De familie Thijs: Antwerpen, diaspora en handelsnetwerken (ca. 1550–1625)

File:Jacob Harrewijn (ca.1640-na 1732) Het Rubenshuis te Antwerpen - Rubenshuis Antwerpen 28-5-2016 09-51-01.JPG
Het Rubenshuis te Antwerpen (1692)

Antwerpen: oorsprong en vertrek

Hans Thijsz. (ca. 1556– Hoorn, 1611) was een Antwerpse juwelier en koopman die om religieuze redenen Brabant verliet. Hij leidde een mobiel bestaan, met langdurige verblijven in Elbing en Dantzig, waar twee van zijn kinderen werden geboren. Ondanks zijn vertrek behield hij tot 1611 omvangrijk bezit in Antwerpen, waaronder het huis De Wapper, dat hij in 1610 verkocht aan Rubens.

Hans vestigde zich in 1595 in Amsterdam, met een erfenis van 7.000 gulden, afkomstig van zijn vader. Vanaf 1598 investeerde hij in acht verschillende reisen naar de Oost. In 1600 investeerde hij ca 3.000 gulden in de Oude Compagnie.1

Thijsz. behoorde tot de welgestelde koopmanselite van Amsterdam. Hij investeerde zwaar in de VOC en werkte met aanzienlijke kredieten. Hij financierde zijn hele aandeel van 12.000 gulden met de opbrengsten uit voorcompagnien. In de daaropvolgende vier jaar investeerde hij nog een 14.000 gulden.2 The case-study of Hans Thijs even suggests that immigrants borrowed money from local merchants to finance their trade.3 In 1612 investeerde Thijsz nog een 34.500 gulden.

Hans was met 6.000 gulden, één van de eerste investeerders in de V.O.C. – de Verenigde
Oostindische Compagnie?

His assets at the time of his death in 1611 totaled the enormous
sum of ƒ 255,083, including houselhold goods valued at ƒ 6,100. On the debit side, there were various debts totaling about ƒ 156,000, leaving a net worth of ƒ 63,304 for himself and ƒ 34,109 for the “Thijs family”.505 4

Zijn nalatenschap bestond grotendeels uit uitstaande vorderingen en juwelen.

De familie Thijs (ook: Thijsz., Thysius) was van oorsprong gevestigd in Antwerpen, waar zij in de tweede helft van de zestiende eeuw actief was als juweliers en kooplieden. Een centrale figuur is Hans Thijsz. de Oude (geb. ca. 1556), een calvinist die, vanwege zijn geloof, Brabant verliet. Ondanks zijn vertrek behield hij nog tot 1611 aanzienlijk onroerend goed in Antwerpen, waaronder het huis en bleekcomplex De Wapper.5

De tijdelijke heropening van handels- en eigendomsverkeer tijdens het Twaalfjarig Bestand maakte het mogelijk om deze bezittingen alsnog af te wikkelen. Op 1 november 1610 verkocht Hans Thijsz. De Wapper aan Peter Paul Rubens, tegen betaling van 8.960 gulden, aangevuld met een schilderij van Rubens en schilderlessen voor een zoon van Thijsz. De overdracht vond plaats op 4 januari 1611.5 Binnen dit milieu was kunstbezit geen nevenzaak, maar onderdeel van sociale en economische positionering.


Mobiliteit: Danzig, Elbing, Amsterdam

Na zijn vertrek uit Antwerpen leidde Hans Thijsz. een uitgesproken mobiel bestaan. Hij woonde en handelde achtereenvolgens in Amsterdam, Elbing en Danzig. In Danzig werden ten minste twee van zijn kinderen geboren (Catharina en Antonie), wat wijst op een duurzame vestiging in het Oostzeegebied.7

In Amsterdam behoorde Hans Thijsz. tot de welgestelde koopmanselite. In 1585 betaalde hij een relatief hoge vermogensbelasting; hij investeerde 12.000 gulden in de eerste inschrijving van de Vereenigde Oostindische Compagnie (1602) en maar liefst 34.500 gulden bij de tweede inschrijving in 1612, het derde hoogste bedrag op de lijst. Hij beschikte over een omvangrijke rekening bij de Amsterdamse Wisselbank8

Bij zijn overlijden in 1611 beliep zijn bruto-vermogen ruim 255.000 gulden, grotendeels bestaande uit uitstaande schulden, handelsvorderingen en juwelen; de netto-positie was aanzienlijk, maar illustreert tegelijk de krediet-intensieve aard van het familievermogen.7

Kinderen:


De volgende generatie: spreiding en consolidatie

Na het overlijden van Hans Thijsz. werd de nalatenschap beheerd door voogden. De kinderen reisden intensief door Europa om juwelen, parels en andere activa te gelde te maken in steden als Amsterdam, Antwerpen, Brussel, Parijs, Danzig en Warschau.7 Magdalena Thijs kocht in 1617 Jodenbreestraat 8.

Binnen deze generatie tekent zich een geografische spreiding af: handelsactiviteiten in het Oostzeegebied; blijvende binding met Amsterdam; academische en kerkelijke carrières in Harderwijk en later Leiden. Deze combinatie van koopmanskapitaal, internationale mobiliteit en culturele investeringen vormt de achtergrond waartegen later zowel Christoffel Thijsz. als het Leidse milieu rond Constantin L’Empereur en Johannes Thysius begrepen moeten worden.

Coymans-verbinding: handel en risico

Christoffel Thijs. is geboren en gedoopt in Amsterdam (1603-1669). Zijn vader was François Thijs, een rusteloze juwelier, afkomstig uit Frankfurt aan de Oder, maar verhuisde naar Danzig; zijn moeder was Anna Dorethea de Backer, uit Poperinge. Die familie had zich  in 1585 ook in Duitsland, maar in Frankenthal gevestigd; haar vader, Andreas Bacherus was de medicus van de hertog van Brunswijk.

In 1594 wil François Thijs weg, naar Amsterdam gaan wonen ‘tot dat de Heer ’t Antwerpen opening geeft”. 11

François Thijs combineerde de juwelenhandel met actieve deelname aan de graanhandel. Tijdens zijn verblijven in Polen kocht hij herhaaldelijk partijen koren, die hij samen met zijn broer in Dantzig liet bevrachten en naar Amsterdam verschepen. Uit de correspondentie blijkt dat zij goed geïnformeerd waren over prijzen en lokale behoeften in verschillende steden.

Nadat de oudste broer zich in Amsterdam had gevestigd, gaf deze vanuit de markt aldaar advies over het al dan niet aankopen van graan, afhankelijk van de situatie ter plaatse. François handelde daarnaast, naast juwelen, ook in koper. Juist deze activiteit werd door zijn broer als bijzonder risicovol beschouwd; meermalen drong hij bij François aan op voorzichtigheid.

Andreas Bacherus overleed op 19 november 1616 op 70 – jarige leeftijd te Leiden en
werd begraven in de Sint-Pieterskerk alwaar hij een grafmomument heeft. Zijn oom Antonie Thijs of Thijsen (Dantzig, 1595-1634), woonachtig op de Herengracht, was in 1621 getrouwd met zijn nicht Elisabeth Hedewig de Backer – haar vader was de bovengenoemde medicus, haar moeder was Magdalena Thijs – maar hij hertrouwde na haar overlijden in 1627 Magdalena Belten, beide woonachtig in de Jodenbreestraat.12 In 1630 werd Levina geboren, in 1631 laten ze Pieter dopen, in 1633 Antonie. Huis Saxenburg, Keizersgracht 224, werd omstreeks 1633 ? gekocht door Anthoni Thijsz. Zij verhuizen van Jodenbreestraat 4 naar hier waar Anthoni al spoedig overlijdt. Magdalena Beltens hertrouwde in 1634/5 met Christoffel Thijsz.

In 1627 namen Coenraad en Jasper Coymans Christoffel Thijs in dienst. Magdalena Belten hertrouwde reeds in hetzelfde jaar (1634) met een neef van haar echtgenoot, Christoffel Thijs. Dit huwelijk werd in gemeenschap van goederen gesloten, hetgeen zeer ongebruikelijk was, aangezien er kinderen uit het eerste huwelijk waren. Bovendien mochten weduwen pas na een jaar hertrouwen, dus 1635 ligt meer voor de hand. Niettemin door kreeg Christoffel Thijs het recht over de helft van het huis aan de Breestraat te beschikken. Dit huis werd nadat Anthonie en zijn vrouw het in 1633 verlaten hadden, verhuurd. Na haar tweede huwelijk bleef Maria Belten in het huis Saxenburg aan de Keizersgracht wonen, welk huis zij voor f 14.000, uit de nalatenschap van haar eerste echtgenoot had overgenomen. Christoffel Thijs was een welvarend man; in 1638 kocht hij een buitenplaats te Bloemendaal, die hij ook Saxenburg noemt en waar hij veel aan laat verbouwen.

On 3 January 1639, Christoffel Thijsz. and Pieter Belten de jonge, “sole heirs of Pieter Belten de oude”, sold the Belten family house on the Breestraat to Rembrandt for ƒ 13.000.552

  • 5 januari 1639: notariële koop van het huis; betalingstermijn:
    ¼ binnen één jaar (dus uiterlijk januari 1640),
    – restant binnen vijf à zes jaar.

  • Mei 1639: feitelijke verhuizing; geen directe noodzaak tot schepenregistratie.

  • Najaar 1639: discussie over afrekening (8.470 gulden); betaling betwist.

  • Januari 1640: zware storm (zoals beschreven door Jan Buisman, deel IV, p. 451), met schade aan het stadhuis; (gedeeltelijke) sluiting is aannemelijk.

  • Beslissend punt: juist rond het verstrijken van het eerste jaar, wanneer normaliter:

    • betaling,

    • kwijtschelding,

    • en formele registratie
      samen hadden moeten komen, loopt de zaak vast.

Magdalena Beltens (1610-1659) woonde september 1640 nog op de Keizersgracht, toen ze fruit van haar hofstede in Maarssen liet halen. (Christoffel Thijs en Magdalena zijn in 1649 gescheiden van tafel en bed?) Zij verhuisde naar Maarssen en trok in bij dominee Kamerbeek die zich over haar ontfermde of was het andersom, trok hij bij haar in? Magdalena verhuisde uiteindelijk naar Noordwijk en woonde op het landgoed Offem. Zij was waarschijnlijk manisch-depressief.[Vijftien strekkende meter: Nieuwe onderzoeksmogelijkheden in het archief van de Bibliotheca Thysiana,  edited by Wim van Anrooij, Paul Hoftijzer, p. 85-86] In 1651 maakte Rembrandt een prent als cadeau voor zijn schuldeiser Christoffel Thijsz.[Panorama bij Bloemendaal met het landgoed Saxenburg, Rembrandt van Rijn, 1651]

In 1652–1653 kwam Rembrandt in financiële moeilijkheden. Hoewel hij het huis aan de Jodenbreestraat al geruime tijd bewoonde, was de overdracht juridisch nog niet volledig afgerond. Belastingen en delen van de koopsom waren niet voldaan en waren eerder voorgeschoten door Christoffel Thijsz, die daardoor als schuldeiser optrad.

Eerst op 8 januari 1653 is de verkoop van het pand formeel gesloten door een gang naar de schepenen. (N.B. De akte is opgemaakt nadat het oude stadhuis was afgebrand.) Rembrandt Hermansz. bevestigde opnieuw voor 13.000 gulden het huis in de Sint Anthoniesbreestraat van de erfgenamen van Pieter Beltens, d.w.z. Christoffel Thijsz te hebben gekocht. Er word in de kwijtschelding niet over de voorwaarden uit 1639 gesproken

Op 4 februari 1653 weigerde Rembrandt een door Thijsz gepresenteerde rekening te voldoen en vroeg hij uitstel van betaling. Uit latere documenten blijkt dat het geschil mede betrekking had op de berekening van rente over een restant van de koopsom, zoals voorzien in het oorspronkelijke koopcontract. De precieze samenstelling van het openstaande bedrag is niet volledig te reconstrueren, maar duidelijk is dat de afrekening onderwerp bleef van onderhandeling.

In 1654 droeg Christoffel Thijsz zijn vordering op Rembrandt, inmiddels opgelopen van 1.168 tot 1.273 gulden, over aan zijn tienjarige neef Nanning Cloeck. Deze overdracht wijst erop dat de schuld formeel werd veiliggesteld, los van de persoonlijke verhouding tussen schuldeiser en schuldenaar. Pas tegen het einde van dat jaar kwam het tot een regeling, waarna Rembrandt alsnog betaalde.

Op 20 januari 1660 vindt er bij notaris scheiding plaats tussen tussen hem en zijn pleegdochter, Levina Thijs, getrouwd met Guilliam Edmont. Christoffel Thijsz, die in deze jaren woonachtig was aan de Singel, hertrouwde in augustus 1660 met de 36-jarige Sara de Raet. Hij wordt in de akte als weduwnaar van Magdalena Beltens beschreven.

Christoffel Thijsz.: familie, breuk en nalatenschap

Christoffel Thijsz. bevond zich in zijn latere levensjaren in een complexe familie- en vermogenssituatie, die pas goed zichtbaar wordt door notariële akten uit 1660–1681. Deze stukken laten zien dat zijn nalatenschap niet rechtstreeks via zijn huwelijk, maar via pleeg- en neefrelaties werd afgewikkeld.

Scheiding en hertrouwen (1660)

Op 20 januari 1660 vond voor de notaris Frans Uittenbogaard een scheiding en boedelscheiding plaats tussen Christoffel Thijsz. en zijn pleegdochter Levina Thijs, gehuwd met Guilliam Edmont. Deze akte markeert een formele breuk in de huishouding en wijst erop dat Levina tot dan toe deel had uitgemaakt van Christoffels directe leef- en vermogenssfeer.

In deze periode woonde Christoffel aan de Singel. In augustus 1660 hertrouwde hij met de 36-jarige Sara de Raet. In de huwelijksakte wordt hij expliciet aangeduid als weduwnaar van Magdalena Beltens, wat bevestigt dat zij getrouwd waren, alhoewel er geen akte bewaard gebleven is.

Overlijden en begrafenis van Christoffel Thijsz.

Volgens de gangbare lezing, afkomstig van Isabella van Eeghen, zou Christoffel Thijsz. op 28 augustus 1680 zijn begraven, afkomstig van de Fluwelenburgwal, tegenover de Lommerd.13 Van Eeghen suggereerde dat hij in dat geval mogelijk bij zijn schoonfamilie inwoonde. Deze identificatie blijft echter onzeker.

Op basis van recente reconstructie lijkt het aannemelijker dat Christoffel Thijsz. reeds in oktober 1669 overleed en werd begraven in de Westerkerk, in dezelfde maand en in dezelfde kerk als Rembrandt. In beide gevallen werd een begraafbelasting van 15 gulden voldaan. Deze samenloop van datum, plaats en begraafrecht wijst erop dat Christoffel tot dezelfde stedelijke midden- tot bovenlaag behoorde.

Zijn rol in de financiering van Rembrandts huis illustreert hoe leden van de familie Thijs actief waren in kredietverlening en vastgoedtransacties, waarbij juridische afwikkeling en betaling zich over lange perioden konden uitstrekken.

Erfgenamen en vastgoed (1681–1717)

De afwikkeling van Christoffels vermogen verliep via neef Nanning Cloeck en pleegkind Levina Thijs, want haar echte vader was Antonie Thijs.14

In 1681 trad Mr. Nanning Cloeck, inmiddels schepen, op als enige erfgenaam bij de verkoop van een huis aan de oostzijde van de Prinsengracht, bij de Reestraat.15 Deze transactie bevestigt dat Nanning Cloeck juridisch en materieel Christoffels nalatenschap beheerde.

In 1717 verkochten de erfgenamen van Levina Thijs — op dat moment aangeduid als enige erfgenaam van Magdalena Thijs — het naastgelegen pand De Hondsbos.16 Daarmee wordt zichtbaar dat het vastgoedbezit van de familie Thijs zich na Christoffels dood in meerdere lijnen splitste, met afzonderlijke juridische trajecten.

Loading