Van Eeghenstraat 89

INLEIDING

Twee jaar geleden werd ik benaderd door het wijkopbouwcen­trum Vondelpark-Con­certgebouwbuurt met de vraag of ik voor een bewoner uit de Van Eeghenstraat de geschiedenis van zijn pand wilde natrekken. Ik kwam in contact met Mr F.E. Frenkel, die mij op een namiddag zijn huis liet zien. De eigenaar, ver­knocht aan zijn huis, had diverse vragen. Waarom staan de huizen in de Van Eeghenstraat en nabije om­geving op eigen grond? Waarom is de grond niet, zoals een paar straten verder­op, in erfpacht uitgegeven? Hij had ook vragen omtrent het slot in de voordeur, de aanbouw achter de serre, een deur op de eerste verdieping die uitkwam op de trap naar de bovenver­dieping, een kantoor­achtige lambrize­ring in de voorkamer op diezelfde verdie­ping, etc. Mijn op­dracht was te achterhalen wie het pand in de loop der jaren hadden bewoond en hoe het was ge­bruikt. Een aantal bezoeken aan het Gemeentear­chief, Dienst Bouw en Woning­toezicht en het Kadaster leverden de volgende informatie.

DE BOUWONDER­NEMING ‘WILLEMSPARK’

Aan het einde van de 19de eeuw was het terrein rondom de Van Eeghenstraat, langs het Vondelpark, in handen van de N.V. Bouwonder­neming ‘Willemspark’. De initatief­nemers van de bouwonder­neming waren oud-burgemeester Mr C.J.A. den Tex; de voormalige president-commissaris van de Nederlandsche Bank C.P. van Eeghen; zijn neef A.W. van Eeghen; mw E.M.T. Nolthenius-Weij­mar; Mr N.J. den Tex, di­recteur van de KNSM, èn zitting hebbend in de Binnen­dijkse Buitenveldertse Polderbes­tuur; B. Heldring, direc­teur van de Neder­landsche Han­delsmaat­schappij; D.F. Danielszoon en J.C.H. Heldring. Het vennoot­schap werd op­gericht op 5 juli 1881 voor een periode van 25 jaar. Het doel van het ven­noot­schap was ‘de exploitatie van de haar in eigendom toebeho­rende onroerende goederen, door bebou­wing, verkoop, ruiling, verhuur als anderszins’.

In de bouwonder­neming ‘Willemspark’ hadden zich een acht­tal (doopsgezinde?) Amsterdam­mers verenigd, waarschijnlijk om te voorkomen dat nog meer rijke Amsterdam­mers naar de omgeving van Haarlem of het Gooi vertrokken. Door overbe­volking, dichte bebouwing en stinkende grachten was de binnenstad niet meer zo populair. Door goede verbindingen met trein en tram werd het buitenwonen aan het einde van de 19de eeuw erg geliefd. De nieuw aan te leggen wijk zou een deftige woon­buurt moeten worden met statige huizen, een eigen park en brede straten. Het bedoelde terrein, toen 25 ha groot, was gele­gen aan de grens van de gemeente Nieuwer Amstel en strekte zich uit richting Amstelveenseweg.

De bouw­maatschap­pij ‘Wil­lemspark’ vroeg in 1889 de stads­ingenieur van Amsterdam, J.G. van Niftrik om advies inzake de afwatering en de aanleg van een riolering. Van Niftrik had inmiddels enige ervaring opgebouwd. Het initiatief tot het aanleggen van een riolering in Amsterdam was reeds in 1883 genomen. In 1892 verleende de gemeente Nieuwer Amstel een concessie voor de bouw van huizen aan de Van Eeghen­straat. In 1893 werd de tramlijn naar de P.C. Hooftstraat over de Wil­lemsparkweg doorgetrok­ken.

File:Van Eeghenstraat t.o. 89.JPG
Ingang Vondelpark, tegenover Van Eeghenstraat 89

Het oorspronkelijke ontwerp voor de Willemsparkbuurt, een strak straten­patroon, is in de Van Eeghenstraat aangepast: de straat kreeg alsnog een lichte kromming. Halverwege de straat kwam een imposante toegang tot het Vondelpark, toen uitsluitend toegankelijk voor leden en aanliggende bewo­ners. In 1893 werd fietsen in het Vondelpark toegestaan, na veel discussie enkel in de ochten­duren. Omdat het Von­delpark toen nog in particuliere handen was kon je er ook niet worden bekeurd zoals bijvoorbeeld voor rijden zonder licht.

ANNEXATIE VAN DE GEMEENTE NIEUWER-AMSTEL

Het grondgebied van Amsterdam was in de voorafgaande twee eeuwen nauwelijks meer uitgebreid. Vanaf 1860 verdubbelde in enkele decennia het aantal inwoners. Schrijnende woon­toe­s­tanden in de binnenstad en malafide bouwpraktij­ken kwamen aan het licht. Het aantal liberalen in de gemeente­raad halveerde in zes jaar tijd (1887-1893), mede als gevolg van een pas gewijzigd kiesrechtstel­sel. Een meerderheid in de raad gaf voorkeur aan grotere invloed op de op handen zijnde stad­suitbreiding.

Reeds in 1883 waren door Amsterdam pogingen ondernomen om de gemeente Nieuwer Amstel te annexeren, maar die gemeente ver­zette zich heftig tegen haar machtige buur. Onder bur­gemees­ter Alexander Boers gaf de gemeente Nieuwer Amstel opdracht tot de aanleg van de Ceintuurbaan om een hoogst noodzakelij­ke verbin­ding dwars door de zg. Buiten­veldert­sepolder te creëren. Ook de HBS aan het Roelof Hartplein, de brandweer­ka­zerne op de hoek van de Van Baerlestraat, schuin tegenover het Con­cert­gebouw en een nieuw stadhuis aan de Amsteldijk – het huidige Gemeentear­chief – dateren uit die tijd. Nieuwer Amstel reorga­niseerde op vooruit­stre­vende wij­ze de brand­weer. Naar het zich laat aanzien was daarover jaren gebakke­leid.

Wethouder Treub van Publieke Werken, aanvankelijk wethouder van Financiën en privaat-docent notariaat aan de Universi­teit van Amsterdam, pleitte bij de plannen tot an­nexatie van de gemeente Nieuwer Amstel voor de invoering van het Erfpacht­stelsel. Reeds eerder was bepaald dat erfpacht regel zou moeten zijn, koop uitzondering. Het terrein rondom de Wil­lemsparkweg is niet in erfpacht maar in eigendom uitgege­ven. Omdat de gemeente Amsterdam op 1 mei 1896 de opvolger in rechte was de gemeente Nieuwer Am­stel, was ze gebonden aan de afspraken van haar voor­ganger.

Wethouder Treub werd na afloop van de debatten te kennen gegeven zijn zetel op te geven. Onder Treub’s leiding waren in de voorafgaande jaren gas, elek­triciteit, telefoon en water­leiding gedeprivati­seerd. Hij kreeg nog een paar maanden om zijn werk af te kunnen maken. Treub werd door de gemeenteraad benoemd tot hoogleraar Staat­shuishoud­kunde. Treub werd in 1904 gekozen als kamerlid voor de Vrijzinnig Democraten. Hij bracht het tot minister van Fi­nanciën gedurende WOI in het kabinet Cort van der Linden.

DE EIGENAREN

Op 5 augustus 1898 werd Coenraad Gerard van Hattum voor 5.000 gulden de bezitter van een bouwperceel ter grootte van 258 m². Het oorspronkelijke kavel bleek in 1890 (?) aangekocht en in twee percelen opgesplitst De koopakte ver­meldt dat op de terreinen alleen woonhuizen mochten worden gebouwd voor ten hoogste twee gezinnen. Verder werd bedon­gen dat ‘op die ter­reinen (…) geene ar­beiderswoningen, fabrieken, of trafieken, geene bordeelen, nacht-, dans-, koffie-, wijn-, bier-, of speelhuizen, geene koetshuizen, stallen of pakhuizen, noch inrichtingen voor publieke ver­makelijkheden mogen worden opgericht, gesticht of ge­hou­den’.

Archief van de Dienst Bouw- en Woningtoezicht

Binnen een maand werd door de gemeente een vergunning ver­leend aan Van Hattum voor de bouw van het onderhavige pand. Bouw­toezicht eiste dat de fundering beneden het zomerpeil van de Binnendijkse Buiten­veldertse polder moest komen te liggen. De grond onder en achter het huis moest worden opge­hoogd tot tenminste 1,20m boven Amsterdams Peil. De vloeren mochten niet worden vastgehecht, tot dat de dienst Bouwtoezicht langs was geweest.

De ontwerper/architect/aannemer van het onderhavige pand is de heer Anthonie Egas (1867-1935) geweest. Behalve dat hij de zoon was van Wouter Egas, eerst onderbaas van de aannemer en later vanaf de opening van het Nieuwe Park als opzichter in het Vondelpark, woonachtig in het wachterhuisje, Vondelpark 1, is er weinig over hem bekend.1 Mogelijk woonde hij  in de Saxen­burgerstraat. Op zijn naam staan tevens de panden Korte Van Eeghen­straat 1 en (om de hoek) Van Eeghenstraat 38-44, 91, 93, 109, 151-155, 195-199. In de bocht van de Koningin­neweg ontwierp Egas de panden met de nummers 5-9, 39, 43, 45, 59, 61, 63, 65, 67. Cornelis Schuytstraat 2-6, Willemsparkwe 8-18 en 210. Ook ontwierp hij enkele eenvoudige panden in de Staatslie­den­buurt: Van Boetzelaerstraat 44-58, Van der Hoopstraat 69- of 85-91, Kinkerstraat 364-366 en Groen van Prinsterer­straat 15-17, 67-73. Type­rend voor zijn stijl zijn de roodgele baksteenver­sieringen boven de kozijnen en de eenvoudige, maar harmonieuze lijsten bovenaan de gevel.

Het onopvallende, maar ruime pand Van Eeghenstraat 89 bestaat uit twee woningen. De inde­ling is als volgt: op de begane grond is links een portaal met een lange, stijle trap naar het bovenhuis, rechts de vesti­bule van het beneden­huis. Op de begane grond bevinden zich twee kamers-en-suite met daarachter een serre. In de achter­ste kamer staat een lange tafel en opvallend vormge­geven houten beelden en meubels. Links is een keuken. Achter de serre is in de jaren twintig of dertig een uit­bouw aange­bracht. De glas-in-loodra­men wijzen op die peri­ode. Een bouwaan­vraag daaromtrent is niet bewaard geble­ven. Op de eerste verdieping bevinden zich een voorkamer met houten lambrizering, een zijkamer, een badkamer en een slaapkamer. Een tussendeur in de hal, die al jaren niet meer wordt ge­bruikt, geeft toegang tot de trap naar het bovenhuis.2

De boven­woning op de tweede verdieping heeft eveneens twee kamers-en-suite. Veel boeken, kranten, planten en een ter­rarium met hagedissen maken de beide kamers heden­tendage tot een indrukwek­kend geheel. Linksvoor is een zijkamer en links­achter een keuken. Op de derde verdieping bevinden zich een “studio”, een alkoof, een badkamer en een slaap­kamer met balkon.

In de tuin (19,5m diep) zijn ooit een vijver en een volière aangelegd, zoals bleek uit een telefoon­gesprek met de heer A.W.H.D.B. Claessens, in zijn jeugd tijdens WOII,  huurder van de studio. Aan het einde van de tuin staat een tuinhuisje, met berg­plaats voor gereedschap en winterbloemen. De bouw­tekening, behorende bij de aanvraag in 1899, maakt duide­lijk dat het tuinhuisje later is verbreed.

Bouwen van een tuinhuisje achter het perceel. Beeldbank Stadsarchief

De eigenaren

C.G. van Hattum (Tiel 1848-Nijmegen 1914) was landmeter 1e klas bij het Kadaster en woonde in de Den Texstraat; hij was ongehuwd. Het pand in de Van Eeghen­straat is  door hem verhuurd. Het benedenhuis werd be­woond door de weduwe van Bernard Gradle, geboren Josephine Wolf. (1860-) in 1878 getrouwd met Gradle. Het bovenhuis werd bewoond door Albertus Hendikus Klein (Batavia 1859- ). Klein vertrok reeds in 1901 naar Oost-Indië. In 1907 heerste een crisis in het hypotheek­bankbedrijf. Ook Van Eeghenstraat 89 werd in dat jaar bij executie verkocht op een veiling. Het woningboek van de gemeente Amsterdam vermeldt dat Van Hattum in 1908 verhuisde naar Nijmegen.

Voor 19.000 gulden werd Jacoba Sulpke (1857-1928) de nieuwe eigenares. Zij was in 1879 getrouwd met Mr Hendrik Pouw onder huwe­lijkse voorwaar­den. Pouw (1852-1935) was afkomstig uit een Amsterdams geslacht van notarissen. Hij vestigde zich als advocaat en procureur op de Keizers­gracht 19, 299, 478 of 54? Pouw werd in 1900 aangesteld als directeur van de Algemeene Hypotheek­bank, gevestigd op de Herengracht 416. De familie Pouw – er waren vier kinderen – woonde aan de Van Eeghenstraat 3.

H. Pouw en J. Sulpke, beeldbank Stadsarchief

Pouw diende in 1908 een verzoek tot ‘het veranderen der in­rich­tingen voor afvoer van drekstoffen uit genoemd per­ceel’. Dat betekende dat ‘de waterspoelinrich­ting der bestaande drie privaten in trekreservoirs’ werden vervan­gen. De toen geplaat­ste toiletpotten met vorstelijke, brede houten zit­ting bevin­den zich nog steeds in het pand. In de tuin werd een beerput gegraven ter vervanging van de oude faecaliën­bak. Tegelijker­tijd werden de grondleidin­gen voor afvoer van het hemel- en gootsteenwater veranderd. Een jaar later werd Pouw door de gemeentelijke dienst Publieke Werken gesommeerd een overvloeileiding aan de beerput te maken naar het pas aange­legde gemeente­riool in de Van Eeghenstraat! De eigenaar pro­testeerde bij Publieke Werken tegen de gang van zaken. Had men hem daar in het vooraf­gaande jaar niet op kunnen wijzen?

In 1919 betrok Pouw, inmiddels gepen­sioneerd, de beneden­woning. Het Woningboek vermeldt dat de weduwe Gradle-Wolff was verhuisd naar Chicago. In het bovenhuis woonden achtereenvol­gens de weduwe Anna Maria Korthals-Fuchs (-Baarn 1959) en mw Maria Anna Boon Hartsinck (1870-1949), weduwe van Martin Sybilla Boon Hartsinck. In 1928 vond een boedel­scheiding plaats. Pouw werd de nieuwe eigenaar, nadat zijn vrouw was overle­den. Hij droeg echter binnen een half jaar het pand over aan zijn neef Christiaan Georg Pouw (1889-), eveneens notaris, woonachtig Keizersgracht 54. Hendrik Pouw ver­huisde naar Leidsekade 100 en sleet de rest van zijn leven bij Constance van Raalte (1860-1937),  sinds 1917 de weduwe van Julius Carel Boas, jurist.

In de jaren dertig werd het pand Van Eeghenstraat 89 be­woond door notaris C.G. Pouw en door Rosalie Emilie Klaar, de weduwe van Mr Theodorus Ignatius Bernardus Hiltermann (1858-1932), kantonrechter; voorzitter van de Voogdijraad Amsterdam; secretaris van het bestuur Liefdadigheid naar vermogen. De voormalige verpleegster van de oud-oom van Mr G.B.J. Hiltermann huurde de bovenwoning, maar verhuisde kort voor de oorlog naar haar vroegere woonplaats: Den Haag. De derde bewoonster was mej. Hendrika L. Broekmans (1885-‘, de huishoudster van notaris Pouw.

Mr C.G. Pouw bekleede uiteenlopende functies. Hij was direc­teur van de Hollandsche Grondcrediet­bank, vice-consul van Guatamala, pen­ningmeester van het Genootschap Amstelo­da­mum en bes­tuurslid van de Vereniging Asyl bewaarplaats voor noodlij­dende dieren aan de Polderweg. Vermoedelijk gaf hij de op­dracht tot bouw van een niet meer bestaande volière in de tuin. Mr C.G. Pouw hield aanvankelijk kan­toor op de Prin­sengracht 796-798. Rond 1939 verhuisde het kantoor naar Vos­siusstraat 3. Pouw deed het pand in 1941 van de hand. Hij overleed in 1954, woonachtig op Keizers­gracht 650.

Vanaf 1941 was Christiaan Frederik Doyer (1880-) eigenaar van het onderhavige pand.3 Deze procuratiehouder en bankdirecteur, wonende in de Van Eeghenstraat 169, betaalde 23.500 gulden voor het pand. Het werd verhuurd aan de advocaat Mr G.J.C.H. Claessens (Delft 1907-1942), die in novem­ber 1941 vanuit Huizen naar Amsterdam verhuis­de. Claessens kwam naar Amsterdam vanwege zijn nieuwe functie als voorzitter van de Raad van Beroep, afd. Socia­le Verzeke­ring en het Ambtenarengerecht. De Raad van Beroep was een voorloper van het GAK, toen nog gevestigd in de Van Eeghen­straat. Claessens overleed in mei 1942 aan de gevol­gen van een slopende ziekte. Zijn zoon wist zich te herinneren dat de Duitsers in het plantsoen tegenover de ingang van het Vondelpark een houten schuilplaats hadden gebouwd. Zijn weduwe, mw Alida Geertruida Claessens-Bergman Carels (1899-1975), een dochter van een Amster­damse sigaren­fabrikant in de Nes, c.q. O.Z. Voorburgwal 316 bewoonde het beneden­huis tot 1972. De bovenwoning werd verhuurd aan o.a. mw A.E.S. Bianchi (1883-1950), een lerares M.O. Engels.

http://resolver.kb.nl/resolve?urn=urn:gvn:RDMZ01:OF-00619&role=image&size=largest
O.Z. Voorburgwal 316. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, afdeling Gebouwd Erfgoed

Van Eeghenstraat 89 werd in 1957 bij veiling verkocht aan de weduwe mw A.G. Njio-Oei. Zij woonde in de Courbetstraat en bezat zeven panden elders in de stad. Onderhavig pand werd bij executie op een veiling verkocht in 1960 aan Mr J.D.C.J. Janzen-van Oosten (1925-), advocate en procureur, wonende in de Emmastraat. De verkoopprijs was 42.500 gulden. Mw Janzen-Van Oosten was getrouwd met Hermann Janzen, een journa­list van het Vrije Volk. Zij bewoonden de tweede verdie­ping en deelden de derde verdie­ping met de zoon van mw Claessens, de bewoonster van het beneden­huis.

Op 10 november 1965 werd een gevaarlijk hangend tuimelraam op zolder verwij­derd door de brandweer. De eigenares was van plan een proces aan te spannen tegen de aannemer, die blijkbaar niet naar tevredenheid had gepresteerd. Er waren een aantal wijzi­gingen in en aan het pand aangebracht, waaronder het plaatsen van een cv. (Er was aanvankelijk al­leen centrale verwarming in het achterhuis.) Er waren heel wat onderhuurders of kamerbewoners, te veel om op te noemen.

In 1971 is het pand verkocht aan Mr Frits Emanuel Frenkel (1923-2006), geboren in Rotterdam. Deze voormalige juridische medewerker aan de Rijksuniver­siteit van Groningen en docent Strafrecht aan de Erasmus Univer­siteit te Rotterdam betaalde 90.000 gulden voor het pand. Dat was in zijn eigen woorden zoveel geld dat de bank meende dat hij nooit meer in staat zou zijn op vakantie te gaan. Na een rechterlijke uit­spraak kreeg Frenkel beschikking over de gehele derde ver­dieping. Frenkel verhuisde van J. Verhulststraat naar de Van Eeghenstraat.

Frenkel werkte een aantal jaren in Zutphen bij de rechtbank, details onbekend. Hij publiceerde in de loop der jaren over het ver­schijnsel homosexuali­teit, Provo, ‘gevangenen van Breda’ en euthanasie. Hij verdedigde Simon Vinkenoog in 1964-65 tijdens diens marihuana-proces. Hij gaf de stichting Skepsis (t.o.v. occulte, pseudo en paranormale wetenschap­pen) gelegenheid haar vergaderingen te organise­ren in de kamers-en-suite op de benedenver­dieping. Frenkel verzette zich tegen de opvatting van de buurtbewoners met betrekking tot het het Vondelpark, waar werd overnacht door hippies.

In 1973 gaf hij aan Peter Vermeulen4 de opdracht tot het aan­brengen van een pleister­werk boven het raam op de derde verdieping: een schorpioen, gezalfd door olie uit een zg. levietenkan. De voorstelling is afgeleid van een zegelring met het fami­liewa­pen aan moeders zijde: een Asscher. Pogingen meer te weten te komen over de betekenis hebben weinig opgeleverd; ik kreeg de indruk dat Frenkel aandacht wilde vestigen op de gevelsteen, een rariteit in de Vondelparkbuurt.

De Nederlandse film Bastille (1984) de Amerikaanse film Murder Story (1989), en afleveringen van verschillende tv-series zijn hier deels opgenomen.

In 1988 promoveerde Frenkel aan de UvA op  “De onwetenschappelijkheid van het strafrecht”.5

Frenkel  “verhuurde onder aan lieden met een joodse, kunstzinnige en/of homofiele inslag, waaronder deze Arnon Grunberg, toen nog erg jeugdig.”6

De tuinkamer aan de Van Eeghenstraat fungeerde voortaan als kantoor, maar huisbaas Frenkel bood groothartig ook de leegstaande kamer aan de straatkant voor gebruik aan. De vloeren lag er spoedig bezaaid met papieren. Uit erkentelijkheid zou Kasimir het essay Schuld en straf (‘de camouflage van het geloof in het kwaad’) van Frenkel uitgeven, een brochure die tot spijt van de auteur ‘volledig werd geïgnoreerd.’7

Grunberg schreef er zijn debuut  Blauwe maandagen (1994) . De roman “Tirza” van Grunberg verscheen op 20 september 2006, en werd gepresenteerd in Van Eeghenstraat 89. Frenkel is enkele weken later op 2 oktober 2006 overleden.

Frenkel had weliswaar zonen noch dochters, hij was een overtuigd zij het weinig praktiserend homoseksueel, maar hij had ook altijd slepende ruzies met zijn huurders gehad, hij had een klein ontuchtig schuurtje achter in de tuin, en hij liet ook nooit na om bij elke ontmoeting op te merken dat hij een huis in de Van Eeghenstraat had, de beste straat van Nederland. Ik kende Frits al vele jaren, maar kon me hem niet anders herinneren dan als een verward strafrechtsgeleerde aan de Erasmus Universiteit die tot zijn pensioen in dienst mocht blijven… op voorwaarde dat hij op zijn werk nooit, maar dan ook nooit meer zijn gezicht zou laten zien.8

Amsterdam, april 2001; herzien oktober 2015.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *