Rembrandt van Rijn

Rembrandt Harmenszoon van Rijn (Leiden, 15 juli 1606 of 1607[1]Amsterdam, 4 oktober 1669) was een Nederlands kunstschilder. Hij wordt beschouwd als een van de belangrijkste Hollandse meesters van de 17e eeuw. Rembrandt vervaardigde in totaal ongeveer driehonderd schilderijen, driehonderd etsen en tweeduizend tekeningen, met als bekendste werk De Nachtwacht (1642). Zijn werk behoort tot de Barok en hij is zichtbaar beïnvloed door het Caravaggisme, alhoewel hij nooit in Italië is geweest. Zijn opmerkelijke beheersing van het spel met licht en donker, waarbij hij vaak scherpe contrasten (clair-obscur) neerzette om zo de toeschouwer de voorstelling binnen te voeren, leidde tot levendige scènes vol dramatiek.

Rembrandt beschouwde zichzelf vooral als een historie- en portretschilder. Hij was een zelfverzekerde man[2] die in alle levensfasen door iedereen bewonderde zelfportretten maakte. Zijn honderd geschilderde en twintig geëtste zelfportretten geven een opmerkelijk scherp beeld van zijn uiterlijk en zijn gevoelens. Hij beeldde zichzelf af als de apostel Paulus en zette zichzelf in zijn zelfportret uit 1658 neer als een koning uit het Oosten.

Behalve zijn vrouw Saskia van Uylenburgh, en zijn zoon Titus van Rijn zijn ook zijn huishoudsters, vriendinnen Geertje Dircx en Hendrickje Stoffels nadrukkelijk in zijn schilderijen aanwezig; zij hebben gefungeerd als model voor bijbelse, mythologische of historische figuren.

Levensloop

De brillenverkoper. Een van de vroegste schilderijen van Rembrandt (1623 of 1624), en onderdeel van een serie over de zintuigen

Zelfportret (1639)

Christus (ca. 1650)

Jan Six (1654)

Twee moren (ca. 1661)

Rembrandt van Rijn werd op 15 juli 1606 of 1607 in Leiden geboren in de Weddesteeg, als negende kind van de molenaar, Harmen Gerritsz en een welgestelde bakkersdochter Neeltje van Zuytbrouck.[3] Zijn vader was molenaar van de nu verdwenen standerdmolen De Rijn. Rembrandt bezocht de Latijnse school en werd op bijna 14-jarige leeftijd door zijn ouders ingeschreven aan de universiteit van Leiden. Waarschijnlijk bleef het daarbij omdat Rembrandt te kennen gaf dat hij liever schilder wilde worden. Al sinds 1619 was hij in de leer bij de Leidse historieschilder Jacob van Swanenburgh. Dat hield hij tot 1622 vol. In 1625 vertrok hij naar Amsterdam om in de leer te gaan bij de toen toonaangevende schilder Pieter Lastman, van wie hij composities leerde op te bouwen. Uit dat jaar dateert ook zijn oudst bekende schilderij. Vervolgens opende Rembrandt een atelier in Leiden, waar hij veel samenwerkte met zijn vriend, studiegenoot en collega Jan Lievens. In 1627 nam Rembrandt voor het eerst leerlingen aan, onder wie Gerrit Dou en Isaac de Jouderville. Een van de eerste Amsterdamse kopers van zijn werk was Joan Huydecoper van Maarsseveen.[4]

Neeltgen Willemsdr. van Zuytbrouck (1569-1640), moeder van Rembrandt van Rijn

In 1631 was Rembrandt al zo bekend – Constantijn Huygens, secretaris van de stadhouder en kunstkenner was uitermate lovend over de trefzekerheid en levendigheid van de baardeloze jongeman[5] – dat hij verschillende opdrachten kreeg, onder meer van Nicolaes Tulp. Hij verhuisde naar Amsterdam en kocht zich mogelijk in bij de kunsthandelaar Hendrick van Uylenburgh, die een academie was gestart en hem nog meer opdrachten bezorgde onder zijn doopsgezinde clientèle. Rembrandt produceerde in een viertal jaren een nooit meer geëvenaard aantal portretten waaronder dat van de toneelschrijver en dichter Jan Harmensz. Krul en van Johannes Wtenbogaert.

In 1634 trouwde Rembrandt met Hendricks nicht Saskia van Uylenburgh. Ze was geen boerin uit Waterland, zoals Arnold Houbraken veronderstelde, maar kwam uit een aanzienlijke familie zoals door stadsarchivaris Wopke Eekhoff werd ontdekt.[6] Haar vader Rombertus van Uylenburgh was ooit burgemeester van Leeuwarden; haar zwager was de Poolse theoloog Johannes Maccovius; haar nicht Hendrickje was getrouwd met de Friese schilder Wybrand de Geest; haar nicht Aeltje was getrouwd met Johannes Silvius, de predikant van de Oude kerk en getuige bij het huwelijk. Ook Aeltje kan Saskia, die in Sint Annaparochie woonde bij haar oudere zus Titia, met Rembrandt in contact hebben gebracht. Titia of Tietje was met de plaatselijke grietenijsecretaris getrouwd. Het huwelijk werd in de Van Harenskerk voltrokken, zonder de aanwezigheid van Rembrandts familie.[7]

Sint Antoniesbreestraat

Het echtpaar woonde in bij Willem Boreel in een voornaam huis aan de Nieuwe Doelenstraat, genaamd De Suijkerbackerij.[8] Op 7 oktober 1637 was Rembrandt op een veiling in opdracht van Jan Jansz. den Uyl – naar het zich laat aanzien om de prijs van een bepaald schilderij op te drijven.[9] Zeker is dat Rembrandt de volgende dag een schilderij kocht van Rubens, dat eerder van Jan Jansz. den Uyl was.[10] In 1639 verhuisden Rembrandt en Saskia naar een eigen huis in de Sint Antoniesbreestraat: een straat met veel kunstenaars en aan het begin van de Joodse buurt. Het voormalige woonhuis is nu het museum Het Rembrandthuis, aan de Jodenbreestraat. Hoewel het hen financieel voor de wind ging – Rembrandt erfde 10.000 gulden van zijn moeder – kreeg Saskia commentaar van haar familie en voormalig voogd dat ze haar geld erdoorheen joeg.[11] Rembrandt nam een andere kunsthandelaar aan de hand, Joannes de Renialme die op de Kloveniersburgwal woonde.

Rembrandt en zijn vrouw kampten met verschillende tegenslagen; driemaal moest vlak na de geboorte een kind worden begraven maar in 1641 kregen ze een zoon die ze Titus noemden, naar Saskia’s zuster Titia. Toen Saskia op 14 juni stierf – ze had Rembrandt een week eerder laten beloven dat hij nooit opnieuw zou trouwen – nam hij de weduwe Geertje Dircx uit Ransdorp als verzorgster in dienst.[12] Van het een kwam het ander, en het stel ging met ruzie en juridische processen uit elkaar; Geertje daagde Rembrandt voor de Huwelijkskrakeelkamer, waar onder andere Jacob F. Hinlopen hun zaak behandelde. Met behulp van haar broer en haar nieuwe buren kreeg Rembrandt het voor elkaar om haar een aantal jaren in een spinhuis in Gouda te laten opsluiten. Rembrandt betaalde voor de reiskosten en was verplicht tot alimentatie.[13] Het ging hem blijkbaar niet in de koude kleren zitten, want hij produceerde in 1649 geen (gedateerde) schilderijen en etsen.1
Inmiddels was Hendrickje Stoffels de opvolgster van Geertje geworden. In 1654 kreeg zij een officiële berisping van de Gereformeerde kerk, omdat zij ‘in hoererij’ leefde met de schilder. Hendrickje werd drie keer opgeroepen om voor de kerkenraad te verschijnen.[14] Rembrandt werd niet vermaand omdat hij geen officieel lidmaat was. In datzelfde jaar kregen ze een dochter die ze Cornelia noemden, naar Rembrandts moeder.

Rembrandt leefde in die tijd boven zijn stand. Met regelmaat kocht hij exotische voorwerpen zoals bijzondere kledingstukken, die hij vaak in zijn schilderijen gebruikte. Al jaren stroopte Rembrandt veilingen af om kunst te kopen, soms dure prenten van de door hem bewonderde Lucas van Leyden. In 1656 kon hij zijn verplichtingen niet meer nakomen om de leningen voor zijn huis af te betalen.[12] Burgemeester Cornelis Jan Witsen wilde zijn uitgeleende geld terug en vroeg Rembrandts faillissement aan.[15] De inventarisatie van het gehele bezit volgde en deze 363 nummers tellende lijst vormt een belangrijke bron voor inzicht in Rembrandts leven. Tegenover armetierige huisraad stond een rijkdom aan kunstvoorwerpen. Naast schilderijen en een verzameling antieke portretten, wapens enz. enz. moet vooral de collectie tekeningen en grafiek worden genoemd.[16] Een belangrijk deel kwam terecht bij de schilder Jan van de Cappelle. Op een veiling onder leiding van Jacob J. Hinlopen werden in 1658 Rembrandts huis en inboedel verkocht. De nieuwe eigenaar moest twee kachels en de schotjes overnemen die op zolder stonden opgesteld en het pand ging drie keer onder de hamer voordat het was verkocht.[17]

Rozengracht

Rembrandts versie van De samenzwering van Claudius Civilis

De Staalmeesters

Rembrandt betrok een kleinere huurwoning op de – tegenwoordig – Rozengracht 184, niet ver van de zeeschilder Jan Abrahamsz. van Beerstraten.[18] Rembrandt moet tijdens de afwikkeling van het faillissement deskundige juridische adviseurs hebben gehad, want Titus had inmiddels zijn vader benoemd tot enige erfgenaam, en de familie Uylenburgh had het nakijken.[12] Hendrickje en Titus werden eigenaars van de schilder- en kunsthandel, zodat Rembrandt ongeplaagd door crediteuren in het atelier op de Bloemgracht kon blijven produceren. Het is niet onmogelijk dat Rembrandt in 1661 via bemiddeling van Jan J. Hinlopen opdracht kreeg voor de levering van een Claudius Civilis voor het in aanbouw zijnde stadhuis. In het volgende jaar kwam de belangrijke opdracht voor het schilderij De Staalmeesters.

Hendrickje overleed in 1663 en Titus in 1668, niet lang nadat hij zijn nicht had getrouwd. Rembrandt had in de tussentijd zijn drie laatste zelfportretten geschilderd. Cosimo III de’ Medici had in 1667 bij een bezoek tevergeefs geprobeerd een portret bij hem te kopen, wat hem bij een tweede bezoek twee jaar later wel lukte.[19] Rembrandt had een voorstudie gemaakt voor een altaar in of rond Genua. Er was flink onderhandeld over de prijs. De voorstudies zijn verscheept, maar nooit aangekomen.[20] Rembrandt stierf op 4 oktober 1669 en werd vier dagen later begraven in een gehuurd graf in de Westerkerk. De nabestaanden betaalden 15 gulden aan de koster, een voor die tijd aanzienlijk bedrag, omdat Rembrandt geen eigen graf bezat.[21] In de schamele boedel bevond zich een helm die toebehoord zou hebben aan Gerard van Velsen.

 

Bronnen, noten en/of referenties

  1. J. de Jong, Rembrandts geboortejaar een jaar te vroeg gevierd, Nederlands Dagblad, 3 februari 2006. Bronnen rondom Rembrandts geboortejaar, in het bijzonder pleitend voor 1607.
  2. C. Huygens, Mijn Jeugd, p. 100. Vertaling en toelichting C.L. Heesakkers. Amsterdam 1987. Griffioen-reeks.
  3. G. Schwartz, een van de grote autoriteiten houdt het jaar 1606 aan.
  4. Schwarz, G. (1987) Rembrandt, p. 134.
  5. C. Huygens, Mijn Jeugd, p. 85-87.
  6. Langs Rembrandts roem: de reputatie van een meester Door Herman Beliën, Paul Knevel [1]
  7. Rembrandt400 Hartstocht op het Bildt – Rembrandt en Saskia (voormalige website)
  8. Dudok van Heel, S.A.C. (1987) Dossier Rembrandt, p. 33.
  9. Art at auction in 17th century Amsterdam von John Michael Montias, p. 261, 66, 67 & 68 [2]
  10. Rembrandt koopt een Rubens
  11. Broos, B. (1999) Das Leben Rembrandts van Rijn (1606-1669). In: Rembrandt Selbstbildnisse, p. 78.
  12. Broos, B. (1999) Das Leben Rembrandts van Rijn (1606-1669). In: Rembrandt Selbstbildnisse, p. 79.
  13. Driessen, C. (2012) Rembrandts vrouwen, p. 155.
  14. Dudok van Heel, S.A.C. (1987) Dossier Rembrandt, p. 38.
  15. Rembrandt is nooit gevraagd om als getuige, taxateur of peet op te treden en gold mogelijk als onbetrouwbaar. Schwarz, G. (1987) Rembrandt, p. 363.
  16. Vries, A.B. de (1956) Rembrandt 1606 – 1956, p. 57.
  17. Dudok van Heel, S.A.C. (1987) Dossier Rembrandt, p. 56.
  18. Crenshaw, P. (2006) Rembrandt’s Bankruptcy. The artist, his patrons and the art market in seventeenth-century Netherlands, p. 61, 76.
  19. Israel, J. (1995) The Dutch Republic, Its Rise Greatness, and Fall 1477-1806. Clarendon Press Oxford, p. 877.
  20. http://nos.nl/artikel/72822-rembrandt-is-nogal-onberekenbaar.html
  21. Dudok van Heel, S.A.C. (1987) Dossier Rembrandt, p. 44.
  1. Gary Schwartz (1987) Rembrandt. Zijn leven, zijn schilderijen, p. 248