4045-257 ↩
- https://projetos.dhlab.fcsh.unl.pt/s/wsdroadmap/item/54374 ↩
- K. Zandvliet (2018) De 500 Rijksten van de Republiek. Rijkdom, geloof, macht en cultuur, p. 265 ↩
![]()

