Frederik de Grote en de muntchaos tijdens de Zevenjarige Oorlog (1756-1763)

De financiering van de Zevenjarige oorlog is een ingewikkelde zaak. Zeker is dat Frederik de Grote vijf keer zijn munt liet devalueren en dat Engeland vanaf 1758 tot 1761 via Amsterdam en Hamburg subsidie overmaakte, bestaande uit goud en zilver. Dat is gebruikt voor het slaan van Kriegsgeld  en verspreid in Saksen, Silezië, Polen, Bohemen en Koerland; zijn soldaten en kooplieden in vee, graan en zout brachten het Kriegsgeld op markten en beurzen in omloop.[Schrötter, p. 32] Het gebruik van Kriegsgeld werd in Pruisen verboden en tegengehouden.[Die Russen in Königsberg: Ein numismatisches Zeugnis des Siebenjährigen Krieges] Het is Frederik gelukt te zijn een oorlog te voeren zonder zich in de schulden te steken, of de belastingen in Pruisen te verhogen,1 maar zijn doel bereikte middels devaluatie.2

Frederick II of Prussia Coloured drawing.png

Een devaluatie van de munt middels het in omloop brengen van minderwaardig geld was een (beproefd) middel om een oorlog te financieren.[Von feinem Silber Der Versuch, mit gutem Geld schlechtes zu verdrängen] In 1750 had Frederik Johann Philipp Graumann aangesteld om nieuwe Pruisisch (courant)geld met een meer billijk en lager zilvergehalte te introduceren; er waren teveel verschillende soorten geld in omloop in Duitsland (Heilige Roomse Rijk). De introducering van de Reichsfuss in 1737 voldeed niet, schepte chaos en verwarring..[“Oordeelkundige verdeediging”, rapport van een [Duitser], waarin hij de in een “Grondige beproeving” tegen de voorstellen van Johan Philip Grauman geuite bezwaren weerlegt; met als aanhangsel een verhandeling over de oorzaken van de koerswisselingen van goud en zilver; afschriften [1752]]  Kooplieden gebruikten koerslijsten om de waarde van een bepaalde munt (en de vervalsingen) op een bepaalde plaats te bepalen; alles moest worden omgerekend in Bankotaler. De Leipziger muntvoet uit 1687 of 1690 was verouderd en onvoordelig; het zilver verdween naar het buitenland. Frederik wilde dat stoppen door het goudgehalte van de dubbele, de hele en de halve Friedrichd’or met 10% te verlagen. Er moest bovendien meer kleingeld, de hele, halve, zesde, kwart en twaalfde van de zilveren Reichstaler, in omloop komen om het verlies op grotere munten te beperken.

In juni 1755 kwam Frederik de Grote incognito naar Amsterdam om schilderijen te kopen en zich mogelijk bij Isaac de Pinto over de monetaire hervorming en financiering te informeren. Volgens De Pinto ontstond er in 1747, tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog al een tekort aan “cash” in de Republiek,3 maar er heerste ook muntchaos, o.a. de Zeeuwse rijksdaalder is in 1747 verlaagd. Bovendien steeg de prijs van zilver ten opzichte van goud.[J.G. van Dillen, p. 592] In Braunschweig-Wolfenbüttel introduceerde Johann Philip Graumann in 1742 de Karld’or en in 1747 de zilveren Albertustaler. In de Republiek werd op 1 augustus 1749, c.q 1759 besloten de gouden dukaten, waarvoor drie verschillende prijzen werden gehanteerd, te vervangen door gerande gouden rijders. In 1750 haalde Frederik de Grote Graumann naar Berlijn, die de Friedrichd’or mocht slaan, weliswaar met het juiste gewicht, maar een slechter allooi. In 1752 ging Holstein over tot het gebruik van de Albertustaler; Kurhannover (en Lübeck) hadden bedenken gebruikten de Kuranttaler. Vanaf 1753 werd in samenwerking met Beieren de Maria-Theresiataler geslagen; de Oostenrijkse keizerin liet ook een Albertustaler introduceren en de Konventionsfuß. Frederik richtte in september 1753 een Giro- en Wisselbank op, die werd gedwarsboomd door Hamburgse kooplieden.[Nationaal Archief. 3.20.33-inv. 297 Octrooi van Frederik, koning van Pruissen, voor het oprichten van een Giro- en Wisselbank te Berlijn; drukwerk. 23 september 1753 ] Ze hadden bezwaren tegen zijn muntpolitiek. Het project verdween in een la? In 1755 was de chaos compleet in het Heilige Roomse rijk; geld wisselen was een kunst geworden.[Entdeckte Ursachen des verderbten Münzwesens in Teutschland : nach ihren ersten und wahren Quellen ; wobey zugleich neue und wirksame Mittel dagegen vorgeschlagen werden, die ein jeder Reichsstand vor sich, ohne Mitwirkung des Reichs, und ohne Recesse mit seinem Mitständen, in Ausübung bringen kann von Johann Heinrich Gottlob von Justi (1755) Leipzig, Breitkopf.]. Er waren verschillende muntvoeten in omloop: de oude Leipziger Fuß of  de Oostenrijkse 18-Gulden-Fuß (1690) en sinds 1738 de Reichsfuß; de Graumannscher Münzfuß of 21-Gulden-Fuß (1750); de Konventionsfuß of 20-Guldenfuß (1753) en de 24-Guldenfuß. 

Ook volgens de Resolutien der Heeren Staaten begonnen de problemen met het muntmateriaal in 1755.4 De stijging in de prijzen van muntmateriaal was het gevolg van een geringe aanvoer van zilver en de grote uitvoer.5 De VOC zette haar bankgeld om, iets dat nog nooit eerder was gebeurd. Ook de “schuldenlast was enorm gestegen door de Oostenrijkse successieoorlog, en dat was zelfs één van de redenen dat Nederland het zich niet kon veroorloven om partij te kiezen in de Zevenjarige oorlog, …”6 Het goud was veelal afkomstig uit Brazilie, het zilver uit Mexico en Peru, en werd exporteerd naar Spanje en Portugal. Het is onduidelijk of de aanvoer van zilver uit Veracruz terugliep rond 1755.

Het gewicht en allooi van alle, sommige of enkel de twee kleinste munten (2 en 4 Groschen) werd niet vastgelegd en zou aanleiding geven tot bedrog. (Het kwam op de kwantiteit van de munten aan en niet de kwaliteit.[Schrötter, II. Band, p. 148]) Goed geld moest tot dan toe worden ingevoerd en tegen agio of opgeld worden aangeschaft. Gouden munten zoals de oude Louis d’or (1641-1709), Hollandse Dukaten, Zuid-Nederlandse Albertusthaler), waarmee het buitenland bij voorkeur betaalde, vanwege de winst op het koersverschil, zou buiten de grenzen moeten worden gehouden,[Schrötter, II. Band, p. 171, 188, 271] en meer orde scheppen. (Het gebruik van Hollands dukaten in Oost-Friesland, Tecklenburg en Lingen werd formeel toegestaan.[Schrötter, p. 200-201]) Frederik was bereid meer voor het zilver betalen, zodat er meer naar Pruisen kwam en alleen daar nog munten zouden worden geslagen.[Die Werke Friedrichs des Großen : in deutscher Übersetzung; 7 Das politische Testament von 1752, Domänenkasse] Frederik dwong Graumann daarbij op een lage wisselkoers aan te sturen, vanwege de import van zilver. Hij had diverse conflicten met Graumann over de te volgen politiek en de teleurstellende winstgevendheid van de Pruisische munthuizen. Omdat Graumann er niet slaagde in met de Hollandse munthuizen te concurreren, besloot Frederik hem in 1755 op non-actief te stellen, [Vom Anfang des Jahrs 1751 und folgenden Zeiten] en zelf de contracten betreffende zilverleveranties te sluiten.[Schrötter, II. Band, p. 123, 132, 143] 

So kam es vor, dass in seinen Prägeanstalten unter konspirativen Bedingungen fremdes Geld hergestellt wurde, um es im Ausland profitabel abzusetzen. Alle Beteiligten mussten sich zu absolutem Stillschweigen verpflichten, anderenfalls sie allerschwerste Strafen zu erwarten hatten. Auf keinen Fall sollten die „geheimen Ausmünzungen“ von russischen, österreichischen und holländischen Silber- und Goldmünzen publik werden, denn der König war sehr auf sein Renommee bedacht und tat alles, sich als ehrlicher Landesfürst darzustellen.[Wie Preußen bei Kasse gehalten wurde - Neuer Standardkatalog über die Münzen und Geldpolitik Friedrichs des Großen von Helmut Caspar

De muntmeesters Daniel Itzig (1723-1799) en Veitel Heine Ephraim (1703-1775) speelden vanaf 6 oktober 1755 daarbij een belangrijke rol.

Ephraim

Vanaf 1756 pachtte Ephraim alle Pruisische en Saksische munthuizen, in Berlijn, Breslau, Kleve, Aurich, Königsberg, Magdeburg, Stettin, Dresden en Leipzig. Hij betaalde daarvoor sleischat (in 1755 5%, in 1762 13%, gemiddeld 6 miljoen taler per jaar) aan Frederik; een vaste afdracht per afgeleverde partij munten, gebaseerd op het verschil tussen de nominale waarde van de munt en de inhoud aan edelmetaal minus de kosten van slaan van de munten. Frederik had er dus belang bij dat de muntmeester een zo groot mogelijke productie bereikte. Hij zou zijn Zevenjarige oorlog nooit hebben kunnen winnen zonder de hulp van Itzig en Ephraim.7 [Rachel & Wallich, p. 319] De enorme winsten die op de uitgifte van munten werden gemaakt, vloeiden hoofdzakelijk naar de schatkist, maar ook voor de muntmeester was de muntslag van munten zeer lucratief. De auteurs lijken Engeland te vergeten, Pruisens enige bondgenoot, dat vanaf april 1758 vier keer subsidie in de vorm van goud- en zilverbaren verstrekte; 2x in 1758, en 1x in 1759 en 1760.[The Works of Thomas Carlyle, p. 342] Of Carlyle het bij het juiste eind had, is onduidelijk; andere bronnen houden het stopzetten van de subsidie op december 1761, na de val van Pitt.[Die schlesischen Kriege] Ook de val van Thomas Pelham-Holles, een half jaar later, had te maken met het Engelse parlament dat op 30 april 1762 weigerde nog langer subsidie te verstrekken aan Pruisen, dat op 5 mei sloot met Rusland.[The French Navy and the Seven Years’ War by Jonathan R. Dull, p. 230]

Er [Friedrich] verfügte beim Friedensschluss von 1763 immer noch über einen Kassenbestand von knapp 23 Millionen Reichstalern.[Wie Preußen bei Kasse gehalten wurde - Neuer Standardkatalog über die Münzen und Geldpolitik Friedrichs des Großen von Helmut Caspar
Im Siebenjährigen Krieg 1756-1763 setzte Friedrich seine neuen Münzgrundsätze außer Kraft. Alle Münzstätten in Preußen und im besetzten Sachsen wurden an jüdische Unternehmer (Münzentrepreneurs) verpachtet, die dem König einen hohen Schlagschatz zu zahlen, ansonsten aber praktisch freie Hand hatten. Bekanntester dieser Münzentrepreneurs ist der Berliner Bankier Veitel Ephraim, der es durch die massenhafte Produktion unterwertiger und rückdatierter Münzen mit dem Bildnis des sächsischen Kurfürsten und polnischen Königs Friedrich August, der sog. Ephraimiten, zu Reichtum und beim Berliner Volksmund zu dem Vierzeiler brachte: „Von außen schön / von innen schlimm / von außen Friedrich / von innen Ephraim“.[Für 8 Groschen ist’s genug. Friedrich der Große in seinen Münzen und Medaillen von Bernd Kluge]

Zitat, das Friedrich II. v. Preußen zugeschrieben wird: „Sachsen ist wie ein Mehlsack, egal wie oft man draufschlägt, es kommt immer noch etwas heraus.
File:Berlin, Mitte, Nikolaiviertel, Palais Ephraim.jpg
Das Palais Ephraim an der Ecke Poststraße/Mühlendamm im Nikolaiviertel in Berlin-Mitte. Das Gebäude war ein Rokoko-Palais, und wurde von Friedrich Wilhelm Diterichs 1762-1766 für den Bankier Veitel Ephraim gestaltet. Die den Balkon tragenden Monolithen hatte der König sein Günstling von dem gräflich Brülschen Schlosse geschenkt, das während des Siebenjährigen Krieges zerstört wurde.[Rachel & Wallich, S. 312]

De muntmeesters in Duitsland hebben gedurende de hele Zevenjarige oorlog waarschijnlijk meer dan 300 ton zilver geimporteerd (een klein vrachtschip vol) dat in Amsterdam voornamelijk werd betaald met wisselbrieven, en in Hamburg met Kriegsgeld.[Schrötter, II. Band, p. 218-219] Het zilver is gebruikt om 40 miljoen nieuwe munten te slaan, die in Saksen, en Silezië, maar ook in Hongarije, Polen, en Kurland in omloop werd gebracht.8 De “Münzjuden” Itzig en Ephraim, etc. waren contractueel verplicht zich aan de nieuwe muntvoet vast te houden en niet meer te produceren dan afgesproken was.[Schrötter, p. 239-246] In oktober 1756 werd het duidelijk, dat er bedrog werd gepleegd door Ephraim, die de munt in Leipzig hadden gepacht. Er waren munten in omloop die niet in Leipzig waren geslagen, maar toch dat stempel droegen (en het jaar 1753, 1754 of 1756).[Schrötter, p. 35, 249] (Leipzig is pas eind augustus 1756 veroverd door het Pruisische leger. Het was een actie met voorbedachte rade.) De uitvoer van deze munten naar Polen (over water) mocht niet worden gehinderd.[S. Stern, p. 294-295, 304] Frederik wist af van het bedrog, en stemde ermee in, want ze betaalden hem sleischat, maar het gaf ook Itzig en Ephraim een aantal maanden groot financieel voordeel. Toen Kleve, waar Ephraims zoon sinds augustus 1755 de leiding had, in 1757 werd bezet door het Franse leger, zijn die muntactiviteiten voortgezet in Maagdeburg en Berlijn. Zweden was niet bereid Pommeren aan Frederik af te staan en verklaarde Pruisen de oorlog in september. In Dresden is minderwaardig geld geslagen, toen Ephraim daar tot muntmeester werd benoemd. In Breslau en Koningsberg werden Poolse munten geslagen, waarvoor Saksische (en Bernburgische) stempels werden gebruikt.[Schrötter, p. 29] Zelfs het Oostenrijkse leger kocht Saksische munten op om de crediteuren of soldaten te kunnen betalen.[Rachel und Wallich, p. 300] In Pruisen zelf was het gebruik van Saksisch Kriegsgeld tot 1760 verboden.[Rachel & Wallich, p. 303] 

King Augustus III of Poland von Pietro Rotari – www.wga.hu (Gallery: Gemäldegalerie, Dresden), Gemeinfrei, Wikipedia Commons

Gouden en zilveren munten werden zeldzaam, niet alleen de Republiek, maar ook Engeland, Frankrijk, Zweden en Denemarken verstuurden de munten naar Azië, waar het nog meer opbracht. De prijs van zilver op de Amsterdamse beurs steeg; het omsmelten van Hollandse en Zeeuwse zilveren munten om het zilver uit te voeren, werd een lucratieve bezigheid. Ook het kleingeld was zo krap voor handen, dat de soldaten, die minder dan een gulden (8 Gute Groschen) per week verdienden, nauwelijks betaald konden worden. (Met behulp van soldijbewijzen, die na de oorlog uitbetaald zouden worden, schijnt het probleem tijdelijk zijn opgelost.9)

1758

In januari 1758 werden Saksen en Mecklenburg gedwongen contributies te betalen.[De Jong-Keesing, p. 38] In april 1758 gaf Frederik opdracht de Pruisische voorraad aan (tafel)zilver in Friedrich d’or om te zetten.[Schrötter, p. 21, 24, 25, 27, 42, 46] [De Jong-Keesing, p. 46] Hij liet in december ook heimelijk Hollandse dukaten namaken; de Republiek reageerde door meer dukaten te laten vervangen door gouden rijders? De dukaten werden gebruikt om betalingen aan het buitenland, en het transport en leveringen aan het leger te betalen. (Gotzkowsky vermeldt in zijn autobiografie dat hij na de inval in Saksen met de nieuwe Friedrich d’or (met een waarde van vijf Thaler) werd betaald.[Gotzkowsky, Geschichte eines patriotischen Kaufmanns, p. 15] Dat zou vanaf april 1758 het geval kunnen zijn geweest?[Rachel und Wallich, p. 300]) Het staat buiten kijf dat Frederik heeft geprobeerd in de veroverde gebieden, zijn achterland, of in Oost-en Midden Europa het nieuwe courantgeld, de Friedrichd’or en de Reichtaler, met een verlaagd zilvergehalte in te voeren.[“Oordeelkundige verdeediging”, rapport van een [Duitser], waarin hij de in een “Grondige beproeving” tegen de voorstellen van Johan Philip Grauman geuite bezwaren weerlegt; met als aanhangsel een verhandeling over de oorzaken van de koerswisselingen van goud en zilver; afschriften [1752] 1 katern] “Alleen als de legers in vijandelijke landen stonden mochten de entrepreneurs voor het muntverbruik aldaar het slechtere geld slaan.”[De Jong-Keesing, p. 46]

Er glaubte aber, daß es vorteilhafter sei, wenn er an die Stelle der vielen kleinen Lieferanten, die für die Judenschaften Preußens das Silber aufzubringen hatten, einige wenige reiche, angesehene und im Münzwesen erfahrenen Juden setzte, die den Edelmetallmarkt beherrschten und durch ihren Namen und ihre ausländischen Geschäftsbeziehungen für eine pünktliche Lieferung bürgten. Die übrigen Versprechungen aber, durch das neue Geld den holländischen Dukaten zu verdrängen, den preußischen Friedrichd’or zum Weltgeld zu machen, jährlich für 20 Millionen Taler Geld auszuprägen und dem König davon einen Schlagschatz von einer Million zu bezahlen, habe der Generalmünzdirektor [Graumann] nicht erfüllen können, weil Preußen weder wirtschaftlich noch finanziell imstande gewesen sei, mit den alten Geldländern zu konkurrieren und sich das für eine so große Ausmünzung nötige Edelmetall zu verschaffen.[S. Stern, p. 232-233]

Het Pruisische Kriegsgeld was van betere kwaliteit, het was in trek vanwege zijn hogere waarde. Ook omringende vorstendommen (inclusief Zweden) gingen over tot het slaan van Kriegsgeld om de uitvoer van het hoogwaardig geld te beperken. Vanaf december 1758 zou slecht geld (of zilver?) vanuit Holland naar Hamburg zijn getransporteerd en vandaar uit verspreid.[Schrötter, p. 279-281] Graumann waarschuwde voor de gevolgen.[De Jong-Keesing, p. 47] In 1758 werd een fictieve brief gepubliceerd “Der gerechtfertigte Ephraim. Oder, Historische und beurtheilende Nachrichten über den vergangenen, gegenwärtigen und künftigen Zustand des Sächsischen Finanz-Wesens : Nebst einer Vergleichung der Preußischen und Sächsischen Oeconomie … durch den Juden Ephraim zu Berlin an seinen Vetter Manasses in Amsterdam” door Jean-Henri Maubert de Gouvest. Daarin richtte hij zich tot een portugese jood, genaamd Andreas de Pinto, met een exposé over het tekort aan geld in Saksen, Pruisen, Frankrijk en de problematische financiele situatie in Engeland, dat steeds leende, alhoewel het grote schulden had.10 

1759

In februari 1959 stuurde Ephraim zijn zoon (Benjamin?) naar Hamburg om voor 9 miljoen daalder goud in te kopen.[De Jong-Keesing, p. 47] In augustus 1759 werd Dresden heroverd door de Oostenrijkers, en het plaatselijke munthuis, onder leiding van Ephraim, hield op te bestaan. In september volgde een arrestatiebevel tegen Ephraim in Hamburg, maar die wist dat te vermijden door zich te beroepen op Deense staatsburgerschap.[Schrötter, p. 151] De produktie in Leipzig van nieuw muntmateriaal werd verhoogd. (Frederik viel Polen binnen.) De Friedrich d’or en de August d’or, met op de voorkant hun beeltenis, moesten als betalingsmiddel worden aangenomen,[S. Stern, p. 309] en mochten niet omgesmolten worden. De Engelsen hebben in 1759-1761 steeds meer kapitaal (of zilver) in Amsterdam geleend.[De Jong-Keesing, p. 42-44] [Roberds & Quinn, p. ?] Vanwege de desastreuze financiele situatie in 1759 heeft Frederik de door de munthuizen te betalen sleischat verhoogd.

1760

Op 2 januari 1760 verzochten Itzig en Ephraim & Zonen om een verbod op doorvoer van slecht muntgeld en de uitvoer van goede munten. Frederik liet weten dat buitenlands geld in Pruisen werd toegestaan, maar niet geaccepteerd zou worden door zijn koninklijke kas. Enkele weken later maakte hij bekend dat al het geld dat het land binnenkwam gecontroleerd moest worden en dat valsemunters zouden worden berecht. Moses Isaac zag af van samenwerking met Ephraim en zijn zwager Itzig,[S. Stern, p. 317-318] en vestigde zich in Bernburg. In maart was het voor de bevolking op het platteland nauwelijks mogelijk om de belasting, etc. in Pruisische munten te betalen; deze werd betaald met voornamelijk Saksische munten. Frederik liet verordonneren dat de Münzjuden goede munten mochten inzamelen, maar zich niet langer mochten bezig houden met omwisselen van muntmateriaal.[S. Stern, p. 319-321] In Quedlinburg ontstonden problemen toen kooplieden uit Maagdeburg daar een munthuis pachtten? Itzig en Ephraim verzochten de koning inkopers van muntmateriaal uit te sluiten van de nieuwe regels. (“Schwere Silbermünzen wurden durch Wiegen aussortiert und von der Waage (Wippe) gekippt, um sie einzuschmelzen und das Edelmetall mit Kupfer zu strecken.”[“Schlagt tot das lose Pack”]) In mei verzochten Ephraim en Itzig om een verbod op invoer en doorvoer van niet-Pruisische of niet-Saksische munten. Ze kregen echter een verbod op omsmelten opgelegd. Vanaf mei zijn handelaren aan de grens gekontroleerd op het bezit van muntmateriaal; verdacht geld werd opgeslagen, is verzegeld of teruggezonden. In juni hoopten Itzig en Ephraim dat het gebruik van Saksische munten bij de geallieerde legers in gebruik zou blijven. Een maand later verzochten de muntmeesters om extra maatregelen, zoals meer paarden bij de posthuizen, zodat het geldtransport sneller zou verlopen. Eind augustus volgde een verbod op de uitvoer van 8-Groschen munten.[S. Stern, p. 327, 329, 330] 

Acht Gute Groschen (ein Drittel) wurden zur klassischen Münzsorte des Siebenjährigen Krieges (1756–1763). Von 1756 bis 1763 wurden die Münzen schrittweise geringerwertig ausgebracht. Nach Beendigung des Krieges wurden die Kriegsprägungen in den Jahren bis 1770 wieder eingezogen.[Arthur Suhle: Die Münze. Von den Anfängen bis zur europäischen Neuzeit, Leipzig 1969, p. 180.] Afbeelding afkomstig van Von Classical Numismatic Group, Inc. 
In juli 1760 werd bijna dagelijks zilver en goed geld met een hoog zilverpercentage naar Hamburg getransporteerd, omgezet in (Zweeds?) Kriegsgeld, en van daaruit verspreid. De Neufville stuurde zilver naar Altona.[De Jong-Keesing, p. 116] (Ook de betalingen van Frankrijk aan Zweden en Denemarken en van Oostenrijk aan Rusland verliepen over Amsterdam en Hamburg.) Frederik dwong ettelijke concurerende munthuizen (in Saksen-Anhalt, Mecklenburg en Schwerin) hun deuren te sluiten, waarop zij hun produktie verlegden. De Habsburgse keizer stelde een maand later een verbod in op de zilverhandel, waardoor de prijs van zilver steeg.[Rachel & Wallich, p. 304] (Het had bovendien tot gevolg dat ook het Kriegsgeld ongerechtvaardigd in waarde vermeerderde.) De stad Hamburg, neutraal tijdens de Zevenjarige Oorlog, kreeg een verbod opgelegd hoogwaardig geld uit te voeren, alleen met toestemming; de doorvoer van laagwaardig geld bleef buiten schot. 
 

Voor het einde van het jaar waren in Saksen Zweedse munten in omloop, de Poolse koning waarschuwde zijn landgenoten. Vanaf oktober 1760 werd het slaan van munten in Berlijn tijdelijk onderbroken, vanwege de Russische bezetting op 8 oktober. Gotzkowsky vermeldt dat de Münzjuden hem begin oktober 1760 vrachten geld toestuurden, die hij liet opslaan in zijn kelder.[Gotzkowsky, p. 21] De Russen eisten 4 miljoen Reichsthaler contributie, te betalen in oude, hoogwaardige munten.[Gotzkowsky, p. 25] Generaal Von Totleben, in russische dienst, dreigde Pruisische fabrieken en magazijnen te verwoesten en Itzig en Ephraim in gijzeling te nemen.[Gotzkowsky, p. 36] Ephraim en zijn zoon Benjamin zijn afgereisd naar Maagdenburg om dat te vermijden. Op 11 oktober wist Gotzkowsky het bedrag naar 1,7 miljoen terug te brengen. Hij beloofde de Russen te zullen betalen met baargeld en een wisselbrief ter waarde van een miljoen Thaler, lopend tot februari 1761.[Gotzkowsky, p. 41, 46] [Schepkowski, p. 261] [F. Lenz & O. Unholz (1902) De Geschichte des Bankhauses Gebrüder Schickler, p. 70] Op 12 oktober trokken de Russen zich terug. Begin november vond de slag bij Torgau plaats, waardoor de kansen voor Frederik keerden, alhoewel eind november bij Strehlen een aanslag op hem werd verijdeld. Eind oktober begon de produktie van geld om de Russen en de Oostenrijkers af te betalen.{Gotzkowsky, p. 29-30] 

1761

Frederik bezette Meissen, waar de produktie van Saksisch porselein plaats vond en gaf Gotzkowsky het bevel in Pruisen een porseleinfabriek op te starten.[Gotzkowsky, p. 65] Gotzkowsky keerde terug naar Berlijn, maar wist nog steeds niet hoe hij de Russen zou kunnen betalen. Hij gaf de firma Stenglin de opdracht 150.000 Thaler paraat te houden.[Gotzkowsky, p. 71] Gotzkowsky zou 100.000 Thaler naar Hamburg opsturen. (De Russen kregen slechts 57.437 Thaler in de allerslechtste Saksische munten toegestuurd.[Schepkowski, p. 264]) Frederik verordoneerde dat de stad Leipzig 1,1 miljoen Thaler contributie zou moeten opbrengen en liet de raad gevangen zetten.[Gotzkowsky, p. 76] Gotzkowsky sloot met hen een wisselcontract, terug te betalen in Hollandse dukaten. Ook De Neufville schijnt toen ingeschakeld te zijn. (Het is onduidelijk of het om gouden dukaten ging ter waarde van vijf gulden, of zilveren dukaten ter waarde van een rijksdaalder). (In het voorjaar van 1761 weigerde de Dordtse muntmeester ducaten of staven te leveren, alleen tegen opgeld.) Leipzig bleek niet in staat dat bedrag op te brengen. Gotzkowsky probeerde de Russen tevreden te houden met het sturen van kostbare geschenken, zoals tabaksdozen. (Gotzkowsky reisde in die winter drie keer naar de Russische legerstaf in Pommeren.) In de zomer 1761 wist hij (vrijwel zeker bij Schimmelmann, maar Gotzkowsky noemt zijn naam niet) 400.000 Thaler los te peuteren in Hamburg, die zouden worden betaald in Plöner of Zerbster munten.[Gotzkowsky, p. 111] Daarmee zou Leipzig de contributie aan Frederik kunnen betalen.

In 1761 dreigde de toelevering van zilver door Engeland op te drogen; de banken in Hamburg raakten afhankelijk van Amsterdam. Officieel kon het zilver niet worden verstrekt door de Wisselbank, die was verboden daarmee handel te drijfen.[Stadsarchief Amsterdam 1124: Archief van de Familie Schöne] Zij was verplicht een derde te laten vermunten. Het aantal makelaars en kassiers, dat voor zichzelf begon, nam toe.[J.G. van Dillen, p. 600] ( De vier kassiers bij de Wisselbank, hadden 52 filialen.[De Jong-Keesing, p. 153]) De Hamburgse koopman Schimmelmann was begin 1761 een eigen zilversmelterij begonnen nabij Bad Oldesloe(Münze zu Rethwisch) om Itzig en Ephraim concurrentie aan te doen. HIj schakelde een aantal handlangers in, zodat iedere week vier karren met munten konden worden afgeleverd.11 Nadat zijn smelterij werd stilgelegd (door toedoen van Ephraim) zou hij in juni 1763 (?) het roemruchte Wandsbek, waar hij zijn buiten had, zijn begonnen.[K. Schneider (1985) Untersuchungen zur Edelmetallverhüttung und Probierkunst in Hamburg, p. 17-18 In: Zeitschrift des Vereins für Hamburgische Geschichte (ZVHG) 71] Justi is als deskundige ingeschakeld en het lukte hem met behulp van steenkool als brandstof drie keer zoveel zilver uit de oude munten te verkrijgen en met minder verlies aan lood en koper.[Die Kunst das Silber zu affiniren oder das mit andern Metallen vermischte Silber wider fein zu machen. Ausgearbeitet von Johann Heinrich Gottlob Justi (1765)] (In het Deens bestaat een uitdrukking waarin Wandsbek de plaats is waar uitzonderlijke regels golden.)
 
Das Gut Rethwischhof in Rethwischfeld (1972 von Bad Oldesloe eingemeindet) weist Bausubstanz des Vorwerks des Rethwischer Schlosses auf

In oktober kwamen vanuit Rethwisch nieuwe munten van laagwaardig allooi in omloop.12 [Gotzkowsky, p. 113,114] Ephraim en Itzig protesteerden tegen de invoer van dat geld.[Schepkowski, p. 267] Toen Leipzig die munten ook niet accepteerde, moest Gotzkowsky alles terugzenden. Het is waarschijnlijk dat die munten in beslag zijn genomen en omgesmolten. In Maagdeburg – de lokatie van de legermagazijnen – dat als het “financiele centrum” fungeerde, blijken laagwaardige buitenlandse munten te zijn omgesmolten.[S. Stern, p. 344] (Archiefmateriaal voor 1787 is ooit vernietigd.)

 Eind 1760 was een nieuw procedé uitgevonden koper te zuiveren van het gesteente.[S. Stern, p. 55] Het is onduidelijk waarop zij doelde, mogelijk op het gebruik van steenkool door Justi? Het percentage aan koper in nieuw geslagen munten is door Itzig en Ephraim heimelijk verhoogd. De nieuwe (nog slechtere) munten waren evenwel gemakkelijk herkenbaar o.a. aan hun kleur en dikte. Er ontstond zowel in binnen- als buitenland wantrouwen en tegenstand tegen allerhande munten. o.a. de twee miljoen nieuwe August d’or, die nog maar een derde van waarde hadden als voorheen. In september 1761 ontstonden problemen omtrent wissels getrokken op joden.[S. Stern, p. 349] Op 7 of 18 november 1761 verbood Frederik het gebruik van Kriegsgeld dat Schimmelmann had laten slaan in Rethwisch.13 Gotzkowsky probeerde vervolgens een deel van die laagwaardige munten bij de geallieerden in Minden af te zetten.[Gotzkowsky, p. 113] Hij werd aangehouden in Bielefeld met het geld uit Rethwisch, ter waarde van 50.000 Thaler, bestemd voor het geallieerde leger.[Schrötter, p. 95] [Rachel & Wallich, p. 447] Het gebruik van laagwaardig geld uit Rethwisch, dat van Hamburg via Leipzig naar Minden was vervoerd, moest worden tegengehouden. Frederik liet weten dat het niet als wettelijk betalingsmiddel zou worden geaccepteerd.[Schrötter, p. 63, 65] Op 23 november lieten Itzig en Ephraim vanuit Maagdeburg weten, dat ze geinteresseerd waren in de inbeslaggenomen munten uit Rethwisch. Ze zouden naar Berlijn moeten worden opgestuurd.[Gotzkowsky, p. 115] Op 2 december protesteerde de pruisische minister Von Gotter tegen de gang van zaken. Hij beschuldigde Gotzkowsky/c.q. de Münzjuden (?) van landverraad, omdat de muntoperatie zou worden verstoord en ondergraven.[Gotzkowsky, p. 120] Gotzkowsky voelde zich bedrogen (door Schimmelmann?); de zaak moest volgens hem beter onderzocht worden.[Gotzkowsky, p. 121] Frederik antwoordde vanuit Breslau dat de zucht naar winst niet verder aangewakkerd moest worden; ook de doorvoor van Mecklenburger en Stralsunder (Zweeds?) geld werd verboden.[Gotzkowsky, p. 123] Leipzig werd in januari 1762 gedwongen nog eens drie miljoen aan contributie op te brengen. Volgens Gotzkowsky waren ze zelfs niet in staat om 100 Thaler bijelkaar te brengen; het bedrag is bijgesteld naar 1,1 miljoen. Opnieuw schreef Gotzkowsky een wissel uit op de stad Leipzig, terug te betalen voor 1771 in gouden hoogwaardige munten. Hij zou daarbij 30 tot 50% winst kunnen maken. 
 

Na het overlijden van George II, de oom van Frederik, in october en de publicatie van het pamflet Considerations on the Present German War door Israel Mauduit in november ontstond protest in Engeland over de steun aan Pruisen. De indruk wordt gewekt dat Frederik zijn experiment in januari 1762 als mislukt beschouwde; de goede munten werden steeds vaker uitgevoerd en nam Gian Antonio di Calzabigi in dienst. De oude muntvoet van 1750 zou moeten worden hersteld.[S. Stern, p. 350] 

In maart 1762 schreef Mendelsohn aan zijn verloofde: "Unsere Münze wird noch besser als Banko, die ganze Welt wird Sicherheit in Berlin suchen, und unsere Börse wird berühmt sein vom Schloßplatz bis an unser Haus."[DIE HERAUSBILDUNG EINES PREUSSISCHEN JUDENTUMS 1671— 1815 von StefiJersch-Wenzel]

1762

By 1762, [Swedish] money was worth so little that even small amounts were exported – the price of copper on the Hamburg metal market exceeded the coins’ nominal value in Sweden. Ephraim maakte plannen zich in Berlijn te vestigen. Hij stuurde zijn zoon Benjamin naar Weesp of Amsterdam om zijn oom Marcus Ephraim te assisteren. Benjamin legde kontakten met de bankiers Harman of Jan van de Poll (1721-1801) en Theodorus en Raymond de Smeth.14 15 De gebroeders De Smeth stonden voor 318.750 gulden bij De Neufville in het krijt.[De Jong-Keesing, p. 110] In mei verzochten Ephraim en Itzig dringend om toestemming om muntmateriaal te smelten. Er vond een proces plaats tegen joodse kooplieden over de uitbetaling van wissels in baar geld.[S. Stern, p. 370-371] In juni 1762 bedreigde Denemarken de stad Hamburg met een klein leger, alle toevoerwegen werden afgezet.[J.G. van Dillen, p. 603] Hamburg had geweigerd Denemarken een miljoen Thaler te lenen.[Die hamburgische Neutralität im Siebenjährigen Krieg, p,.107-109] Ephraim wist het “Deense” munthuis in Rethwisch in handen te krijgen.[K. Schneider, p. 69] In de zomer is vrede met Zweden en Rusland gesloten; de Tsar was bereid tot samenwerking en gaf Oost-Pruisen terug. (De Britse regering besloot in mei 1762 Frederik niet langer subsidie te verlenen.[A history of the Right Honorable William Pitt, Earl of Chatham: containing … by Francis Thackeray] [George III: King and politicians 1760-1770 by Peter D. G. Thomas]) Ephraim wilde afreizen naar Königsberg. De muntmeesters vroegen toestemming om in Voor- en Achterpommeren hoogwaardig geld in te kopen.[S. Stern, p. 377-378] Frederik gaf de munthuizen opdracht met grote spoed Russische en Danziger munten te slaan voor de aankoop van graan; de Russen zouden zich later nog wreken op het misbruik van Russisch stempels.[Schrötter, 61-62]

Op 25 augustus 1762 besloot Frederik dat het Saksische Kriegsgeld enkel in genade aangenomen kon worden. (De overige laagwaardige munten moesten zo spoedig mogelijk buiten de grenzen worden gezonden.[De Jong-Keesing, p. 50]. De Neufville was mogelijk al voor juni 1762 op de hoogte van dat besluit.) In september reisde Gotzkowsky naar Hamburg om zijn crediteuren te ontmoeten. Karl Adrian Sprögel (in Hamburg of Berlijn) dreigde als een van de eersten failliet te gaan vanwege riskante investeringen, maar is overeind gehouden. Gotzkowsky stond persoonlijk garant, zodat de onderhandelingen met de Hamburgse kooplieden konden doorgaan om geld voor het noodlijdende Berlijn te lenen.[Gotzkowsky, p. 130-132] [Rachel & Wallich, p. 448] In oktober reisde de hoogleraar Economie Johann Beckmann naar Amsterdam en Leiden; zijn postkoets werd gevolgd door drie wagens met 27 vaten, deels slechte Mecklenburgse munten, afkomstig uit Hamburg en Bremen, die in de Republiek geaffineerd zouden moeten worden.[Kernkamp, GW: Johan Beckmann”s dagboek van zijne reis door Nederland in 1762. Bijdr: in Meded. van het Hist. Genootsch. Utrecht 33 (1912), p. 320.] Leipzig kreeg nog eens een contributie van 350.000 (Hollandse) dukaten opgelegd. Het bedrag is ook dit keer naar beneden bijgesteld. Het goud/geld (en graan) is de bevolking met militair geweld afgedwongen.[Gotzkowsky, p. 135, 140-142] 
 
Eind 1762 is bij de vredesbesprekingen voorgesteld het slaan van vreemde muntsoorten te verbieden, maar het ging nog even door. Op 17 december tekenden de Münzjuden een nieuw contract met Frederik. Vanaf 1 maart 1763 werden in Pruisen nieuwe munten geslagen. Op 1 juni zou de omwisseling voltooid zou moeten zijn en was enkel Pruisisch geld nog toegestaan. Ephraim vroeg toestemming om het omgesmolten zilver, afkomstig uit het laagwaardige geld, aan de Pruisische munthuizen toe te wijzen.[S. Stern, p. 380]
 
Wie nog Kriegsgeld beschikte, dat niet mocht worden gebruikt voor het betalen van wissels, leed verlies, oplopend tot 140%.[Schrötter, p. 161] (De Reichsthaler bezat nog maar een kwart van de waarde als voorheen.) Handelaren stortten zich op wisselbrieven, met de bedoeling zoveel mogelijk Kriegsgeld kwijt te raken, zonder dat daarvoor waren werden geleverd.[K. Schneider, p. 81-82]
 

De volgende opmerkingen zijn uit: Selma Stern (1962) Der Preussische Staat Und Die Juden (3 Volumes): Dritter Teil / Die Zeit Friedrichs Des Grossen. Erste Abteilung: Darstellung. Kapitel Neun: Die Preussische Münzpolitik. Ze vond verbazingwekkende details, vooral in betrekking tot Ephraim:

Man bevorzugte bald dies, bald jene Münze, führte die eine im Lande ein und die andere aus dem Lande hinaus, schmolz die schwerere in die leichtere um, zahlte Aufgeld für das bessere und machte Wechselgeschäfte mit dem geringhaltiegeren Geld.[S. Stern, p. 228]

Da man in in die erste Hälfte des 18. Jahrhunderts das Geld nicht als Geld, sondern nur als Ware betrachtete und allein das Silber Geld- und Tauschwert besaß, war man beinahe genötigt, dieses schwer zu gewinnende Metall bei der Münzprägung durch Beimischung von Kupfer zu vermehren und mit diesem verschlechterten Geld das Silber entsprechend teurer zu bezahlen. Versuchte einmal ein Herrscher, gutes Geld zu münzen, so konnte er gewiß sein, daß es alsbald ins Ausland geführt oder in geringwertige Scheidemünze verwandelt wurde. Es war ein verhängnisvoller circulus vitiosus. Münzte man schlechtes Geld, so stieg der Silberpreis. Prägte man gutes Geld, so verschwand es nach wenigen Wochen von der Bildfläche. Versorgte man das Land mit ausländischem Geld, so verlor man den Schlagschatz und die übrigen Münzverdienste, ohne sicher zu sein, daß die ausländischen Münzen nicht gleichfalls mit minderwertigen Metallen vermischt wurden.[S. Stern, p. 230]

Trotz dieser Schwierigkeiten war Friedrich entschlossen, den Gordischen Knoten zu lösen, Berlin zum Wechselplatz der Welt zu machen und sich selbst durch eine vollendete Münztechnik und entsprechende Münzreformen einen möglichst hohen Schlagsatz zu sichern.
Zu diesem Zwech bestellte er den Münzmeister Graumann, einen projekten- und phantasiereich, stürmischen und genialen Man, einen der bekanntesten Geldtheoretiker seiner Zeit.[S. Stern, p. 231]

Volgens Schrötter was het Graumann, die alles had bedacht.[Das preussische Münzwesen im 18. Jahrhundert Münzgeschichtlicher Teil (1908), p. 75] In 1750 was hij aangesteld, en eind 1755 of later "kalt gestellt".[Vom Anfang des Jahrs 1751 und folgenden Zeiten] Toen had Friedrich de zilverleveranties overgenomen. De Münzjuden waren bereid meer sleischat (dan Graumann) te betalen en pachten in 1756 alle Pruisische munthuizen.

Den Pächtern selbst wurde die Bezahlung der Münzkosten übertragen, sie wurden verpflichtet, für jede ausgemünzte Million einen Schlagschatz von 40.000 Talern an den König und für jede in polnischem Geld ausgemünzte Million einen solchen von 200.000 Talern zu zahlen, während ihnen "die Spanne zwischen dem Preis der erworbenen Edelmetalls und den ausgeprägten Münzen verblieb".

Nach Graumanns Sturz wurde Anfang 1755 Moses Fränkel - sein Bruder Abraham war inzwischen gestorben- und seinem Schwager Ephraim die Pacht der Königsberger und Breslauer Münzstätten zu übertragen. Ihr Erfolg in Königsberg war so groß, daß man ihnen unter ähnlichen Bedingungen auch die Pacht der Münzstätten von Aurich und Kleve überließ, trotzdem ihre Konkurrenten bei der Silberlieferung, Moses Hertz Gumperts, Daniel Itzig und Moses Isaak, sich leidenschaflich bemühten, die Pacht für sich selbst zu gewinnen und die siegreiche Partei durch häßliche Intriguen um die Gunst des Königs und der Münzbeamten zu bringen.[S. Stern, p. 233-234]

Die dem König und Retzow unmittelbar unterstellten Unternehmer wurden verpflichtet, unter Einbehaltung des Graumann'schen Münzfußes Friedrich einen Schlagschatz von 5% zu zahlen, für die Gehälter der Beamten, die Münz- und Materialkosten und die Silberbeschaffung aufzukommen, während ihnen selbst Zoll- und Akzisefreiheit für das durchpassierende Material, Freipässe und Räume für die Ausprägung gewährt wurden.[S. Stern, p. 237] 

Um den vom König gewünschtgen außerordentlich hohen Schlagschatz von 340.000 Talern im Jahre bezahlen zu können, waren die Unternehemer genötigt, bei dem großem Risiko, das sie eingingen, eine sehr hohe Anzahl von Scheidemünzen auszuprägen und zwar nach einem schlechterne als dem bisher üblichen Münzfuß von 14 Talern auf die feine Mark.[S. Stern, p. 238-239] 

Nach dem Vertrag vom 21. November 1756 wurde den Unternehmern gestattet, gegen einen Schlagschatz von 200.000 Talern für eine Million Taler polnisches und sächsisches Geld zu prägen, die sogenannten Tympfe (polnische 6-Groschen-Stücke), und zwar zu einem erheblich leichteren Münzfuß als bis jetzt üblich gewesen war, so daß aus der Mark Silber statt 14 18 Taler, 14 Groschen, 3 1/2 Pfennige und später 19 Taler, 11 Groschen, 1 2/3 Pfennige geschlagen wurden. Da der König sich noch vor dem "schlechten und infamen Gelde" scheute, wurde auf den Rat des Generalintendanten Retzow, der seit dem Mai 1756 allen Münzstätten vorstand, beschlossen, daß das neue Geld in Preußen selbst nicht kursieren dürfte.[S. Stern, p. 239] 

Es war ein kluger Schachzug von Ephraim, daß er nach dem Tode des Gumperts sich mit Moses Isaak und Daniel Itzig aussöhnte und sich mit ihnen zu einer neuen Sozietät zusammentat, der anerkannter Führer er wurde. (König heeft een iets andere visie, zie zijn Annalen der Juden in den preußischen Staaten besonders in der Mark Brandenburg von Anton Balthasar König, p. 290) Dieser Sozietät wurden nun alle 6 preußischen und die beiden sächsischen Münzstätten verpachtet. 
Gleichzeitig wurde ihnen erlaubt, nicht nur in Sachsen, sondern auch in Preußen den 19 3/4 Talerfuß für alle preußischen, sächsischen und polnischen Sorten einzuführen, das heißt, auf die feine Mark Silber 5, 3/4 Taler mehr als bisher auszuprägen und den Gehalt der Goldmünze, des Friedrichsdor's, um 41% zu verringern, eine Verminderung, die nur durch eine entsprechende Vermischung mit Kupfer erreicht werden konnte.
Über die Ergebnisse der Münzpolitik des Jahres 1759 sind wir schlecht unterrichtet, da fast alle Akten, die sich auf sie beziehen, vernichtet worden sind, und zudem die Korrespondenz größtenteils in chiffrierter Schrift geführt worden ist. Wir hören nur, daß der Schlagschatz dieses Jahres die große Summe von 5.650.000 Taler betragen haben soll.[S. Stern, p. 241] [F. Schrötter, p. 48]

Wie ist es den Münzpächtern geglückt, für diese riesige Münzproduktion sich das Rohmaterial zu verschaffen? In der Hauptsache nützten sie ihre umfangreichen geschäftlichen und verwandtschaftlichen Auslandsbeziehungen aus, um in Holland, besonders auf dem Amsterdamer Markt, in England und in Hamburg mittelst Hamburger und holländischer Wechsel das nötige Gold und Silber zu erwerben. Sichere Einkaufsgebiete waren auch die Oststaaten Polen, Rußland und Ungarn, wo die sogenannten Aufkäufer der Unternehmer die dort kursierende besseren Münzen einhandelten und sie ihren Auftraggebern zuführten. Bis zum Jahre 1761 sollen de Münzpächter auf diese Weise, wie sie selbst erklärten, 50 Millionen an Gold aus den Oststaaten gezogen und es der königlichen Münze nutzbar gemacht haben. Eine andere Art der Geldbeschaffung bestand darin, die von England erhaltenen Goldsubsidien umzuschmelzen und sie durch Vermischung mit anderen Metallen zu verdoppeln und zu verdreifachen.
[S. Stern, p. 243]

Man klagte über die Unmöglichkeit, Zahlungen an das Ausland zu leisten, und über das Hamstern des guten Geldes durch die Reichen, über die Kündigung der Hypotheken, die man mit schlechtem Gelde zurückzahlte, über den Ankauf von städtischen und ländlichen Besitzungen und über das hohe
Aufgeld, das man für das bessere Geld verlangte.
Denn es seien fast keine anderen Silbermünzen als sächsische, Bernburgische und Mecklenburgische 1/3 und 1/6 Stücke zu bekommen.[S. Stern, p. 244] 

Im Ausland weigere man sich, das preußische Geld überhaupt anzunehemen.[S. Stern, p. 245]

Ihre Not [Ephraim & Söhne] wurde so groß, ihr "auf so mühsame, gefährlich, dennoch ehrliche und Seiner Majestät nütliche Art erworbenes Vermögen" dünkte sie so "maßig", daß sie Friedrich 200.000 Taler anboten, wenn er sie von der "Münzentreprise" dispensiere.[S. Stern, p. 247]

Obwohl der größte Teil der Archivalien, die sich auf die Münzpolitik des Königsbezogen, vernichtet wurden, geht aus den noch erhaltenen Aktenstücken hervor, daß die Münzverschlechterung während des 7jährigen Krieges durch Friedrich selbst veranlaßt worden ist, den nur seine Minister Retzow und Schlabrendorff, der General Tauentzien, der Rendant der Generalkriegskasse Köppen und der Geheime Sekretär Eichel beraten haben. Friedrich hat sich nie gescheut, sich selbst als den Urheber der preußischen Inflation, die die nachlebenden Historiker als staatliche Falschmünzerei bezeichnet haben, zu bekennen, weil er sie als die einzige Möglichkeit ansah, das für die Kriegführung nötige Bargeld sich zu verschaffen und seine Untertanen vor allzu schwerer steuerlicher Belastung zu bewahren.[S. Stern, p. 249]

Einen weiteren Vorteil erreichten sie [Ephraim & Söhne] durch die Lieferung des Silbers, das sie infolge ihrer vielen ausländische Beziehungen billiger einkaufen konnten als in den Verträgen vorgesehen war.[S. Stern, p. 250]

Gotzkowsky selbst erwarb seine Millionen hauptsächlich durch die Ausnützung der schwankenden Valutaverhältnisse während des Krieges, indem er sächsischen Städten und Korporationen zur Bezahlung ihrer hohen Kriegskontributionen Kredite in minderwertigem Gelde gewährte, die er sich dann in guten Münzsorten zurückgeben ließ. Es heißt, er habe allein im Jahre 1761/62 500.000 Taler auf diese Weise eingeheimst und sei nach Beendigung des Krieges im Besitz der stattlichen Summe von 2 Millionen guten Geldes gewesen.[S. Stern, p. 251]
  1. L. Beutin (1933) Die Wirkungen des Siebenjährigen Krieges auf die Volkswirtschaft in Preussen, p. 255-256.
  2. Geldwertbewußtsein und Münzpolitik Das sogenannte Gresham’sche Gesetz im … door Ingeborg Meyer, p. 8
  3.  An essay on circulation and credit: in four parts; and a letter on the jealousy of commerce. From the French of Monsieur de Pinto, p. 119
  4. Extract uit het register der resolutien van de heeren Staaten Generaal, p. 13
  5. Extract uit het register der resolutien van de heeren Staaten Generaal, p. 11
  6. W. Prins (2011) Hume, genoemd. Een inventarisatie van Nederlandstalige reacties op David Hume, 1739-1800, p. 106.
  7. G. Steiner (1994) Drei preussische Könige und ein Jude. Erkundungen über Benjamin Veitel Ephraim und seine Welt, p. 35
  8. Schrötter (1909) Das Preussische Münzwesen im 18. Jahrhundert, p. 9, 13, 16
  9.  Geschichte des Brandenburgisch-Preussischen Staats von August Zimmermann (1846), p. 551
  10.  Der gerechtfertigte Ephraim, oder, Historische und beurtheilende Nachrichten …
  11.  K. Schneider, Zum Geldhandel in Hamburg während des siebenjährigen Krieges, p. 66-69
  12.  Fortgesetzter Codex Augusteus oder neuvermehrtes corpus juris Saxonici …
  13.  Friedrich der Grosse: Eine lebensgeschichte, Band 2 von Johann David Erdmann Preuss, p. 391
  14.  Über meine Verhaftung und einige andere Vorfälle meines Lebens von Benjamin V. Ephraim
  15.  Die Macht und das Imaginäre: eine kulturelle Verwandtschaft in der Literatur, p. 127. Editor(s): Rudolf Behrens, Jörn Steigerwald