Oude Waal 35

EEN HUISONDERZOEK

 

Inleiding

Bij het huisonderzoek Kromme Waal 23 bleek dat de fa­milie Pama in de 17e en 18e eeuw meerdere panden op de Oude en Kromme Waal in eigendom hebben gehad. Met behulp van het stamboomonderzoek van C. Pama werd duidelijk wanneer Andries, Pieter, Jan of Geertje de panden ‘de Campen’, ‘de Canafas Baal’, ‘de Rotterdam’ of ‘de Drie Raven’ hebben bewoond.[1] Deze uitgebreide studie gaf aanleiding op zoek te gaan naar eerdere, zowel als latere eigenaren met het idee een beter beeld te krijgen van de Waal en haar bewoners in de 17de en 18de eeuw.

De Waal en de Lastage

In 1644 werd het Nieuwe Waalseiland, bij de meeste mensen beter bekend als de Binnenkant, de Kalkmarkt of de Prins Hendrikkade, aangeplempd. De Waal was een ligplaats voor schepen die ‘s zomers uitvoeren, vooral naar Dantzig, veelal in ballast, om graan te halen. Op de Lastage, tegenwoordig meestal de Nieuwmarktbuurt geheten, hadden zich bedrijfjes gevestigd, betrokken bij de scheepvaart. Op de drassige oevers lagen houtwerven, er waren lijnbanen, waar touw werd geproduceerd, en er werd pek of teer opgeslagen, zodat de schepen in de winter konden worden opgekalefaterd. De burgermeesters waren tegen permanente bewoning, de bewoners verzetten zich uiteraard. Het beroemde schilderij van Cornelis Anthonisz. uit 1543 moest de ligging en de situatie verduidelijken tijdens een proces in 1544 in Mechelen voor de Grote Raad.

Olfert Hendricksz.

300px-Lastage,wikiBij de Montelbaanstoren stonden vijf lijnbanen, waar touwslagers en lijndraaiers hun werk vonden. De lijnbaan langs het IJ be­hoor­de destijds toe aan Olfert in de Fuyck. Olfert Hendricksz. voerde in 1544 in Mechelen bovenvermeld proces over het recht tot ophogen van zijn erf.[2] Olfert overleed in 1549 na een val in zijn pakhuis op de Lastage.[3] Zijn weduwe nam de zaken waar. In 1555 samen met haar minderjarige zoon, die later een belangrijke positie innam, in de eerste dagen na de Alteratie. Vervolgens was hij kerkmeester, lid van de vroedschap en schepen.[4] De lijnbaan werd waarschijnlijk doorverkocht aan de Oude Joosten, het kohier van de 100ste penning uit 1569 blijkt lastig te interpreteren. In de Resoluties van de Vroedschap, waarin het stratenplan wordt vastgesteld in 1586 is sprake van nog maar drie lijnbanen, een toebehorende aan Henrick Joosten.[5] Henrick Joosten was in 1568 getrouwd met Dieuwer Claes.[6] Zij kregen drie kinderen. Op 2 oktober 1587 werd Heijndrick Joosten, lijndraaier, begraven in de Oude Kerk.[7] De voogden Pieter Joostensz. en Arent Jansz. verklaar­den zes weken later bij de weeskamer dat Joost, 13 jaar, de enige erfgenaam was en dat zijn moeder zou ‘blijven sitten in al de goederen’.[8]

De bevolking van Amsterdam was in de 16e eeuw razendsnel gegroeid en de stad barstte uit haar voegen. De regeerders van de stad gingen overstag en de Lastage werd in 1585 bij de stad getrokken. Deze uitbreiding had tot gevolg dat de lijnbanen moesten worden verplaatst naar de nieuw aangeplempte, meer oostelijk gelegen eilanden, aan de overkant van de Nieuwe Gracht.[9] Op de kaart, een gravure, van Pieter Bast uit 1597 is te zien dat de Oude Waal gedeeltelijk, op de bewerking daarvan, tien jaar later, bijna geheel is bewoond.

Pieter Joosten

Pieter Joosten, lijnslager, (de broer van Henrick Joosten? ) was getrouwd met Weijn Jans.[10] De doopboeken van de Oude Kerk vermelden twee kinderen: Jan in 1584 en Anna in 1587.[11] Een jaar later begroef Pieter Joosten, onder de arm, een kind op een kleine baar.[12] Weijn Jans ‘van de Lastage’ werd begraven in 1591.[13]

wiki 018Pieter Joosten, touwslager, wonende buiten ’t Waterpoortje, hertrouwde met de weduwe Bette Claesdochter in 1592.[14] Zijn dochter Anna werd begraven in 1593.[15] De archieven vermelden dat Pieter Joosten, ‘op de hoek van de Ridderstraat’, zeven loten kocht in 1606 van het Haarlemse Oude Mannenhuis.[16] Op 14 augustus 1608 verkocht hij ‘een ledich erff’ aan Barend Barendsz.[17] Pieter Joosten behield een steeg van vijf voet breed, waar niet getimmerd mocht worden. Bette Claes, zijn vrouw, werd vanuit het pand ’t Kalf, in de Dijkstraat, op 17 december 1619 begraven in de Oude Kerk.[18]

Barent Barentsz.

Barend Barentsz. was afkomstig uit Kampen.[19] Vermoedelijk werd Barend Barendsz. op 28 juni 1590 poorter van de stad Amsterdam.[20] Zijn eerste vrouw heette Grietje Dirxdochter. Ze lieten in 1591 een kind dopen, dat Sara heette.[21] In 1603 overleed de moeder en bij de Weeskamer werd gemeld dat de dochter 500 gulden erfde.[22] In 1604 trouwde Barend Barendsz.  opnieuw, nu met Giert Jans.[23] Hun eerste zoon Barend, geboren in 1605, is blijkbaar jong gestorven. In 1606 lieten zij een testament opmaken. Barend benoemde Sara, alsmede het kind of kinderen, die Giert van hem zou krijgen tot erfgenamen.[24] Er kwam nog een Barend in 1607, een Jan in 1609, nog een Jan in 1611 en nog een dochter Lysbeth in 1614. Ook wordt Barend Barendsz. soms vermeld als huidenkoper.

Barent Barentsz. werd voor 30 gulden aangeslagen in het verpondingskohier van de 200e penning van 1631.[25] Zijn vermogen werd toen geschat op 6.000 gulden. Barend Barendsz. werd begraven op 11 april 1643. Het begraafboek vermeldt dat hij afkomstig was ‘van de Wael in Kampen’.[26] Zijn weduwe werd enkele maanden later begraven.[27]

De erven van Barend Barendsz. worden genoemd als eigenaar in het kohier van de 8e penning over de jaren 1651-53.[28] Op 22 december 1656 geeft Barend Barendsz. Eylander aan Dirck Jansz. Eylander en Jacob Harmensz. Voos(? ) machtiging nog dezelfde dag het huis te verkopen.[29]

Andries Pama, alias Schonk

Andries Pama was de oudste zoon van Andries Pama, schuitevoerder, afkomstig uit Groningen.[30] Na de dood van hun vader in 1637 werd de vier onmondige kinderen elk 4.000 gulden toegezegd.[31] Op 20 april 1646 trouwde Andries, vleeshouwergezel, met Neeltje Dircks.[32] Het register van ondertrouw vermeldt dat Andries bij zijn moeder woonde in de Barberenstraat, tussen de Nes en O.Z. Voorburgwal. De doop- en begraafboeken vermelden tien kin­de­ren: Gertien (1647-1710), Andries (1648-1722), Dirck (1651-), Griet­jen (1653-1674), An­tho­ny (1654-), Pieter (1657-), Ger­breght (1658-­1709), Pieter (1661-1728), Johannes (1663-) en Neeltje (1666-1737).

IMG_0100IMG_0099

 

 

 

 

 

 

 

Andries Pama werd op 22 december 1656 de eigenaar van het pand bij de ‘Monckelbaenstooren’.[33] Welke twee van zijn kinderen op 6 augustus 1657 werden begraven, is nooit meer te achterhalen.[34] Op 28 augustus 1660 werd een boedelbeschrij­ving opgemaakt.[35] Op fraaie wijze is de indeling van het pand en huisraad beschreven. In de kelder stond een snij- en een bloedbank, in het voorhuis een vleeshouwersblok, een hakmes, gewichten en haken. Ook hing er een ‘slegt’ (= eenvoudig) schilderij.[36] In de binnenkamer, in gebruik als woon- en slaapkamer hingen groene gordijnen en er lag een schoorsteenkleedje. Ook hier bevonden zich eenvoudige schilderijen: een met de geboorte van Christus, een met ‘daarin twee paarden, een banquet schilderijtje, en een vrouweconterfijtsel’ (= een portret).

Uit het register op de exe­cutiekwijtscheldingen blijkt dat Andries Pama op 1 januari 1661 het pand moest verkopen.[37] Of Andries Pama terugging naar de Barberenstraat, het pand is tot 1674 in de verpondingskohieren op naam van zijn moeder blijven staan, of dat hij meteen naar de Jonkerstraat verhuisde, zal ook wel onduidelijk blijven.[38] Andries Pama ‘vleeshouwer uit de Jonkerstraat’ en zijn vrouw werden begraven in 1682 in de Oude Kerk.[39] De minderjarige kinderen vielen vermoedelijk onder de hoede van hun oudste zuster, getrouwd met Bastiaan Cornelis Bruygom van der Goos, vleeshouwer in de Barberenstraat.[40] De oudste zoon verklaarde op 5 maart 1683, dat de erfenis door de kinderen werd geweigerd.[41]

Henrick Pietersz. Listingh

Henrick Pietersz. Listing, 24 jaar, trouwde op 21 januari 1650 met Cathalina de Plevi (een andere spelling, Plouis of Plowie, is ook aange­trof­fen).[42] Henrick P. Listingh was een comenijhouder, d.w.z. winkelier in oosterse waren. Het begraafboek vermeldt niet waar Hendrik Pietersz. woonde, toen de twee kin­de­ren Cornelis en Teuntje, werden begraven.[43] In 1661 kocht Hendrick P. Listing bij executie het huis op de Waal voor 7.200 gulden. De hoogste prijs die voor het pand werd betaald, zowel in de 17e als de 18e eeuw.[44] Henrick P. Listing, gorter, loste binnen een jaar af, in drie termijnen.[45] De winkelier in grutters­waren werd in 1674 in het kohier van de 200e penning aangeslagen voor 40 gulden.[46] Hendrik P. Listingh werd begraven op 21 mei 1676 in de Zuiderkerk, afkomstig van de Oude Waal ‘bij de tooren’.[47]

P1000915Zijn weduwe Catalijntje Pluye hertrouwde op 19 februari 1677 met de 42-jarige weduwenaar Jan Jochemsz., varensman, afkomstig uit Hamburg.[48] Op 11 juli 1679 verkocht Jan Jochems voor zijn vrouw het pand voor 5.200 gulden aan Neeltje Jans.[49] De ‘hausse’ van stijgende prijzen was na het rampjaar 1672 voorbij. Ook zal de status van de Oude Waal zijn gedaald bij een groot aanbod van aantrekkelijke huizen aan de grachtengordel.

Neeltje Jans

P1010308Neeltje Jans, 23 jaar, en Jan Jacobus van Balk, schipper, 26 jaar, wonend op de Waal, trouwden op 23 juli 1660.[50] Ze kregen zes kinderen, Jan (1664-64), Jan (1665-), Jacob (1671-71), Jacob (1673-73), Trijntje (1675-) en Marritje (1678-78). De vier jong overleden kinderen werden in de O.Z. Kapel begraven.[51] Uit de begraafboeken is op te maken dat de familie voorheen op de Oude Schans woonde, boven een slager, vervolgens bij haar oom, Joost Verstraten, op het O.Z. Achterburgwal.

De weduwe Neeltje Jans liet in 1713 het pand verkopen. Koper was Pieter van der Markt.[52] De waarde van het pand was opnieuw aanmerkelijk gedaald. Neeltje Jans ‘uit de Staalstraat’ werd op 28 november 1722 begraven.[53] Er werd 8 gulden aan begraafbelasting betaald, de laagste klasse. Deze belasting werd onder hevig protest, het aansprekersoproer, ingesteld in 1696. Begrafenissen die na drie uur ’s middags plaatsvonden, werden beboet. De koetsen en sleden die de lijkstoet volgden, en zelfs de begrafenisbriefjes werden belast.[54]

Pieter van der Marckt

P1010332Pieter van der Marckt ‘van de Waal’, oud 25 jaar, trouwde op 31 augustus 1708 met Hijltje Reverdinck ‘uit de Peperstraat’.[55] Hij was evenals zijn vader koperslager.[56] Ze kregen drie kinderen: Pieter (1710-43), Helena Margreta (1714? -67) en Sara Catharina (1717-1771), zondag ’s avonds gedoopt in de Oude Kerk.[57] In 1713 kocht hij het pand met ‘Campen’ in de gevel. Pieter van Mart ‘van de Oude Waal bij de Oude Schans’ werd begraven op 27 september 1727. Er werd 15 gulden aan begraafbelasting voor hem betaald, duidend op een inkomen tot 12.000 gulden ’s jaars.[58]

In het Redres van Verponding uit 1732 is zijn weduwe eigenares en be­woonster van het onderhavige pand. De huur bedroeg per jaar 302 gulden, voor een huis met twee kamers.[59] Zij was de getuige bij het huwelijk van al haar kinderen. Helena trouwde met Johannes Visscher, beide 21 jaar, op 13 oktober 1735.[60] Sara Catharina, trouwde in 1738 met Wijnand Speijker, een kruidenier, eveneens wonend op de Waal.[61] Pieter, oud 27 jaar, wonend op Rusland, koekebakker, trouwde op 21 mei 1739 met Alida Visser.[62] Hilletje Reverdink, afkomstig ‘van de Oude Waal’ werd op 19 december 1743 begraven in de Zuiderkerk.[63]

Johannes Visscher

P1010341Johannes Visscher werd eigenaar via zijn vrouw Helena van de Mart, erfgenaam. Zij hadden twee kinderen: Johanna Catharina (1739) en Pieter (1740), gedoopt in de Oosterkerk. Johannes Visscher was koperslager, net als zijn schoonvader. Hij had een inkomen van 1.000 gulden per jaar, volgens het Kohier Perso­neele Quotisatie uit 1742. Alleen personen die meer dan 600 gulden ’s jaars verdienden, werden aangeslagen. Ongeveer een derde van de bevolking kwam hiervoor in aanmerking.[64] De huurwaarde van het pand bedroeg 250 gulden.[65] Johannes de Visscher was voogd over kinderen van zijn inmiddels overleden zwager en schoonzuster.[66] Johannes Visscher werd begraven op 29 maart 1765.[67] Zijn weduwe werd begraven op 9 november 1767.[68] Pieter Visscher, erfgenaam, staat als eigenaar te boek in de kohieren tot het jaar 1805. Hij had een rijtuig en een paard, zoals blijkt uit de belasting op koffie- en thee.[69]

IMG_0024In 1814 is er een nieuw verpondingsnummer. In het pand met Kleinnummer 78 woont T. Ulm, tapper, met twee personen.[70] Twee jaar later woonde A. de Hoog, smid, in het pand.[71] In 1819 woonde er een kapitein A. Gordon, geboren in 1784, ongehuwd, en op een kamer een naaister Christine Weyler, geboren in 1786, ook T. Kleyn, geboren in 1768, zeekapitein, gehuwd heeft er een kamer gehuurd.[72] In 1825, 1829 en 1841 een loodgieter C. Rinse    Zoon. De huur was gestegen tot 225 gulden.[73]

Het onderhavige pand, Oude Waal 35, was rond 1850 tot opslagplaats vervallen; rond 1930 zijn drie panden afgebroken om plaats te maken voor nieuwbouw.

 

 OUDE WAAL 35

 koper

datum

kwijtschelding

prijs

Pieter de Visser

1767

erfgenaam

Joh. de Visser

1743

erfgenaam

Pieter van der Mart

30 mei 1713

4F 263v

f 3.800

Neeltje Jans

11 juli 1679

5067-24, f. 106

f 5.200

Hendrik P. Listing

1 januari 1661

5061-2170, f. 113

f 7.020

Andries Pama

22 december 1656

2E 44v

f 5.525

Barend Barendsz.

14 augustus 1608

30 17

Pieter Joosten

 

november 1994

LITERATUUR

1.   Burger Jr., dr C.P. (1921? ) Amsterdam in het einde der zestiende eeuw. Studie bij de uitgaaf van den grooten plattegrond van 1597. 16de Jaarboek van het Genootschap Amstelodamum, blz. 12 e.v.

2.   Fremery, W.H.M. de (1925) De opkomst der Amsterdamsche haven. 22e Jaarboek van het Genootschap Amstelodamum, blz. 23-110.

3.   Frederiks, J.G. & P.J. Frederiks (1890) Kohier van de tweehonderdste penning voor Amsterdam en onderhorige plaatsen over 1631. Koninklijk Oudheidkundig Genootschap.

4.   Gelder, R. van, R. Kistemaker (1983) Amsterdam 1275-1795. De ont­wikkeling van een handelsmetropool.

5.   Ter Gouw, J. (1884) De geschiedenis van Amsterdam, deel IV.

6.   Oldewelt, W.F.H. (1945) Kohier van de Personeele Quotisatie te Am­sterdam. Genootschap Amstelodamum.

7.   Pama, C (1943) Bijdragen tot een geschiedenis der familie Pama II. De Amsterdamsche Pama’s. Amsterdam.

8.   Slot, E. (1990) Vijf gulden eeuwen. Momenten uit 500 jaar Gemeentefinanciën


BIJLAGEN

I     Detail kaart Pieter Bast (1597)

II    De burgerwijkkaart van wijk 11 (1731)

IIV Het Redres van Verponding (1732)

IV  Kohier Personeele Quotisatie (1742)


[1] Bijdragen tot een geschiedenis der familie Pama II. De Amsterdamsche Pama’s.

[2] De Fremery, blz. 41-3, Elias, blz. 119.

[3] Elias, blz. 100.

[4] Ter Gouw, blz. 426-31.

[5] De Fremery, blz. 42, 80. C.P. Burger Jr., p. 19.

[6] DTB 969-19.

[7] DTB 1041-346.

[8] Archiefnr 5004-11, f. 94v.

[9] De Fremery, blz. 80.

[10] Deze huwelijksakte is niet teruggevonden.

[11] DTB 1-234 en 320.

[12] DTB 1042-8.

[13] DTB 1042-60.

[14] DTB 406-250.

[15] DTB 1042-106.

[16] Lotterijlijsten 19/8, folio 128

[17] Kwijtschelding 30 17

[18] DTB 1044-52 en 52v.

[19] Aangenomen is dat hij het pand, dat hij vervolgens liet bouwen, noemde naar de plaats waar hij vandaan kwam.

[20] Poorterboek 156, Rapidiamus van de Thesaurier RT 90 65. Poorters waren ingezetenen van de stad die door middel van overerving, huwelijk of aankoop het poorterschap verwierven. Hieraan waren enkele rechten verbonden, zoals het recht om openbare ambten te bekleden en lid van een gilde te zijn.

[21] DTB 2-102.

[22] Archiefnr. 5004-13, f. 209. Tot de taak van de overheid behoorde voor weduwen en wezen te zorgen. Het College van weesmeesters beheerde de goederen van de wezen en hield toezicht op de voogden.

[23] DTB 411-154.

[24] NA 5B-132, Nots J.J. Pylorius.

[25] Archiefnr 5044-460, p. 28.

[26] DTB 1046-19v.

[27] DTB 1046-21.

[28] Archiefnr 5044-281, folio 14v.

[29] NA 2663c, notaris David IJpelaar.

[30] C. Pama 1943, p. 5.

[31] NA 580, f. 724.

[32] DTB 463-172.

[33] Kwijtschelding 2E 44.

[34] DTB 1047-18.

[35] Archiefnr 5072, inv. 367, f. 92-94.

[36] In de meeste Nederlandse huizen in de 17e eeuw kwamen schilderijen voor. Dat blijkt uit andere boedelbeschrijvingen en uit opmerkingen van buitenlandse reizigers, zoals door Peter Mundy die in 1640 melding maakt van het feit dat ook de bakker en de slager schilderijen in hun winkel hebben en zelfs de smeden en schoenmakers (R. van Gelder en R. Kistemaker 1983).

[37] Archiefnr 5061-2170, f. 113.

[38] Archiefno 5044, inv. 254-261.

[39] DTB 1047-288 en 295.

[40] Zie DTB 509-563 en 515-184.

[41] Archiefnr 5004-6.

[42] DTB 467-422.

[43] DTB 1091-46v en 51v.

[44] Archiefnr 5061-2170, f. 113, 1 januari 1661. Belend zijn Jacob Lambertsz. aan de noordzijde, de erfgenamen van Dirk Gerritsz. aan de zuidzijde, en Tietje de viskoopster achter.

[45] Archiefnr 5061-2227.

[46] Archiefnr 3672, f. 106. Deze belasting werd tien maal geheven tussen 1672-1677 om de uitzonderlijke oorlogskosten van de Republiek te bestrijden (P.H. Engels 1848). Het land was in oorlog met Engeland, Frankrijk, en soldatenbenden uit Keulen en Munster.

[47] DTB 1091-142 en 1092-7.

[48] DTB 684-330.

[49] AWD 5067-24, f. 106.

[50] DTB 481-80.

[51] Tegenwoordig, net als voor de Reformatie, de St. Olofskapel genoemd.

[52] Kwijtschelding 4F-263v.

[53] DTB 1065-41v.

[54] E. Slot, p. 83.

[55] DTB 543-186.

[56] Poorterboek ?

[57] DTB 17-196v.

[58] DTB 1094-114.

[59] Archiefnr 5045, inv. 214. In het Redres, betreffende wijk 11 werden zowel de namen van de eigenaren als de huurders genoteerd.

[60] DTB 577-424.

[61] DTB 581-199.

[62] DTB 582-165.

[63] DTB 1095-82.

[64] W.F.H. Oldewelt.

[65] Het onderhavige pand had het verpondingsnummer 2857.

[66] Archiefnr 367-2251.

[67] DTB 1096-202v.

[68] DTB 1097-26v.

[69] 5049-20, f. 135.

[70] Archiefnr 5012-1.

[71] Archiefnr 5012-2.

[72] Archiefnr 5012-12.

[73] Archiefnr 5012-5, 6 en 8.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *